Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/53
53 Vaststellen van het niet-bestaan van een rechtsverhouding
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS401749:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor, nr. 13.
Baltzer 1980, p. 1.
BeckOK ZPO/Bacher ZPO § 256, nr. 2; MünchKommZPO/Becker-Eberhard, § 256, nr. 9; Stein/Jonas/ Roth 2008, § 256, nr. 11.
Asser/Van Schaick 7-III* 2012/134. Van Schaick maakt die opmerking in het kader van de definitie van een vaststellingsovereenkomst. Zie hiervoor, nr. 21.
Leimgruber 2014, nr. 20.
Leimgruber 2014, nr. 21.
Zie hiervoor, nr. 13.
Allgemeine Gerichtsordnung für die Preussischen Staaten, Erster Theil, Prozessordnung, Titel 32, § 2, p. 747. Zie hierover ook Leimgruber 2014, nr. 42.
In hoofdstuk 2 kwam aan de orde dat een definitie van de negatieve verklaring voor recht in de Nederlandse rechtspraak en literatuur niet te vinden is. In het gunstigste geval wordt verwezen naar de Duitse negative Feststellungsklage.1 De term negatieve verklaring voor recht is, net als de synoniemen leugnende Feststellungsklage en verneinende Feststellungsklage, ontstaan in de procesrechtelijke leer en rechtspraak, aldus Balzer.2 Hij wordt gebruikt om de vordering aan te duiden die ertoe strekt een niet-bestaan van een rechtsverhouding vast te stellen (§ 256 lid 1 ZPO).3 Volgens Van Schaick is het ‘praktisch nauwelijks denkbaar is dat tussen partijen onzekerheid zou bestaan over hun rechtsposities ten aanzien van het voorwerp van hun meningsverschil terwijl er tussen hen geen rechtsverhouding zou bestaan’.4 Dat verklaart waarschijnlijk waarom het onderscheid tussen de positieve en negatieve verklaring voor recht op andere wijze wordt gemaakt. Volgens Leimgruber is voor het onderscheid tussen een negatieve en positieve verklaring voor recht het Rechtsschutzziel bepalend.5 Leimgruber beschrijft dit als volgt:
‘Ausslaggebend für die Identifizierung einer Feststellungsklage als negative Feststellungsklage ist, ob die Klägerin dem Beklagten als Konsequenz der von ihr beantragten Feststellung – die nicht notwendigerweise direkt eine solche Rechtsfolge zum Gegenstand haben muss – Rechte oder Ansprüche abspricht, die dieser zu haben behauptet.’6
Van een negatieve verklaring voor recht is dus volgens Leimgruber sprake als de gedaagde heeft gesteld een bepaald Recht of een bepaalde Anspruch te hebben op de eiser en de eiser een verklaring voor recht vordert die ertoe strekt het niet-bestaan van dat Recht of die Anspruch vast te stellen. De beschrijving die Leimgruber van de negatieve verklaring voor recht geeft, lijkt op de in hoofdstuk 2 besproken vroegere codificaties van de in § 256 I ZPO opgenomen mogelijkheid om het niet-bestaan van een rechtsverhouding te laten vaststellen.7 Zie bijvoorbeeld de volgende codificatie uit de Staat Pruisen:
‘Wenn jemand weiss, dass ein Anderer sich eines gewissen Anspruchs an ihn berühme, welchen er nicht einräumen will, so steht es ihm frei, selbst als Kläger in der Hauptsache wider denselben aufzutreten, und die Unrichtigkeit und Ungültigkeit des behaupteten Anspruchs rechtlich auszuführen.’8