Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/9.3.1
9.3.1 Inleiding
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS585126:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Sprake is mijns inziens van, wat Gilmore heeft genoemd, een case law underground: een rechtsprincipe dat door de doctrine nog niet wordt erkend, maar in de rechtspraak door rechterlijke instanties, meestal onbewust, wordt toegepast. Gilmore 1974, p. 62, 63 schreef over case law undergrounds: “Until some scholar has discovered their existence and reported on them (…) no one knows of them. (…) Indeed, most of the time, it turns out that courts which decide such underground cased are apparently unaware that there are any other cases of the sort.”
Zie § 7.2.
Deze casus ontleen ik aan RG 29 maart 1938, JW 1938, 1959.
In § 6.2.3 bleek in de Amerikaanse en Duitse literatuur te worden onderkend dat het gegeven dat dezelfde schade door normconform handelen kan worden toegebracht betekenis kan hebben voor het antwoord op de vraag of met de geschonden norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden.
In hoofdstuk 10, 11, 13 en 14 zullen we zien dat het doel van een geschonden norm zich ook langs andere indirecte wegen laat vaststellen.
450. In het navolgende zal ik meer in het algemeen uitwerken hoe aansprakelijkheid wordt begrensd aan de hand van het rechtmatig alternatief.1 Voorop kan worden gesteld dat indien positief blijkt dat met de geschonden norm beoogd is om te beschermen tegen de schade zoals geleden, om die reden in beginsel aansprakelijkheid voor de door de normschending veroorzaakte schade dient te bestaan en de schade dus dient te worden toegerekend.2 Het gegeven dat de schade ook rechtmatig toegebracht had kunnen worden, is dan verder niet relevant.
In de volgende casus doet zich dit voor. A maakt een poster waarop B auteursrecht heeft na en schendt daarmee dat auteursrecht. B verkoopt hierdoor minder posters. Aangesproken tot schadevergoeding betoogt A dat hij ook een gelijksoortige, niet-inbreukmakende, poster had kunnen ontwerpen en verkopen en B daardoor minder posters zou hebben verkocht.3
De regeling van het auteursrecht is er juist om te zorgen dat degene die het auteursrecht op een werk heeft het exclusieve recht heeft op de met dat werk genereerbare inkomsten. Dat een ander met een vergelijkbaar, niet-inbreukmakend werk, kan bewerkstelligen dat de rechthebbende op het auteursrecht inkomsten derft, doet daar niets aan af. Om deze reden heeft het rechtmatig alternatief in deze casus geen betekenis.
451. Indien zich niet op de gebruikelijk wijze positief laat vaststellen dat met de geschonden norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, laat zich uit het gegeven dat dezelfde schade rechtmatig had kunnen worden toegebracht, soms langs indirecte weg vaststellen dat kennelijk niet is beoogd om ook tegen die schade te beschermen.4 De figuur van het rechtmatig alternatief laat zich om deze reden goed begrijpen als een wetssystematische manier om het doel van de geschonden norm vast te stellen. Wie het doel van een norm wil bepalen, grijpt in het algemeen naar de door de wetgever bij die norm, of bij de wet waar die norm deel van uitmaakt, gegeven aanwijzingen omtrent de beoogde bescherming. Soms laat zich echter uit het gegeven dat dezelfde schade op eenzelfde wijze zonder het schenden van een norm kan worden toegebracht, afleiden dat kennelijk niet beoogd is tegen die schade te beschermen. In § 9.3.2 bespreek ik diverse situaties waarin uit het bestaan van een rechtmatig alternatief volgt dat kennelijk met de geschonden norm niet beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden.5
Niet steeds is het echter zo eenvoudig: zoals in het voorgaande al bleek kan aan het gegeven dat de schade door een normschending is veroorzaakt en met die norm tegen bepaalde schadesituaties beoogd is te beschermen, soms ongeveer evenveel gewicht toekomen als aan het gegeven dat dezelfde schade op eenzelfde wijze zonder het schenden van een norm kan worden toegebracht. Het komt dan aan op het vinden van een redelijke grens aan aansprakelijkheid.
In het voorgaande bleek dit zich voor te doen zowel bij aansprakelijkheid voor het handelen zonder de benodigde vergunning (nr. 438) als in het geval van besluitenaansprakelijkheid (nr. 444). In het vervolg zal blijken dat dit verschijnsel zich meer in het algemeen voordoet (§ 9.3.3). Met name om deze reden is mijns inziens zinvol om de grens van het rechtmatig alternatief los te behandelen van de in hoofdstuk 8 besproken grens waarbij uit de op normale wijze vast te stellen bedoeling van de wetgever blijkt dat niet beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden.
In § 9.3.3 behandel ik enkele casus waaruit blijkt hoe relatief subtiele verschillen kunnen maken dat vanwege het bestaan van een rechtmatig alternatief aansprakelijkheid dient te worden begrensd of dat juist niet dient te gebeuren. In § 9.3.4 bespreek ik vervolgens een methode om te bepalen of aan de hand van het bestaan van een rechtmatig alternatief aansprakelijkheid dient te worden begrensd.