Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/3.2.3
3.2.3 Rechtsgrondslag
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS397116:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een mooi overzicht wordt onder andere gegeven in M.J.H. Smeets, Ontwikkeling van de belastingen op winsten van lichamen, WFR 1961/14.
Wat de inkomstenbelasting is voor natuurlijke personen, is de vennootschapsbelasting voor lichamen. Zie Leidraad bij het Besluit VPB 1942, paragraaf 1.
W.J. de Langen, De grondbeginselen van het Nederlandse belastingrecht, Alphen a.d. Rijn, Samson NV, 1954, deel 1, blz. 155.
F.H.M. Grappenhaus, De besloten NV fiscaal vergeleken met de persoonlijke ondernemer en met de open NV (dissertatie UvT), FED Amsterdam 1966.
H.A. Zeven, in zijn dissertatie getiteld Belastinghe ffing van naamloze vennootschappen, Haarlem: Tjeenk Willink 1941, blz. 33 t/m 37.
N. Kaldor, ‘An expenditure tax’, London: 1958, blz. 146.
Voor een uiteenzetting van deze rechtsgrondslagen verwijs ik naar Cursus Belastingrecht onderdeel VPB 0.01.e, Kluwer, 2014; J.A.G. van der Geld, Hoofdzaken vennootschapsbelasting, Kluwer, FED fiscale studieserie nr. 31, 9e druk, Kluwer, 2013, paragraaf 2.2 en J.Verburg, Vennootschapsbelasting, Fiscale Hand – en Studieboeken nr. 4 Kluwer, 2e druk, 2000, paragraaf 1.1 en 1.8.
Verslag MO, Kamerstukken II, 1968-1969, 6000, nr. 25, vraag 3.
J.A.G. van der Geld, Hoofdzaken vennootschapsbelasting FED fiscale studieserie nr. 31, 9e druk, Kluwer, 2013, paragraaf 2.2.
Voor een uiteenzetting van deze rechtsgrondslagen verwijs ik naar Cursus Belastingrecht onderdeel VPB 0.01.e, Kluwer, 2014; J.A.G. van der Geld, Hoofdzaken vennootschapsbelasting, FED fiscale studieserie nr. 31, 9e druk, Kluwer, 2013, paragraaf 2.2 en J.Verburg, Vennootschapsbelasting, Fiscale Handboeken nr. 4, 2000, paragraaf 1.1.
J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Fiscale Handboeken nr. 4, 2000, paragraaf 1.3.
Het in kaart brengen en analyseren van een rechtsgrondslag van de vennootschapsbelasting is al door velen gedaan.1 Als rechtsgrondslagen voor de vennootschapsbelasting komen bijvoorbeeld naar voren de antropomorfe visie2, het beginsel van de bevoorrechte verkrijging3, de van Grappenhaus afkomende term leer van het globale evenwicht4, de compensatie-theorie van Zeven5 en Kaldor6, het profijtbeginsel en het buitenkansbeginsel.7 De regering voerde bij de parlementaire behandeling van de wet op de vennootschapsbelasting 1969 daarnaast als “rechtsgrondslag’’ aan dat de vennootschapsbelasting budgettair gesproken niet meer weg te denken valt.8 Ik ben het met Van der Geld eens dat dit niet zozeer een rechtsgrondslag is, maar een verklaring voor het feit dat er een vennootschapsbelasting bestaat.9 Over het algemeen is de conclusie dat er geen eenstemmigheid is over de rechtsgrondslag van de vennootschapsbelasting in Nederland.10
Wat steeds terugkomt in de discussie over de rechtsgrondslag van de vennootschapsbelasting is de vraag wat de relatie is met de inkomstenbelasting (op die vraag ga ik in hoofdstuk 3.2.4 in) en de vraag wie de vennootschapsbelasting draagt. Verburg haalt diverse onderzoeken aan over de vraag wie de vennootschapsbelasting draagt en beschrijft opvattingen van auteurs en politici. Zijn conclusie is echter dat op de vraag, wie de vennootschapsbelasting draagt (ook) geen eenduidig antwoord is te geven.11