Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/3.2.4
3.2.4 Relatie met de inkomstenbelasting
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS394707:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Verburg geeft bijvoorbeeld aan dat de crux van de vennootschapsbelasting niet in haar bestaan als zodanig schuilt, maar in de wijze waarop zij zich verhoudt tot de inkomstenbelasting. J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Fiscale Handboeken nr. 4, 2000, paragraaf 1.2.
Een bespreking van de verschillende varianten valt buiten het bestek van dit onderzoek. Voor een overzicht van de verschillende varianten verwijs ik naar J.A.G. van der Geld, Hoofdzaken vennootschapsbelasting, FED fiscale studieserie nr. 31, 9e druk, Kluwer, 2013, paragraaf 2.1 en 2.2.
Het beschrijven en in kaart brengen van de Nederlandse inkomstenbelasting valt buiten het bestek van mijn onderzoek. Voor een uitgebreide uiteenzetting verwijs ik naar E.J.W. Heithuis/P. Kavelaars/B.F. Schuver, Inkomstenbelasting: almede hoofdzaken loonbelasting, Kluwer, FED studie serie nr. 35, 12e druk, 2016.
Hierover kan ook anders worden gedacht, zie cursus Belastingrecht, onderdeel Vpb.0.0.1.d3.III.
De vennootschapsbelasting kan niet los worden gezien van de inkomstenbelasting.1 Aangezien achter ieder lichaam uiteindelijk één of meerdere natuurlijke personen schuilen is deze relatie uiteraard niet vreemd. In de relatie met de inkomstenbelasting kan men twee uitersten onderscheiden.
Men kan het lichaam zelfstandig bezien ten opzichte van de aandeelhouder(s); het gevolg daarvan is dat de vennootschapsbelasting bezien kan worden als een persoonlijke belasting van lichamen; een belasting die op zich dus niets van doen heeft met de inkomstenbelasting. In Nederland wordt dit ook wel het klassieke stelsel genoemd.
Men kan het lichaam ook niet-zelfstandig bezien ten opzichte van de aandeelhouder(s), met andere woorden, het lichaam wordt dan als een verlengstuk van de aandeelhouder gezien. Er kan vervolgens op verschillende manieren (varianten) rekening worden gehouden met de dubbele belasting door aanpassingen aan de winstbelastingzijde of aanpassingen aan de inkomstenbelastingzijde.2
Nederland kende vanaf invoering van de vennootschapsbelasting in 1940 tot 1 januari 1997 alleen het klassieke stelsel. Met de aanpassing van het aanmerkelijk belangregime in 1997 werd het klassieke stelsel losgelaten voor aanmerkelijk belanghouders. De inkomstenbelasting in Nederland wordt vanaf 2001 tot nu gekenmerkt door een zogenoemde analytische systematiek. In box 1 worden de inkomsten uit werk en woning belast, in box 2 de inkomsten uit een aanmerkelijk belang en in box 3 de inkomsten uit sparen en beleggen.3 Onder de huidige wettelijke regels geldt het klassieke stelsel nog voor natuurlijke personen die hun belang in een lichaam houden door middel van hun persoonlijke (transparante) onderneming en met hun inkomsten uit dit belang in box 1 vallen (maximaal 52% tarief bij een inkomen van € 66.422). Op 10 oktober 2017 heeft de nieuwe regering het regeerakkoord voor de komende vier jaren bekend gemaakt, met daarin ook de nodige fiscale plannen. In de inkomstenbelasting wordt voorgesteld vanaf 1 januari 2019 nog maar twee tarieven te hanteren. Een laag tarief van 36,93% en een hoog tarief 49,5%. De tweede schijf met het hoge tarief vangt aan bij € 68.600.
Bij aanmerkelijk belanghouders wordt rekening gehouden met het feit dat er al vennootschapsbelasting wordt geheven, waardoor het tarief in de inkomstbelasting in box 2 op 25% is gesteld. De vennootschapsbelasting gecombineerd met het aanmerkelijk belang tarief bewerkstelligt een door de wetgever beoogde globale gelijkstelling met het progressieve inkomstenbelastingtarief voor natuurlijke personenondernemers. In het hierboven al genoemde regeerakkoord van 10 oktober 2017 is aangekondigd dat vanwege de verlaging van het vennootschapsbelastingtarief, het box 2 tarief wordt verhoogd naar 27,3% in 2020 en 28,5% vanaf 2021 met het oog op het “globaal evenwicht’’.
Aandeelhouders-natuurlijke personen met een belang van minder dan 5% worden in Nederland belast door een vermogensrendementsheffing met een tarief van 30% in box 3. De dubbele druk op inkomsten uit een lichaam is in veel gevallen substantieel lager zijn dan in box 1. Wetsystematisch blijft het klassieke stelsel mijns inziens nog gehandhaafd, omdat dit tarief geldt voor alle inkomsten uit vermogen.4