Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/55
55 Voldoende belang bij de negatieve verklaring voor recht
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS393500:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Voetnoten
Voetnoten
Ter illustratie: de term ‘negatieve verklaring voor recht’ leidt tot slechts zeven resultaten binnen de in de NJ gepubliceerde rechtspraak. De term levert op rechtspraak.nl slechts vijftien resultaten op.
Strikwerda verwijst naar ‘Onrechtmatige daad, losbl., II nr. 201b (Van Nispen)’. Zie inmiddels Deurvorst, GS Onrechtmatige daad, regeling boek 6 BW, aant. 510 (losbladig en online).
In het arrest waarnaar Strikwerda verwijst, vorderde de eiser dat het Gerecht in Eerste Aanleg voor recht zou verklaren dat door hem voorgenomen handelingen rechtmatig zouden zijn ten opzichte van de gedaagden. De preprocessuele fase blijft in het arrest onbesproken. In alle instanties is de vordering inhoudelijk behandeld zonder dat het belang bij de vordering onderwerp van het partijdebat was of werd gemaakt door de rechter. Kennelijk leidt Strikwerda daaruit af dat Nijs c.s. in de onderhavige procedure belang heeft bij zijn vordering.
Hof ’s-Gravenhage 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2012:BY1532, IER 2009, 77.
Zie rov. 6.4.4. Zie ook Gemeenschappelijk hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 20 december 1994. De overwegingen van dit arrest zijn opgenomen in HR 16 februari 1996, NJ 1996, 367 (Divi/Berkel).
Nederlandse rechtspraak over de vraag wanneer de eiser belang heeft bij een negatieve verklaring voor recht is schaars.1 Uit HR 12 april 2013, NJ 2013, 502 (Stokke/Fikszo) volgt dat het belang bij de vordering die strekt tot een negatieve verklaring voor recht niet wordt verondersteld. Maar wanneer is sprake van voldoende belang als het gaat om een negatieve verklaring voor recht? In HR 20 januari 1989, NJ 1989, 375 (Nijs c.s./Ciba-Geigy) liet het hof ’s-Gravenhage zich daarover uit. Eisers in kwestie waren een arts, apotheker en een ziekenfonds (hierna: Nijs c.s.). Gedaagde was geneesmiddelenproducent Ciba-Geigy. Tussen partijen was discussie ontstaan over de handelwijze van Nijs c.s. bij het schrijven van recepten. Volgens Ciba-Geigy handelden Nijs c.s. onrechtmatig jegens haar doordat zij de merknaam van een duurder geneesmiddel gebruikten om daarmee een goedkoper middel aan te duiden. Nijs c.s. vorderden vervolgens een verklaring voor recht dat hun handelwijze wel rechtmatig was ten opzichte van Ciba-Geigy. De rechtbank nam aan dat Nijs c.s. voldoende belang hadden bij hun vordering. In hoger beroep klaagde Ciba-Geigy hierover. Het hof ’s-Gravenhage overwoog als volgt:
‘Voorop moet worden gesteld dat Nijs c.s. hun handelingen zijn begonnen voordat zij hun vorderingen aanhangig maakten en dat zij die handelingen tijdens de procedure voortzetten; een en ander blijkt uit de alinea 3 en 5 van de inleidende dagvaarding.
Indien iemand het standpunt inneemt, gelijk Giba-Geigy doet, dat een ander jegens hem onrechtmatig handelt, heeft die ander als regel rechtens voldoende belang om op zijn vordering door de rechter te laten vaststellen of zijn handelwijze al of niet rechtmatig is. Als regel mag immers worden aangenomen – ook onder omstandigheden als in de vorige alinea genoemd – dat de handelende immateriële, rechtens wegende, belangen bij zodanige vaststelling heeft, hierin bestaande dat hij – van wie als regel mag worden aangenomen dat hij niet onrechtmatig wenst te handelen – kan weten of zijn handelwijze al of niet rechtmatig is en voorts hierin dat, als zou worden vastgesteld dat zijn handelwijze onrechtmatig is, zulks op zijn eigen initiatief is uitgelokt, alsmede dat de handelende materiële belangen heeft bij zodanige vaststelling welke belangen in het bijzonder hierin bestaan dat hij niet behoeft te wachten op het instellen van een vordering door zijn wederpartij, zodat hij door tijdsverloop toenemende omvang van door hem eventueel aan zijn wederpartij te vergoeden schade kan beperken door tijdig zelf het initiatief tot een procedure te nemen en daardoor tevens kan beperken schade welke hij zelf lijdt indien hij, ingeval zijn handelwijze onrechtmatig wordt bevonden, die handelwijze moet staken, welke staking in de regel bezwaarlijker wordt, naarmate de handelwijze langer is voortgezet.’
Ciba-Geigy stelde tegen deze overweging van het hof cassatie in. A-G Strikwerda concludeerde – onder verwijzing naar HR 31 maart 1951, NJ 1952, 29 (Dominee) – dat algemeen is aanvaard dat de rechter bij gewijsde een verklaring voor recht kan geven dat een bepaalde daad jegens eiser onrechtmatig is. Volgens Strikwerda is naar huidige rechtsopvatting ook aanvaard dat een negatieve verklaring voor recht kan worden gegeven.2 Wel is, aldus Strikwerda, steeds vereist, zowel bij een positieve als een negatieve verklaring voor recht, dat de eiser belang heeft bij de door hem gevorderde verklaring voor recht. Met betrekking tot het belang van Nijs c.s. bij de negatieve verklaring voor recht stelde Strikwerda:
‘In de onderhavige zaak heeft het hof in de betwisting door Ciba-Geigy van het standpunt van Nijs c.s. grond gevonden om aan te nemen dat Nijs c.s. het vereiste belang bij het door hen gevorderde negatieve declaratoir hebben. Dit oordeel getuigt m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting. Zie o.m. HR 17 mei 1985, NJ 1986, 760.’3
De Hoge Raad kwam aan de vraag naar het belang niet toe omdat het middel in principaal appel faalde. Uit de overweging van het hof leid ik af dat voor de vraag of Nijs c.s. belang hadden bij hun vordering, relevant was dat Ciby-Geigy in de preprocessuele fase had gesteld dat Nijs c.s. onrechtmatig hadden gehandeld jegens haar. Ook van belang lijkt dat de verklaring voor recht van Nijs c.s. betrekking had op handelen van Nijs c.s. dat zij ‘voortzetten’ tijdens de procedure. Dat gegeven leidt volgens het hof in elk geval tot belang bij de vordering in die zin dat getoetst moet kunnen worden of een bepaalde handelwijze onrechtmatig is jegens een ander.
In een arrest van 20 juni 2009 besliste het hof ’s-Gravenhage dat de eiser onder omstandigheden ook belang kan hebben bij een negatieve verklaring voor recht zonder dat de gedaagde in de preprocessuele fase de eiser ‘aansprakelijk heeft gesteld of gedreigd met een verbodsactie’.4 Dit arrest van het hof ging vooraf aan het hiervoor aangehaalde HR 12 april 2013, NJ 2013, 502 (Stokke/Fikszo). Aanleiding voor het arrest van het hof vormde een auteursrechtelijke kwestie tussen Stokke AS en Fikszo over de zogenaamde Tripp Trapp kinderstoel. Stokke AS bracht deze kinderstoel in 1972 op de markt. Fikszo was eveneens producent van kinderstoelen, onder andere van de zogenaamde Bambino. Deze Bambino had Fikszo aan Gamma verkocht en volgens Stokke AS maakte Fikszo inbreuk op het auteursrecht van Stokke AS. Stokke AS vorderde in een procedure een verbod op verkoop, inclusief vergoeding van de geleden schade. Fikszo vorderde in reconventie een verklaring voor recht dat haar meegroeistoelen (de Amber, de Tamara, de Thomas en de Yasmine) geen inbreuk maakten op het auteursrecht van Stokke AS. Het hof overwoog dat degene die een verklaring voor recht vordert, voldoende belang bij zijn vordering moet hebben (artikel 3:303 BW). Volgens het hof geldt dat in het bijzonder als het, zoals in dit geval, een negatieve verklaring voor recht betreft:
‘Stokke c.s. zijn tijdens deze procedure voor het eerst met de Amber, de Yasmine en de Thomas geconfronteerd. Zij hebben dus niet voorafgaand aan deze procedure Fikzso c.s. aansprakelijk gesteld of gedreigd met een verbodsactie. Wel hebben zij in deze procedure inhoudelijk verweer gevoerd tegen de reconventionele vordering en zich op het standpunt gesteld dat de Amber, de Yasmine en de Thomas inbreuk maken op het auteursrecht op de Tripp Trapp. Fikzso c.s. betwisten dat de Amber, de Yasmine en de Thomas nog niet worden verhandeld. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden Fikzso c.s. alleen dan een rechtens te respecteren belang hebben bij hun vordering indien genoemde modellen kinderstoelen thans reeds op de markt zijn, althans indien aannemelijk is dat deze modellen binnenkort op de markt zullen worden worden gebracht. Het hof zal Fikzso c.s. in de gelegenheid stellen hun standpunt dat de Amber, de Yasmine en de Thomas thans reeds (in Nederland) op de markt zijn of binnenkort zullen zijn, te onderbouwen.’
Kennelijk geldt voor een verklaring voor recht die betrekking heeft op voorgenomen handelen, dat voor het belang bij de verklaring voor recht niet relevant is welk standpunt de wederpartij heeft ingenomen voordat de eiser de procedure aanhangig maakt, mits de eiser aannnemelijk kan maken dat hij het ‘voorgenomen handelen’ binnenkort zal gaan uitvoeren. In cassatie is de overweging van het hof in stand gebleven.5 Welk belang Fikszo had bij de negatieve verklaring voor recht, kwam in het arrest niet ter sprake. Uit de hiervoor besproken overweging leid ik af dat er wel sprake moet zijn van een concrete dreiging, maar geldt niet de (Duitse) eis dat die dreiging is uitgesproken.