Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.3
2.3 De materiële rechtsplicht als grondslag voor het verbod
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955447:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Krans & Wissink 2022, nr. 10; Van der Wiel 2004, nr. 4.
Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 895 (TM).
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 36 (nr. 3): “Zo bestaat tussen twee personen slechts een verbintenis, indien dit uit de wet voortvloeit (art. 6.1.1.1); de afdwingbare rechtsplichten, die bij niet-naleving tot een vordering wegens onrechtmatige daad kunnen leiden, kunnen uit de wet, doch ook uit het ongeschreven recht voortvloeien (art. 6.3.1)”. Zie ook: HR 30 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AI1600, NJ 1958/548, m.nt. D.J. Veegens (Quint/Te Poel).
Asser/Sieburgh 6-I 2020, nr. 10.
Art. 3:296 BW strekt zich uit tot alle verplichtingen die voortvloeien uit het objectieve recht (‘rechtsplichten’).1 Onder deze omschrijving vallen zowel verbintenissen als andere rechtsplichten.2 Het onderscheid tussen deze verplichtingen is om verschillende redenen van belang. Zo kunnen verbintenissen niet uit het ongeschreven recht voortvloeien, terwijl andere rechtsplichten dat wel kunnen.3 Bovendien worden de gevolgen van niet-nakoming in belangrijke mate bepaald door het rechtskarakter van de geschonden verplichting (vgl. art. 6:74 e.v. BW en art. 6:162 e.v. BW).4
2.3.1 Het recht van de eiser en de rechtsplicht van de gedaagde2.3.2 De relatie tussen de materiële rechtsplicht en het verbod2.3.3 De rechtsplicht tot onthouding van rechtsinbreuk