Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/1.2.1
1.2.1 Probleemstelling
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250211:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 5.2.
Zie § 6.2.
Zie § 8.2.2.
Zie hoofdstuk 9.
Zie § 8.7.2.
Zie § 8.8.2.
HR 28 juni 2002, NJ 2002/447, m.nt. Maeijer (Akzo/ING). Ook gepubliceerd in JOR 2002/136, m.nt. Bartman.
HR 11 april 2014, NJ 2014/309, m.nt. Van Schilfgaarde (UWV/Econcern). Ook gepubliceerd in JOR 2014/199, m.nt. Van Dooren. Gelijkluidend: HR 11 april 2014, JOR 2014/198 (X/Econcern).
HR 20 maart 2015, NJ 2015/361, m.nt. Winter en Van Schilfgaarde (Minister van Financiën/VEB c.s.). Ook gepubliceerd in JOR 2015/140, m.nt. Josephus Jitta.
HR 3 april 2015, NJ 2015/255, m.nt. Van Schilfgaarde (Eikendal q.q./Lentink). Ook gepubliceerd in JOR 2015/191, m.nt. Faber en Vermunt.
HR 31 maart 2017, NJ 2018/26, m.nt. Van Schilfgaarde (SNS/Curatoren). Ook gepubliceerd in JOR 2017/221, m.nt. De Haan.
Sinds de introductie van het groepsregime in de jaren zeventig van de vorige eeuw bestaat er in de literatuur discussie ten aanzien van deze regeling. Deze discussie ziet in het bijzonder op de uitleg van de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij. Ik wijs bijvoorbeeld op de verdeeldheid over het antwoord op de vraag of een moedermaatschappij aansprakelijk is voor de schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht voordat de 403-verklaring is gedeponeerd.1 Er is ook geen eensgezindheid over de civielrechtelijke duiding van een vordering op grond van een 403-verklaring,2 over de reikwijdte van de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij als zij de 403-verklaring heeft ingetrokken,3 en over de gevolgen van een fusie of een splitsing van de moeder- of de 403-maatschappij voor de 403-aansprakelijkheid.4 Tot slot wijs ik op de verdeeldheid met betrekking tot het antwoord op de vraag welke partijen verzet kunnen instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid na intrekking van de 403-verklaring te beëindigen,5 en onder welke omstandigheden zij recht hebben op een vervangende waarborg voor de voldoening van hun vordering.6
Vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw heeft ook de jurisprudentie met betrekking tot het groepsregime een vlucht genomen, waarbij rechtsvragen niet altijd op dezelfde manier zijn beantwoord. Het valt op dat er tot 2014 slechts één arrest is gewezen dat specifiek betrekking heeft op de aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring: het Akzo/ING-arrest uit 2002.7 Sindsdien zijn er echter verschillende procedures gevoerd bij de Hoge Raad, te weten: het arrest UWV/Econcern,8 de beschikking Minister van Financiën/VEB c.s.,9 het arrest Eikendal q.q./Lentink10 en de beschikking SNS/Curatoren.11 Deze uitspraken hebben onder meer betrekking op de verhouding tussen de vorderingen van een crediteur op de moeder- en op de 403-maatschappij, en het recht van een crediteur om verzet in te stellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid na intrekking van de 403-verklaring te beëindigen.
De discussies in de literatuur, de uitspraken in de jurisprudentie die van elkaar afwijken en het feit dat de laatste jaren verschillende procedures bij de Hoge Raad zijn gevoerd, laten zien dat zeker nog niet alle rechtsvragen met betrekking tot de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij op grond van een 403-verklaring zijn beantwoord. Deze onduidelijkheid is onwenselijk. Een moedermaatschappij moet bijvoorbeeld zekerheid hebben voor welke schulden van de 403-maatschappij zij op grond van een 403-verklaring aansprakelijk is en omgekeerd moeten de crediteuren van de 403-maatschappij kunnen weten of zij zich ook op de moedermaatschappij kunnen verhalen. Daarnaast is het van belang dat de moedermaatschappij en de crediteuren weten onder welke voorwaarden een moedermaatschappij de 403-verklaring kan intrekken en de overblijvende aansprakelijkheid kan beëindigen.
Voorts leidt duidelijkheid omtrent de civielrechtelijke duiding van een vordering op grond van een 403-verklaring er bijvoorbeeld toe dat een crediteur weet of hij deze vordering onafhankelijk van de vordering op de 403-maatschappij kan cederen of verpanden, en of hij zich nog steeds op de moedermaatschappij kan verhalen als de 403-maatschappij de nakoming van haar schuld opschort of als de vordering op de 403-maatschappij is verjaard. Tot slot moeten partijen bij een fusie of een splitsing van de moeder- of de 403-maatschappij kunnen weten wat de gevolgen voor de 403-aansprakelijkheid zijn. Gaat deze aansprakelijkheid bijvoorbeeld onder algemene titel over op een verkrijgende rechtspersoon en is het mogelijk om de overblijvende aansprakelijkheid na intrekking van de 403-verklaring te beëindigen?