Executele
Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/I.G.2:I.G.2. De 'deception' van Letellier: 'une institution autonome conferant des droits propres'
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/I.G.2
I.G.2. De 'deception' van Letellier: 'une institution autonome conferant des droits propres'
Documentgegevens:
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS402655:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het zal wellicht niet meer verbazen dat het ook Letellier niet lukt om de executeur in te passen in de Franse civielrechtelijke rechtsorde en executele bestempelt als een autonome (p. 94), een unieke rechtsfiguur die geen evenbeeld heeft. Sui generis? Wederom een teleurstelling. Het zijn - als ik het goed zie - met name de fiduciaire aspecten die in zijn beleving (p. 91) aan executele kleven die inpassing in het Franse stelsel zo moeilijk maken en die hem doen afdrijven van de klassieke 'mandaatsleer':
'Pourtant, il nous semble que seule cette fiducie permettrait de guerir l'execution testamentaire de son malaise, en lui donnant une place dans l'ordre juridi-que.'
Wat hem in concreto met name van de klassieke Franse doctrine: 'l'assimila-tion de 'l'execution testamentaire a un mandat' verwijdert, is onder meer het feit dat een lastgeving in beginsel herroepelijk is (p.81). Hij vraagt zich af (p. 80) hoe een lasthebber (als vertegenwoordiger) 'contre eux', tegen de wil van de erfgenamen in kan handelen. En een vertegenwoordigde kan bij lastgeving de aan de lasthebber verleende bevoegdheden toch ook zelf uit oefenen (p. 83)? Waar hebben wij dit vaker gehoord? Hoe dankbaar moeten wij wel niet zijn met het fenomeen van de (onopzegbare) privatieve last in ons Nederlandse stelsel als wij ook Letellier met deze vragen zien worstelen. Hij kan de vertegenwoordigingsgedachte die aan de lastgeving gekoppeld is, niet inpassen met het oog op het feit dat de erflater overleden is. Hoe kan men een overledene vertegenwoordigen is ook een van zijn vele vragen. Immers: 'Une personne decedee n'est plus un sujet de droit.' Ook hier lijkt ons Nederlandse recht een antwoordop te hebben: art. 3:77 BW, een belangrijk erfrechtelijk houvast dat steeds weer zal opduiken en waarover dan ook hierna meer. Opmerkelijk is dat Letellier aan de ene kant (p. 77) 'erkent' dat een executele net als een overeenkomst van lastgeving gebaseerdis op het 'principe du consen-sualisme', zij het dat het aanbod voor overlijden gedaan is en de aanvaarding na overlijden, maar aan de andere kant de lastgevingsgedachte toch (mede) afwijst omdat deze aanvaarding op een ander later moment (na het overlijden): 'tient a la nature d'acte unilateral a cause de mort qu'est le testament' maar ook omdat het 'volontarisme en consensualisme' voor iedere overeenkomst geldt en niet exclusief voor 'het mandat'. Hij zet zijn afwijzing vervolgens kracht (p. 78) bij met de navolgende vergelijking, te weten dat men toch ook nog nooit geprobeerdheeft van een overeenkomst (met werking post mortem) een legaat onder last te maken oftewel: 'Jamais n'a tenté deramener au droit des contrats le legs, le legs avec charge, la fondation post mortem! Nooit? Hoe beter weten wij in ons recht. Art. 4:126 BW heeft onder nieuw erfrecht toch de quasi-legaatgedachte gelanceerd. Dit wordt inmiddels als een van de pijlers van ons nieuwe erfrecht ervaren.1 Ons Nieuw Burgerlijk Wetboek, waarvan mijns inziens nog lang niet alle verborgen luikjes naar hele nieuwe gangenstelsels geopend zijn, nodigt uit tot flexibel denken. Schakelen van overeenkomst naar erfrecht en van erfrecht naar overeenkomst mag en moet.
Letellier geeft de schuld van de 'autonomie' aan de ontstaansgeschiedenis van het instituut (p. 94). In deze rechtsfiguur zijn twee verschillende juridische denkwerelden en tegenovergestelde concepten samengevloeid, zodat: 'il n'en pouvait naïtre qu'une institution originale, difficilement qualifiable et dont l'analyse reste difficile'. Zijn in ons Burgerlijk Wetboek niet ook allerlei verschillende denkwerelden samengevloeid, waardoor de inpassing van onze executeur eenvoudiger zou moeten zijn? 'Verstopt' in noot 435 lijkt Letellier overigens (een aanzet voor) de 'oplossing' van het mysterie te geven:
'Sans doute la combinaison de l'execution testamentaire et la fiducie permettrait deresoudre ce malaise, et de donner a cette ancienne institution la moderation necessiare; car la fiducie s'inscrit parfaitement entre mandat et propriete,c'etait d'ailleurs la solution au Moyen Age.'
Men moet bij een zoektocht naar de 'ideale' rechtsfiguur oog hebben voor het goede van de verschillende rechtsculturen en dit durven laten samensmelten in een nieuw stelsel, waarbij met name de historische wortels van de rechtsfiguur een belangrijke rol spelen. Zit de oplossing in vertegenwoordiging met een vleugje fiducia? De gevonden figuur moet in ieder geval niet te snel als 'sui generis' worden afgedaan en zeker niet in een vermogensrechtelijk stelsel dat gebaseerd is op een gelaagde structuur. In heel recente Franse literatuur2 wordt reeds geleerd dat in de nieuwe wet de executeur 'un embryon de fiducie' is. Maar er is meer. De Fransen hebben ook op andere wijze de 'Common Law'-geest erfrechtelijk binnengelaten.