Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/54
54 De negative Feststellungsklage volgens het Bundesgerichtshof
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS393499:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Voetnoten
Voetnoten
MünchKommBGB/Grothe, § 194, nr. 2.
MünchKommBGB/Grothe, § 194, nr. 2.
MünchKommBGB/Grothe, § 194, nr. 4.
Zie voor het begrip Gestaltungsklage Stein/Jonas/Leipold 2008, vor § 253, nr. 88.
Hoewel onder een Anspruch slechts een Tun (doen) en een Unterlassen (nalaten) wordt begrepen, valt onder een Tun ook een ‘geven’. Zie Beck OK BGB/Henrich, § 19 4, nr. 13: ‘Tun ist dabei jedes aktive Handeln (zB Zahlung, Leistung von Diensten, Hingabe von sachen uns.).’
BGH 10 oktober 1991, NJW 1992, 436. Zie ook BGH 12 juli 2011, GRUR 2011, 995. Rdnr. 20: ‘Es mag zwar sein, dass sich hieraus, wie das BerGer. gemeint hat, noch keine konkrete Ankündigung rechtlicher Schritte für den Fall ergab, dass die Bekl. die erbetene Bestätigung nicht abgab. Darauf kommt es jedoch nicht an. Denn für die Berühmung ist nicht entscheidend, welche rechtlichen Schritte die Bekl. der Kl. angedroht hat, sondern welche materiellrechtlichen Ansprüche sie für sich in Anspruch genommen hat. Insoweit lassen die Äußerungen der Bekl. Entgegen der Auffassung des BerGer. nicht den Schluss zu, dass die Bekl. für den Fall, dass die erbetene Bestätigung seitens der Kl. nicht abgegeben werde, erst in die Prüfung etwaiger Ansprüche und ihrer rechtlichen Durchsetzbarkeit entreten werde. Vielmehr werden solche Ansprüche unzweideutig behauptet.’
BGH 10 oktober 1991, NJW 1992, 436, Rdnr. 14: ‘Demgegenüber enthält die bloße Ankündigung, unter bestimmten Voraussetzungen in eine Prüfung einzutreten, ob ein Anspruch gegen den Betroffenen besteht, noch keinen ernsthaften und hinreichend bestimmten Eingriff in dessen Rechtssphäre, der alsbaldiges Interesse an gerichtlicher Klärung eines Rechtsverhältnisses der Parteien zu begründen vermag.’
MünchKommZPO/Becker-Eberhard, § 256, nr. 38.
Het vereiste dat de gedaagde heeft gesteld dat hij een Anspruch heeft op de eiser, komt ook terug in de vaste rechtspraak van het Bundesgerichtshof. Volgens die vaste rechtspraak heeft de eiser belang bij een negative Feststellungsklage als toewijzing van de vordering een bepaalde onzekerheid wegneemt die voor de eiser een gevaar oplevert. Die onzekerheid ontstaat doorgaans, aldus het Bundesgerichtshof, doordat de gedaagde een Anspruch op de eiser heeft berühmt:
‘Ein solches Feststellungsinteresse besteht, wenn der Rechtsposition des Kl. eine gegenwärtige Gefahr der Ungewißheit droht und das Urteil geeignet ist, diese Gefahr zu beseitigen. Diese Ungewißheit entsteht regelmäßig aus einer vom Bekl. aufgestellten Bestandsbehauptung der vom Kl. verneinten Rechtslage. Der Bekl. muß sich eines Anspruchs gegen den Kl. “berühmen” (h. M., BGHZ 91, 37 (41) = NJW 1984, 1754 (…)). Ob der Anspruch tatsächlich besteht oder nicht, ist dabei ohne Belang. Dieses Berühmen braucht zwar nicht notwendig ausdrücklich zu geschehen (BGHZ 69, 37 (46) = NJW 1977, 1637 = LM § 280 ZPO Nr. 19). Andererseits reicht dafür ein bloßes Schweigen oder passives Verhalten im allgemeinen nicht aus, es sei denn, der Kl. darf aufgrund vorangegangenen Verhaltens des Bekl. nach Treu und Glauben eine ihn endgültig sicherstellende Erklärung erwarten. Im vorliegenden Fall kommt es daher entgegen der auffassung der Revision darauf an, wie die Bekl. sich verhalten hat, und ob der Kl. hiernach konkrete Befürchtungen hegen mußte, daß sie ihren rückständigen Trennungsunterhalt doch noch in einem Hauptsacheverfahren durchsetzen wollte.’1
De term Anspruch wordt in § 194 BGB gedefinieerd als een recht om van een ander een doen of een nalaten te vorderen.2 Onder het begrip Anspruch valt volgens de Duitse wetgever niet het recht op vaststelling van een rechtsverhouding.3 Dat geldt ook voor zogenaamde Gestaltungsrechte4oftewel rechten tot wijziging, opheffing of ontstaan van een rechtsverhouding of rechtstoestand.5 Vertaald naar het Nederlandse recht komt de hiervoor besproken overweging van het Bundesgerichtshof mijns inziens op het volgende neer. Degene die een negatieve verklaring voor recht vordert, heeft daarbij belang op het moment dat hij kan aantonen dat zijn vermogensrechtelijke positie concreet wordt bedreigd doordat de wederpartij in de preprocessuele fase heeft gesteld dat hij meent een geven, doen of nalaten te kunnen vorderen in de zin van art. 3:296 lid 1 BW.6
Of uit de preprocessuele stellingname van de gedaagde kan worden afgeleid dat hij heeft gesteld jegens de eiser een vordering in de zin van art. 3:296 lid 1 BW te hebben, is volgens het Bundesgerichtshof een kwestie van uitleg. In een arrest van 10 oktober 1991 besliste het Bundesgerichtshof dat van het berühmen van een Anspruch al sprake is als uit de preprocessuele stellingname van de gedaagde blijkt dat hij van mening is onder bepaalde voorwaarden (waarvan nog onzeker is of die voorwaarden zullen worden vervuld) een Anspruch te hebben op de eiser.7 Onvoldoende is, aldus het Bundesgerichtshof, de enkele aankondiging van de gedaagde dat hij onder bepaalde voorwaarden zal onderzoeken of hij een Anspruch jegens de eiser heeft. In dat geval is volgens het Bundesgerichtshof nog geen sprake van een serieuze en concrete inbreuk op de rechtspositie van de eiser waardoor het belang bij de vordering ontbreekt.8
Uit het voorgaande leid ik af dat de gedaagde in de preprocessuele fase in elk geval een zodanige stelling moet hebben ingenomen, dat voor de eiser in objectieve zin9 onzekerheid ontstaat over zijn vermogensrechtelijke positie. De rechter dient ambtshalve te toetsen of de eiser belang heeft bij de vordering, aldus het Bundesgerichtshof in een arrest van 13 juni 2012.10 Het belang valt niet weg op het moment dat de gedaagde hangende de procedure terugkomt op zijn stelling dat hij een Anspruch op de eiser heeft.11 Die verklaring geeft de eiser niet de benodigde rechtszekerheid, aldus het Bundesgerichtshof.12 Het belang bij de negative Feststellungsklage valt wel weg als partijen tot een schikking komen.13