Rb. Amsterdam, 17-01-2018, nr. C/13/562256 / HA ZA 14-348, nr. C13/604492 / HA ZA 16-301
ECLI:NL:RBAMS:2024:6650
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
17-01-2018
- Zaaknummer
C/13/562256 / HA ZA 14-348
C13/604492 / HA ZA 16-301
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Internationaal privaatrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2024:6650, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 06‑11‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2023:3454, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 24‑05‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2019:9965
ECLI:NL:RBAMS:2018:2040, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 17‑01‑2018; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2021:1940
ECLI:NL:RBAMS:2017:5512, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 02‑08‑2017; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2017:10663, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 01‑05‑2017; (Prejudicieel verzoek)
ECLI:NL:RBAMS:2015:1780, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 25‑03‑2015; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
AR 2017/4156
Uitspraak 06‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Luchtvaartkartel. Tussenvonnis. Schadeberekening. Praktische Gids betreffende de begroting van schade bij schadeacties wegens inbreuken op artikel 101 of 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Regressieanalyse. Vaststellen van de methodologie voor het bepalen van de overcharge aan de hand van door de deskundigen van partijen opgestelde Joint Expert Statement, waarin de deskundigen hebben uiteengezet op welke punten zij het eens zijn en op welke punten zij het oneens zijn ten aanzien van de methode voor het bepalen van de overcharge en de data en informatie waarop de analyse van de overcharge moet worden gebaseerd (‘agree-disagree statement’). Deskundigen gehoord op zitting. De rechtbank oordeelt dat de overcharge moet worden geanalyseerd volgens het one-step model – waarbij de overcharge analyse alleen is gebaseerd op shipper data – en de analyse moet worden uitgevoerd op het niveau van de totale door de shippers (cedenten) betaalde prijs.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummers / rolnummers:
C/13/562256 / HA ZA 14-348 (SCC I) en C/13/604492 / HA ZA 16-301 (SCC II)
Vonnis van 6 november 2024
in de zaken van
de stichting
STICHTING CARTEL COMPENSATION,
gevestigd te Den Haag,
eiseres,
advocaat mr. J. van den Brande,
tegen
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap
MARTINAIR HOLLAND N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LUFTHANSA CARGO A.G.,
gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC.,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. S.J. Thé,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIETE AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,
advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES LIMITED,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. D.A. van der Kooij,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. D.A. van der Kooij,
gedaagden,
alsmede in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/562256 / HA ZA 14-348 (Equilib I)
van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EQUILIB NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
advocaat mr. M.H.J. van Maanen,
tegen
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap
MARTINAIR HOLLAND N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIÉTÉ AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,
advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,
gedaagden,
en
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. D.A. van der Kooij,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES LIMITED,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. D.A. van der Kooij,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LUFTHANSA CARGO A.G.,
gevestigd te Kelsterbach, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SWISS INTERNATIONAL AIR LINES A.G.,
gevestigd te Basel, Zwitserland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
9. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. S.J. Thé,
10. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AIR CANADA,
gevestigd te Saint Laurent, Canada,
advocaat mr. J. Aveling,
11. de rechtspersoon naar buitenlands recht
CATHAY PACIFIC AIRWAYS LIMITED,
gevestigd te Hong Kong, China,
advocaat mr. Ph.W.M. ter Burg,
12. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SAS A.B.,
gevestigd te Stockholm, Zweden,
advocaat mr. W. Heemskerk,
13. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SCANDINAVIAN AIRLINES SYSTEM DENMARK-NORWAY-SWEDEN,
gevestigd te Stockholm, Zweden,
advocaat mr. W. Heemskerk,
14. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SAS CARGO GROUP A/S,
gevestigd te Stockholm, Zweden,
advocaat mr. W. Heemskerk,
gevoegde partijen,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/561169 / HA ZA 14-283 (Equilib II)
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EQUILIB NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. M.H.J. van Maanen,
eiseres,
tegen
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap
MARTINAIR HOLLAND N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIÉTÉ AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,
advocaat mr. dr. D.A.M.H.W. Strik;
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LUFTHANSA CARGO A.G.,
gevestigd te Kelsterbach, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC.,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. S.J. Thé,
gedaagden.
Eiseressen zullen hierna SCC en Equilib worden genoemd. Gedaagden (en gevoegde partijen) zullen hierna gezamenlijk de luchtvaartmaatschappijen worden genoemd.
1. Het (verdere) verloop van de procedure
1.1.
In het tussenvonnis van 24 mei 20231.(stelplicht) heeft de rechtbank de chronologische procedurele gang van zaken in alle zaken samengevat vanaf het tussenvonnis van 11 september 20192.. In die samenvatting staat, voor zover voor de thans voorliggende vragen relevant, het volgende:
Op 9 juni 2020 heeft een regiezitting plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. (…) Verder heeft de rechtbank tijdens die zitting voorgesteld dat de deskundigen van partijen in overleg zouden treden om te onderzoeken of zij het eens konden worden over de methode om de overcharge te berekenen alsmede over welke data en informatie daarvoor nodig zouden zijn.
De luchtvaartmaatschappijen hebben daarop gereageerd bij antwoordakte verstrekte gegevens van 16 december 2020, met als productie een rapport van de Berkeley Research Group (BRG). Eveneens op 16 december 2020 hebben partijen gezamenlijk een agree/disagree document van hun deskundigen over de berekening van de overcharge in het geding gebracht.
Op 11 februari 2021 heeft wederom een regiezitting plaatsgevonden. Daarin zijn de onderwerpen overcharge en volume of commerce (VoC) niet aan de orde gekomen.
Daarna heeft de rechtbank op 24 mei 2023 het stelplichtvonnis gewezen.
1.2.
Op 17 januari 2024 heeft weer een regiezitting plaatsgevonden. Op die zitting, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt, zijn diverse onderwerpen aan de orde geweest, waaronder, voor zover nu van belang: het vaststellen van de methodologie voor het bepalen van de overcharge, in het bijzonder
- -
a) te gebruiken transactiegegevens en basisstructuur regressieanalyse en
- -
b) toespitsen regressieanalyse op relevante prijzen.
De deskundigen van partijen – dr. G. Niels van Oxera Consulting LLP (Oxera) (SCC),
dr. N. Powers van Brattle Group (Brattle) (Equilib) en D. Kaplan van BRG (Luchtvaartmaatschappijen) – hebben ter zitting een toelichting gegeven op deze punten.
1.3.
Voorafgaand aan de regiezitting hebben partijen nadere stukken ingediend zoals vermeld in het proces-verbaal van de zitting.
1.4.
Het ‘agree/disagree document’ (Joint Expert Statement) is door Oxera, Brattle en BRG reeds in 2020 (naar aanleiding van de regiezitting van 9 juni 2020) opgesteld en op 16 december 2020 door partijen ingediend. In dit Joint Expert Statement hebben de deskundigen van partijen uiteengezet op welke punten zij het eens zijn en op welke punten zij het oneens zijn – voor zover nu van belang – ten aanzien van de methode voor het bepalen van de overcharge en de data en informatie waarop de analyse van de overcharge moet worden gebaseerd.
1.5.
SCC heeft bovendien – voor zover thans nog van belang – een door haar deskundige Oxera opgestelde overcharge analyse, gedateerd april 2020 (het Oxera-rapport) in het geding gebracht en SCC en Equilib beide een rapport van Oxera en Brattle gezamenlijk ‘Towards an agreed approach to determining the overcharge from the air cargo cartel’, gedateerd 20 december 2022 (hierna: gezamenlijk rapport Oxera-Brattle).
1.6.
Tijdens de zitting hebben de Luchtvaartmaatschappijen – zonder enige aankondiging vooraf – aangeboden de deskundigen (economen) van Equilib en SCC toegang te geven tot data van de Luchtvaartmaatschappijen ten behoeve van het uitvoeren van de overcharge analyse. Dit betreft, aldus de Luchtvaartmaatschappijen, grote hoeveelheden (bedrijfsvertrouwelijke) data die verschillende luchtvaartmaatschappijen beschikbaar hebben gesteld aan BRG in de context van de Air Cargo procedures in het Verenigd Koninkrijk.3.Het betreft data op het niveau van individuele luchtvrachtvervoertransacties. De Luchtvaartmaatschappijen bieden aan de economen van Equilib en SCC toegang te verstrekken tot de volgende data per luchtvaartmaatschappij over de volgende tijdsperiodes:
Luchtvaartmaatschappij | Periode |
Air France | juli 2003 – december 2012 |
British Airways | juli 2001 – december 2012 |
Japan Airlines | december 2003 – december 2012 |
KLM | december 1999 – december 2012 |
Lufthansa | januari 2001 – december 2012 |
Martinair | november 2004 – december 2012 |
SAS | december 1999 – december 2012 |
Singapore Airlines | juli 2001 – december 2012 |
Swiss Airlines | oktober 2002 – december 2012 |
De data worden aangeboden voor de volgende routes:
- -
luchtvrachtvervoersdiensten op routes tussen luchthavens in de EER; en
- -
luchtvrachtvervoersdiensten op routes tussen luchthavens binnen de EER en luchthavens buiten de EER.
De schatting van BRG is dat in totaal ongeveer 60 miljoen transacties binnen de reikwijdte van het data-aanbod vallen, aldus de Luchtvaartmaatschappijen. Aan het data-aanbod hebben de Luchtvaartmaatschappijen de voorwaarden verbonden dat (i) noch Equilib en SCC, noch hun advocaten, zelf enige (directe of indirecte) toegang tot de data zullen hebben en dat (ii) de economen van Equilib en SCC een non-disclosure agreement ondertekenen.
1.7.
Aan het eind van de zitting is vervolgens afgesproken dat Equilib en SCC zouden laten weten of zij het zinvol achtten om (buiten de rechtbank om) met de Luchtvaartmaatschappijen verder van gedachten te wisselen over dit ter zitting gedane data-aanbod of dat zij toch wensen dat de rechtbank (thans) uitspraak doet over de punten wat betreft de methodologie voor het berekenen van de overcharge.
1.8.
Equilib en SCC hebben met de Luchtvaartmaatschappijen nader van gedachten gewisseld over het data-aanbod, maar zijn niet tot overeenstemming gekomen. Partijen hebben de rechtbank dan ook verzocht een beslissing te nemen over de juiste uitgangspunten voor de methodologie voor het bepalen van de overcharge.
2. Standpunten van partijen
Joint Expert Statement
2.1.
Equilib en SCC stellen dat de achterliggende partijen (de shippers) als gevolg van het Kartel schade hebben geleden doordat zij teveel hebben betaald voor de door hen afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten. Die schade berekenen Equilib en SCC aan de hand van een economische analyse van:
- -
a) de value of commerce (VoC): de totale som van de daadwekelijk door de shippers betaalde prijzen voor de door hen afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten; en
- -
b) de overcharge: het verschil tussen de daadwerkelijk door de shippers betaalde prijzen voor de door hen afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten en de prijzen die zij zouden hebben betaald voor die luchtvrachtvervoersdiensten in het hypothetische geval dat het Kartel er niet zou zijn geweest.
De bepaling van de overcharge resulteert in een percentage (dat teveel is betaald). In het Oxera-rapport wordt dit percentage geschat op 10,69%. Als dat percentage wordt toegepast op het totaalbedrag van de VoC, is de schade die de shippers als gevolg van het Kartel hebben geleden, gegeven, aldus Equilib en SCC.
2.2.
De Luchtvaartmaatschappijen betwisten dat de shippers schade hebben geleden als gevolg van het Kartel, maar zijn het met Equilib en SCC eens dat eventuele schade op deze manier moet worden berekend.
2.3.
Partijen en hun deskundigen zijn het er ook over eens dat een regressieanalyse de aangewezen methode is om te bepalen of sprake is geweest van een overcharge. In de Praktische Gids4.staat de volgende uitleg over wat een regressieanalyse is:
“Regressieanalyse is een statistische techniek die helpt patronen te onderzoeken in de relaties tussen economische variabelen, en na te gaan in hoeverre een bepaalde onderzoeksvariabele (zoals in het voorbeeld van het meelkartel, de meelprijs) wordt beïnvloed door andere variabelen die geen invloed van de inbreuk ondergaan (zoals de kosten van grondstoffen, fluctuaties in de afnemersvraag, productkenmerken en het niveau van marktconcentratie). Met behulp van regressieanalyse kan derhalve worden beoordeeld of, en in welke mate, andere waarneembare factoren dan de inbreuk hebben bijgedragen aan het verschil tussen de waarde van de onderzoeksvariabele die gedurende de inbreukperiode op de inbreukmarkt is waargenomen en de waarde die op een vergelijkingsmarkt of gedurende een vergelijkingsperiode is waargenomen. Regressieanalyse is derhalve een manier om alternatieve oorzaken van het verschil tussen de vergeleken gegevensreeksen in aanmerking te nemen. Alle op vergelijking gebaseerde methoden kunnen in beginsel door middel van regressieanalyse worden uitgevoerd, mits voldoende gegevenswaarnemingen voorhanden zijn.”5.
2.4.
Uit het Joint Expert Statement blijkt dat de deskundigen van partijen het – in lijn met deze uitleg – over een groot aantal zaken (grotendeels) eens zijn, te weten:
- dat in de analyse onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds het effect van het Kartel op de relevante prijzen en anderzijds (door middel van zogenaamde control variables) de effecten van andere factoren die die prijzen mogelijk beïnvloedden, maar die zelf niet door het Kartel werden beïnvloed (factoren als gewicht, brandstofkosten, overige kosten en veranderingen in de vraag naar luchtvrachtvervoersdiensten);
- dat – om na te gaan wat er zou zijn gebeurd in het hypothetische geval dat het Kartel er niet zou zijn geweest – gekeken zou kunnen worden naar de perioden vóór en/of na het Kartel en dat in dit geval moet worden volstaan met een vergelijking van de prijzen tijdens de inbreukperiode en de prijzen ná de inbreukperiode (‘during and after comparison’), omdat onvoldoende data beschikbaar zijn van vóór de inbreukperiode;
- dat de relevante prijzen hier de eenheidsprijzen, oftewel de prijzen per kilogram, zouden kunnen zijn;
- dat ook de nawerking van het Kartel aan de hand van een econometrische of regressieanalyse kan worden geanalyseerd.6.
2.5.
De deskundigen zijn het er verder over eens dat ook (i) de vraag of en in hoeverre de overcharge als gevolg van de introductie, onderlinge afstemming en toepassing van de brandstof- en veiligheidstoeslagen (hierna: de toeslagen) zich heeft vertaald in corresponderende verlagingen op het niveau van de totale prijs (het zogenaamde ‘waterbedeffect’) en (ii) de vraag in hoeverre de freight forwarders de overcharge aan de shippers hebben doorberekend (de upstream pass-on), in de overcharge analyse moeten worden meegenomen, maar zij verschillen van mening op welke wijze (hoe en waar) dat moet gebeuren.
2.6.
Partijen en hun deskundigen verschillen van mening over de volgende punten:
( a) op basis van welke data moet de regressieanalyse worden uitgevoerd (data van de shippers of van de Luchtvaartmaatschappijen); en (in samenhang met (a))
( b) het niveau waarop de overcharge moet worden bepaald (op het niveau van de prijs die de shippers betalen en/of op het niveau van de prijs die de freight forwarders betalen); en
( c) op welk onderdeel en niveau van de prijs moet de analyse worden uitgevoerd (op het niveau van de totale prijs en/of op het niveau van alleen de toeslagen).
2.6.1.
Ad (a) en (b): Oxera en Brattle, met in hun voetspoor Equilib en SCC, staan het zogenaamde ‘one-step model’ voor, een analyse op basis van data en informatie van de shippers op het niveau van de totale prijs (zoals in het Oxera-rapport). Bij deze methode worden alleen transactiegegeven van de shippers/cedenten (achterliggende partijen van Equilib en SCC) gebruikt. BRG, met in haar voetspoor, de Luchtvaartmaatschappijen, staat daarentegen het zogenaamde ‘two-step model’ voor, waarin allereerst wordt bepaald of de Luchtvaartmaatschappijen een overcharge in rekening hebben gebracht bij hun afnemers, de freight forwarders, en vervolgens of en in hoeverre de freight forwarders een eventuele overcharge hebben doorbelast (upstream pass-on) aan de shippers (de cedenten/ achterliggende partijen van Equilib en SCC). Voor dit ‘two-step model’ zijn in de eerste plaats data (transactiegegevens) van de Luchtvaartmaatschappijen nodig (en vervolgens ook van de freight forwarders of shippers).
2.6.2.
Ad (c): BRG, met in haar voetspoor de Luchtvaartmaatschappijen, stelt zich op het standpunt dat – mocht er al sprake zijn van een kartel – dit alleen betrekking heeft gehad op de toeslagen, die slechts een relatief klein deel van de betaalde totale (all-in) prijs vertegenwoordigen (gemiddeld minder dan 20%). Alleen als sprake is van een overcharge in de toeslagen-component, moet worden onderzocht of sprake is van een overcharge in de totale prijzen. Oxera en Brattle, met in hun voetspoor Equilib en SCC, daarentegen menen dat de totale prijs moet worden geanalyseerd en dat niet alleen naar de toeslagen als component daarvan moet worden gekeken. Door een analyse op het niveau van de totale prijs kan het effect van het Kartel op de totale prijs worden bepaald. Het is volgens Oxera en Brattle onduidelijk hoe het Kartel de totale prijs heeft beïnvloed. In theorie is het mogelijk dat de overcharge die het gevolg is van de introductie, onderlinge afstemming en toepassing van de toeslagen zich heeft vertaald in (geheel of gedeeltelijke) corresponderende verlagingen op het niveau van de totale prijs (het zogenaamde ‘waterbedeffect’). Bij een analyse op het niveau van de totale prijs wordt automatisch rekening gehouden met dit mogelijke waterbedeffect.
2.7.
Partijen onderbouwen hun standpunten als volgt nader.
Luchtvaartmaatschappijen/BRG
2.7.1.
Of sprake is van een overcharge moet worden onderzocht op basis van de meest complete en beste data en dat zijn de data van de luchtvaartmaatschappijen:
(i) De data van de luchtvaartmaatschappijen zijn het meest directe bronmateriaal. Het verwijt is immers dat door afspraken of coördinatie (het Kartel) de toeslagen die luchtvaartmaatschappijen in rekening hebben gebracht zijn verhoogd. De data van luchtvaartmaatschappijen bevatten informatie over die toeslagen; het betreft de toeslagen als onderdeel van de eigen prijzen. (ii) Deze data zijn het meest compleet. De transactiegegevens van de luchtvaartmaatschappijen – tot een deel waarvan ter zitting onder voorwaarden toegang is aangeboden – omvatten circa 60 miljoen gegevens van transacties die daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Dat maakt dat op basis van deze dataset de meest betrouwbare en representatieve analyse kan worden uitgevoerd. Deze data zijn ook gebruikt in de context van procedures in het VK en de VS. De shipper data van SCC en Equilib bevatten slechts een fractie van de gegevens waarover de Luchtvaartmaatschappijen beschikken (SCC: circa 276.000 data; Equilib: circa 2 miljoen data).
(iii) De data van de luchtvaartmaatschappijen bevatten zeer gedetailleerde gegevens: informatie over de brandstof- en veiligheidstoeslagen waar het allemaal om draait. Die informatie biedt de mogelijkheid tot een gedetailleerde analyse van precies die onderdelen van de prijs die zijn gecoördineerd: de toeslagen. Deze toeslagen maken slechts een zeer beperkt onderdeel uit van de prijs die luchtvaartmaatschappijen in rekening brengen voor luchtvrachtvervoer.
2.7.2.
De data van de shippers (waarover SCC en Equilib beschikken) zijn niet geschikt. Deze data zijn geen direct bronmateriaal en zijn vervuild door twee factoren. Allereerst door allerlei kosten van freight forwarders die niets met de prijzen van de luchtvaartmaatschappijen te maken hebben. De prijzen die de freight forwarders in rekening brachten aan de shippers (of consignees) zagen vaak op veel meer dan alleen luchtvrachtvervoer, bijvoorbeeld ook op vervoer over de weg of over zee, opslag, inklaring etc. BRG heeft bovendien geconstateerd dat de verhouding tussen enerzijds de prijzen die luchtvaartmaatschappijen in rekening brachten aan freight forwarders en anderzijds de prijzen die freight forwarders in rekening brachten aan shippers (of consignees) enorm varieert. Ter zitting formuleerde een advocaat van de luchtvaartmaatschappijen het als volgt: “Simpel gezegd: er valt geen pijl op te trekken welk deel van het door de freight forwarder in rekening gebrachte bedrag betrekking had op luchtvrachtvervoer.” Ten tweede zijn de data vervuild door de onzekere – maar naar verwachting significante –impact van het freight forwarder kartel dat in dezelfde periode bestond. De data van de shippers zijn incompleet. De verdeling van deze data is over de jaren heel onregelmatig en de data bevatten grote gaten, zowel in de tijd als per cedent/achterliggende partij. Tot slot maken deze data veelal geen onderscheid tussen de brandstof- en veiligheidstoeslagen en de rest van de prijs voor luchtvrachtvervoer.
2.7.3.
Bovendien zijn de data van de luchtvaartmaatschappijen gebaseerd op de prijzen van de luchtvaartmaatschappijen waarop de coördinatie betrekking heeft gehad. Dat geldt niet voor de data van SCC en Equilib; die betreffen de prijzen die de shippers aan de freight forwarders hebben betaald. Dat is inclusief allerlei diensten die de freight forwarders leverden en een (in)directe winstmarge op de prijs die luchtvaartmaatschappijen aan freight forwarders rekenden.
SCC en Equilib/Oxera en Brattle:
2.7.4.
Oxera en Brattle (en Equilib en SCC) zijn van mening dat het one-step model voldoende betrouwbare resultaten oplevert. De one-step aanpak betreft de aanpak waarbij de overcharge analyse alleen is gebaseerd op shipper data. Voor de two-step aanpak zijn zowel data van de luchtvaartmaatschappijen als shipper data nodig, en moet een match worden gemaakt tussen die data, hetgeen slechts zeer beperkt mogelijk is, waardoor de bruikbare dataset significant kleiner wordt. Het one-step model is het model dat Oxera heeft gebruikt voor de overcharge analyse in het Oxera-rapport. De uitvoerbaarheid van het two-step model moet nog worden onderzocht. Het gaat in deze procedure om het vaststellen van de door shippers geleden schade. Het one-step model neemt de door de shippers betaalde prijzen tot uitgangspunt. De regressieanalyse kan worden uitgevoerd op basis van de door de shippers betaalde (totaal)prijzen, zolang eventuele aanvullende door freight forwarders in rekening gebrachte kosten tijdens en na het kartel systemisch vergelijkbaar zijn, dan wel indien het regressiemodel ook rekening houdt met eventuele wijzigingen in deze kosten over de jaren. Er is geen reden om aan te nemen dat de freight forwarder kosten tijdens en na het kartel zodanig systemisch van elkaar zouden verschillen dat daarmee in een regressiemodel geen rekening kan worden gehouden. Met eventuele verschillen kan bovendien rekening worden gehouden door het toevoegen van controlevariabelen.
2.7.5.
Voordelen van de one-step methode zijn verder dat:
- er een geschikte dataset beschikbaar is (die, anders dan de data van de luchtvaartmaatschappijen, reeds beschikbaar is gesteld aan alle deskundigen);
- het niet nodig is shipper data en data van de luchtvaartmaatschappijen één-op-één aan elkaar te koppelen;
- het niet nodig is om apart te analyseren of meerkosten door de freight forwarders daadwerkelijk zijn doorberekend aan de shippers. Indien en voor zover dat niet het geval zou zijn, zou de analyse op basis van uitsluitend shipper data geen positieve overcharge laten zien.
2.7.6.
Nadelen van het two-step model zijn dat:
- er twee regressiemodellen moeten worden ontwikkeld en zowel data van de luchtvaartmaatschappijen als shipper data gebruikt moeten worden, wat extra complicaties met zich brengt;
- de voor het two-step model vereiste match tussen de data van de luchtvaartmaatschappijen en de shipper data in belangrijke mate ontbreekt, waardoor de bruikbare dataset significant kleiner wordt en de uitkomst daarmee onbetrouwbaarder;
- de BRG-database belangrijke lacunes bevat en mogelijk niet volledig beschikbaar zal zijn; met als gevolg dat de geschikte dataset voor het uitvoeren van het two-step model relatief klein zal zijn en daarmee waarschijnlijk niet representatief.
3. De beoordeling
Inleiding en conclusie
3.1.
De rechtbank stelt drie dingen voorop. Allereerst: BRG, Brattle en Oxera zijn allemaal gerespecteerde deskundigen in dit vakgebied. Zij worden wereldwijd ingeschakeld om in procedures als deze de kartelschade te berekenen. De rechtbank heeft geen reden om aan hun deskundigheid te twijfelen. Ook partijen doen dat niet. Ten tweede: dé juiste of ideale methode om de overcharge (in dit geval) te berekenen bestaat niet. Ook de Praktische Gids beschrijft dat in gevallen als deze – waar indirecte afnemers schade vorderen – beide modellen, zowel het door Oxera en Brattle voorgestane one-step model als het door BRG voorgestane two-step model, in beginsel geschikt zijn om de overcharge te berekenen:
“166. In beide (…) situaties kunnen eisers en verweerders twee verschillende benaderingen volgen om hun bewering dat de meerprijs aan de indirecte afnemer is doorberekend, te staven: zij kunnen
(a) de initiële meerprijs berekenen en vaststellen in welke mate die aan de indirecte afnemer is doorberekend, mogelijk in verschillende stadia van de leveringsketen, daarbij gebruik makend van de eerder beschreven econometrische technieken, of
(b) de eerder beschreven methoden en technieken aanwenden om vast te stellen of de indirecte afnemer een meerprijs heeft betaald. Deze tweede aanpak zal vaak eenvoudiger te realiseren zijn.
167. Wanneer bijvoorbeeld een indirecte afnemer een vordering instelt ter compensatie van een door een kartel veroorzaakte meerprijs, kan die indirecte afnemer ofwel aantonen dat er een initiële meerprijs was en dat die aan hem is doorberekend, ofwel de aan zijn stadium in de leveringsketen doorberekende meerprijs berekenen op dezelfde wijze als een directe afnemer de initiële meerprijs zou berekenen, namelijk door de prijs die hij werkelijk heeft betaald, te vergelijken met de vermoedelijke prijs in een niet-inbreukscenario: op vergelijking gebaseerde methoden kunnen bijvoorbeeld nuttige aanwijzingen verschaffen over de door de indirecte afnemers betaalde prijzen, zonder dat de mate van doorberekening hoeft te worden vastgesteld. Uit een vergelijking in de tijd voor de prijzen die de indirecte afnemer vóór en tijdens de inbreuk betaalt, kan bijvoorbeeld worden opgemaakt hoeveel die prijzen ten gevolge van de inbreuk zijn gestegen, zonder dat de mate van doorberekening hoeft te worden vastgesteld.”
Het gaat er dus om een methode te vinden die betrouwbare resultaten oplevert. Ten derde: de deskundigen zijn het erover eens dat de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van het resultaat van een regressieanalyse valt of staat met de kwaliteit van de data.
3.2.
De vraag is dus met welke methode en welke (beschikbare) data een betrouwbare analyse kan worden gemaakt van de overcharge. Oxera en Brattle zijn van mening dat het one-step model – waarbij de overcharge analyse alleen is gebaseerd op shipper data, en de analyse wordt uitgevoerd op het niveau van de totale prijs – (voldoende) betrouwbare resultaten oplevert. De rechtbank volgt Oxera en Brattle hierin en is van oordeel dat de door hen voorgestane methode (voldoende) betrouwbare resultaten kan opleveren. Daar tegenover hebben de Luchtvaarmaatschappijen onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het two-step model – het model waarbij de overcharge eerst wordt geanalyseerd aan de hand van data van de luchtvaartmaatschappijen en vervolgens, na ‘matching’ van data van de luchtvaartmaatschappijen met shipper data, een analyse wordt uitgevoerd op het niveau van de toeslagen – betere (betrouwbaardere) resultaten zal opleveren. Dit wordt hierna toegelicht.
Data luchtvaartmaatschappijen of shipper data?
3.3.
BRG is van mening – en aanvankelijk ook Brattle – dat de regressieanalyse het beste op basis van de data van de luchtvaartmaatschappijen kan plaatsvinden, dat deze het meest compleet en kwalitatief het beste zijn en dus “more reliable” en “more suitable”. Oxera (Niels) heeft ter zitting toegelicht dat Brattle en Oxera niet tegen het gebruik van data van de luchtvaartmaatschappijen zijn. Ook deze data kunnen een goede bron zijn voor een robuuste analyse van de overcharge. Beide datasets hebben noodzakelijkerwijze hun imperfecties. Niels heeft vervolgens verklaard dat een robuuste overcharge analyse mogelijk is op basis van de beschikbare shipper data en dat Oxera deze analyse (dus) ook heeft uitgevoerd. De beschikbare shipper data hebben een passende geografische en temporele dekking en ook voldoende observaties. De dataset bevat 1,3 miljoen observaties van werkelijke transacties. Daarvan heeft Oxera in het basismodel er 261.000 gebruikt en “dat is voldoende voor een robuuste econometrische schatting”. De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring van de deskundige Niels te twijfelen en BRG (Kaplan) heeft ook niet weersproken dat het aantal van 261.000 observaties een statistisch significant resultaat kan opleveren. Brattle (McFadden) heeft weliswaar aanvankelijk het standpunt ingenomen dat een analyse op basis van de data van de luchtvaartmaatschappijen waarschijnlijk “more reliable” en “more suitable” zou zijn, maar deskundige Powers heeft ter zitting overtuigend toegelicht waarom Brattle zich thans aansluit bij Oxera; “(…) the potential benefits that Professor McFadden and the Brattle experts have articulated in the past have always been dependent on, and kind of have as a prerequisite that, airline data must be complete and representative. So, the value of airline data to satisfactorily resolve the questions before the court is diminished if there are concerns which I believe to be the case that the airlines are unable or unwilling to produce complete data covering all the relevant routes and airlines. So, whether intentionally or not, there is a significant potential for the resulting overcharge estimates to be biased. (… ) And from what little we know about the BRG database, we understand that it’s not complete in terms of airlines that are included in it and that covers only a limited period for several airlines including in some cases, starting well into the cartel period as late as 2004. On the other hand, we do feel that the assignor data are sufficiently reliable for the damages analysis. (…)”.
One-step model of two-step model?
3.4.
Zoals Niels ter zitting heeft toegelicht aan de hand van het volgende plaatje, geeft een analyse gebaseerd op shipper data de overcharge, zonder dat een uitgebreide matching exercise nodig is.

Als daarentegen de data van de luchtvaartmaatschappijen worden gebruikt, zijn twee stappen, twee analyses nodig. De eerste stap, de eerste analyse, is een regressieanalyse van de prijzen die de luchtvaartmaatschappijen in rekening hebben gebracht aan de freight forwarders. Dan is er nog een tweede stap nodig en moet met een tweede analyse worden vastgesteld wat de freight forwarders hebben doorberekend aan de shippers. Oxera en Brattle erkennen dat dit op zich mogelijk is, maar dan moeten er wel voldoende (betrouwbare) data beschikbaar zijn om die tweede analyse uit te kunnen voeren. Voor die analyse moeten – zoals ook BRG (Kaplan) erkent – data van de luchtvaartmaatschappijen worden gematcht met data van de shippers. Oxera heeft die analyse op deze manier (dus) niet kunnen uitvoeren, omdat de data van de luchtvaartmaatschappijen in deze procedure tot op heden niet voor de deskundigen van eisers beschikbaar zijn gemaakt. BRG heeft nog geen overcharge analyse gemaakt op basis van de data van de luchtvaartmaatschappijen, althans die is niet in het geding gebracht. Kaplan heeft echter verklaard dat op basis van zijn analyse van de BRG-database er slechts een relatief klein aantal transacties kunnen worden gematcht, te weten circa 45.000 transacties (of misschien “twice that”). Hij heeft niet (helder) nader kunnen toelichten hoe hij de matching vervolgens wil gaan uitvoeren om tot een betrouwbare analyse te komen en op basis van welke data. Niels heeft dit later nog eens benadrukt: “(…) we weten nog niet precies voor welke van die 45.000 je nu echt het helemaal eruit kunt halen wat de airline charge is en wat de andere charges [van de freight forwarders, rb] zijn.” En hij heeft hieraan toegevoegd: “(…) gewoon in het algemeen, statistiek (…). Het is hier niet een debat van wie heeft de grootste database, 60 miljoen versus 260.000 of 45.000. Statistisch gaat het erom een voldoende grote steekproef te hebben en als die voldoende groot is en dat kan, dan krijg je statistisch significante resultaten eruit. Dus, wat dat betreft, daarom zeg ik voor onze dataset, de shipper data, dat is voldoende groot, die 260.000. Het is 275.000, maar na de analyse met wat filtering is het 260.000. Die is voldoende groot om statistisch significante resultaten te krijgen, De onzekerheid daaromheen is dan wat groter omdat het een kleinere dataset is, maar de centrale schatting, die blijft hetzelfde.”
Totaalprijs of toeslagen?
3.5.
Brattle en Oxera hebben de rechtbank ook overtuigd dat de regressieanalyse moet worden uitgevoerd op de totaalprijs, de prijs die is opgebouwd uit de base price, de toeslagen en de marge van de freight forwarders (FF) (waarin ook vergoedingen voor andere door de freight forwarders aangeboden diensten kunnen zitten).
Partijen zijn het erover eens dat bij de prijsstelling tijdens de inbreukperiode sprake kan zijn geweest van een ‘waterbedeffect’: in theorie is het mogelijk dat een eventuele overcharge die het gevolg is van de introductie, onderlinge afstemming en toepassing van de toeslagen zich heeft vertaald in (geheel of gedeeltelijke) corresponderende verlagingen op het niveau van de totale prijs. Bij een analyse op het niveau van de totale prijs wordt automatisch rekening gehouden met dit mogelijke waterbedeffect.
Niels heeft dit toegelicht aan de hand van het volgende plaatje:

3.6.
Ook heeft Niels toegelicht dat een ander probleem met een analyse alleen op de toeslagen is dat er eenvoudigweg geen goede benchmarks zijn, omdat er vóór de inbreukperiode geen toeslagen waren en dat de toeslagen ook geen afzonderlijke dienst vertegenwoordigen. De uiteindelijke dienst – luchtvrachtvervoer – wordt afgenomen voor de totaalprijs en dus moet je naar (wijzigingen in) de totaalprijs kijken. Tot slot is het ook niet altijd mogelijk om de toeslagen te onderscheiden van de totaalprijs. Dat geldt voor de dataset van de shippers, maar waarschijnlijk ook voor die van de luchtvaartmaatschappijen, aldus Niels.
3.7.
BRG (Kaplan) heeft niet (goed) kunnen uitleggen hoe in zijn methode met dit mogelijke waterbedeffect rekening kan worden gehouden, dus hoe – als de analyse alleen wordt uitgevoerd op de toeslagen – het waterbedeffect kan worden getest. Hij stelt in dat verband “(…) We can also analyse all-in rates from the airlines, and it has been suggested in some of the papers by the consultancies there might be some reasons why we want to also look at all-in rates. And one has to do with this waterbed effect that if we do find a surcharge on fuel, let’s say it’s 3%. (…) Well, maybe some of the overcharge on the sliver of fuel and security got negotiated away when the freight forwarders and the carriers interacted with one another and haggled over the price, so it went away. So, looking at all-in rates would provide us with some information on that. (…)”. Daarmee heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk gemaakt wat dit “looking at” de totaalprijzen in het kader van de door hem voorgestelde analyse concreet zou inhouden, laat staan waarom dit wat betreft het rekening houden met een waterbedeffect tot een betrouwbaarder (of even betrouwbare) uitkomst zou leiden als de door Oxera en Brattle voorgestelde analyse op basis van (alleen) de totaalprijs. De luchtvaartmaatschappijen zelf hebben dit evenmin toegelicht maar hebben eenvoudigweg betoogd dat er eerst moet worden gestart met een analyse van de toeslagen op basis van de data van de luchtvaartmaatschappijen en dat alleen als daaruit zou komen dat sprake is van een overcharge, moet worden gekeken naar de totaalprijzen die de Luchtvaartmaatschappijen in rekening hebben gebracht.
3.8.
Tot slot hebben de Luchtvaartmaatschappijen (Kaplan) nog opgeworpen dat de toeslagen slechts (maximaal) 20% van de totaalprijs bedroegen en dat het dan onwaarschijnlijk is dat zo’n klein onderdeel van de prijs kan resulteren in de door Oxera berekende (ruim) 10% aan overcharge. Kaplan: “(…) Those surcharges (…) are about 20% of the total, all-in charges (…). (…) the focus of the alleged infringement is only on that sliver, not the all-in rates. (…) For example, we hear we’ve heard repeatedly Oxera estimating an overcharge using shipper data, but let me use it as a way of example of something in the 10 to 11% range. If you apply that 10 to 11% on the all-in rate, that whole € 100, but just applied to fuel and security surcharges less than 20 of the 100. You get an overcharge on just fuel and security as high as 60, 70, 80% of the fuel surcharge itself. And with all due respect, having looked at this for now, more than over 10 years, it doesn’t make any economic sense to find those type of results. (…)”.
3.9.
Dit klinkt op het eerste gezicht inderdaad onwaarschijnlijk en de rechtbank heeft Niels gevraagd hierop te reageren. Niels heeft uitgelegd dat dit helemaal niet onwaarschijnlijk of inconsistent is: “Als je bijvoorbeeld zou kijken naar een before/during-methode van overcharge-analyse, dus voor en tijdens, en je kijkt alleen naar de surcharges, dan zou je best eens kunnen zeggen van, hé, daarvoor was er helemaal niks en nu is het 20%, dus die hele 20% is de overcharge. Dat zou een benadering kunnen zijn, maar in onze benadering op de totaalprijs, wij vinden 10%. En dat is dus consistent met dat de surcharges 20% zijn. Wat het aangeeft, is dat de rest van die 10% is misschien het waterbed effect waar ik het over heb gehad. Dat er wordt geconcurreerd op die andere componenten of zoals ook werd genoemd, mogelijk dat er kostenstijgingen zijn geweest. En die kostenstijging, die nemen we juist nou ook precies mee in de regressieanalyse. Dus ik zou zeggen, het is wel consistent. Er werd gezegd en daar ben ik het eens met de heer Kaplan, dat de surcharges op zichzelf niet anticompetitief zijn. Dat is ook zo en juist daarom moet je ook niet naar de surcharges kijken voor je overcharge-analyse, maar juist naar de totale prijzen. Want de vraag is: wat is nou het effect van die coördinatie geweest, die inbreuk op de totale prijs?”
3.10.
De rechtbank vindt dit overtuigend.
Freight forwarders
3.11.
Tijdens zijn presentatie heeft Niels zelf de vraag opgeworpen (het grootste bezwaar dat BRG heeft bij deze methode (het one-step model) en de vraag die ook bij de rechtbank leeft): “hoe weten we nou wat die freight forwarders precies hebben gedaan?” Niels geeft toe dat dit in zeker zin een ‘black box’ is, want geen van partijen heeft directe informatie van de freight forwarders. Onduidelijk is wat de rol van de freight forwarders precies is, hoe zij hun prijzen bepalen en wat voor diensten zij aanbieden. Die ‘black box’ is er echter in beide methodes (in het two-step model te vinden in de tweede stap) en daar bestaat geen perfecte oplossing voor. Bij de methode van BRG is er het probleem van de matching. Powers (Brattle) en Niels hebben vervolgens toegelicht dat Oxera dit probleem in haar analyse heeft verwerkt met econometrische methodiek/tools. Powers: “In the past submissions the Brattle experts have noted that airline data is more informative to the question of the overcharge charged by the defendants to the direct purchasers, i.e. freight forwarders. But that overcharge is not the appropriate measure of damages. It’s just the first part of the puzzle. And second (…) it is standard to include variables to isolate the effects of different factors that might cause prices to change. And so in this case including variables to isolate those effects, the effects of changes in freight forwarder conduct or costs, including but not limited to variables that capture the effects of the four short lived freight forwarder cartels are sufficient to alleviate the potential concerns related to the presence of freight forwarder charges in assignor data. So, these are very standard bread and butter econometric tools that are used in multivariate regression analysis to address this complexity.” Niels heeft vervolgens nader toegelicht dat het niet nodig is om (bij benadering) te bepalen welk deel van de totaalprijs de marge van de freight forwarders (FF-marge) omvat en welk deel van de totaalprijs aan de luchtvaartmaatschappijen ten goede is gekomen. Hoewel de nauwkeurigheid van de resultaten zou kunnen worden beïnvloed door mogelijk een aanzienlijke variatie in de FF-marge, zou de totaalprijs in de shipper data alleen vertekend kunnen zijn als die variatie gecorreleerd zou zijn met de Kartelperiode. Op basis van de econometrische modellen heeft Oxera geen indicatie dat dit het geval zou zijn geweest. Oxera heeft geconstateerd dat het karteleffect niet wordt beïnvloed door variatie in de FF-marge (zelfs niet als die variatie aanzienlijk is), omdat er geen significant verschil is in de variatie van de FF-marge tijdens en na het Kartel (er is – dus – geen correlatie met de Kartelperiode). Oxera (Niels) heeft geconstateerd dat er geen systematische verschillen zitten in de manier waarop de freight forwarders hun marges of diensten prijzen tijdens de Kartelperiode en daarna en, zolang er geen systematisch verschil is, is er geen reden om aan te nemen dat de FF-marge een verstoring kan zijn van de overcharge analyse.
3.12.
Hij heeft dat als volgt nader toegelicht aan de hand van de volgende grafiek:

De bovenste rij (zwarte) puntjes zijn allemaal observaties van transacties: de prijs en de kosten. Dat is wat Oxera heeft gezien in haar overcharge analyse: de horizontale (groene) lijn links (tijdens de inbreukperiode) is dus structureel hoger dan die in de periode na het kartel. De onderste rij (grijze) puntjes is puur hypothetisch; dat zijn de FF-marges en hier is te zien dat, zelfs als die heel veel fluctueren in de tijd, er geen systematisch verschil optreedt. Het verschil dat Oxera observeert – de overcharge in de bovenste rij (zwarte) puntjes – is dus puur toe te schrijven aan het verschil in de prijs die de luchtvaartmaatschappijen in rekening brengen (de middelste rij – de groene puntjes). Desgevraagd heeft Niels bevestigd dat Oxera voor haar analyse gegevens heeft gebruikt uit de airway bills en dat in de FF-marge niet alleen de marges van de freight forwarders op de door de luchtvaartmaatschappijen in rekening gebrachte luchttransportkosten zitten, maar ook de kosten van eventuele andere diensten die de freight forwarder heeft geleverd (zoals vervoer over land of zee of opslag). Dat is, zo geeft Niels toe, niet ideaal, maar omdat er geen systematische verschillen zijn tijdens en na de kartelperiode in de extra kosten die de freight forwarders in rekening brengen aan de shippers (waar die kosten ook voor zijn), is het geen onoverkomelijk probleem. Oxera heeft ook bestudeerd hoe de markt van de freight forwarders zich heeft ontwikkeld en er zijn weinig of geen indicaties dat de FF-marges structureel verschillen tijdens en na de inbreukperiode. Ook in andere air cargo procedures is, aldus Niels, algemeen aangenomen dat de freight forwarders de prijzen gewoon doorgeven. Ook heeft Oxera in de gevoeligheidsanalyses van haar regressieanalyse met een ‘dummy variable’ zoveel mogelijk gecontroleerd voor de freight forwarder kartels die in de inbreukperiode hebben bestaan. Deze gevoeligheidsanalyses geven Oxera voldoende vertrouwen dat de overcharge analyse nog steeds robuust is (uitkomst 9,3% in plaats van 10,7% en dat is nog steeds statistisch significant). Powers heeft bevestigddat Oxera heeft aangetoond dat er geen sprake is van een systematisch verschil. Hij heeft daaraan toegevoegd: “He (Kaplan (BRG), rb) has speculated that there is one. But he has not shown that he is right.” Aldus heeft Niels deze vraag voldoende beantwoord en daarmee de zorg van de rechtbank voldoende weggenomen.
Conclusie
3.13.
Dit alles leidt tot het volgende oordeel ten aanzien van de aspecten van de (methode voor de berekening van de) overcharge analyse waarover partijen en hun deskundigen van mening verschillen (zie 2.6): de overcharge moet worden geanalyseerd volgens het one-step model – waarbij de overcharge analyse alleen is gebaseerd op shipper data – en de analyse moet worden uitgevoerd op het niveau van de totale door de shippers (cedenten) betaalde prijs.
4. De beslissing
De rechtbank
4.1.
verwijst de zaken naar de rol van 15 januari 2025 voor uitlating partijen over de wijze van voortprocederen,
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. A.E. de Vos en mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑11‑2024
De in het stelplichtvonnis van 24 mei 2023 in r.o. 2.8 e.v. genoemde ‘BRG Database’.
Praktische Gids betreffende de begroting van schade bij schadeacties wegens inbreuken op artikel 101 of 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie
Praktische Gids, p. 28, randnr. 68
Equilib had aanvankelijk ook nog de vraag opgeworpen of de overcharge analyse al dan niet zou moeten worden gesegmenteerd (naar route of anderszins), maar hier is in het verdere debat tussen (de deskundigen van) partijen geen aandacht meer aan besteed, reden waarom de rechtbank het ook verder buiten beschouwing laat.
Uitspraak 24‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Luchtvaartkartel. Vervolg op ECLI:NL:RBAMS:2019:9965. Stelplicht litigation vehicles SCC en Equilib. SCC en Equilib moeten (conform opdracht rechtbank op de voet van artikel 22 Rv) voor iedere achterliggende partij onderbouwen dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Betekenis Otis-arrest (ECLI:EU:C:2019:1069) en Europeesrechtelijke begrip ‘onderneming’. Wegwijsplicht.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummers / rolnummers:
C/13/562256 / HA ZA 14-348 (SCC I) en C/13/604492 / HA ZA 16-301 (SCC II)
Vonnis van 24 mei 2023
in de zaken van
de stichting
STICHTING CARTEL COMPENSATION,
gevestigd te Den Haag,
eiseres,
advocaat mr. J. van den Brande,
tegen
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap
MARTINAIR HOLLAND N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LUFTHANSA CARGO A.G.,
gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC.,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. S.J. Thé,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIETE AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,
advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES LIMITED,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat,
gedaagden,
alsmede in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/562256 / HA ZA 14-348 (Equilib I)
van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EQUILIB NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
advocaat mr. M.H.J. van Maanen,
tegen
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap
MARTINAIR HOLLAND N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIÉTÉ AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,
advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,
gedaagden,
en
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES LIMITED,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LUFTHANSA CARGO A.G.,
gevestigd te Kelsterbach, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SWISS INTERNATIONAL AIR LINES A.G.,
gevestigd te Basel, Zwitserland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
9. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. S.J. Thé,
10. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AIR CANADA,
gevestigd te Saint Laurent, Canada,
advocaat mr. K.A.J. Bisschop,
11. de rechtspersoon naar buitenlands recht
CATHAY PACIFIC AIRWAYS LIMITED,
gevestigd te Hong Kong, China,
advocaat mr. Ph.W.M. ter Burg,
12. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SAS A.B.,
gevestigd te Stockholm, Zweden,
advocaat mr. W. Heemskerk,
13. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SCANDINAVIAN AIRLINES SYSTEM DENMARK-NORWAY-SWEDEN,
gevestigd te Stockholm, Zweden,
advocaat mr. W. Heemskerk,
14. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SAS CARGO GROUP A/S,
gevestigd te Stockholm, Zweden,
advocaat mr. W. Heemskerk,
gevoegde partijen,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/561169 / HA ZA 14-283 (Equilib II)
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EQUILIB NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. M.H.J. van Maanen,
eiseres,
tegen
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap
MARTINAIR HOLLAND N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIÉTÉ AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,
advocaat mr. dr. D.A.M.H.W. Strik;
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LUFTHANSA CARGO A.G.,
gevestigd te Kelsterbach, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC.,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. S.J. Thé,
gedaagden.
Eiseressen zullen hierna SCC en Equilib worden genoemd. Gedaagden (en gevoegde partijen) zullen hierna gezamenlijk de luchtvaartmaatschappijen worden genoemd.
1. De procedures vanaf het tussenvonnis van 11 september 2019
1.1.
Voor de overzichtelijkheid heeft de rechtbank hierna de chronologische procedurele gang van zaken in alle zaken samengevat vanaf het tussenvonnis van
11 september 2019, voor zover hier relevant. De hierna genoemde processtukken/proceshandelingen behoren alleen tot het procesdossier van de zaak/zaken waarin zij zijn genomen/verricht.
1.2.
Bij tussenvonnis van 11 september 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:9965) is, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:
“(…)
4.2.
Nu thans de kern van de zaak aan de orde is – de (aan Equilib en SCC gecedeerde) schadevergoedingsvorderingen – ligt het in de rede om het Nederlands procesrecht (weer) te volgen, te beginnen met de regels over stelplicht en bewijslast, neergelegd in artikelen 149 en 150 Rv. De uit die artikelen voortvloeiende stelplicht brengt mee dat de eisende partij alle feiten dient te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het door haar beoogde rechtsgevolg. Dit brengt mee dat bij aanvang van de procedure, in de dagvaarding, alle feitelijke elementen moeten worden aangevoerd die op basis van de wet nodig zijn voor de toewijzing van de vordering. Die feitelijke elementen moeten ook worden geconcretiseerd; met algemeenheden kan niet worden volstaan. Wel is er ruimte om in een latere fase van de procedure – nadat ook het verweer bekend is geworden – de feiten nader te concretiseren, aan te vullen en, zo nodig, (nader) te onderbouwen. Wanneer niet is voldaan aan de stelplicht, kan reeds op die grond de vordering worden afgewezen.
(…)
4.4.
Bij de beoordeling mag in dit verband voorts niet uit het oog worden verloren dat de vorderingen van Equilib en SCC rechtens niets anders zijn dan de verzamelde vorderingen van ieder van de shippers/cedenten. Er is geen sprake van een collectieve actie door een belangenorganisatie op de voet van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een litigation vehicle als zodanig heeft geen (bijzondere) positie in het Nederlands procesrecht.
4.5.
Dit alles brengt met zich dat Equilib en SCC per shipper/cedent aan de stelplicht zullen moeten voldoen.
4.6.
De rechtbank verwijst naar het vonnis van deze rechtbank van 15 mei 2019 over de stelplicht van litigation vehicles in diverse tegen truckfabrikanten aangespannen zaken (ECLI:NL:RBAMS:2019:3574) en naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 februari 2019 over de stelplicht van een litigation vehicle (EWD) in het liftenkartel (ECLI:NL:GHARL:2019:1060). In dat arrest heeft het hof, voor zover van belang, het volgende overwogen:
“(…)
5.20. (…)
Al met al vormen (concrete gegevens over) de contracten in deze zaak een onmisbare bouwsteen voor (de feitelijke grondslag van) het conditio sine qua non-verband (…) als ook voor het bestaan (en de omvang) van schade aan de zijde van (ieder van) de achterliggende partijen. Door de desbetreffende informatie niet, althans niet ordentelijk, in het geding te brengen heeft EWD nagelaten een voldoende adequaat partijdebat en daarop volgend rechterlijk oordeel mogelijk te maken.
(…)
5.23.
In hoger beroep heeft EWD (…) op een elektronische gegevensdrager ‘de onderliggende bescheiden en gegevens’ in het geding gebracht, ‘waaruit van de omvang van de bestedingen van de Zorginstellingen blijkt.’ Deze documenten met een omvang van ca. 15.000 pagina’s zijn ongesorteerd en door EWD niet van enige toelichting voorzien. Voorkomende bedragen zijn niet gerelateerd aan overeenkomsten. Daarmee worden de hiaten die EWD ten opzichte van haar stelplicht deed ontstaan (zie ook hiervoor onder 5.22) geenszins opgelost.
5.24.
Het hof deelt, samengevat, de visie van geïntimeerden en de rechtbank dat procederen op deze wijze, hoezeer ook wenselijk is dat gedupeerden van een kartel worden gecompenseerd, niet mogelijk is. (…)”
4.7.
Ook de rechtbank Rotterdam heeft onlangs in het liftenkartel een uitspraak gedaan over de stelplicht van een litigation vehicle (rechtbank Rotterdam 29 mei 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4441).
4.8.
Tot nu toe hebben Equilib en SCC slechts gesteld dat zij vorderingen hebben overgenomen van de shippers vermeld op door hen overgelegde lijsten (in het geval van Equilib: annexen en in het geval van SCC: productie 56 bij antwoordakte rechtsgeldigheid cessies, tevens akte houdende vermindering van de grondslag van de eis) die luchtvrachtvervoer zouden hebben afgenomen. Een nadere onderbouwing en specificatie van die vorderingen (of luchtvrachtdiensten) hebben Equilib en SCC nog niet gegeven. De enige nadere specificatie die Equilib heeft gegeven betreft de matrix die Equilib op 4 november 2015 in het geding heeft gebracht met daarin een overzicht van de top 10 routes per jaar en per land. SCC heeft in de inleidende dagvaarding (en thans in haar aktes) een kwantificatie gegeven van het luchtvrachtvervoer dat de shippers/cedenten zouden hebben afgenomen, maar zij heeft (nog) geen enkel inzicht gegeven in de onderbouwing daarvan. SCC heeft slechts foto’s van mappen met airwaybills in het geding gebracht.
4.9.
In lijn met wat de rechtbank ook in haar vonnissen van 25 maart 2015 en 22 juli 2015 reeds heeft aangekondigd en de hiervoor onder 4.6 en 4.7 genoemde uitspraken van deze rechtbank, het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de rechtbank Rotterdam in andere kartelschadezaken, moet worden geoordeeld dat thans het moment is aangebroken dat Equilib en SCC de (door de shippers aan hen gecedeerde) vorderingen nader met stukken zullen moeten onderbouwen, althans relevante data betreffende de aan de vorderingen ten grondslag liggende vluchten/transacties in het geding moeten brengen. Het is aan Equilib en SCC om aan deze onderbouwing van hun vorderingen nader invulling te geven. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen lijken te stellen, bestaat er (naar Nederlands (proces)recht) geen grondslag om Equilib en SCC te verplichten alle categorieën van gegevens die vermeld zijn op de in de Engelse procedure opgestelde ‘Scott Schedules’ te verstrekken of om Equilib en SCC anderszins op te dragen hoe zij invulling moet geven aan hun verplichting hun vorderingen voldoende te onderbouwen.
(…)
4.11.
Met de luchtvaartmaatschappijen is de rechtbank van oordeel dat de stelplicht van Equilib en SCC zich tevens uitstrekt tot de – door hen gestelde en aan hun vorderingen ten grondslag liggende – upstream pass on (de stelling dat de freight forwarders de toeslagen (volledig) aan de shippers hebben doorberekend). Equilib en SCC beroepen zich immers op het rechtsgevolg van deze doorberekening en moeten op de voet van artikel 150 Rv deze stelling onderbouwen en zo nodig bewijzen. Ook deze onderbouwing zullen Equilib en SCC in dit stadium van de procedure derhalve moeten geven. Indien SCC, zoals zij in haar akte van 12 juni 2019 lijkt te stellen, van mening is dat zij deze stelling reeds in de dagvaarding voldoende heeft onderbouwd, kan zij volstaan met een herhaling van haar stellingen op dit punt in de dagvaarding.
(…)”.
1.3.
SCC en Equilib hebben op 23 oktober 2019 respectievelijk 6 november 2019 een akte overlegging producties genomen ter nadere onderbouwing van hun stelplicht.
1.4.
SCC heeft op 22 april 2020 een akte vermeerdering eis met producties ingediend. Daarop hebben de luchtvaartmaatschappijen bij akte van 6 mei 2020 gereageerd.
1.5.
Op 9 juni 2020 heeft een regiezitting plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Op die zitting zijn de in het proces-verbaal genoemde aktes overlegging producties door de luchtvaartmaatschappijen genomen en een akte van SCC met een reactie daarop. De rechtbank heeft op 9 juni 2020 onder meer beslist dat het nu aan de luchtvaartmaatschappijen was om te reageren op de gegevens die SCC en Equilib in het geding hadden gebracht. Verder heeft de rechtbank tijdens die zitting voorgesteld dat de deskundigen van partijen in overleg zouden treden om te onderzoeken of zij het eens konden worden over de methode om de overcharge te berekenen alsmede over welke data en informatie daarvoor nodig zouden zijn.
1.6.
De luchtvaartmaatschappijen hebben daarop gereageerd bij antwoordakte verstrekte gegevens van 16 december 2020, met als productie een rapport van de Berkeley Research Group (BRG). Eveneens op 16 december 2020 hebben partijen gezamenlijk een agree/disagree document van hun deskundigen over de berekening van de overcharge in het geding gebracht.
1.7.
Op 11 februari 2021 heeft wederom een regiezitting plaatsgevonden. Daarin zijn de onderwerpen overcharge en volume of commerce (VoC) niet aan de orde gekomen. Om inzicht te verkrijgen in wat er aan de zijde van SCC en Equilib aan data, informatie en verdere onderbouwing beschikbaar is en om te bepalen van welke cedenten de vorderingen reeds bij gebrek aan onderbouwing moeten afvallen voor het vervolg van de procedures, heeft de rechtbank op de voet van artikel 22 Rv SCC en Equilib opgedragen hun vorderingen voor iedere shipper nader te onderbouwen. Het proces-verbaal van die zitting luidt, voor zover hier relevant (onderstrepingen, rb):
“(…)
2.1.
De rechtbank beslist dat per shipper duidelijk moet zijn dat zij ten minste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen tijdens de relevante periode. Shippers voor wie dat niet het geval is, zouden volgens de rechtbank bij gebrek aan onderbouwing af moeten vallen in deze procedure.
2.2.
Dat betekent dat de rechtbank SCC en Equilib op de voet van artikel 22 Rv opdraagt voor iedere shipper (dat wil zeggen voor iedere rechtspersoon waarvan SCC of Equilib stelt dat deze één of meer vorderingen, direct of indirect, aan SCC respectievelijk Equilib heeft gecedeerd) een ultieme onderbouwingspoging te doen. SCC en Equilib nemen daarbij per shipper ten minste één luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen in de relevante periode, welke luchtvrachtvervoersdienst zij naar beste vermogen zo goed mogelijk zullen onderbouwen. De rechtbank geeft aan deze best effort van SCC en Equilib voor iedere shipper dient te zien op zowel het feit (i) dat er een luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen als (ii) dat die luchtvrachtdienst is afgenomen, al dan niet indirect via een freight forwarder, door een shipper die tevens als rechtspersoon cedent is.
2.3.
De rechtbank geeft aan dat zij SCC en Equilib hierom vraagt, omdat de rechtbank inzicht wil krijgen in wat er aan de zijde van SCC en Equilib aan data, informatie en verdere onderbouwing beschikbaar is. Bij de rechtbank ontbreekt dit inzicht nu nog in belangrijke mate en zij is daardoor niet goed in staat het vervolg van de procedure in goede banen te leiden en aldus de goede procesorde te bewaken.
2.4.
Het heeft de voorkeur van de luchtvaartmaatschappijen en de rechtbank dat SCC en Equilib, indien zij air waybills overleggen in het kader van hun onderbouwing, zij – daar waar mogelijk – air waybills overleggen die zien op luchtvrachtvervoersdiensten die zijn uitgevoerd door luchtvaartmaatschappijen van die data in de BRG Database is opgenomen.
(…)
2.8.
Zodra is vastgesteld welke shippers ten minste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen tijdens de relevante periode (en dus vooralsnog ‘mee blijven doen’ in deze procedures, althans vooralsnog ‘niet afvallen’), kan het debat over de overige door die shippers aan hun vorderingen ten grondslag gelegde luchtvrachtvervoersdiensten, de (juridische) onderbouwing daarvan en de daaraan verbonden VoC (en de daarbij te hanteren methodologie en de daarvoor benodigde informatie) worden voortgezet. Waar nodig zullen de deskundigen van partijen daarbij worden betrokken.
(…).”
1.8.
SCC en Equilib hebben bij aktes uitlating ex art. 22 Rv van 15 september 2021 toegelicht dat volgens hen iedere shipper in de relevante periode een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en nadere informatie verstrekt. De luchtvaartmaatschappijen hebben bij antwoordakte bevel art. 22 Rv van 23 februari 2022 daarop gereageerd en bij akte overlegging producties van 25 maart 2022 zich uitgelaten over wat er uit de BRG Database zou blijken.
1.9.
Op 4 april 2022 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Alle partijen hebben op die datum ook een akte overlegging producties genomen. In het proces-verbaal van die zitting is het volgende opgenomen, voor zover hier relevant:
“(…)
Spoor 1: partijen worden in de gelegenheid gesteld om een korte re- en dupliek te nemen op de aktes van de luchtvaartmaatschappijen van 23 februari en 25 maart 2022, over de onderbouwing dat per cedent tenminste één luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen in de relevante periode. (…)”
1.10.
SCC en Equilib hebben vervolgens op 1 juni 2022 een akte van repliek genomen en de luchtvaartmaatschappijen op 31 augustus 2022 een akte van dupliek.
1.11.
SCC en Equilib hebben op 28 september 2022 een akte van repliek met producties over de VoC genomen en de luchtvaartmaatschappijen op 21 december 2022 een akte van dupliek.
1.12.
In dit (tussen)vonnis zal de rechtbank beslissen voor (de vorderingen van) welke achterliggende partijen de procedures zullen worden voortgezet en welke achterliggende partijen zullen moeten afvallen.
2. Het toetsingskader
2.1.
Ingevolge het tussenvonnis van 11 september 2019 en de procedurele beslissingen van de rechtbank die zijn vastgelegd in de processen-verbaal van de regiezittingen van
11 februari 2021 en 4 april 2022 (zie hiervoor onder 1.7 en 1.9) is aan SCC en Equilib op de voet van artikel 22 Rv opgedragen voor iedere achterliggende partij1.(dat wil zeggen voor iedere rechtspersoon waarvan SCC en Equilib stellen dat deze een of meer (schade)vorderingen, direct of indirect, aan Equilib respectievelijk SCC heeft gecedeerd) te onderbouwen dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. De rechtbank heeft dit een “ultieme onderbouwingspoging” genoemd.
Per achterliggende partij
2.2.
SCC en Equilib hebben – op verschillende gronden – bestreden dat het nodig is om aan te tonen dat elke achterliggende partij luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Zij menen dat zij kunnen volstaan met de stelling (en onderbouwing) dat de groep (het concern) waartoe de achterliggende partij behoort, luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Equilib doet dit met een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 12 december 2019 (Otis)2.en SCC onder verwijzing naar het Europeesrechtelijke begrip ‘onderneming’. Het betoog van zowel Equilib als SCC gaat niet op. Dit wordt als volgt toegelicht.
Otis-arrest
2.3.
Equilib stelt dat het HvJ in het Otis-arrest heeft beslist dat de kring van schadelijdende partijen jegens wie de ondernemingen aansprakelijk zijn, niet is beperkt tot degenen die op de relevante markt producten of diensten hebben afgenomen, zolang er maar causaal verband is tussen de inbreuk en de schade. Equilib verwijst hiertoe naar de volgende overwegingen in het arrest:
“27. Het is eveneens van belang te benadrukken dat, zoals ook de advocaat-generaal in punt 78 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, zowel het waarborgen van de volle werking en het nuttig effect van artikel 101 VWEU als de doeltreffende bescherming tegen de nadelige gevolgen van een inbreuk op de mededingingsregels aanzienlijk zou worden aangetast, als de mogelijkheid om vergoeding te vorderen van schade die door een kartel is ontstaan beperkt zou zijn tot leveranciers of afnemers op de door het kartel beïnvloede markt. Hierdoor zouden immers potentiële slachtoffers op voorhand worden uitgesloten van de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen.
(…)
29. Verzoeksters in het hoofgeding betwisten echter in essentie het recht van het Land Oberösterreich om vergoeding te vorderen van de schade die het geleden zou hebben, op grond dat die schade niet voldoende verband houdt met de beschermingsdoelstelling van artikel 101 VWEU en dus als zodanig niet voor vergoeding in aanmerking kan komen.
30. Zoals evenwel blijkt uit de punten 22 tot en met 25, 26 en 27 van het onderhavige arrest, moet alle schade die in causaal verband met een inbreuk op artikel 101 VWEU staat in aanmerking kunnen komen voor vergoeding teneinde de doeltreffende toepassing van artikel 101 VWEU te verzekeren en het nuttig effect van deze bepaling te handhaven.
31. Zoals ook de advocaat-generaal in punt 84 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, is het in dit verband niet nodig dat de door de betrokken persoon geleden schade daarenboven een specifiek verband vertoont met de door artikel 101 VWEU nagestreefde „beschermingsdoelstelling”, omdat de karteldeelnemers anders niet gehouden zouden zijn om alle schade te vergoeden die zij hebben kunnen veroorzaken.”
Deze overwegingen kunnen Equilib niet baten. Equilib stelt dat ‘haar’ achterliggende partijen luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen. Zij stelt niet dat de achterliggende partijen anderszins schade hebben geleden als gevolg van het kartel. De overwegingen in het Otis-arrest zien op die situatie. Het Land Oberösterreich stelde immers dat het geen schade heeft geleden als directe of indirecte afnemer van de producten waarop het betrokken kartel betrekking had, maar in de hoedanigheid van subsidieverstrekker. Equilib stelt dat elke achterliggende partij een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Dat zal zij dan ook moeten onderbouwen. Dit geldt ook voor achterliggende partijen die onderdeel zijn van een concern (groep). Ook voor die achterliggende partijen zal Equilib moeten onderbouwen dat een luchtvrachtdienst daadwerkelijk door de betrokken achterliggende partij is afgenomen. Anders dan Equilib stelt, is er – zonder nadere toelichting (die ontbreekt) – geen enkele reden om aan te nemen dat "bijvoorbeeld moedervennootschappen van dochterondernemingen die luchtvrachtvervoersdiensten hebben ingekocht, ook zelf daardoor schade hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking komt". Equilib heeft onvoldoende gesteld ten aanzien van (de feitelijke grondslag van) dergelijke schade en stelt bovendien louter dat die "niet valt uit te sluiten". Equilib heeft daarmee onvoldoende toegelicht dat (afgeleide) schade van andere rechtspersonen (groepsvennootschappen) dan afnemers van luchtvrachtvervoersdiensten eveneens onderdeel is van de door haar ingestelde (gecedeerde) vorderingen.
Europeesrechtelijk begrip ‘onderneming’
2.4.
SCC heeft met een beroep op het Europeesrechtelijke begrip ‘onderneming’ aangevoerd dat het niet nodig is om binnen een groep achterliggende partijen een individuele rechtspersoon aan te wijzen die de luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Zoals gezegd gaat ook dit niet op. Uit het feit dat het (Europeesrechtelijke) kartelverbod zich richt tot ondernemingen, en dat in verband daarmee onder bepaalde omstandigheden aan rechtspersonen die tot dezelfde ‘onderneming’ (groep) behoren een boete kan worden opgelegd in verband met elkaars mededingingsbeperkende gedragingen, volgt immers niet dat een ‘onderneming’ als zodanig naar Nederlands recht ook aanspraak kan maken op schadevergoeding wegens een overtreding van het (Europeesrechtelijke of Nederlandse) kartelverbod. Het Europese mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip ziet, zoals door de luchtvaartmaatschappijen terecht is opgemerkt, op de onderneming als normadressaat, maar niet als drager van privaatrechtelijke subjectieve rechten. Zelfs indien bepaalde cedenten in mededingingsrechtelijke zin tot dezelfde ‘onderneming’ zouden behoren als rechtspersonen die luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen, volgt uit het Europese mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip dan ook niet dat de achterliggende partij in kwestie aanspraak kan maken op vergoeding van schade die een andere tot dezelfde ‘onderneming’ behorende rechtspersoon heeft geleden. Uit het ondernemingsbegrip volgt dus ook niet dat de rechtspersoon binnen de groep die de schade daadwerkelijk zou hebben geleden niet behoeft te worden aangewezen en geen achterliggende partij hoeft te zijn, wil de vordering van SCC met betrekking tot een dergelijke achterliggende partij kunnen slagen.
“Eenieder” moet schade kunnen vorderen
2.5.
Ook volgens het Unierecht kan een gelaedeerde (rechts)persoon alleen vergoeding vorderen van de door hemzelf geleden schade. De door het HvJ geformuleerde regel dat “eenieder” vergoeding van zijn door een verboden kartel veroorzaakte schade kan vorderen maakt dit niet anders en het beroep dat SCC en Equilib op die regel doen kan hen dan ook niet baten. Uit de rechtspraak volgt dat “eenieder” schade kan vorderen die “hem” is berokkend door een overeenkomst of gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen.3.Ook de Kartelschaderichtlijn maakt dit duidelijk. In artikel 5 lid 1 staat:
“De lidstaten zorgen ervoor dat iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die schade heeft geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, de mogelijkheid heeft volledige vergoeding van die schade te vorderen en te verkrijgen.”
Die schadevorderingen moeten worden beoordeeld naar de in de lidstaten geldende processuele en materiële regels. AG Kokott formuleert het (onder verwijzing naar de Kartelschaderichtlijn) aldus in haar conclusie voor het Otis-arrest (randnr. 41):
“Bij gebreke van Unierechtelijke regelgeving op dit gebied is het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de regels vast te stellen voor de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van schade, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen. (…)”.
Zij voegt daar vervolgens aan toe (randnr. 44):
“(…) dat de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten op het gebied van schadevorderingen in kartelzaken loopt langs de scheidslijn tussen het materiële recht en de processuele handhaving: de vraag naar het bestaan van de schadevergoedingsrechten (dat wil zeggen de vraag of schadevergoeding moet worden toegekend) is een zaak van het Unierecht. De regels voor de toepassing en de modaliteiten voor de concrete uitoefening van dergelijke vorderingen (dat wil zeggen de vraag hoe schadevergoeding moet worden toegekend), dus met name bevoegdheden, procedures, termijnen en bewijsvoering, zijn daarentegen een zaak van het nationale recht.”
Verderop licht zij nader toe wat onder het ‘causaal verband’ wordt verstaan (randnr. 56):
“Volgens de scheidingslijn tussen het materiële recht en de processuele handhaving kan het derhalve bij de “regels voor de toepassing van het begrip ‘causaal verband’”, waarvan de vaststelling volgens het Hof in het arrest Manfredi en overweging 11 van [de Kartelschaderichtlijn] een aangelegenheid is van de interne rechtsorde van elke lidstaat, slechts gaan om de modaliteiten van de feitelijke vaststelling van een causaal verband tussen het schadetoebrengende feit en de schade in het concrete geval. (…)”.
Dat laatste is nu precies waar de opdracht van de rechtbank op ziet: SCC en Equilib moeten voldoende feitelijke gegevens aandragen waarmee de rechtbank kan vaststellen dat iedere achterliggende partij schade heeft geleden ten gevolge van het kartel door het afnemen van luchtvrachtvervoersdiensten, zoals zij stellen.
Schatten (artikel 6:97 BW)?
2.6.
SCC stelt zich op het standpunt dat zij niet per achterliggende partij hoeft te onderbouwen dat zij deze luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen, omdat de rechtbank op de voet van artikel 6:97 BW gehouden is de schade te begroten of te schatten. Dat laatste is op zich juist, maar de omstandigheid dat de rechter naar Nederlands recht de omvang van eventuele (eveneens door SCC aan te tonen) schade mag begroten, brengt geen verandering in de stelplicht en bewijslast over de aan eventuele schadebegroting voorafgaande noodzakelijke vaststelling van feiten die ten grondslag liggen aan het bestaan van een vordering. De procedures bevinden zich thans nog in deze fase: eerst zal moeten worden vastgesteld of elke achterliggende partij luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode en dus (potentieel) een vordering heeft. Hetzelfde geldt voor het argument van SCC dat de deelname aan het kartel één voortdurende onrechtmatige daad is. Een partij heeft, zoals hiervoor is overwogen, immers pas een vordering uit hoofde van die onrechtmatige daad als hij kan aantonen dat hij ten gevolge van die onrechtmatige daad schade heeft gelden.
Aktes van cessie
2.7.
Anders dan SCC betoogt, hebben de rechtbank in het tussenvonnis van 2 augustus 2017 en het Hof Amsterdam in het tussenarrest van 10 maart 2020 inzake de rechtsgeldigheid van de cessies niet als vaststaand aangenomen dat de verklaringen in de cessiedocumentatie in het kader van de stelplicht volstaan. Integendeel, in r.o. 4.21 van het tussenvonnis staat over het bepaalbaarheidsvereiste:“(…) niet nodig [is] dat (thans al) kan worden vastgesteld welke shippers welke vluchten (welke routes) hebben afgenomen”. En in r.o. 4.9.3 van het tussenarrest staat: “De luchtvaartmaatschappijen betogen op zichzelf terecht dat het bepaalbaarheidsvereiste in geval van een generieke omschrijving van de vordering vereist dat aan de hand van die omschrijving op grond van andere objectieve gegevens kan worden vastgesteld welke vorderingen zijn geleverd. De omstandigheid dat deze vaststelling in dit stadium van deze complexe procedure nog niet heeft plaatsgevonden, brengt echter niet mee dat dat aan dit vereiste niet is voldaan. (…)”.
BRG Database
2.8.
De luchtvaartmaatschappijen hebben toegelicht dat zij voor het verifiëren van de door SCC en Equilib aangeleverde data ter onderbouwing van hun stellingen gebruik hebben gemaakt van de BRG Database. Deze BRG Database bevat voor verschillende periodes gegevens van de luchtvaartmaatschappijen waar Berkeley Research Group al over beschikte (de gegevens waren oorspronkelijk aan Berkeley Research Group verstrekt voor een ander doel dan deze procedures). De betreffende luchtvaartmaatschappijen hebben toestemming gegeven om deze gegevens te gebruiken om een beter beeld te krijgen van eventuele achterliggende partij-gerelateerde informatie die mogelijk (deels) wel aanwezig is in de BRG Database. De luchtvaartmaatschappijen hebben bij hun analyse van de door SCC en Equilib – vaak alleen op groepsniveau – overgelegde data geprobeerd de grote hoeveelheid aangeleverde gegevens met de BRG Database te koppelen. De luchtvaartmaatschappijen hebben in het voordeel van SCC en Equilib het bestaan van bepaalde luchtvrachtvervoersdiensten erkend, voor zover de door SCC en Equilib verstrekte transactiegegevens van die luchtvrachtvervoersdiensten voldoende overeenkomen met gegevens in de BRG Database. Uit de BRG Database blijkt evenwel in de meeste gevallen niet welke shipper of consignee een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen, omdat die informatie in de regel niet is opgenomen in de administratie van de luchtvaartmaatschappijen. Uit de BRG Database blijkt in ieder geval niet aan welke partij de kosten van de luchtvrachtvervoersdienst in rekening zijn gebracht, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
2.9.
Op grond van hetgeen door de luchtvaartmaatschappijen naar voren is gebracht, moet worden geoordeeld dat een ‘succesvolle match of koppeling’ van door SCC en Equilib aangeleverde data met de gegevens in de BRG Database in zijn algemeenheid niet voldoende is om aan te nemen dat een bepaalde achterliggende partij een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen (en betaald). Dit alles nog afgezien van het feit dat het – zoals uitvoerig is overwogen in dit vonnis (en de eerdere vonnissen) – aan Equilib en SCC is om hun vorderingen te onderbouwen.
2.10.
SCC stelt zich – onder verwijzing naar de ‘domeinleer’ – op het standpunt dat de luchtvaartmaatschappijen gehouden zijn om de gegevens die zijn opgenomen in de BRG Database integraal aan SCC te verstrekken. Hierin wordt SCC niet gevolgd. De informatie (data) die SCC nodig heeft om haar stellingen te onderbouwen, bevindt zich niet exclusief of bij uitstek in het domein van de luchtvaartmaatschappijen. Van de achterliggende partijen (ondernemingen) mag worden verwacht dat zij een administratie bijhouden en in staat zijn (enige) concrete gegevens te verstrekken ter onderbouwing van hun stelling dat zij luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen. SCC stelt ook, onder verwijzing naar de als producties SCCA-0256 en SCCA-0257 overgelegde getuigenverklaringen van [naam 4] en [naam 8] van Rossum du Chattel van Omni Bridgeway (de litigation funder achter SCC) dat SCC alle data en informatie met betrekking tot de relevante luchtvrachtvervoersdiensten van de ‘shippers’ heeft ontvangen. Onder die omstandigheden houdt de domeinleer niet in dat SCC, in dit stadium van de procedures en in het licht van de specifieke opdracht van de rechtbank, kan volstaan met de blote stelling dat elke achterliggende partij luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen en het vervolgens aan de luchtvaartmaatschappijen is om in hun administratie te gaan zoeken naar die luchtvrachtvervoersdiensten. Verwezen wordt naar hetgeen al is overwogen ten aanzien van de stelplicht in dit vonnis (en de eerdere vonnissen). Bovendien geldt dat de luchtvaartmaatschappijen meermaals hebben toegelicht dat in hun administratie de namen van de achterliggende partijen (de ‘shippers’) meestal niet voorkomen, omdat de meeste luchtvrachtvervoersdiensten worden afgenomen door (via) freight forwarders. De luchtvaartmaatschappijen zullen dus enige concrete aanwijzingen van de achterliggende partijen aangedragen moeten krijgen, voordat zij een koppeling met de informatie in de BRG Database kunnen maken.
2.11.
De BRG Database zal – anders dan op de wijze als door de luchtvaartmaatschappijen toegelicht – geen rol spelen bij de beoordeling van hetgeen thans voorligt, zodat al hetgeen SCC en Equilib over (het gebruik van) deze database voor het overige naar voren hebben gebracht, geen bespreking behoeft.
Eisen aan de onderbouwing
2.12.
Duidelijk is dus dat SCC en Equilib voor iedere achterliggende partij moeten onderbouwen dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Een luchtvrachtvervoersdienst geldt bovendien in beginsel pas als afgenomen wanneer een (eventueel door een andere partij) afgenomen luchtvrachtvervoersdienst door of voor rekening van de betreffende achterliggende partij is betaald. Als dit niet het geval is, is immers geen vermogensvermindering opgetreden en is van schade dus ook geen sprake. De rechtbank heeft op de regiezitting van 11 februari 2021 uitdrukkelijk ervoor gekozen om de opdracht tot nadere onderbouwing vooralsnog te beperken tot één luchtvrachtvervoersdienst per achterliggende partij, omdat de rechtbank zicht wenst te krijgen op het bij SCC en Equilib aanwezige ‘bewijsmateriaal’. In het proces-verbaal van de zitting wordt daarom gesproken van “een ultieme onderbouwingspoging” en “naar beste vermogen zo goed mogelijk zullen onderbouwen”. De uit de artikelen 149 en 150 Rv voortvloeiende stelplicht brengt mee dat de eisende partij alle feiten dient te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het beoogde rechtsgevolg. Dit brengt mee dat bij aanvang van de procedure (dus al bij dagvaarding) alle feitelijke elementen moeten worden aangevoerd die op basis van de wet nodig zijn voor de toewijzing van de vordering. Die feitelijke elementen moeten worden geconcretiseerd; met algemeenheden kan niet worden volstaan (zie vonnis van 11 september 2019, r.o. 4.2). SCC en Equilib mogen dit alles aantonen met alle middelen rechtens.
2.13.
Anders dan de luchtvaartmaatschappijen stellen, hoeven SCC en Equilib niet voor iedere cedent aan de hand van direct bronbewijs bestaande uit een air waybill of factuur te onderbouwen dat die cedent in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. De rechtbank begrijpt dat de achterliggende partijen (en dus ook SCC en Equilib) niet van elke luchtvrachtvervoersdienst direct bronbewijs (meer) zullen hebben. Het kartel is jarenlang geheim gehouden en SCC en Equilib hebben terecht opgemerkt dat de administratie van de achterliggende partijen er natuurlijk niet op was ingericht om eventuele latere claims als deze te kunnen onderbouwen. SCC en Equilib worden echter niet gevolgd in hun betoog dat de rechtbank het nu (zoals SCC het formuleert) maar moet doen met de data en informatie die zo’n vijftien tot twintig jaar na dato nog beschikbaar zijn. SCC en Equilib hadden immers, zoals hiervoor is overwogen, van aanvang af hun vorderingen voldoende moeten onderbouwen. De kartelperiode was van 2000 tot 2006, het Besluit en het persbericht van de Commissie waren er ‘al’ in 2010, en de eerste dagvaardingen waarmee deze procedures zijn ingeleid werden uitgebracht in 2010 (Equilib) en in 2013 (SCC). Ook toen was al sprake van enig tijdsverloop, maar geen vijftien tot twintig jaar. Dat SCC en Equilib – professionele claimvehikels – kennelijk niet (in alle gevallen) bij aanvang van de procedures voldoende specifieke onderbouwende gegevens en documenten hebben opgevraagd bij de achterliggende partijen en aldus hebben veiliggesteld, moet voor hun risico komen. Dit alles betekent dat de onderbouwing – ook als geen direct bronbewijs beschikbaar is – dus wel voldoende concreet moet zijn. Op dit moment – in dit stadium van de procedures en in het licht van de beperkte opdracht van de rechtbank – kunnen SCC en Equilib niet meer volstaan met blote stellingen. De eisen die de rechtbank stelt zijn in lijn met het toepasselijke Nederlandse (proces)recht en daarmee komen naar het oordeel van de rechtbank het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel als bedoeld in de Kartelschaderichtlijn niet in het geding.4.
2.14.
Uit het voorgaande volgt dat de enkele stelling (al dan niet verwoord in een van de achterliggende partij afkomstige e-mail of brief) dat een achterliggende partij vanzelfsprekend luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen gezien de aard van de business, onvoldoende zal zijn, ook als dat wordt verklaard door een bestuurder of andere hooggeplaatste medewerker van deze achterliggende partij. In dit stadium mag worden verwacht dat aan zo’n verklaring enige handen en voeten worden gegeven (hetgeen van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld).
2.15.
De rechtbank zal aan de hand van de onderbouwing van die ene luchtvrachtvervoersdienst in dit stadium beoordelen voor (de vorderingen van) welke achterliggende partijen de procedures zullen worden voortgezet en welke achterliggende partijen zullen moeten afvallen. Dat laatste zal in ieder geval gelden voor elke achterliggende partij waarvoor SCC en Equilib op geen enkele manier heeft geconcretiseerd dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en ook voor die cedenten waarvoor zij niet in staat zijn – bij wijze van ”ultieme poging” – dit in voldoende mate te onderbouwen. Die consequentie – het afvallen van achterliggende partijen ten aanzien waarvan met de opgedragen ultieme onderbouwingspoging nog steeds niet aan de stelplicht is voldaan – is door de rechtbank tijdens de regiezitting van 11 februari 2021 al expliciet aan partijen aangekondigd en met hen besproken. Ten aanzien van de achterliggende partijen waarvoor nu niets concreets beschikbaar is, is het niet zinvol om de procedures voort te zetten: SCC en Equilib hebben uitvoerig – na de regiezitting van 11 februari 2021 nog eens zeven maanden – de gelegenheid gehad de vorderingen te onderbouwen met de instructie daartoe een “ultieme onderbouwingspoging” te doen en wat er nu niet is, zal er (dus) ook niet meer komen.
2.16.
Een bewijsaanbod – zoals SCC op meerdere plaatsen in haar akte van 15 september 2021 doet – volstaat hier niet. Zij heeft ruimschoots de tijd gehad om nadere onderbouwende gegevens en bescheiden te verzamelen en in het geding te brengen. Als zij haar vordering (nu nog) niet voldoende heeft onderbouwd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
De wegwijsplicht
2.17.
Tenslotte wordt nog opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad5.het verwijzen naar documenten/data zonder aan te wijzen om welke (passages in die) documenten/welke data het precies gaat, ook niet voldoende is (ook niet als dit gebeurt in ‘witness statements’).
3. De achterliggende partijen aan de zijde van SCC
Siemens-groep (achterliggende partijen 01.01 en volgende)
3.1.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- getuigenverklaringen van [naam 1] , Principal Legal Counsel, en [naam 2] , Commodity Manager for Airfright (productie SCCA-0270);
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0271);
- een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten en transacties (productie SCCA-0272);
- verschillende databestanden (productie SCCA-0273);
- e-mails van [naam 3] (producties SCCA-0274 en SCCA-0276);
- verschillende AWB’s (producties SCCA-0277, SCCA-0278 en SCCA-0286).
In de getuigenverklaringen van [naam 1] en [naam 2] staat:
“We refer to the data and information in respect of the airfreight services procured by the Siemens Shippers as submitted by SCC in the proceedings that is attached to this witness statement (Attachment B). This data and information has been provided by or on behalf of the Siemens group to SCC or has been derived from data and information provided by or on behalf of the Siemens group to SCC. All the airfreight services included therein have been allocated to the Siemens Shippers.”
In het e-mailbericht van [naam 3] van 11 november 2015 staat:
“(…) please find attached available datas from Shanghai for shipments of SSLS starting 2005 up end of to 2010. (…)
All shipments are to SHA
No flightnrs available. Only the arrival date at SHA”.
3.2.
SCC heeft – zo stelt zij – met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot in ieder geval 715.495 individuele vluchten en transacties van de achterliggende partijen in het geding gebracht, waarvan een overzicht als productie SCCA-0272 is overgelegd. Uit dat overzicht blijkt dat de achterliggende partijen in ieder geval 488.430 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode via verschillende freight forwarders, waaronder Siemens Energy, Inc. (01.482 vluchten). Ten aanzien van die vluchten en transacties vermeldt dat overzicht veelal door welke verzender de luchtvrachtvervoersdiensten zijn afgenomen, de code van de luchtvaartmaatschappij, de master air waybill (MAWB) en de house air waybill (HAWB), de plaats van vertrek en de plaats van aankomst, de datum, het gross weight en het chargeable weight, de naam van de freight forwarder en het nummer van de factuur. De data en informatie zijn afkomstig van een intern systeem van Siemens, waarin gedurende de relevante periode de details van individuele vluchten en transacties zijn opgeslagen op basis van data en informatie in rapportages die Siemens van haar logistieke dienstverleners heeft ontvangen. SCC heeft verder verwezen naar de overgelegde AWB’s, de (getuigen)verklaringen van [naam 1] en [naam 2] van Siemens en van [naam 4] van Omni Bridgeway, alsmede naar de e-mails van [naam 3] .
3.3.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat de overgelegde map AWB’s meer dan 6.000 ongesorteerde bestanden bevat en dat daarvan slechts 2.702 worden geduid in het door SCC verstrekte overzicht als luchtvrachtvervoersdiensten die door Siemens cedenten zouden zijn afgenomen. In dat overzicht worden bovendien alleen Siemens AG en Siemens Energy, Inc. als achterliggende partijen genoemd. De luchtvrachtvervoersdiensten die Siemens Energy, Inc. zou hebben afgenomen dateren van november 2008 en later, zodat zij buiten de relevante periode vallen. SCC heeft verder de relevantie van voornoemde map niet nader toegelicht. De Excel-bestanden zijn onvoldoende als onderbouwing, tenzij onderliggende data zijn overgelegd. Bovendien bevat het overzicht veel luchtvrachtvervoersdiensten met als eindbestemming een luchthaven in de Verenigde Staten en vallen deze mogelijk onder een collectieve schikking. Verder kan aan de hand van de verstrekte e-mails en verklaringen niet worden vastgesteld dat de achterliggende partijen in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen, omdat de daarin ingenomen stellingen onvoldoende concreet en verifieerbaar zijn en zonder nadere onderbouwing onvoldoende. Ten aanzien van 27 achterliggende partijen heeft SCC bovendien in het geheel geen stellingen ingenomen, en deze moeten dan ook reeds daarom afvallen, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
3.4.
Partijen zijn het erover eens dat Siemens AG (01.01) en Siemens S.A. (01.403) mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor elk van deze partijen met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
3.5.
Geoordeeld wordt dat de overige achterliggende partijen moeten afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) van welke Siemens-vennootschap(pen). In aanvulling daarop hebben de luchtvaartmaatschappijen (die kennelijk wel de door SCC in het geding gebrachte bescheiden hebben bestudeerd) terecht erop gewezen dat de luchtvrachtvervoersdiensten die Siemens Energy, Inc. blijkens de door SCC overgelegde documenten heeft afgenomen onweersproken buiten de relevante periode vallen. De enkele omstandigheid dat Siemens Energy, Inc. vóór de relevante periode is opgericht en er ‘dus’ geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat zij pas in 2008 ‘ineens’ is begonnen met het afnemen van luchtvrachtvervoersdiensten, zoals SCC heeft aangevoerd, is in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat deze vennootschap in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
Het voorgaande leidt ertoe dat afvallen:
- AS AUDIO‐SERVICE GmbH (01.05);
- Sivantos GmbH (01.46);
- Siemens Healthcare Diagnostics Products GmbH (01.66);
- Trench Germany GmbH (01.120);
- Siemens S.A./N.V. (01.145);
- Siemens Wind Power A/S (01.154);
- Siemens A.E. (01.175);
- Electrium Sales Limited (01.178);
- Siemens Healthcare Diagnostics Ltd. (01.194);
- Siemens Industrial Turbomachinery Ltd. (01.199);
- Siemens plc (01.204);
- Siemens Concentrated Solar Power Ltd. (01.227);
- Siemens Ltd. (01.229);
- Siemens S.p.A. (01.239);
- Ethosenergy Italia S.p.A. (01.242);
- Siemens Electrical & Electronic Services K.S.C.C. (01.250);
- Siemens Nederland N.V. (01.271);
- Siemens Ltd. (01.273);
- Siemens AS (01.274);
- Siemens Aktiengesellschaft Österreich (01.287);
- Siemens Metals Technologies Vermogenverwaltungs GmbH (01.297);
- Siemens Pakistan Engineering Co. Ltd. (01.302);
- Siemens S.A. (01.310);
- OOO Siemens (01.320);
- Siemens AB (01.335);
- Siemens Industrial Turbomachinery AB (01.338);
- Sivantos AG (01.342);
- Siemens Schweiz AG (01.348);
- Siemens (Proprietary) Limited (01.375);
- Siemens Sanayi ve Ticaret A.S. (01.391);
- SD (Middle East) LLC (01.397);
- Siemens LLC (01.398);
- Siemens Electroeletronica Limitada (01.410);
- Siemens Ltda. (01.413);
- Siemens S.A. (01.419);
- Siemens S.A. (01.421);
- Siemens S.A. (01.423);
- Siemens S.A. (01.424);
- Siemens S.A. (01.426);
- Siemens Healthcare Diagnostics Manufacturing Limited (01.428);
- Siemens Canada Ltd. (01.430);
- Siemens S.A. (01.441);
- Siemens Innovaciones S.A. de C.V. (01.450);
- Siemens, S.A. de C.V. (01.452);
- Siemens Demag Delaval Turbomachinery, Inc. (01.480);
- Siemens Energy, Inc. (01.482);
- Siemens Medical Solutions USA, Inc. (01.491);
- Siemens S.A. (01.507);
- Siemens Ltd. (01.523);
- Beijing Siemens Cerberus Electronics Ltd. (01.530);
- Siemens Electrical Drives (Shanghai) Ltd. (01.542);
- Siemens Electrical Drives Ltd. (01.543);
- Siemens High Voltage Circuit Breaker Co., Ltd. (01.550);
- Siemens International Trading Ltd. (01.556);
- Siemens Ltd. (01.558);
- Siemens Numerical Control Ltd. (01.563);
- Siemens Shenzhen Magnetic Resonance Ltd. (01.572);
- Siemens Switchgear Co. Ltd. (01.577);
- Siemens Ltd. (01.599);
- Siemens Ltd. (01.608);
- P.T. Siemens Indonesia (01.613);
- Siemens Japan K.K. (01.623);
- Siemens Ltd. Seoul (01.627);
- Siemens Malaysia Sdn. Bhd. (01.631);
- Siemens (N.Z.) Limited (01.635);
- Siemens Power Operations Inc. (01.637);
- Siemens, Inc. (01.638);
- Sivantos Pte. Ltd. (01.642);
- Siemens Pte. Ltd. (01.644);
- Siemens Ltd. (01.648);
- Siemens Limited (01.649);
- Siemens Ltd.Ho Chi Minh City (01.653);
- Dresser-Rand Group Inc. (01.885);
- Industrial Turbine Company (UK) Limited (01.904).
Microelectronics International N.V. (achterliggende partij 02.01)
3.6.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0287);
- een overzicht van luchtvrachttransacties (productie SCCA-0288);
- twee Excel-bestanden en meer geaggregeerde gegevens (productie SCCA-0289);
- twee facturen (producties SCCA-0290 en SCCA-0291);
- een uittreksel uit het handelsregister (productie SCCA-0715);
- een akte van afsplitsing (SCCA-0716) en het daarbij behorende splitsingsvoorstel (productie SCCA-0717).
3.7.
SCC stelt dat STMicroelectronics International N.V. op 30 december 2011 is ontstaan als een afsplitsing van STMicroelectronics N.V. en dat met die afsplitsing de vorderingen met betrekking tot het kartel zijn overgegaan op STMicroelectronics International N.V. SCC verwijst daarbij met name naar het overgelegde splitsingsvoorstel, waarin onder meer staat dat
“In het kader van de Splitsing (…) uitsluitend de volgende activa overgaan op de Verkrijgende Vennootschap:
(…)
d. alle rechten van de Splitsende Vennootschap uit de onder (…) 3 (…) opgenomen activa, passiva en rechtsverhoudingen, inclusief uitstaande vorderingen (accounts receivable);
(…)”,
tot welke rechtsverhoudingen onder meer behoren:
“alle sourcing en purchasing overeenkomsten met leveranciers, alle overeenkomsten met betrekking tot de European Hub in Saint-Genis, Frankrijk, inclusief alle vracht- en transportovereenkomsten” en “logistieke overeenkomsten”.
Na de afsplitsing is STMicroelectronics N.V. slechts een holdingmaatschappij, zoals blijkt uit het overgelegde uittreksel uit het handelsregister en de jaarrekening van het STM concern. Verder blijkt uit de data packs van Oxera (SCCA-0254 en SCCA-0266) en het overzicht van de betreffende vluchten en transacties dat het concern STM in ieder geval 30.346 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Bovendien blijkt uit de overgelegde facturen dat STMicroelectronics International N.V. in de relevante periode bij verschillende freight forwarders luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen, welke facturen de code van de betreffende luchtvaartmaatschappij, de plaats van vertrek, de plaats van aankomst, het gewicht en de naam van de freight forwarders bevatten, aldus steeds SCC.
3.8.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC niet verduidelijkt op welke grond die overgang van vorderingen met betrekking tot het kartel zou hebben plaatsgevonden. Uit onderdeel D van het splitsingsvoorstel volgt dat alle vermogensbestanddelen die niet “uitdrukkelijk” in bijlage III bij het voorstel zijn opgenomen, in het vermogen van STMicroelectronics N.V. zijn achtergebleven en dus niet op STMicroelectronics International N.V. zijn overgegaan. Verder stelt noch onderbouwt SCC dat de in bijlage III genoemde rechtsverhoudingen tussen STMicroelectronics N.V. en de luchtvaartmaatschappijen bestonden. Dit is ook niet aannemelijk, omdat de luchtvrachtvervoersdiensten doorgaans werden afgenomen van freight forwarders en niet direct van luchtvaartmaatschappijen. Ook over het bestaan van dergelijke rechtsverhoudingen in de relatie tussen STMicroelectronics N.V. en freight forwarders heeft SCC niets gesteld en daarvan is ook anderszins niet gebleken. Daarnaast geldt dat vorderingen uit onrechtmatige daad niet kwalificeren als rechten uit de vracht- en transportovereenkomsten, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
3.9.
In het tussenvonnis van 2 augustus 2017 heeft de rechtbank beslist dat uit het concern STMicroelectronics slechts de vorderingen van de vennootschap STMicroelectronics International N.V. onderdeel zijn van deze procedures. Ook STMicroelectronics International B.V. moet echter afvallen in het vervolg van deze procedures. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data relevant zijn. Bovendien geldt hier dat SCC – in het licht van het verweer van de luchtvaartmaatschappijen – onvoldoende heeft toegelicht dat eventuele vorderingen uit hoofde van het kartel zijn overgegaan op STMicroelectronics International N.V. (en niet in het vermogen van STMicroelectronics N.V. zijn achtergebleven). Uit de aangehaalde passages kan dit niet met zekerheid worden afgeleid.
Sony Ericsson (achterliggende partijen 03.01 en 3.02)
3.10.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0294);
- een Excel-bestand met gegevens over luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0295);
- verschillende databestanden (productie SCCA-0296);
- e-mails van [naam 5] , destijds Corporate Vice President & General Counsel, [naam 7] , destijds Director, General Counsel (productie SCCA-0292), en [naam 6] , destijds werkzaam bij Sony Mobile Communications AB (achterliggende partij 03.01) (productie SCCA-0293); in de e-mails van [naam 5] en [naam 7] staat onder meer:
“Please correct me if I am wrong but I believe that the Swedish holding company was the purchaser of all air freight services.
(…)
Yes that is my understanding. Sony Ericsson Mobile Communications AB (SEAB) is the company that has purchased the services. I can look into if there might be any other SE companies that might have purchased due to the company set up at that time but the volumes are with SEAB.”;
in een e-mail van [naam 6] staat:
“(…)
Sony (Ericsson) Mobile Communications AB has been the purchaser of all goods/products from the factories (…).
Sony (Ericsson) Mobile Communications AB ha[s] paid for the transportation from the factories but not been the direct purchaser of transportation.
Sony (Ericsson) Mobile Communications AB has then sold the products to its group companies (…).
Sony (Ericsson) Mobile Communications AB has not passed on the costs for transportation to the group companies when selling on the products.
(…).”;
- een PowerPoint bestand van [naam 6] (productie SCCA-0297);
- een getuigenverklaring van [naam 6] (productie SCCA-0705), waarin zij bevestigt dat Sony (Ericsson) Mobile Communications AB en Beijing SE Potevio Mobile Communications Company Ltd (achterliggende partij 3.02): “During the period 2001-2007 (…) procured and/or paid for airfreight services”.
3.11.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot in ieder geval 439.009 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht en dat uit het overgelegde Excel-bestand blijkt dat “de Sony Ericsson Shippers” in ieder geval 344.914 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking. In haar PowerPointpresentatie geeft [naam 6] inzicht in de achtergrond van de luchtvrachtvervoersdiensten die Sony Ericsson Mobile Communications AB in de relevante periode heeft afgenomen, waarbij zij verwijst naar twee Excelbestanden: (i) één waarin “all data combined- freight invoices + sales orders -ODC” zijn opgenomen en (ii) een overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten, zoals die in de periode 2002-2007 op de relevante grootboekrekening in de administratie van Sony Ericsson Mobile Communications AB zijn geboekt onder vermelding van, onder andere, de naam van de betreffende freight forwarder. Uit de kolom “Company Code” blijkt dat de luchtvrachtvervoersdiensten zijn afgenomen door Sony Ericsson Mobile Communications AB. Uit de getuigenverklaringen van [naam 4] en [naam 8] van Omni Bridgeway blijkt dat SCC alle data en informatie met betrekking tot de relevante luchtvrachtvervoersdiensten van de “Shippers binnen de groep Sony Ericsson” zijn ontvangen, aldus steeds SCC.
3.12.
De luchtvaartmaatschappijen zetten hier tegenover dat SCC geen stukken – zoals AWB’s of facturen – heeft overgelegd en dat zij geen verdere beoordeling hebben gedaan (laten doen) van de door SCC in het geding gebrachte transactiegegevens.
3.13.
Geoordeeld wordt dat deze achterliggende partijen – Sony (Ericsson) Mobile Communications AB en Beijing SE Potevio Mobile Communications Company Ltd – moeten afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) van welke Sony-vennootschap(pen). De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de door [naam 6] opgestelde Excel-overzichten moeten toch ergens op zijn gebaseerd.
Infineon groep (achterliggende partijen 04.01 tot en met 04.11)
3.14.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0298);
- overzicht vluchten en transacties (productie SCCA-0299);
- onderliggende data en informatie (productie SCCA-0300);
- een begeleidend memorandum van freight forwarder DB Schenker (productie SCCA-0301);
- een getuigenverklaring van [naam 9] (productie SCCA-0302);
- verschillende facturen, AWB’s en betalingsverzoeken (producties SCCA-0303 tot en met SCCA-0319).
3.15.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot in ieder geval 91.642 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overzicht van de betreffende vluchten en transacties (productie SCCA-0299) blijkt dat de Infineon groep in ieder geval 89.320 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode. De overgelegde bestanden betreffen per jaar een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2000-2006 via freight forwarders, zoals ook volgt uit de verklaring van [naam 9] . Waar beschikbaar bevatten de overgelegde overzichten ten aanzien van al die vluchten en transacties ook de code en de naam van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB, de gevlogen route, het chargeable weight, het actual weight, de datum van de factuur, het nummer van de vlucht, het nummer van de factuur en het nummer van de AWB, aldus steeds SCC.
3.16.
De luchtvaartmaatschappijen voeren ten aanzien van Infineon Technologies China Co. Ltd (04.05) aan dat onduidelijk is of de overgelegde AWB’s en facturen zien op een luchtvrachtvervoersdienst, omdat het AWB-nummer niet uit elf cijfers bestaat. Bovendien ontbreken data, gewicht en soms ook routes op die AWB’s. Voorts verwijst de route SHA-MHN (productie SCCA-0313) niet naar Shanghai-Duitsland, maar naar Shanghai-Mullen (USA). De door SCC overgelegde documenten zijn dan ook onvoldoende. Verder heeft SCC nagelaten ten aanzien van een aantal individuele achterliggende partijen stellingen in te nemen, aldus de luchtvaartmaatschappijen.
3.17.
Partijen zijn het erover eens dat Infineon Technologies AG (04.01), Infineon Technologies Asia Pacific Pte Ltd (04.02), Infineon Technologies Wuxi) Co., Ltd (04.03), Infeon Technologies (Xi’an) Co., Ltd (04.04), Infineon Technologies Center of Competence (Shanghai) Co., Ltd (04.06), Infineon Technologies Austria AG (04.10) en Infineon Technologies Dresden GmbH (04.11) mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot elk van deze achterliggende partijen voor ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
3.18.
SCC heeft tegenover het verweer van de luchtvaartmaatschappijen ten aanzien van Infineon Technologies China Co. Ltd (04.05) nader gewezen op de verwijzing “Shipment Air Waybill” op pagina’s 3 en 4 in producties SCCA-0313, SCCA-0314 en SCCA-0315. Verder heeft SCC toegelicht dat de code MHN op de als productie SCCA-0313 overgelegde AWB een oude code voor het vliegveld van Mannheim is en dat het bezorgadres op die AWB in Ludwigshafen am Rhein 15 kilometer van Mannheim is gelegen. De rechtbank is van oordeel dat uit de combinatie van de overgelegde documenten en de toelichting van SCC voldoende volgt dat Infineon Technologies China Co. Ltd in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen, zodat ook deze achterliggende partij ook mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures.
3.19.
Infineon Integrated Circuit (Beijing) Co., Ltd (04.05), Infineon Technologies (Kulim) Sdn. Bhd. (04.08) en Infineon Technologies (Malaysia) Sdn. Bhd. (04-09) moeten echter afvallen. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor het toetsingskader is overwogen. SCC heeft geen concrete stellingen ingenomen ten aanzien van deze achterliggende partijen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data relevant zijn.
Eli Lilly groep (achterliggende partijen 05.01 tot en met 05.05)
3.20.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- een getuigenverklaring van [naam 10] , Procurement Consultant-Logistics (productie SCCA-0320);
- e-mails van [naam 11] , Senior Legal Associate (producties SCCA 0321, SCCA-0322 en SCCA-0323); in een van deze e-mails staat onder meer:
“Affilliates concerned are from Spain, Italy, France, Germany, UK and Ireland” en in een andere dat de tabel in de daarbij gevoegde bijlage “the invoiced entities on Lilly’s side” bevat;
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0324);
- diverse Excel-bestanden met gegevens over de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (producties SCCA-0325 en SCCA-0326);
- een aantal facturen (producties SCCA-0327 tot en met SCCA-0332).
3.21.
Met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) heeft SCC – zo stelt zij – data en informatie met betrekking tot in ieder geval 46.450 individuele vluchten en transacties in het geding gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat de achterliggende partijen in ieder geval 46.450 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode. Dat overzicht bevat ten aanzien van al die vluchten en transacties de bookdate en het chargeable weight, in vrijwel alle gevallen ook de code van de luchtvaartmaatschappij en het MAWB-nummer, alsmede de plaats van vertrek en het land van aankomst (in veel gevallen ook de plaats van vertrek en aankomst). Verder stelt SCC ten aanzien van Eli Lilly Italia S.p.A. (05.04) dat uit de overgelegde factuur van een freight forwarder blijkt dat een luchtvrachtvervoersdienst (“nolo aered”) en toeslagen (“sovrattassa sicurezza” en “fuel surcharge”) bij deze achterliggende partij in rekening zijn gebracht.
3.22.
De luchtvaartmaatschappijen voeren het volgende aan. Nog afgezien van het feit dat in de overgelegde Excel-bestanden geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende achterliggende partijen en het daarom niet duidelijk is voor welke achterliggende partij deze gegevens mogelijk relevant zijn, is voor Lilly SA, Lilly France SAS en Eli Lilly and Co. Ltd. buiten deze Excel-bestanden geen nadere onderbouwing verstrekt. Die Excel-bestanden zijn in elk geval op zichzelf onvoldoende. Verder volgt uit de getuigenverklaring van [naam 10] en de e-mails van [naam 11] slechts dat voor de achterliggende partijen wordt gesteld dat zij gebruik hebben gemaakt van luchtvrachtvervoersdiensten en dat zij daarvoor hebben betaald, maar dergelijke algemene stellingen zijn onvoldoende concreet en verifieerbaar en zonder nadere onderbouwing onvoldoende.
Ten aanzien van Eli Lilly Italia S.p.A. voeren de luchtvaartmaatschappijen verder aan dat de overgelegde factuur weliswaar ziet op luchtvrachtkosten, maar dat die factuur geen transactie- of vlucht-specifieke gegevens bevat. SCC wijst bovendien alleen op een factuurnummer en een datum en niet op transactiegegevens die verifieerbaar zijn. Die factuur is dus onvoldoende, aldus de luchtvaartmaatschappijen.
3.23.
Partijen zijn het erover eens dat Lilly Pharma Fertigung und Distribution GmbH & Co. KG (05.03) mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
3.24.
Geoordeeld wordt dat de overige achterliggende partijen- Lilly SA (05.01), Lilly France SAS (05.02), Eli Lilly Italia S.p.A. (05.04) en Eli Lilly and Co.Ltd. (05.05) moeten afvallen. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft geen concrete stellingen ingenomen ten aanzien van deze achterliggende partijen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data relevant zijn. Ten aanzien van Eli Lilly Italia S.p.A. wordt in aanvulling hierop nog overwogen dat hetgeen SCC heeft ingebracht in dit stadium van de procedure (in het licht van de opdracht van de rechtbank, de “ultieme onderbouwingspoging”) onvoldoende is.
[naam 12] AS (achterliggende partij 06.01)
3.25.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0333);
- overzicht vluchten en transacties (productie SCCA-0334);
- verschillende databestanden (productie SCCA-0335 en SCCA-0337);
- een getuigenverklaring van [naam 12] , (voormalig CEO) (productie SCCA-0336);
- een drietal facturen (producties SCCA-0338 tot en met SCCA-0340).
3.26.
Partijen zijn het erover eens dat [naam 12] AS mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Fairchild groep (achterliggende partijen 07.01 en 07.02)
3.27.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0342);
- een Excel-bestand met gegevens over de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0343);
- verschillende databestanden (productie SCCA-0344);
- e-mails van [naam 13] , destijds werkzaam binnen het concern Fairchild (producties SCCA-0341 en SCCA-0345);
in één van die e-mails staat:
“Here is the data we have (we have a small part of 2003) as well as 2004, 05 and 06. Will send over to you data for 2007, 08 & 09 once we have it completed.”
3.28.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot in ieder geval 1.032.514 individuele vluchten en transacties in het geding gebracht. Uit het overgelegde Excel-bestand blijkt dat de achterliggende partijen in ieder geval 163.286 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking. De overgelegde bestanden betreffen per jaar overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten die via de freight forwarder Trendset zijn afgenomen, althans via Trendset in rekening zijn gebracht. De overzichten zijn rechtstreeks afkomstig uit het systeem van Trendset. Ten aanzien van al die vluchten en transacties bevat het overzicht in ieder geval het land van vertrek, het land van aankomst, de datum van de vlucht, het actual weight en het nummer van de factuur. Als in die overzichten alleen al wordt gekeken naar de kolommen ‘SHIPPER_NAME’ en ‘CONSIGNEE_NAME’, dan blijkt dat beide achterliggende partijen in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen, althans daarvoor hebben betaald. Uit een
e-mail van [naam 13] (productie SCCA-0341) volgt dat de luchtvrachtvervoersdiensten in principe door Fairchild Semiconductor Ltd. (achterliggende partij 07.02) zijn afgenomen en betaald, maar dat ook luchtvrachtvervoersdiensten bij in rekening zijn gebracht:
“(…) In relation to the claim within the EU, if you need to know the entity listed on the AWB it wil be be Fairchild Semiconductor Ltd.(…)
Fairchild Semiconductor Corporation [volgens SCC: Fairchild Semiconductor International, Inc. (achterliggende partij 07.01] is our parent company but will not show on our AWB Etc although the freight will have been billed to the Corporation in some instances.”,
aldus steeds SCC.
3.29.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC alleen voor de groep Fairchild stellingen heeft ingenomen en niet op het niveau van de individuele cedenten, dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de Excel-bestanden (welke bovendien geen van alle AWB-nummers vermelden) op zichzelf onvoldoende zijn. Verder lijkt uit de door SCC aangehaalde e-mail van [naam 13] te volgen dat alleen Fairchild Semiconductor Ltd. (07.02) als relevante entiteit op enige AWB zou zijn vermeld.
Onduidelijk welke vennootschap wordt bedoeld met ‘Fairchild Semiconductor Corporation’; Fairchild Semiconductor International, Inc. (achterliggende partij 07.01) of een andere partij. Volgens SCC is dit Fairchild Semiconductor International, Inc. (achterliggende partij 07.01), maar dat lijkt slechts haar eigen interpretatie. In ieder geval blijkt uit de verklaring dat deze achterliggende partij niet op enige AWB vermeld is. Dit valt niet te controleren, want er zijn geen AWB’s overgelegd, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
3.30.
Geoordeeld wordt dat Fairchild Semiconductor International, Inc. en Fairchild Semiconductor Ltd moeten afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) van welke Fairchild-vennootschap(pen). De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – ook hier weer onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en ook [naam 13] schrijft dat hij allerlei data heeft aangeleverd.
C&A Buying GmbH & Co.KG (achterliggende partij 08.01)
3.31.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0348);
- een getuigenverklaring van [naam 14] , Legal Counsel (productie SCCA-0346);
- een getuigenverklaring van [naam 15] , werkzaam bij C&A Services GmbH & Co. OHG (producties SCCA-0347);
- twee Letters of Understanding die RSC Commercial Services OHG namens dan wel ten behoeve van C&A Buying GmbH & Co. KG met Lufthansa Cargo heeft gesloten (productie SCCA-0349);
- een geaggregeerd overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0350);
- een Excel-bestand dat aan dit overzicht ten grondslag ligt (productie SCCA-0351);
- een viertal facturen met bijbehorende AWB’s (producties SCCA-0352 t/m SCCA-0355).
3.32.
Partijen zijn het erover eens dat C&A Buying GmbH & Co.KG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
bioMérieux S.A.(achterliggende partij 09.01)
3.33.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0356);
- een getuigenverklaring van [naam 16] , VP International Logistics en een kopie van zijn identiteitskaart (producties SCCA-0357A en SCCA-0357F);
- een aanpassing van de raamovereenkomst met freight forwarder Schenker S.A. (productie SCCA-0357B);
- een raamovereenkomst met freight forwarder Geodis Overseas (productie SCCA-0357C);
- maandelijkse rapportages van Schenker en Geodis (producties SCCA-0357D en SCCA-0357E);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0358);
- onderliggende data en informatie bij dat overzicht (productie SCCA-0359);
- een e-mail van [naam 17] (productie SCCA-0360).
3.34.
SCC stelt dat uit de overgelegde raamovereenkomsten blijkt dat bioMérieux S.A. in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen en dat die diensten maandelijks bij haar in rekening zijn gebracht. Dit blijkt volgens SCC ook uit de overgelegde getuigenverklaring van [naam 16] en de e-mail van [naam 17] . De freight forwarders Schenker en Geodis stuurden bioMérieux S.A. maandelijks een Excel-bestand met daarin een overzicht en details van de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (producties SCCA-0357D en SCCA-0357E). Met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) heeft SCC data en informatie met betrekking tot in ieder geval 12.126 individuele vluchten en transacties in het geding gebracht. Uit het overzicht van de betreffende vluchten en transacties (productie SCCA-0358) blijkt dat bioMérieux S.A. in ieder geval 7.208 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking. De data en informatie in productie SCCA-0358 is afkomstig uit de als productie SCCA-0359 overgelegde bestanden. Op twee na bevat dat overzicht ten aanzien van al die vluchten en transacties in ieder geval de naam van de freight forwarder, de code van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, de bookdate en het chargeable of actual weight alsmede in veel gevallen het MAWB, aldus steeds SCC.
3.35.
De luchtvaartmaatschappijen bevestigen dat transactiegegevens zijn verstrekt die zien op luchtvrachtvervoersdiensten. SCC heeft echter geen stukken overgelegd die voldoende bevestigen dat bioMérieux S.A. zelf in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. De overgelegde Excel-bestanden en het overzicht zijn onvoldoende om aan te tonen dat bioMérieux S.A. in de relevante periode zelf (en bijvoorbeeld niet een derde, die geen achterliggende partij is) tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. [naam 17] verwijst in zijn e-mail alleen naar een bijlage (“Geodis 2005. See attached file”) en dat is onvoldoende concreet en verifieerbaar zonder nadere onderbouwing. Verder verklaart [naam 16] slechts in algemene termen dat bioMérieux S.A.“to the best of my knowledge” luchtvrachtvervoersdiensten van Geodis en Schenker heeft afgenomen in de periode 1999-2007 en daarvoor heeft betaald. Bovendien is hij pas sinds 2009 bij bioMérieux werkzaam. Ook de bijlagen bij die verklaring bevatten onvoldoende gegevens, in ieder geval geen route en geen naam van een achterliggende partij, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
3.36.
De rechtbank is van oordeel dat bioMérieux S.A. moet afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht (waaronder de Excel-bestanden met daarin een overzicht en details van de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten die de freight forwarders Schenker en Geodis maandelijks stuurden aan bioMérieux S.A.), maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is (zijn) afgenomen door bioMérieux S.A. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en het overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0358) moet toch ergens op zijn gebaseerd. SCC stelt dat het overzicht ten aanzien van al die vluchten en transacties (op twee na) in ieder geval de naam van de freight forwarder, de code van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, de bookdate en het chargeable of actual weight, alsmede in veel gevallen het MAWB bevat. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen onder meer door het horen van medewerkers van het concern bioMérieux die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
Mallinckrodt, LLC (achterliggende partij 10.01) en Covidien AG (achterliggende partij 15.01)
3.37.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0390);
- een overzicht van de afgenomen luchtvrachttransacties (productie SCCA-0391);
- drie Excel-bestanden (productie SCCA-0392).
3.38.
SCC stelt dat de data en informatie die met betrekking tot Covidien AG is overgelegd, mede de vluchten en transacties van Mallinckrodt, LLC bevat. Zoals ook uit de verklaring van [naam 4] van Omni Bridgeway blijkt, maakte Mallinckrodt, LLC tijdens de kartelperiode deel uit van Covidien AG en is zij in 2013 daarvan afgesplitst. Verder verwijst SCC naar de e-mail die als bijlage aan de verklaring van [naam 4] is gehecht, waarin staat:
“1) There are several sites that were dedicated Mallinckrodt material. Fact remains that Covag (Covedien, rb) paid for these shipments in those years of the claim (2000-2010). So Covag will be the beneficiary of the refunds out of this cartel Claim. (…)
2) The Freight is bought by COVAG, which is our legal entity in Switzerland. This is the entity where the invoice is made out to. All funds are paid to the carriers (via Interlog Services) by that entity in CH. So Freight is not paid by the local distribution centers.”
Daaruit volgt dat de luchtvrachtvervoersdiensten binnen het concern van Covidien centraal werden afgenomen via Interleg Services en bij Covidien AG in rekening werden gebracht.
Met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) heeft SCC data en informatie met betrekking tot in ieder geval 212.794 individuele vluchten en transacties in het geding gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat Covidien AG in ieder geval 84.779 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode en daarin staat de ship date en de naam van de freight forwarder alsmede in vrijwel alle gevallen ook de gevlogen route, aldus SCC.
3.39.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen transactiegegevens zijn verstrekt die verifieerbaar zijn, dat de Excel-bestanden op zichzelf onvoldoende zijn en dat daaruit bovendien volgt dat Covidien AG in veel gevallen niet zelf de verzender of ontvanger van de betreffende luchtvrachtvervoersdienst was. De overgelegde e-mail, waarin Covidien AG zelf aan [naam 4] heeft meegedeeld dat alle facturen van luchtvrachtvervoersdiensten steeds aan Covidien AG werden toegestuurd, is eveneens onvoldoende. Uit die algemene opmerking blijkt geenszins dat de in de Excel-bestanden genoemde transacties daadwerkelijk door Covidien AG zijn betaald (en SCC heeft niet één factuur overgelegd die deze verklaring ondersteunt), aldus de luchtvaartmaatschappijen.
3.40.
De rechtbank is van oordeel dat Mallinckrodt, LLC en Covidien AG moeten afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) van welke vennootschap(pen). Ten aanzien van Mallinckrodt, LLC heeft SCC in het geheel geen stellingen ingenomen. Dat SCC ten aanzien van Covidien AG geen betere onderbouwing heeft kunnen geven, verbaast de rechtbank wederom. Kennelijk zijn (althans waren er in 2015) wel (hardcopy) facturen voor Covidien AG beschikbaar. De luchtvaartmaatschappijen hebben in dit verband gewezen op een bijlage bij de verklaring van [naam 4] van Omni Bridgeway (productie SCCA-0256) waarin het volgende staat:
“4) Here I can’t help you. The only way of knowing is to check every invoice manually. The information in the file is the information stored in the system (…). All hard copies are stored in the archives in Switzerlands.”
Tod’s S.p.A. (achterliggende partij 11.01)
3.41.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0362);
- een Excelbestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0363), gebaseerd op een bestand dat onderdeel was van de data packs van Oxera (productie SCCA-0364);
- getuigenverklaring van [naam 18] , member of the Board of Directors (producties SCCA-0365);
- een aantal facturen met bijbehorende AWB’s, alsmede een aantal andere documenten ten aanzien van vluchten afgenomen via freight forwarder Savino del Bene S.p.A. (producties SCCA-0365 (Attachment B) en SCCA-0367 t/m SCCA-0369);
- een aantal facturen met bijbehorende AWB’s, alsmede een aantal andere documenten ten aanzien van vluchten afgenomen via freight forwarder Jet Air Service S.p.A. (producties SCCA-0365 (Attachment C), SCCA-0370 en SCCA-0371);
- andere facturen en AWB’s (overige voorbeelden) (producties SCCA-0366 en SCCA-0367 t/m SCCA-0371).
3.42.
Partijen zijn het erover eens dat Tod’s S.p.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
EFP International B.V. (achterliggende partij 12.01)
3.43.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0372);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0373);
- een Excel-bestand met transactiegegevens (productie SCCA-0374);
- een getuigenverklaring van [naam 19] , managing director (productie SCCA-0375);
- een Excel-bestand met aanvullende transactiedata (productie SCCA-0276);
- zes AWB’s met bijbehorende facturen (producties SCCA-0377).
3.44.
Partijen zijn het erover eens dat EFP International B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Sensata Technologies Holland B.V. (achterliggende partij 13.01)
3.45.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0378);
- een getuigenverklaring van [naam 20] (productie SCCA-0706);
- een overzicht van ontvangen zendingen (productie SCCA-0719).
3.46.
SCC stelt dat uit de verklaring van [naam 8] (productie SCCA-0257) blijkt dat Sensata Technologies Holland B.V., althans haar rechtsvoorganger Texas Instruments Holland B.V., in de periode 2000-2010 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen en dat daarvoor significante bedragen zijn betaald. Ook na gedegen onderzoek kan zij echter geen additionele data en informatie met betrekking tot haar vluchten en transacties verstrekken. Uit de verklaring van [naam 20] en de jaarrekening over 2006 van Sensata Technologies Holland B.V. blijkt dat alle relevante activa en passiva en daarmee ook de vorderingen met betrekking tot het kartel (uiteindelijk) door Sensata Technologies Holland B.V. (van haar moedervennootschap Bain Capital) zijn overgenomen. In het overgelegde overzicht zijn volgens [naam 20] alle zendingen van (de rechtsvoorganger van) Sensata Technologies Holland B.V. opgenomen waarbij veelal het land van vertrek, de ‘ModeOfTransport’ en ook het MAWB zijn vermeld. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
3.47.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC geen data aan de berekening van het bedrag aan afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten ten grondslag heeft gelegd. Verder zijn de verklaringen van [naam 20] en [naam 8] te algemeen en is laatstgenoemde niet werkzaam bij Sensata Technologies Holland B.V., maar bij Omni Bridgeway. Bovendien is niet te verifiëren of bij de oprichting dan wel afsplitsing van Sensata Technologies Holland B.V. vorderingen op de luchtvaartmaatschappijen zijn overgegaan. Voorts is het overgelegde overzicht zonder direct bronbewijs onvoldoende, evenals een succesvolle koppeling met de BRG Database.
3.48.
De rechtbank is van oordeel dat Sensata Technologies Holland B.V. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht (waaronder overzicht van ontvangen zendingen), maar verzuimd aan te wijzen welke passages daarin/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is (zijn) afgenomen door Sensata Technologies Holland B.V. (althans haar rechtsvoorganger).
GE Avio S.r.l. (achterliggende partij 14.01)
3.49.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0379);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0380);
- een getuigenverklaring van [naam 21] , Indirect Sourcing Buyer (productie SCCA-0382);
- een geaggregeerd overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0383);
- een aantal AWB’s en facturen (producties SCCA-0384 tot en met SCCA-0389).
3.50.
Partijen zijn het erover eens dat GE Avio S.r.l. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
PILATUS Flugzeugwerke AG (achterliggende partij 16.01)
3.51.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0393);
- een Excel-bestand met gegevens van luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0394);
- een aantal databestanden (productie SCCA-0395);
- een pdf-bestand van een pakbon van de verzending van hardcopy AWB’s en facturen (productie SCCA-0397);
- een aantal AWB’s (productie SCCA-0398);
- meerdere AWB’s met bijbehorende facturen (producties SCCA-0399 tot en met SCCA-0413).
3.52.
Partijen zijn het erover eens dat PILATUS Flugzeugwerke AG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
International Flavors & Fragrances I.F.F. (Nederland) B.V. (achterliggende partij 17.01)
3.53.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0414);
- een Excel-bestand met gegevens over volgens SCC door International Flavors & Fragrances I.F.F. (Nederland) B.V. (hierna ook: I.F.F.) afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0415), gebaseerd op een bestand (SCCA-0416) dat onderdeel is van de data packs van Oxera.
3.54.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot in ieder geval 54.612 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit de overgelegde bestanden blijkt volgens haar dat I.F.F. 50.793 luchtvrachtvervoersdiensten via verschillende freight forwarders heeft afgenomen in de periode 2000-2007, die op de relevante grootboekrekening in haar administratie als uitgaven zijn geboekt en in haar ERP-systeem zijn geregistreerd.
3.55.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen transactiegegevens zijn verstrekt die verifieerbaar zijn en evenmin stukken die bevestigen dat in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst door I.F.F. is afgenomen. De overgelegde Excel-bestanden op zich zijn volgens hen onvoldoende, zodat SCC wat betreft deze achterliggende partij niet aan haar stelplicht heeft voldaan.
3.56.
De rechtbank is van oordeel dat International Flavors & Fragrances I.F.F. (Nederland) B.V. (I.F.F.) moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht (waaronder de Excel-bestanden met daarin een overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten die zij via de freight forwarders MOL Logistics (Netherlands) B.V. en DHL zou hebben afgenomen in de relevante periode), maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is/zijn afgenomen door I.F.F. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en het overzicht van uitgaven (productie SCCA-0416) moet toch ergens op zijn gebaseerd. SCC stelt dat het overzicht ten aanzien van die vluchten en transacties waar beschikbaar de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB, de gevlogen route, het chargeable weight, de datum van de vlucht en het nummer van de vlucht bevat. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van het concern I.F.F. die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt en medewerkers van de betreffende freight forwarders, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
Salvatore Ferragamo Italia S.p.A. (achterliggende partij 18.01)
3.57.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0417);
- een Excel-bestand met gegevens over (uitgaven aan) Salvatore Ferragamo Italia S.p.A. (hierna ook: Ferragamo) afgenomen luchtvrachtdiensten (productie SCCA-0418), ontleend aan een bestand (SCCA-0419) dat onderdeel uitmaakt van de data packs van Oxera.
3.58.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 90.680 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit de overgelegde bestanden blijkt dat Ferragamo 36.850 luchtvrachtvervoersdiensten (met Italië als land van vertrek) heeft afgenomen in de relevante periode en die bestanden betreffen overzichten van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten zoals die op de relevante grootboekrekeningen in haar administratie zijn geboekt onder vermelding van het nummer van de factuur.
3.59.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC geen direct bronbewijs heeft overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden onvoldoende zijn. Die bestanden noemen slechts totaalbedragen en een MAWB-nummer ontbreekt, zodat verificatie bij gebrek aan onderliggende documentatie praktisch niet uitvoerbaar is. Verder ontbreken in de overgelegde Excel-bestanden vliegroutes dan wel de naam van de achterliggende partij.
3.60.
De rechtbank is van oordeel dat Salvatore Ferragamo Italia S.p.A. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht (waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten per freight forwarder), maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen door Ferragamo. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de overzichten van uitgaven (productie SCCA-0419) moet toch ergens op zijn gebaseerd. SCC stelt dat het overzicht ten aanzien van die vluchten en transacties in ieder geval het land van aankomst, de datum, het chargeable weight en de naam van de betreffende freight forwarder bevatten. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van het concern Ferragamo die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt en medewerkers van de betreffende freight forwarders, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
Mattel Europa B.V. (achterliggende partij 19.01)
3.61.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0420);
- een Excel-bestand met gegevens van luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0421);
- een aantal databestanden (productie SCCA-0422);
- een witness statement van [naam 22] , bestuurder van Mattel Europa B.V. (productie SCCA-0423);
- een aantal air waybills en facturen (productie SCCA-0424);
- een aantal air waybills met bijbehorende facturen en overige documenten die betrekking hebben op een aantal specifieke luchtvrachtvervoersdiensten (producties SCCA-0425 tot en met SCCA-0430.
3.62.
Partijen zijn het erover eens dat Mattel Europa B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Heidelberger Druckmaschinen AG (achterliggende partij 20.01)
3.63.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0431);
- een Excel-bestand met gegevens van luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0432);
- een aantal databestanden (productie SCCA-0433);
- witness statements van [naam 23] en [naam 24] , beiden Head of procurement bij Heidelberger Druckmaschinen AG (productie SCCA-0434);
- een aantal air waybills en facturen (productie SCCA-0435);
- een aantal air waybills met bijbehorende facturen en overige documenten die betrekking hebben op een aantal specifieke luchtvrachtvervoersdiensten (producties SCCA-0436 tot en met SCCA-0439).
3.64.
Partijen zijn het erover eens dat Heidelberger Druckmaschinen AG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Alpimex (achterliggende partij 21.01)
3.65.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0440);
- een Excel-bestand met gegevens over uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten door de (in 2008 tot Alpimex gefuseerde) bedrijven Alpimex en Heremans (productie SCCA-0441);
- een toelichtende e-mail van [naam 25] van Alpimex (productie SCCA-0442);
- een witness statement van [naam 26] , voormalig delegated administrator van Alpimex (productie SCCA-0443);
- pdf-bestanden met verzamelfacturen (productie SCCA-0444).
3.66.
Partijen zijn het erover eens dat Alpimex mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. De rechtbank vindt dat SCC ten aanzien van Alpimex niet aan haar wegwijsplicht heeft voldaan, door niet duidelijk te maken waar in de overgelegde stukken de nodige gegevens met betrekking tot (ten minste) één concrete, door Alpimex afgenomen luchtvrachtvervoersdienst te vinden zijn. Kennelijk hebben de luchtvaartmaatschappijen niettemin de moeite genomen om de door SCC overgelegde gegevens en stukken te bestuderen en zijn zij tot de conclusie gekomen dat Alpimex in ieder geval één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen, zodat de stelling dat dat het geval is niet (meer) wordt betwist. Daarom is de rechtbank van oordeel dat deze achterliggende partij vooralsnog mee mag blijven doen in de procedure.
Fashion Linq groep (achterliggende partijen 22.01 en 22.03 tot en met 22.06)
3.67.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- een getuigenverklaring van [naam 27] , Buying Director binnen de HVEG Fashion Group (productie SCCA-0445);
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0446);
- een Excel-overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0447)
- een Excel-overzicht met geaggregeerde gegevens van luchtvrachtvervoersdiensten die van freight forwarder OTX zouden zijn afgenomen (productie SCCA-0448);
- diverse Excelbestanden met overzichten van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0409).
3.68.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 1.503 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht en de verklaring van [naam 27] blijkt dat de achterliggende partijen 1.503 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode. Op vier na bevat dat overzicht de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB, de gevlogen route, de bookdate, het chargeable weight, het actual weight en het nummer van de factuur. De overgelegde geaggregeerde gegevens betreffen per jaar een overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten van de achterliggende partijen, zoals die in de periode 2002-2010 op de relevante grootboekrekeningen in de administratie zijn geboekt, aldus SCC.
3.69.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden met transactie-specifieke gegevens onvoldoende zijn omdat daarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende achterliggende partijen en dat verder geen nadere onderbouwing is verstrekt. Verder mist in de overgelegde Excel-bestanden vrijwel alle relevante informatie en komt daarin alleen de datum herkenbaar naar voren. De informatie die wel in de bestanden is opgenomen op de datum na is bovendien niet te duiden. Verificatie van de (geaggregeerde) gegevens in de bestanden is bij gebrek aan onderliggende documentatie dan ook niet mogelijk. Voorts is de verklaring van [naam 27] dat “productie SCCA-0448 een weergave is van de luchtvrachtvervoersdiensten die de achterliggende partijen via een freight forwarder heeft afgenomen” onvoldoende concreet en verifieerbaar zonder nadere onderbouwing en wordt slechts gesteld dat de achterliggende partijen gebruik hebben gemaakt van luchtvrachtvervoersdiensten en dat zij hebben betaald.
3.70.
De rechtbank is van oordeel dat A&Q Fashion B.V., Brams Paris B.V., Wink Accessoires B.V., Debo Eindhoven B.V. en Belt Fashion Eindhoven B.V. moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) van welke tot de Fashion Linq groep behorende vennootschap(pen). De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard. Alleen al het feit dat SCC ter onderbouwing van haar stelling dat door ieder van deze Fashion Linq Shippers ten minste één luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen meent te kunnen volstaan met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten “die Brams Paris B.V. […], althans de Fashion Linq Shippers tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking via Freight Forwarder OTX hebben afgenomen” zonder dat overzicht nader te duiden, wijst er bovendien op dat SCC niet het vereiste onderscheid tussen de verschillende achterliggende vennootschappen binnen de Fashion Linq groep heeft gemaakt.
TSMC groep (achterliggende partijen 23.01, 23.02 en 23.03)
3.71.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0450);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0451)
- een Excel-overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die de drie achterliggende vennootschappen (de TMS achterliggende partijen) in de relevante periode zouden hebben afgenomen(productie SCCA-0452);
- drie getuigenverklaringen van [naam 28] , [naam 29] en [naam 30] , werkzaam bij respectievelijk Taiwan Semiconductor Manufacturing Company Ltd., TSMC China Company Ltd. en WaferTech, LLC (producties SCCA-0453, SCCA-0454 en SCCA-0455).
3.72.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) SCC data en informatie met betrekking tot 56.512 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat de TMS achterliggende partijen 42.583 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode via verschillende freight forwarders, zoals ook blijkt uit de overgelegde getuigenverklaringen. Dat overzicht bevat de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB, de bookdate, het chargeable weight, het nummer van de betreffende vlucht, de naam van de freight forwarder, het nummer van de factuur en het nummer van de HAWB en veelal ook de plaats van vertrek en de plaats van aankomst, aldus SCC.
3.73.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken, zoals AWB’s of facturen, zijn overgelegd die voldoende bevestigen dat de TMS achterliggende partijen zelf in de relevante periode ieder ten minste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden onvoldoende zijn. De verstrekte getuigenverklaringen met (dezelfde) aangehechte Excel-bestanden bevatten ook onvoldoende gegevens, onder meer omdat vliegroutes ontbreken.
3.74.
De rechtbank is van oordeel dat de TMS achterliggende partijen, Taiwan Semiconductor Manufacturing Company Ltd., TSMC China Company Ltd. en WaferTech, LLC, moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) van welke TMS achterliggende partij. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard. De (algemene) verwijzingen naar de drie overgelegde getuigenverklaringen maken dit gebrek aan onderbouwing door SCC niet goed, alleen al omdat dit niet wordt gedaan in het kader van een uiteenzetting over gespecificeerde luchtvrachtvervoersdiensten.
Florimex groep (achterliggende partijen Florimex B.V. 24.01 en Baardse B.V. 24.02)
3.75.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0456);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0457);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Florimex B.V. en Baardse B.V. (de Florimex achterliggende partijen) tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking zouden hebben afgenomen (productie SCCA-0458)
- twee Excel-bestanden met, respectievelijk, een overzicht van gestelde uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten door Baardse B.V. en een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Florimex B.V. zou hebben afgenomen (SCCA-0459);
- een factuur en AWB (productie SCCA-0460).
3.76.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 4.634 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat de Florimex achterliggende partijen 4.634 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode. Dat overzicht bevat de bookdate en in veel gevallen ook de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB, het land van vertrek, het land van aankomst, het factuurnummer, het nummer van de purchase order en/of de naam van de freight forwarder. Met betrekking tot Florimex B.V. beschrijft SCC een specifieke luchtvrachtvervoersdienst, onder verwijzing naar de overgelegde bijbehorende AWB en factuur.
3.77.
Partijen zijn het erover eens dat Florimex B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures, en de rechtbank volgt hen daarin. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
3.78.
De luchtvaartmaatschappijen voeren ten aanzien van Baardse B.V. echter aan dat
direct bronbewijs ontbreekt en dat het overgelegde Excel-bestand onvoldoende is, omdat dit geen MAWB-nummers, relevant gewicht of aanduiding van de route bevat, waardoor verificatie van deze gegevens bij gebrek aan onderliggende documentatie praktisch niet uitvoerbaar is.
3.79.
De rechtbank is met de luchtvaartmaatschappijen van oordeel dat Baardse B.V. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht (waaronder het Excel-bestand met overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten ontleend aan de grootboekrekeningen van Baardse B.V. over de relevante periode), maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is (zijn) afgenomen door Baardse B.V. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en het overzicht van uitgaven (productie SCCA-SCCA-0459) moet toch ergens op zijn gebaseerd. Dat SCC uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van het de Florimex Groep die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt en medewerkers van de betreffende freight forwarders, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
Puratos N.V. (achterliggende partij 25.01)
3.80.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0461);
- een Excel-overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0462);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Puratos N.V. in de relevante periode via verschillende freight forwarders zou hebben afgenomen (productie SCCA-0463);
- een getuigenverklaring van [naam 31] , werkzaam bij Puratos N.V. (productie SCCA-0464);
- vijf pdf-bestanden (productie SCCA-0465);
- een aantal facturen van freight forwarders (productie SCCA-0466).
3.81.
Partijen zijn het erover eens dat Puratos N.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures, en de rechtbank volgt hen daarin. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Belden Wire & Cable B.V. (achterliggende partij 26.01)
3.82.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- een e-mail van [naam 32] , werkzaam bij Belden Wire & Cable B.V. (hierna: Belden) (productie SCCA-0467);
- een getuigenverklaring van [naam 33] , eveneens werkzaam bij Belden (productie SCCA-0468);
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0469);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0470);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Belden in de relevante periode via verschillende freight forwarders zou hebben afgenomen (productie SCCA-0471);
- een aantal facturen (productie SCCA-0472);
- een aantal MAWB’s (producties SCCA-0473 t/m 0477).
3.83.
Partijen zijn het erover eens dat Belden Wire & Cable B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures en de rechtbank volgt hen daarin. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Flowex B.V. (achterliggende partij 27.01)
3.84.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0478);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Flowex B.V. tijdens de relevante periode zou hebben afgenomen (productie SCCA-0479);
- een Excel-bestand met een overzicht van transacties (productie SCCA-0480);
- een Excel-bestanden met overzichten per jaar van luchtvrachtvervoersdiensten die Flowex B.V. tijdens de relevante periode via verschillende freight forwarders zou hebben afgenomen (productie SCCA-0481);
- een AWB (productie SCCA-0482).
3.85.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 1.565 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overzicht van de betreffende vluchten en transacties (productie SCCA-0479) blijkt dat Flowex B.V. 1.119 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking. Het als productie SCCA-0480 overgelegde bestand betreft een overzicht van diensten die via verschillende freight forwarders zijn afgenomen. Op tien na bevat dat overzicht de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB-nummer, de gevlogen route, de bookdate, het chargeable weight en de naam van de freight forwarder. Op de overgelegde AWB wordt onder het kopje ‘Accounting Information’ Flowex B.V. als partij genoemd die op de hoogte moet worden gesteld. Daaruit blijkt dat de luchtvrachtvervoersdienst door een freight forwarder als consignee is afgenomen voor Flowex B.V. Op de AWB is ook vermeld dat de vracht onder meer ‘gypsophila’ en ‘carnations’ bevat. Dit zijn bloemen en Flowex B.V. importeert bloemen, onder meer vanuit Ecuador, op welk land ook de AWB ziet. Bovendien is de transactie opgenomen in de overgelegde Excel-bestanden, aldus steeds SCC.
3.86.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat uit de AWB blijkt dat de transactie is afgenomen en betaald door Agritab Piganflor en niet door Flowex B.V. Bovendien staat Flowex B.V. noch als verzender (shipper) noch als ontvanger (consignee) vermeld maar slechts als ‘notify’ partij. Hieruit volgt niet dat Flowex B.V. de luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en/of betaald. Voorts zijn de Excel-bestanden onvoldoende en blijkt daaruit tegenstrijdige informatie. Flowex B.V. wordt in het ene bestand als verzender aangeduid en in het andere als ontvanger, terwijl voor beide Excel-bestanden precies dezelfde transacties worden overgelegd en dezelfde kosten worden opgevoerd. Derhalve kan niet van de betrouwbaarheid van deze bestanden worden uitgegaan. Ook het enkele voorkomen van een AWB-nummer in Excel-bestanden en het bezit van een AWB maakt nog niet dat Flowex B.V. de afnemer van een luchtvrachtvervoersdienst is geweest.
3.87.
De rechtbank is van oordeel dat Flowex B.V. moet afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en), op de hiervoor besproken luchtvrachtvervoersdienst na die onderwerp is van de enkele overgelegde AWB. Met betrekking tot die luchtvrachtvervoersdienst heeft zij echter, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen, onvoldoende onderbouwd dat Flowex B.V. ook daadwerkelijk afnemer is geweest van de luchtvrachtvervoersdienst in kwestie. De stelling van de luchtvaartmaatschappijen dat niet Flowex, maar Agritab Piganflor voor deze luchtvrachtvervoersdienst heeft betaald, is niet (voldoende onderbouwd) weersproken, en SCC heeft niet duidelijk gemaakt op grond waarvan Flowex B.V. dan niettemin zou moeten worden aangemerkt als afnemer van deze luchtvrachtvervoersdienst. Het enkele feit dat zij als “notify” partij is vermeld in de AWB is daarvoor in ieder geval onvoldoende.
Alessi S.p.A. (achterliggende partij 28.01)
3.88.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0483);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0484);
- een overzicht van betalingen door Alessi S.p.A. per freight forwarder (productie SCCA-0485);
- sets facturen van freight forwarders (producties SCCA-0486 t/m SCCA-0490);
- 9 pdf-bestanden (producties SCCA-0491 t/m SCCA-0499).
3.89.
Partijen zijn het erover eens dat Alessi S.p.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Max Mara groep (achterliggende partijen 29.01 tot en met 29.05)
3.90.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0500);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0501);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die IMAX S.R.L. (29.01), Manifatture del Nord S.R.L. (29.02), Marella S.R.L. (29.03), Marina Rinaldi S.R.L. (29.04) en Max Mara S.R.L. (29.05) (de Max Mara achterliggende partijen) in de relevante periode via verschillende freight forwarders zouden hebben afgenomen (productie SCCA-0502);
- getuigenverklaringen van [naam 34] , [naam 35] , [naam 36] en [naam 37] , werkzaam bij verschillende Max Mara achterliggende partijen (producties SCCA-0503 t/m SCCA-0506);
- een aantal AWB’s en facturen (productie SCCA-0507);
- 20 pdf-bestanden met betrekking tot die AWB’s en facturen (producties SCCA-0508 t/m SCCA-0525).
3.91.
Partijen zijn het erover eens dat de Max Mara achterliggende partijen, IMAX S.R.L. (29.01), Manifatture del Nord S.R.L. (29.02), Marella S.R.L. (29.03), Marina Rinaldi S.R.L. (29.04) en Max Mara S.R.L. (29.05), mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Antibioticos, S.A.U. (achterliggende partij 30.01)
3.92.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0526);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0527);
- een Excel-bestand met een overzicht van de luchtvrachtvervoersdiensten die Antibioticos, S.A.U. (hierna ook: Antibioticos) tijdens de relevante periode zou hebben afgenomen via verschillende freight forwarders (productie SCCA-0528);
- een getuigenverklaring van [naam 38] , voorheen werkzaam bij Antibioticos (productie SCCA-0529);
- meerdere bestanden met overzichten van volgens SCC door Antibioticos afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten en betalingen per freight forwarder, met informatie uit het ERP-systeem van Antibioticos (productie SCCA-0530);
- een e-mail van [naam 39] , werkzaam bij Antibioticos (productie SCCA-0531);
- een aantal AWB’s en facturen (producties SCCA-0532 t/m SCCA-0537).
3.93.
Partijen zijn het erover eens dat Antibioticos, S.A.U. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Marcolin S.p.A. (achterliggende partij 31.01)
3.94.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0538);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0539);
- een Excelbestand met overzichten van volgens SCC door Marcolin S.p.A. (hierna ook: Marcolin) afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten via verschillende freight forwarders, waaronder C.T.I. (productie SCCA-0540);
- een aantal facturen (productie SCCA-0541).
3.95.
Partijen zijn het erover eens dat Marcolin S.p.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Siae Microelettronica S.p.A. (achterliggende partij 32.01)
3.96.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0542);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0543);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die volgens SCC door Siae Microelettronica S.p.A. (hierna ook: Siae) zijn afgenomen in de relevante periode
via verschillende freight forwarders (productie SCCA-0544).
3.97.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 1.086 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat Siae 415 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode. Op 21 na bevat dat overzicht ten aanzien van al die vluchten en transacties in ieder geval de plaats of het land van vertrek, de plaats of het land van aankomst, het nummer van de factuur, het chargeable weight en/of het actual weight en de naam van de freight forwarder alsmede in veel gevallen ook de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB-nummer, de bookdate, het nummer van de vlucht en/of het HAWB-nummer. BRG is met bevindingen gekomen ten aanzien van 724 transacties, waarvan de luchtvaartmaatschappijen het bestaan ten onrechte betwisten.
3.98.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat Siae in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden daartoe onvoldoende zijn.
3.99.
De rechtbank is van oordeel dat Siae Microelettronica S.p.A. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is (zijn) afgenomen door Siae. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en het als productie SCCA-0544 overgelegde overzicht van beweerdelijk afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten moet toch ergens op zijn gebaseerd. Dat SCC uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van Siae die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt en medewerkers van de betreffende freight forwarders, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
Bel Impex B.V. (achterliggende partij 33.01)
3.100. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0545);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0546);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Bel Impex B.V. (hierna ook: Bel Impex) volgens SCC als consignee heeft afgenomen in de relevante periode (productie SCCA-0547);
- een getuigenverklaring van [naam 40] , bestuurder van Bel Impex (productie SCCA-0548);
- een aantal AWB’s en facturen (productie SCCA-0549 t/m SCCA-0552).
3.101. Partijen zijn het erover eens dat Bel Impex B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Bud Holland B.V. (achterliggende partij 34.01)
3.102. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0553);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0554);
- een Excel-bestand met details van hardcopy AWB’s van Bud Holland B.V. (hierna ook: Bud) die SCC stelt handmatig te hebben verwerkt en een Excel-bestand met overzichten van gestelde uitgaven van Bud aan luchtvrachtvervoersdiensten in de periode september 2000 – augustus 2006 (productie SCCA-0555);
- een getuigenverklaring van [naam 41] , CEO van Bud (productie SCCA-0556);
- een aantal AWB’s (productie SCCA-0557).
3.103. Partijen zijn het erover eens dat Bud Holland B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
New Wave Group AB (achterliggende partij 35.01)
3.104. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0558);
- een pdf-bestand met, volgens SCC, uitgaven van New Wave Group AB aan in de relevante periode afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0559).
3.105. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) meer geaggregeerde data en informatie met betrekking tot afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2000-2006 in het geding heeft gebracht dan de reeds in de cessiedocumentatie verstrekte gegevens. Volgens SCC zijn de nu overgelegde data de enige relevante gegevens waarover New Wave Group AB nog beschikt en blijkt daaruit dat New Wave Group AB tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking direct of indirect luchtvrachtvervoersdiensten waar het kartel betrekking op had heeft afgenomen.
3.106. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat het enige bestand met gegevens dat SCC heeft overgelegd door SCC zelf wordt omschreven als een overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten en slechts uit het volgende bestaat:

Dit is onvoldoende. Bovendien lijkt het overzicht uitsluitend betrekking te hebben op andere
entiteiten ("bolag" is Zweeds voor "bedrijf") dan New Wave Group AB. De
opmerking van SCC dat New Wave Group AB binnen de groep
"verantwoordelijk was voor de logistiek", is een blote stelling die zij verder niet
onderbouwt. Deze stelling brengt bovendien – ook als deze juist zou zijn – niet mee dat
New Wave Group AB als voor "de logistiek" verantwoordelijke entiteit
binnen de groep ook steeds de (voor deze procedures relevante) afnemer (dan wel betaler)
van de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten zou zijn geweest.
3.107. De rechtbank is van oordeel dat New Wave Group AB moet afvallen omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft slechts een – voor meerderlei uitleg vatbaar – overzicht van beweerdelijk door New Wave Group AB gemaakte kosten van luchtvrachtvervoersdiensten in het geding gebracht naast de algemene cessiedocumentatie. Zij heeft op de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen van de gestelde betekenis van die gegevens niet meer gereageerd. Meer in het bijzonder heeft zij nagelaten om met betrekking tot ten minste één luchtvrachtvervoersdienst relevante, verifieerbare gegevens in het geding te brengen waaruit blijkt dat die dienst ook daadwerkelijk door New Wave Group AB is afgenomen. De rechtbank is het met de luchtvaartmaatschappijen eens dat uit de enkele (niet nader onderbouwde of toegelichte) stelling dat New Wave Group AB binnen haar groep van rechtspersonen verantwoordelijk was voor “de logistiek” niet noodzakelijkerwijs volgt dat zij dus ook zelf luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode.
B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem (achterliggende partij 36.01)
3.108. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0560);
- een Excel-bestand met gegevens over vluchten en transacties (productie SCCA-0561);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die volgens SCC door B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem zijn afgenomen in de relevante periode (productie SCCA-0562);
- een e-mail van [naam 42] , werkzaam voor B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem (productie SCCA-0563);
- verschillende Excel-bestanden (productie SCCA-0564).
3.109. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 5.312 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde blijkt dat B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem 5.312 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode. SCC verwijst verder naar de e-mail van [naam 42] , waaruit blijkt dat de data en informatie in de overgelegde bestanden voor wat betreft de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB-nummer, de gevlogen route, het chargeable weight, de bookdate en de naam van de freight forwarder afkomstig zijn uit via haar freight forwarder verkregen bestanden. Verder blijkt uit die
e-mail dat de transacties in de bestanden steeds zijn te koppelen aan de hand van het nummer van de factuur.
3.110. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en dat het overgelegde overzicht en de verschillende databestanden daartoe onvoldoende zijn. Verder volgt uit de e-mail van [naam 42] dat er geen AWB’s en/of facturen beschikbaar zijn:
“Fysieke en digitale ABW’s en/of facturen kunnen we u niet aan helpen”.
3.111. De rechtbank is van oordeel dat B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem moet afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding getracht (waaronder een Excel-bestand met een overzicht van beweerdelijk afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten), maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onvoldoende en begrijpt ook niet waarom SCC zich niet lijkt te hebben ingespannen om ten minste van één beweerdelijk door deze achterliggende partij afgenomen luchtvrachtvervoersdienst de nodige concrete, verifieerbare gegevens – ook over de betaling – te achterhalen en aan de rechtbank te presenteren. Het feit dat B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem in algemene zin heeft laten weten niet meer over facturen en AWB’s te beschikken hoeft daaraan niet zonder meer in de weg te staan. SCC stelt dat het overzicht ten aanzien van al die vluchten en transacties in ieder geval de code van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route en de bookdate, en op één na ook steeds het betreffende factuurnummer bevat. Op 23 na bevat het overzicht ook steeds chargeable weight en het MAWB, aldus SCC. Die gegevens moeten toch ergens vandaan komen? Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen onder meer door het horen van medewerkers van het concern Damen die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende. Het voorgaande geldt temeer omdat B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem deel uitmaakt van een groep van rechtspersonen en SCC niet duidelijk maakt op grond waarvan ervan kan worden uitgegaan dat B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem zelf, en niet een van haar groepsmaatschappijen, de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten zou hebben afgenomen.
Stahl Europe B.V. (achterliggende partij 37.01)
3.112. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0565);
- een Excel-bestand met gegevens over vluchten en transacties (productie SCCA-0566);
- een getuigenverklaring van [naam 43] , werkzaam bij Stahl Europe B.V. (productie SCCA-0567);
- een aantal facturen (productie SCCA-0568 t/m SCCA-0575);
- nadere informatie van Stahl Europe B.V., waaronder de eerder genoemde facturen (productie SCCA-0576).
3.113. Partijen zijn het erover eens dat Stahl Europe B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Garletti S.N.C. Di Garletti Giovanni EC (achterliggende partij 38.01)
3.114. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- een getuigenverklaring van [naam 44] (productie SCCA-0577);
- een getuigenverklaring van [naam 45] (productie SCCA-0578);
- cessiedocumentatie (SCCA-0579);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0580);
- Excel-bestanden met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die volgens SCC door Garletti S.N.C. Di Garletti Giovanni EC (hierna ook: Garletti) via verschillende freight forwarders zijn afgenomen in de relevante periode (productie SCCA-0581 en SCCA-0582);
- vier facturen (productie SCCA-0583).
3.115. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 596 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat Garletti 596 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode via verschillende freight forwarders. Dit volgt ook uit de getuigenverklaringen van [naam 44] en [naam 45] . Op zestien na bevat dat overzicht in ieder geval de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB-nummer, het land van aankomst, het land van vertrek, de bookdate en de naam van de freight forwarder alsmede in vrijwel alle gevallen een interne referentie en het chargeable weight, aldus SCC.
3.116. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat Garletti in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden onvoldoende zijn. De vier facturen die zijn overgelegd en de informatie die SCC over de betreffende transacties heeft verstrekt volstaan ook niet in dit verband. Nu informatie over de gevlogen route en het gewicht ontbreekt wordt verificatie ernstig bemoeilijkt en kan ook niet worden vastgesteld of de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten zien op vluchten van, naar of binnen de EER en daarmee binnen de reikwijdte van deze procedure vallen. Ook kan niet worden geverifieerd of de betreffende binnen de reikwijdte van een of meer collectieve schikkingen vallen.
3.117. De rechtbank is, anders dan de luchtvaartmaatschappijen, van oordeel dat SCC haar vordering ten aanzien van Garletti S.N.C. Di Garletti Giovanni EC voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. Voor dit oordeel is het volgende van belang. SCC heeft onder verwijzing naar de overgelegde facturen twee specifieke, concrete luchtvrachtvervoersdiensten beschreven en daarover nadere informatie verstrekt. Uit die informatie kan worden afgeleid dat freight forwarder Cool Control op
1 februari 2001 bij Garletti een luchtvrachtvervoersdienst in rekening heeft gebracht met MAWB nummer 2964 2926 en interne codering 100. SCC stelt dat het daarbij gaat om een vlucht van Martinair van Mexico naar Nederland en dat dit blijkt uit de op de facturen genoemde code (129, voor Martinair) en uit de interne codering, alsmede uit de via het MAWB-nummer aan deze vlucht te relateren, eveneens overgelegde factuur van Ecotimex, een in Mexico gevestigd bedrijf dat een partij groente en fruit in rekening heeft gebracht bij Garletti. Omdat Ecotimex in Mexico is gevestigd en de freight forwarder Cool Control in Nederland, gaat het hier om een vlucht van Mexico naar Nederland, maar de gevlogen route (en het gewicht) is in het kader van de door de rechtbank gegeven opdracht tot onderbouwing (nog) niet relevant: het gaat er immers (slechts) om of een luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen in de relevante periode, aldus SCC.
De rechtbank constateert dat het bestaan van de luchtvrachtvervoersdienst en de authenticiteit van de overgelegde facturen als zodanig niet (voldoende onderbouwd) zijn betwist en dat het verweer van de luchtvaartmaatschappijen zich (voor nu) toespitst op het niet met zekerheid kunnen vaststellen van de gevlogen route (en het gewicht). Het is juist dat de door de rechtbank gegeven opdracht tot nadere onderbouwing nog niet specifiek zag op de gevlogen route, noch op gegevens op basis waarvan kan worden vastgesteld of de transactie in kwestie (gelet op die route) binnen het bereik van een eerder getroffen schikking valt (hoewel dit in het vervolg van de procedure uiteraard wel relevant is en alsnog bepalend kan zijn voor afwijzing van (een deel van) de vordering). Daar komt bij dat SCC wel degelijk onderbouwde en beredeneerde stellingen heeft ingenomen met betrekking tot de route van deze vlucht. Dat daarvan nog geen sluitend bewijs is geleverd – uit de plaatsen van vestiging van een leverancier van Garletti en een freight forwarder die voor een zending van die leverancier heeft gezorgd volgt immers nog niet zonder meer dat dit ook de plaats van vertrek en bestemming van de vlucht waren – maakt niet dat deze achterliggende partij in deze fase, waar het op de onderbouwing van stellingen aankomt, reeds moet afvallen.
ZAP S.p.A. (achterliggende partij 39.01)
3.118. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0548);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0585);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die ZAP S.pA. (hierna ook: ZAP) volgens SCC in de relevante heeft afgenomen via verschillende freight forwarders (productie SCCA-0586);
- een aantal pdf-bestanden van facturen en daaraan gerelateerde vervoersdocumenten (producties SCCA-0587 t/m SCCA-0592).
3.119. Partijen zijn het erover eens dat ZAP S.p.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Beghelli S.p.A. (achterliggende partij 40.01)
3.120. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0593);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0594);
- twee Excel-bestanden met overzichten van luchtvrachtvervoersdiensten die volgens SCC door Beghelli S.p.A. in de relevante periode zijn afgenomen via verschillende freight forwarders (productie SCCA-0595);
- een getuigenverklaring van [naam 46] (productie SCCA-0596);
- een aantal facturen (producties SCCA-0597 t/m SCCA-0600).
3.121. Partijen zijn het erover eens dat Beghelli S.p.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
EV Group Europe & Asia/Pacific GmbH (achterliggende partij 41.01)
3.122. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0601);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0602);
- een Excel-bestand met gegevens over luchtvrachtvervoersdiensten die volgens SCC door EV Group Europe & Asia/Pacific GmbH gedurende de relevante periode via verschillende freight forwarders heeft afgenomen (productie SCCA-0603);
- verschillende facturen met bijbehorende AWB’s (producties SCCA-0604 tot en met SCCA-0607);
- een splitsings- en overnameovereenkomst (productie SCCA-0722).
3.123. SCC stelt dat EV Group Europe & Asia/Pacific GmbH in 2008/2009 is ontstaan als een afsplitsing van EV Group E. Thallner GmbH (later genaamd EV Group GmbH). De relevante luchtvrachtvervoersdiensten zijn door EV Group E. Thallner GmbH afgenomen in het kader van haar operationele verkoop-, service- en marketing activiteiten. Met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) heeft SCC data en informatie met betrekking tot 892 individuele vluchten en transacties in het geding gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat (de rechtsvoorganger van) EV Group Europe & Asia/Pacific GmbH 635 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen tijdens de relevante periode. Op vier na bevat dat overzicht ten aanzien van al die vluchten en transacties in ieder geval de naam van de freight forwarder, de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB-nummer, de gevlogen route, de bookdate, het chargeable weight en het nummer van de factuur alsmede in vrijwel al die gevallen ook het nummer van de vlucht.
3.124. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken zijn overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat EV Group GmbH zelf in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Uit de als productie SCCA-0604 overgelegde factuur met bijbehorende AWB kan enkel worden afgeleid dat EV Group E. Thallner GmbH de luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen, maar niet dat EV Group Europe &Asia/Pacific GmbH (althans enige beweerdelijke rechtsvoorganger) die luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Er ontbreekt namelijk een onderbouwing van de stelling van SCC dat uit de splitsings- en overnameovereenkomst volgt dat de bedrijfsactiviteiten (en daarmee alle rechten en plichten) van EV Group E. Thallner GmbH, waaronder de vermeende vorderingen op de luchtvaartmaatschappijen, zijn overgegaan op EV Group GmbH. Zo ontbreekt een opinie van een Oostenrijkse advocaat die de door SCC aan de splitsings- en overnameovereenkomst gegeven uitleg valideert. Ook anderszins is niet voldoende onderbouwd waarom de vordering van EV Group E. Thallner GmbH (i) onder de operationele activiteiten van de onderneming zouden vallen die zouden zijn overgedragen, dan wel (ii) niet onder de in artikel 11.2 opgesomde vorderingen valt die zijn uitgezonderd van overdracht. Niet zonder meer is dus duidelijk dat een vordering uit onrechtmatige daad als vermogensonderdeel kwalificeert dat op EV Group GmbH is overgegaan, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
3.125. De rechtbank is van oordeel dat EV Group Europe & Asia/Pacific GmbH moet afvallen in het vervolg van deze procedures. De luchtvaartmaatschappijen hebben voldoende toegelicht dat niet duidelijk is dat een vordering uit onrechtmatige daad uit hoofde van het onderhavige kartel is overgegaan op EV Group GmbH. In het licht van die gemotiveerde betwisting en op grond van hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen had van SCC mogen worden verwacht dat zij haar stellingen met betrekking tot het rechtsopvolgerschap van EV Group Europe & Asia/Pacific van een nadere onderbouwing had voorzien. Nu zij dat heeft nagelaten, heeft zij onvoldoende onderbouwd dat (een rechtsvoorganger van) deze achterliggende partij schade heeft geleden als gevolg van het kartel.
Perishable Management Company V.O.F. (achterliggende partij 42.01)
3.126. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCCA-0608);
- een overzicht met vluchten en transacties (productie SCCA-0609)
- onderliggende data en informatie bij dit overzicht (productie SCCA-0610)
- aanvullende data en informatie (productie SCCA-0612);
- verschillende facturen (productie SCCA-0613).
3.127. Partijen zijn het erover eens dat Perishable Management Company V.O.F. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Starflor Distributiecentrum B.V. (achterliggende partij 43.01)
3.128. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0620);
- een overzicht van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0621);
- een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0622);
- een getuigenverklaring van [naam 47] (productie SCCA-0623).
3.129. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 951 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat Starflor Distributiecentrum B.V. in de periode 2002-2006 947 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode via verschillende freight forwarders. Dit volgt ook uit de verklaring van [naam 47] . Op vijftien na bevat dat overzicht in ieder geval de naam van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, de datum en het nummer van de factuur alsmede de naam van de freight forwarder.
3.130. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat Starflor Disributiecentrum B.V. in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoerdienst heeft afgenomen en dat de overgelegde Excel bestanden daartoe onvoldoende zijn. Verder is de getuigenverklaring van [naam 47] onvoldoende concreet en verifieerbaar.
3.131. De rechtbank is van oordeel dat Starflor Distributiecentrum B.V. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor genoemde toetsingskader. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten per freight forwarder, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door Starflor Distributiecentrum B.V. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de overzichten van uitgaven en vluchten (productie SCCA-0622 en 0621) moet toch ergens op zijn gebaseerd. SCC stelt dat het overzicht ten aanzien van die vluchten en transacties in ieder geval voor de meeste vervoersdiensten ook de naam van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, de datum en het nummer van de betreffende factuur en de naam van de betreffende freight forwarder bevatten. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers en de Financial Director [naam 47] van Starflor Distributiecentrum BV. die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
W.A. Sanders Papierfabriek “Coldenhove” B.V. (achterliggende partij 44.01)
3.132. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0624);
- een overzicht met vluchten en transacties (productie SCCA-0625);
- een Exel-bestand dat aan het overzicht van de vluchten en transacties ten grondslag ligt (productie SCCA-062);
- een (partij)verklaring van een medewerker van W.A. Sanders Papierfabriek “Coldenhove” B.V. (productie SCCA-0627);
- een aantal AWB’s en facturen (productie SCCA-0628).
3.133. Partijen zijn het erover eens dat W.A. Sanders Papierfabriek “Coldenhove” B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
AGM Jactex AG (achterliggende partij 45.01)
3.134. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0629);
- een Excel-bestand met een overzicht van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0630);
- een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0631).
3.135. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 701 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat AGM Jactex AG 701 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode. Het overgelegde bestand bevat voor alle vluchten en transacties de bookdate en het factuurnummer van de freight forwarder alsmede in veel gevallen ook de naam van de luchtvaartmaatschappij en de gevlogen route.
3.136. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat AGM Jactex AG in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoerdienst heeft afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden daartoe onvoldoende zijn.
3.137. De rechtbank is van oordeel dat AGM Jactex AG moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten die zij heeft afgenomen van verschillende freight forwarders, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door AGM Jactex AG. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de overzichten met betrekking tot de relevante luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0623) moet toch ergens op zijn gebaseerd. SCC stelt dat het overzicht ten aanzien van die vluchten en transacties in ieder geval de bookdate en het nummer van de betreffende factuur van de betreffende freight forwarder bevatten. In vele gevallen, zo stelt SCC, bevat het bestand ook de naam van de betreffende luchtvaartmaatschappij en/of de gevlogen route. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen, ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers AGM Jactex AG. die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
G. Ghersi & C. S.A.S. (achterliggende partij 46.01)
3.138. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0632);
- een Excel-bestand met transactiegegevens (productie SCCA-0633).
3.139. SCC stelt zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) middels het Excel-bestand meer geaggregeerde data en informatie met betrekking tot de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten in het geding heeft gebracht. Dit betreft per jaar een overzicht van uitgaven aan die diensten in de periode 2003-2006. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
3.140. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat het overgelegde Excel-bestand (productie SCCA-0633) reeds in 2019 is overgelegd als onderdeel van de Oxera packs, welk bestand echter alleen jaartallen en totalen en geen transactiegegevens bevat. Verder heeft SCC geen bronbewijs of ander documenten, data of informatie overgelegd. Dat de zoekterm ‘Ghersi’ resultaten oplevert in de BRG Database is onvoldoende voor de vaststelling dat deze achterliggende partij zelf in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
3.141. De rechtbank is van oordeel dat G. Ghersi & C. S.A.S. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten die zij heeft afgenomen van verschillende freight forwarders, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door G. Ghersi & C. S.A.S.
Gebr. [naam 49] B.V. (achterliggende partij 47.01)
3.142. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0634);
- een Exel-bestand met een overzicht van de vluchten en transacties (productie SCCA-0635)
- een Excel-bestand met geaggregeerde gegevens (productie SCCA-0636);
- een e-mail van 18 november 2016 van [naam 48] , General Manger van freight forwarder Copex (productie SCCA-0637);
- een fax van [naam 49] (productie SCCA-0638).
3.143. Partijen zijn het erover eens dat Gebr. [naam 49] B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Eldor Corporation S.p.A. (achterliggende partij 48.01)
3.144. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCCA-0639);
- een Exel-bestand met transactiegegevens (producties SCCA-0640 en SCCA-0641)
- twee facturen (productie SCCA-0642).
3.145. Partijen zijn het erover eens dat Eldor Corporation S.p.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Polytex AG (achterliggende partij 49.01)
3.146. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0643);
- een overzicht van luchtvaarttransacties (productie SCCA-0644);
- een verklaring van [naam 50] , CEO van Polytex AG (productie SCCA-0646)
- Excel-bestanden (producties SCCA-0645 en SCCA-0647);
- drie facturen (productie SCCA-0648).
3.147. Partijen zijn het erover eens dat Polytex AG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Florex B.V. (achterliggende partij 50.01)
3.148. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0649);
- Excel-bestanden met een overzicht van afgenomen luchtvrachtdiensten (producties SCCA-0650 en SCCA-0651);
- een getuigenverklaring van Klumpenhouwer, bestuurder van Florex B.V. (productie SCCA-0652);
- e-mails met bijlagen, waaronder enkele facturen en AWB’s (productie SCCA-0653).
3.149. Partijen zijn het erover eens dat Florex B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Schneeberger AG Lineartechnik (achterliggende partij 51.01)
3.150. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCCA-0634);
- een Exel-bestand met een overzicht van de vluchten en transacties (productie SCCA-0635);
- een Excel-bestand met geaggregeerde gegevens (productie SCCA-0636);
- een e-mail van 18 november 2016 van [naam 48] , General Manger van freight forwarder Copex (productie SCCA-0637);
- een fax van [naam 49] (productie SCCA-0638).
3.151. Partijen zijn het erover eens dat Schneeberger AG Lineartechnik mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Westerbeek Bulb Company B.V. (achterliggende partij 52.01)
3.152. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0659);
- een Exel-bestand met een overzicht van de vluchten en transacties (productie SCCA-0660);
- een Excel-bestand met afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA- 0661);
- twee air waybills (SCCA-0662).
3.153. Partijen zijn het erover eens dat Westerbeek Bulb Company B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Spreafico Francesco E F.lli S.p.a. (achterliggende partij 53.01)
3.154. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCCA-0663);
- een overzicht van luchtvrachttransacties (productie SCCA-0664);
- een Excel-bestand (productie SCCA-0665);
- facturen en air waybills (producties SCCA-0666 tot en met SCCA-0669).
3.155. Partijen zijn het erover eens dat Spreafico Francesco E F.lli S.p.a. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Fostag Formenbau AG (achterliggende partij 54.01)
3.156. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0670);
- Exel-bestanden met transactiegegevens (producties SCCA-0671 en SCCA-0672);
- een getuigenverklaring van een medewerker van Fostag Formenbau AG, D. Geiger (productie SCCA-0673);
- diverse facturen van luchtvrachtvervoersdiensten (producties SCCA-0674 tot en met SCCA-0677).
3.157. Partijen zijn het erover eens dat Fostag Formenbau AG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Herrenknecht AG (achterliggende partij 55.01)
3.158. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0678);
- een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachttransacties (productie SCCA-0679);
- een getuigenverklaring van [naam 51] (productie SCCA-0704).
3.159. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) geaggregeerde data en informatie in het geding heeft gebracht. Het overgelegde overzicht ziet op uitgaven van Herrenknecht AG aan luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2000-2012, uitgesplitst naar jaar en freight forwarder. SCC verwijst verder naar de getuigenverklaring van [naam 51] .
3.160. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken zijn aangeleverd waaruit blijkt dat Herrenknecht AG in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoerdienst heeft afgenomen en dat de overgelegde Excel bestanden daartoe onvoldoende zijn. Verder staat in de getuigenverklaring van [naam 51] slechts in algemene termen dat Herrenknecht AG in de periode van 1999-2007 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Een dergelijke verklaring is onvoldoende concreet en verifieerbaar.
3.161. De rechtbank is van oordeel dat Herrenknecht AG moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door Herrenknecht AG. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de overzichten met betrekking tot de relevante luchtvrachtvervoersdiensten moet toch ergens op zijn gebaseerd. SCC stelt dat het overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2000 – 2012 uitgesplitst is naar jaar en freight forwarder. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen, ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van HerrenknechtAG en van de freight forwarders en de heren [naam 51] en Stiefel is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
Mehadrin Tnuport Export (L.P.) (achterliggende partij 56.01)
3.162. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0681);
- een overzicht van de afgenomen luchtvrachttransacties (productie SCCA-0682);
- meerdere Excel-bestanden (producties SCCA-0683 en SCCA-0684);
- een AWB (productie SCCA-0723);
- een verklaring van [naam 52] (medewerker van Mehadrin Export (L.P)) (productie SCCA-0724).
3.163. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (SCCA-0254 en SCCA-0266 data en informatie met betrekking tot 291 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat Mehadrin Tnuport Export (L.P.) 260 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode. Ten aanzien van al die vluchten en transacties vermeldt dat overzicht de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB-nummer, de plaats van aankomst, de date en het chargeable weight. Verder heeft [naam 52] verklaard dat Mehadrin Tnuport Export (L.P.) in de periode 2004-2007 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen om producten zoals dadels en citrusvruchten naar klanten te vervoeren en blijkt uit de overgelegde AWB dat op 19 mei 2008 een luchtvrachtvervoersdienst door Mehadrin Tnuport Export (L.P.) is afgenomen.
3.164. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken aangeleverd zijn waaruit blijkt dat Mehadrin Tnuport Export (L.P.) in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoerdienst heeft afgenomen en dat de overgelegde Excel bestanden daartoe onvoldoende zijn. Verder blijkt uit de overgelegde AWB dat de luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen op 19 mei 2008 en dus buiten de relevante periode valt. Bovendien blijkt daaruit dat niet Mehadrin Tnuport Export (L.P.) maar Mehadrin Tnuport Export (s.m.) als verzender die dienst heeft afgenomen. Voorts heeft [naam 52] niet uit eigen waarneming verklaard, omdat hij blijkens die verklaring pas in 2021 in dienst is getreden bij Mehadrin Tnuport Export (L.P.) en is die verklaring ook te algemeen en niet verifieerbaar.
3.165. De rechtbank is van oordeel dat Mehadrin Tnuport Export (L.P.) moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder het overzicht en de Excel-bestanden met daarin onder meer overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten die zij heeft afgenomen van verschillende freight forwarders, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door Mehadrin Tnuport Export (L.P). De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard. Bovendien stelt SCC dat het overzicht van individuele luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2004 – 2007 in ieder geval de code van de betreffende luchtvaartmaatschappij, het MAWB, de plaats van aankomst, de date en het chargeable weight bevat. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen, ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van Mehadrin Tnuport Export (L.P.) is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende. De bij repliek overgelegde airway bill (productie (SSCA-0723) kan SSC niet baten, nu deze ziet op een niet door Mehadrin Tnuport Export (L.P.) afgenomen luchtvrachtvervoersdienst.
NCR groep (achterliggende partijen 57.01 tot en met 57.03)
3.166. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0685);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0686);
- onderliggende data en informatie (productie SCCA-0687);
- een e-mail met een zip-bestand (productie SCCA-0688).
3.167. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 13.727 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. De data en informatie in het Excel-bestand zijn afkomstig van een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die de achterliggende partijen in de periode 2002-2006 via een freight forwarder hebben afgenomen. Ten aanzien van al die vluchten en transacties vermeldt dat overzicht ook door welke achterliggende partij de luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen, zie de kolom “Name” in het tabblad ‘IMP’ en de kolom “Shpr Name” in het tabblad ‘EXP’. Het tabblad ‘IMP’ bevat in ieder geval de plaats van vertrek, het gewicht, het nummer en de datum van de factuur en het nummer van de house air waybill. Het tabblad ‘EXP’ bevat in ieder geval de code van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, het chargeable weight, de datum en het nummer van de HAWB.
3.168. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken aangeleverd zijn waaruit blijkt dat de individuele achterliggende partijen behorende tot de NRC groep in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoerdienst heeft afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden daartoe onvoldoende zijn.
3.169. De rechtbank is van oordeel dat de drie achterliggende partijen die behoren tot de NRC groep, te weten NCR Corporation, NCR Financial Solutions Group Ltd. en NCR Global Solutions Ltd., moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten die zij hebben afgenomen in de periode van december 2004-2006 via freight forwarder DHL, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door de individuele achterliggende partijen behorende tot de NCR groep. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard. Bovendien stelt SCC dat het overzicht van individuele luchtvrachtvervoersdiensten in de periode december 2004 – 2006 in ieder geval vermeldt door welke NCR achterliggende partij de betreffende diensten zijn afgenomen, de plaats van vertrek, het gewicht, de datum, het nummer en de datum van de betreffende factuur en het nummer van de relevante house air waybill. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst per individuele achterliggende partij de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van NCR en DHL is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
ZF groep (achterliggende partijen 58.01 tot en met 58.93)
3.170. SCC heeft onder meer de volgende documenten overgelegd:
- een getuigenverklaring van [naam 53] (productie SCCA-0689);
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0690);
- een Excel-bestand met geaggregeerde gegevens (productie SCCA-0691);
- e-mails van freight forwarder Panalpina (productie SCCA-0692).
3.171. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (SCCA-0254 en SCCA-0266) geaggregeerde data en informatie in het geding heeft gebracht. Dit betreft een overzicht van uitgaven van de achterliggende partijen aan luchtvrachtvervoersdiensten die zij via freight forwarder Panalpina in de relevante periode hebben afgenomen en die bij hen in rekening zijn gebracht. Dit blijkt ook uit de e-mailcorrespondentie tussen de achterliggende partijen en Panalpina, alsmede uit de verklaring van [naam 53] .
3.172. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat het overgelegde Excel-bestand voor de groep ZF alleen geaggregeerde gegevens bevat, waardoor verificatie bij gebrek aan onderliggende documentatie praktisch niet uitvoerbaar is. Verder wordt in dit bestand geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende achterliggende partijen en ontbreekt iedere nadere onderbouwing. Aan de overgelegde getuigenverklaring van [naam 53] kan geen waarde worden gehecht, omdat zij verklaart pas vanaf 2007 werkzaam te zijn bij de ZF groep en zij dus niet uit eigen waarneming verklaart, terwijl de verklaring bovendien te algemeen en niet verifieerbaar is. Daarin staat immers: “I understand that 92 ZF Group companies on the list (…) have previously been identified by the ZF group as the companies within the ZF group that have procured and/or paid for the airfreight services” en “During the period 1999-2006, to the best of my knowledge, the ZF Shippers indeed procured airfreight services”. Voorts blijkt uit de e-mails van Panalpina dat alleen geaggregeerde data kunnen worden verstrekt en dat data op transactie- of vlucht-niveau niet meer beschikbaar zijn.
3.173. Partijen zijn het erover eens dat ZF Transmission Shanhai Co. Ltd (58.91) mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door ZF Transmission Shanhai Co. Ltd.
3.174. De rechtbank is van oordeel dat de overige achterliggende partijen
moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten die zij hebben afgenomen in de periode van 1999-2000, 2001-2002, 2003-2004 en 2005-2006 via freight forwarder Panalpina, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is/zijn – afgenomen door de individuele achterliggende partijen behorende tot de ZF groep. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de overzichten met betrekking tot de relevante luchtvrachtvervoersdiensten moet toch ergens op zijn gebaseerd. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst per individuele shipper de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van het concern ZF, waaronder [naam 53] , [naam 54] en [naam 55] , en medewerkers van Panalpina, waaronder [naam 56] , is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende. Het feit dat, zoals [naam 56] heeft verklaard, er gewerkt wordt met een IT-systeem waardoor data op individueel niveau per shipper niet mogelijk is doet hier niet aan af (of komt voor rekening van SCC). Dit betreft de volgende achterliggende partijen:
- ZF Friedrichshafen AG (58.01);
- GAT ‐ Gesellschaft für Antriebstechnik mbH (58.02);
- Liuzhou ZF Machinery Co., Ltd. (Shipper 58.03);
- Mayoreo en Autopartes y Refacciones Alemanas, S. A. de C. V. (MARAL) (58.04);
- Sachs Automotive Components & Systems Shanghai Co., Ltd. (58.05);
- Somic ZF Components Ltd. (58.06);
- Spare Parts Service S.A. (58.07);
- ZF (China) Investment Co., Ltd. (58.08);
- ZF Algerie S.a.r.l. (58.09);
- ZF ANSA Lemförder S.L.U. (58.10);
- ZF Argentina S.A. (58.11);
- ZF Asia Pacific Pte. Ltd. (58.12);
- ZF Axle Drives Marysville LLC (58.13);
- ZF Boge Elastmetall Espana S.A.U. (58.14);
- ZF Bouthéon S.A.S. (58.15);
- ZF Chassis Components Toluca S.A. de C.V. (58.16);
- ZF Chassis Components, LLC (58.17);
- ZF Chassis Systems Chicago LLC (58.18);
- ZF Chassis Systems Duncan, LLC (58.19);
- ZF Chassis Systems Tuscaloosa, LLC (58.20);
- ZF Chassistech Commercial Vehicles (Shanghai) Co., Ltd. (58.21);
- ZF CVT Partner Company LLC (58.22);
- ZF Danmark ApS (58.23);
- ZF do Brasil Ltda. (58.24);
- ZF Drivetech (Hangzhou) Co., Ltd. (58.25);
- ZF Drivetech (Suzhou) Co., Ltd. (58.26);
- ZF Electronic Systems Juarez S.A. de C.V. (58.27);
- ZF Electronic Systems Pleasant Prairie, LLC (58.28);
- ZF Electronics (Zhuhai) Co., Ltd. (58.29);
- ZF Electronics Asia Ltd. (58.30);
- ZF Electronics UK Ltd. (58.31);
- ZF Engineering Plzen s.r.o. (58.32);
- ZF Faster Propulsion System Co. Ltd. (58.33);
- ZF Gainesville LLC (58.34);
- ZF Gastronomie Service GmbH (58.35);
- ZF Gusstechnologie GmbH (58.36);
- ZF Hungária Kft. (58.38);
- ZF Inmobilaria S.A. de C.V. (58.39);
- ZF International B.V. (58.40);
- ZF Italia Holding S.p.A. (58.41);
- ZF Japan Co. Ltd. (58.42);
- ZF Lemforder (Thailand) Co. Ltd. (58.43);
- ZF Lemförder AKS Modülleri Sanayi ve Ticaret A.S. (58.44);
- ZF Lemforder Australia Pty. Ltd. (58.45);
- ZF Lemförder Automotive Systems (Shenyang) Co., Ltd. (58.46);
- ZF Lemförder Chassis Technology Korea Co.Ltd. (58.47);
- ZF Lemförder Facility Management GmbH (58.48);
- ZF Lemförder Métal France S.A.S. (58.49);
- ZF Lemförder SA (Pty.) Ltd. (58.50);
- ZF Lemförder Shanghai Chassistech Co., Ltd. (58.51);
- ZF Lemförder TLM Dıs Ticaret Ltd. Sti. (58.52);
- ZF Lemförder TVA (58.53);
- ZF Lemförder UK Ltd. (58.54);
- ZF Marine Propulsion Systems Miramar LLC (58.55);
- ZF Mexico S.A. de C.V. (58.56);
- ZF North America, Inc. (58.57);
- ZF Österreich Gesellschaft.m.b.H. (58.58);
- ZF Padova S.r.l. (58.59);
- ZF Philippines Inc. (58.60);
- ZF Powertrain Modules Saltillo S.A.de C.V. (58.61);
- ZF Powertrain Modules Shanghai Co., Ltd. (58.62);
- ZF PWK Mécacentre (58.63);
- ZF Race Engineering GmbH (58.64);
- ZF Sachs Espana S.A.U. (58.65);
- ZF Sachs Italia S.p.A. (58.66);
- ZF Sachs Korea Co.Ltd. (58.67);
- ZF Sachs Süspansiyon Sistemleri Sanayi ve Ticaret AS (58.68);
- ZF Sales & Service (Malaysia) Sdn. Bhd. (58.69);
- ZF Services (China) Co., Ltd. (58.70);
- ZF Services Australia Pty. Ltd. (58.71);
- ZF Services Bogota SAS (58.72);
- ZF Services España S.L.U. (58.73);
- ZF Services France S.A.S. (58.74);
- ZF Services Hong Kong Ltd. (58.75);
- ZF Services Korea (58.76);
- ZF Services Nederland B.V. (58.77);
- ZF Services Portugal Unipessoal Lda., (58.78);
- ZF Services Schweiz AG (58.79);
- ZF Services South Africa (Pty) Ltd. (58.80);
- ZF Services Türk San. ve Ticaret A.Ş. (58.81);
- ZF Services UK Ltd. (58.82);
- ZF Services, LLC (58.83);
- ZF Services, S.A. de C.V. (58.84);
- ZF Slovakia a.s. (58.85);
- ZF Stankov s.r.o. (58.86);
- ZF Suspension Technology Guadalajara, S.A. de C.V. (58.87);
- ZF Taiwan Ltd. (58.88);
- ZF (Thailand) Ltd. (58.89);
- ZF Transmissions Gray Court LLC (58.90);
- ZF Wind Power (Tianjin) Co., Ltd. (58.92);
- ZF Wind Power Antwerpen NV (58.93).
Pioneer groep (achterliggende partijen 59.01 tot en met 59.04)
3.175. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0694);
- een overzicht van de afgenomen luchtvrachttransacties (productie SCCA-0695);
- twee Excel-bestanden die aan dit overzicht ten grondslag liggen (productie SCCA-0696);
- e-mails van [naam 57] en [naam 58] (producties SCCA-0697 en SCCA-0698).
3.176. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 24.264 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat de achterliggende partijen 14.308 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode. De overgelegde bestanden zijn overzichten van via verschillende freight forwarders afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2005-2007. Voor een goed begrip van de inhoud van die bestanden verwijst SCC naar een e-mail van [naam 57] . Als in die overzichten wordt gekeken naar kolom O (‘Customer’), die blijkens de e-mail van [naam 58] de entiteit die de betreffende luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen bevat, dan blijkt dat luchtvrachtvervoersdiensten zijn afgenomen door Pioneer Electronics (USA) Inc. (59.02), Pioneer Europe N.V. (59.03) en Pioneer Automotive Technologies Inc. (59.04). Voornoemde overzichten bevatten, waar beschikbaar, de code van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, het chargeable weight, de datum en het nummer van de vlucht,de naam van de freight forwarder, alsmede, waar beschikbaar, het MAWB-nummer.
3.177. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken zijn aangeleverd waaruit blijkt dat de achterliggende partijen behorende tot de Pioneer groep in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoerdienst hebben afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden daartoe onvoldoende zijn. Bovendien bevatten de overzichten nauwelijks MAWB-nummers, waardoor verificatie van het merendeel van deze gegevens bij gebrek aan onderliggende documentatie praktisch niet uitvoerbaar is. Die gegevens zijn een zoekplaatje, omdat gebruik is gemaakt van customer-afkortingen. Voor de tabel van 180 afkortingen die SCC zelf heeft opgenomen ontbreekt een bron. Voor de vijf transacties die eerder op basis van een koppeling met de BRG database konden worden erkend, zijn de luchtvaartmaatschappijen op basis van voornoemd Excel-bestand (productie SCCA-0696) nagegaan welke entiteiten deze transacties volgens SCC zouden hebben afgenomen. De aangetroffen afkortingen komen niet in die tabel voor. Het lijkt erop dat geen van de door SCC genoemde ‘customer’- afkortingen betrekking hebben op de in deze procedure betrokken Pioneer cedenten.
3.178. De rechtbank is van oordeel dat Pioneer Corporation, Pioneer Electronics (USA) Inc., Pioneer Europe N.V. en Pioneer Automotive Technologies Inc. moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder de Excel-bestanden met daarin onder meer een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Pioneer Groep heeft afgenomen in de periode van 2006 - 2007 van verschillende freight forwarders, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door de individuele achterliggende partijen behorende tot de Pioneer groep. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard. Bovendien stelt SCC dat het overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2006 – 2007 in ieder geval, op 20 diensten na, de code van de betreffende luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, het chargeable weight, de datum en het nummer van de betreffende vlucht en de naam van de betreffende freight forwarder bevat. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen, ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst per individuele achterliggende partij de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van het concern Pioneer, waaronder [naam 57] en [naam 58] en medewerkers van de verschillende freight forwarders, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
Elbit groep (achterliggende partijen 60.01 tot en met 60.09)
3.179. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (producties SCCA-0669 en SCCA-0700);
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0701);
- een Excel-bestand met een overzicht van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0702);
- een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0703).
3.180. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 35.796 individuele vluchten en transacties van de achterliggende partijen in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat zij 23.032 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode. Het overgelegde bestand bevat twee overzichten van luchtvrachtvervoersdiensten die zijn afgenomen. Het tabblad ‘Elop’ bevat een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Elbit Systems Electro-Optics Elop Ltd. (60.03) heeft afgenomen. Dit blijkt ook uit de kolom “Client Name” in het tabblad, waarin wordt verwezen naar “ELBIT SYSTEMS ELECTRO-OPTICS E”. Ten aanzien van al die vluchten en transacties bevat dat overzicht de code en naam van de betreffende luchtvaartmaatschappij, het MAWB-nummer, de gevolgen route en het chargeable weight. In vrijwel alle gevallen bevat het overzicht ook de naam van de betreffende luchtvaartmaatschappij, de datum van vertrek en de datum van aankomst van de betreffende vlucht, de naam van de betreffende freight forwarder en/of het nummer van de betreffende HAWB. Het tabblad ‘Elbit’ bevat een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die de achterliggende partijen hebben afgenomen. Dit blijkt ook uit de kolom “Customer” in het tabblad, waarin wordt verwezen naar de achterliggende partijen. Op een na bevat het overzicht ten aanzien van al die vluchten en transacties in ieder geval de datum en het nummer van de factuur, het nummer van de AWB en het gewicht. In vrijwel alle gevallen bevat het overzicht ook de plaats van vertrek van de betreffende vlucht. SCC heeft verder verwezen naar de overgelegde e-mails.
3.181. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken aangeleverd zijn waaruit blijkt dat de individuele achterliggende partijen behorende tot de Elbit Groep in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoerdienst hebben afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden daartoe onvoldoende zijn. Verder heeft SCC geen stellingen ingenomen op het niveau van de individuele achterliggende partijen en bevatten de overgelegde e-mails slechts informatie over welke rechtspersonen in deze procedures moeten worden aangemerkt als achterliggende partijen.
3.182. De rechtbank is van oordeel dat de achterliggende partijen die tot de Elibit groep behoren
moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt rwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder Excel-bestanden met daarin onder meer een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Elbit Groep heeft afgenomen in de relevante periode, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is (zijn) afgenomen door de individuele achterliggende partijen behorende tot de Elbit groep. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de overzichten met betrekking tot de relevante luchtvrachtvervoersdiensten moet toch ergens op zijn gebaseerd.. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van het concern Elbit, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende. Dit betreft de volgende achterliggende partijen:
- Elbit Systems Ltd. (60.01);
- Elbit Security Systems Ltd. (60.02);
- Elbit Systems Electro-Optics Elop Ltd. (60.03);
- Elbit Systems-Cyclone Ltd. (60.04);
- Elbit Systems BMD and land EW - Elisra (60.05);
- Elbit Systems EW and SIGINT - Elisra Ltd. (60.06);
- Elbit Systems Land and C41 Ltd. (60.07);
- Elbit Systems SAR and data links - Elisra Ltd. (60.08);
- Snunit Aviation Services Ltd. (60.09.
4. De achterliggende partijen aan de zijde van Equilib
[naam 59]
4.1.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een datasheet (Excel-bestand) met details van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document [naam 59] 1);
- een verklaring van haar accountant, Doornhein (document [naam 59] 2);
- een AWB (document [naam 59] 3);
- een rekeningafschrift uit 2003 en bijbehorende documenten (productie 1 bij repliek);
- een krantenbericht uit Trouw uit 2003 (productie 2 bij repliek).
4.2.
Equilib stelt dat de overgelegde datasheet met details van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2002-2004 informatie bevat als de betalende entiteit (Tongu Fruits/Heijer B.V.), AWB-nummer, vluchtnummer (alleen KLM), vertrekluchthaven (Accra, Ghana), aankomstluchthaven (Amsterdam), gewicht en totale kosten. Verder verstrekt de accountant in zijn verklaring een overzicht van alle ‘luchtvrachtkosten Ghana’ voor [naam 59] Management & Consultancy B.V./Tongu Fruits B.V. (haar dochtermaatschappij) in de periode 2000-2004 ten bedrage van
€ 927.215,88. Ook blijkt uit het overgelegde rekeningafschrift en onderliggende documenten dat Tongu Fruits B.V. heeft betaald voor de luchtvrachtvervoersdiensten. De overgelegde AWB betreft een vlucht met KLM van Accra (Ghana) naar Amsterdam op 29 september 2003, waarop Tongu Fruits B.V. [naam 59] als consignee staat vermeld. Uit het overgelegde bericht uit Trouw blijkt bovendien dat de heer [naam 59] , de persoon achter de vennootschap, in Ghana een ananasfarm heeft opgezet, waarvoor hij in 2003 de innovatieprijs van de groenten- en fruitwereld heeft gekregen. Op 9 juli 2010 is in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd dat Tongu Fruits B.V. is opgehouden te bestaan. Op 14 maart 2011 heeft de heer [naam 59] de cessiedocumentatie getekend met vermelding van [naam 59] Management & Consultancy B.V. en Tongu Fruits B.V., de twee rechtspersonen die door hem zijn gebruikt voor de import van ananas uit Ghana. Het Unierecht althans de redelijkheid en billijkheid brengt mee dat vergoeding moet kunnen worden gevorderd van de door haar (ten tijde van de boeteoplegging inzake het onderhavige kartel) reeds ontbonden dochtermaatschappij Tongu Fruits B.V. Daarbij is van belang dat ook [naam 59] Management & Consultancy B.V. kan worden aangemerkt als schadelijdende partij, nu zij in de hypothetische situatie zonder kartel als moedermaatschappij meer vermogen aan haarzelf had uitgekeerd uit het vermogen van Tongu Fruits B.V. dan in de daadwerkelijke situatie met het kartel, aldus steeds Equilib.
4.3.
De luchtvaartmaatschappijen zetten hier het volgende tegenover.
4.3.1.
[naam 59] Management & Consultancy B.V. is de enige achterliggende partij die onder de noemer ‘ [naam 59] ’ haar vorderingen aan Equilib heeft gecedeerd. De door Equilib genoemde rechtspersoon Tongu Fruits B.V. maakt geen onderdeel uit van het ‘Overzicht benadeelden en cessiedocumentatie’ dat door Equilib in het geding is gebracht en door de rechtbank in het vonnis over de rechtsgeldigheid van de cessies als leidend is aangemerkt. Eventuele vorderingen van Tongu Fruits B.V. kunnen dus geen onderdeel zijn van deze procedure.
4.3.2.
Uit de overgelegde AWB volgt dat de luchtvrachtvervoersdienst prepaid is betaald, derhalve door de verzender (Tongu Fruits B.V.) en niet door [naam 59] Management & Consultancy B.V. Overigens is ook niet duidelijk welke (rechts)persoon op de AWB is vermeld als consignee (Tongu Fruits B.V., [naam 59] Management & Consultancy B.V. of de heer [naam 59] ). Dit is relevant, omdat (zoals hiervoor reeds gezegd) Tongu Fruits B.V. door Equilib niet eerder is opgevoerd als cedent of benadeelde partij. Bovendien komen de gegevens van de overgelegde AWB niet volledig overeen met het overgelegde Excel-bestand. Volgens dat bestand zou ‘Tongu Fruits/Heijer bv’ de betalende entiteit zijn, maar in de AWB staat dat Tongu Fruits GH.LTD heeft betaald voor de luchtvrachtvervoersdienst.
4.3.3.
Ook voor [naam 59] Management & Consultancy B.V. heeft Equilib geen direct bronbewijs overgelegd. Het overgelegde Excel-bestand is onvoldoende om als bewijs te dienen dat deze achterliggende partij in de betreffende periode zelf (en bijvoorbeeld niet een derde, die geen cedent is) ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
4.3.4.
Aan de hand van de verklaring van de accountant kan evenmin worden vastgesteld dat [naam 59] Management & Consultancy B.V. in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Uit de verklaring volgen slechts niet onderbouwde totaalbedragen voor afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten door [naam 59] Management & Consultancy B.V. en Tongu Fruits B.V., zonder vermelding van verifieerbare en concrete gegevens over de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten per partij.
4.3.5.
Tongu Fruits B.V. was reeds ontbonden toen de cessiedocumentatie werd getekend met vermelding van Tongu Fruits B.V. als assignor. Tongu Fruits B.V, kon op dat moment dus geen vorderingen meer cederen. Betwist wordt dat [naam 59] Management & Consultancy B.V. desondanks schadevergoeding moet kunnen vorderen, omdat rechtspersonen ten aanzien van hun vermogensrechtelijke positie naar Nederlands recht niet kunnen worden vereenzelvigd met andere (gelieerde) rechtspersonen. Ook wordt betwist dat [naam 59] Management & Consultancy B.V. zelf als schadelijdende partij moet worden aangemerkt, zoals Equilib betoogt.
4.4.
De rechtbank oordeelt allereerst dat inderdaad alleen [naam 59] Management & Consultancy B.V. als achterliggende partij kan worden aangemerkt. Ook deze achterliggende partij moet echter afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilb heeft weliswaar informatie – die kennelijk is gebaseerd op de eigen administratie van [naam 59] – en een verklaring van de accountant in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door [naam 59] Management & Consultancy B.V. zelf (en bijvoorbeeld niet een derde, die geen cedent is). Ook het betoog van Equilib dat wat de betreft de (mogelijk) door Tongu Fruits B.V. afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten [naam 59] Management & Consultancy B.V. kan worden aangemerkt als de schadelijdende partij, wordt niet gevolgd. Equilib laat het bij een blote stelling en dat is onvoldoende. Verwezen wordt naar wat hierover onder het toetsingskader reeds is overwogen.
Aablo Export
4.5.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mailcorrespondentie (document Aablo Export 1);
- een datasheet (Excel-bestand) met details van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Aablo Export 2);
- de oprichtingsakte van Aablo Export B.V. waaruit blijkt dat Aablo B.V. in deze vennootschap is ingebracht (document Aablo Export 3);
- een factuur van een freight forwarder aan Aablo B.V. met bijbehorende AWB (document Aablo Export 4).
4.6.
Partijen zijn het erover eens dat Aablo Export B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Adomex International B.V.
4.7.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mailcorrespondentie (document Adomex 1);
- een databestand van agent J. Van de Put Fresh Cargo Handling BV met details van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Adomex 2);
- het door Adomex ingevulde FRA Template, waarin details zijn vastgelegd van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten in de periode november 2002 t/m februari 2006 (document Adomex 3);
- een factuur van Trans World Forwarding Inc. Aan Adomex International B.V. met bijbehorende AWB (document Adomex 4).
4.8.
Partijen zijn het erover eens dat Adomex International B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Agfa Gevaert
4.9.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- het jaarverslag over 2006 van Agfa Gevaert N.V. (document AGFA 1);
- een overzicht uit het boekhoudsysteem van Agfa Gevaert N.V. (‘Omzetevoluties airfreight cartel 2000-2007’) (document AGFA 2);
- een CASS-factuur (document AGFA 3).
4.10.
Equilib verwijst voor het bedrijfsprofiel van de Agfa groep naar het jaarverslag. Alle luchtvrachtvervoersdiensten van de groep ‘Agfa Gevaert’ zijn afgenomen door Agfa Gevaert N.V. Agfa Gevaert heeft de status van IATA-agent en contracteert rechtsreeks met de luchtvaartmaatschappijen. De activiteiten van Agfa Gevaert N.V. zijn vanaf 1 januari 2008 ondergebracht in drie separate entiteiten en sindsdien heeft Agfa Gevaert N.V. de luchtvrachtvervoersdiensten niet langer voor zichzelf ingekocht maar voor haar dochtermaatschappijen Agfa Graphics N.V. en Agfa Healthcare N.V. Vanaf dat moment was Agfa Gevaert N.V. ook de IATA-agent van deze twee dochters. In de kartelperiode betroffen de luchtvrachtkosten uitsluitend eigen shipments van Agfa Gevaert N.V. met vertrek uit België. Het overgelegde overzicht (‘Omzetevoluties airfreight cartel 2000-2007’) toont de totaalbedragen die Agfa Gevaert N.V. in de jaren 2000-2007 heeft betaald aan leveranciers van luchtvrachtvervoersdiensten, waaronder een bedrag van € 58.873.330 aan IATA. Eerder heeft Equilib al Excel-bestanden voor de jaren 2000-2007 en 2008-2013 in het geding gebracht, waarin de IATA carrier prefix, de IATA carrier code, de carrier name en vanaf 2003 de totaalbedragen voor alle luchtvaartmaatschappijen per maand zijn opgenomen.
4.11.
De luchtvaartmaatschappijen hebben hier het volgende tegen ingebracht. Agfa Gevaert N.V. neemt als IATA-agent (ladingsagent of ‘cargo agent’) rechtstreeks deel aan het IATA Cargo Settlement System (CASS) voor België en Luxemburg. Agfa Gevaery N.V. was ook ladingsagent voor haar twee dochtermaatschappijen, die vorderingen hebben gecedeerd. Uit de digitale CASS-factuur kan worden afgeleid dat Agfa Gevaert N.V. de daarin genoemde luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen (welke overigens niet voorkomt in het Equilib Transactieoverzicht).
4.12.
Partijen zijn het erover eens dat Agfa Gevaert N.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.13.
Het is de rechtbank niet helemaal duidelijk wat het standpunt van Equilib is ten aanzien van Agfa Graphics N.V. en Agfa Healthcare N.V. Deze achterliggende partijen zullen in ieder geval moeten afvallen, omdat deze vennootschappen (die pas in 2008 zijn opgericht) zelf in de relevante periode geen luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen (zoals Equilib zelf ook lijkt te stellen).
Alcatel-Lucent
4.14.
De groep ‘Alcatel-Lucent’ is het resultaat van een fusie tussen Alcatel en Lucent Technologies op 1 december 2006. De groep ‘Alcatel-Lucent’ betreft de volgende achterliggende partijen:
- Alcatel-Lucent Bell N.V.;
- Alcatel-Lucent France SA;
- Alcatel-Lucent Enterprise SA;
- Alcatel-Lucent Deutschland AG;
- Alcatel-Lucent Italia Spa;
- Alcatel-Lucent España S.A.;
- Alcatel-Lucent USA Inc.
4.15.
Equilib heeft een veelheid van documenten overgelegd, waaronder:
- overzichten van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (databestanden), afkomstig van diverse freight forwarders (documenten Alcatel-Lucent 2, 5, 6, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 36);
- screenshots van Excel-bestanden (documenten Alcatel-Lucent 19 en 22);
- prints van selecties van luchtvrachtvervoersdiensten (documenten Alcatel-Lucent 24, 26, 28, 31 en 34);
- diverse correspondentie (documenten Alcatel-Lucent 1, 3, 4, 7, 8, 9, 10, en 35).
4.16.
Equilib heeft toegelicht dat Alcatel-Lucent zelf niet beschikte over details van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (zie de e-mail uit 2012; document Alcatel-Lucent 1). Alcatel-Lucent heeft daarom haar freight forwarders in 2012 verzocht data aan te leveren. In de jaren 1999 tot en met 14 februari 2006 heeft Alcatel gebruik gemaakt van onder andere SDV, Kuehne + Nagel (K+N) en DHL, en Lucent voornamelijk van Panalpina, Schenker, TAG en Acciona. Equilib stelt dat zij aan de hand van de informatie van freight forwarders heeft aangetoond dat (de rechtsvoorganger van) iedere achterliggende partij tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode en onderbouwt dat als volgt:
Alcatel-Lucent France SA
4.16.1.
Op 5 februari 2007 hebben de aandeelhouders van Alcatel CIT SA besloten de naam van de vennootschap te wijzigen in Alcatel-Lucent France SA. Het databestand van freight forwarder SDV (document Alcatel-Lucent 19) bevat transacties voor (shipper) Alcatel CIT. In dit bestand is onder meer de volgende transactie vermeld: een vlucht van Frankrijk naar Maleisië met Singapore Cargo Airlines op 15 mei 2002, AWB-nummer: 61844486794, gewicht: 1.127 kg, totale kosten: € 6.819,84; de shipper is Alcatel CIT en de gehanteerde Incoterm CPT, waaruit volgt dat Alcatel CIT voor de vracht heeft betaald. Deze vlucht is bovendien door de luchtvaartmaatschappijen gematched in de BRG-database.
Alcatel-Lucent Italia Spa
4.16.2.
Op 24 april 2007 is de naam van Alcatel Italia Spa gewijzigd in Alcatel-Lucent Italia Spa. Uit het databestand van DHL (document Alcatel-Lucent 12) – althans het document Alcatel-Lucent 22 dat een print bevat van een selectie van dit bestand – kan worden afgeleid dat deze vennootschap ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Als voorbeeld wordt genoemd een vlucht (terug te vinden op regel 26) van Canada naar Italië in november 2001, AWB-nummer: 020 75735855, met een uitsplitsing van de kosten. Alcatel Italia Spa wordt ook als klant aangeduid in het K+N EEA Inbound bestand. De transactiegegevens zijn bovendien gematched in de BRG-database.
Alcatel-Lucent España S.A.
4.16.3.
In 2002 is de naam van Alcatel España S.A. gewijzigd in Alcatel-Lucent España S.A. Document Alcatel-Lucent 24 bevat een print van een selectie van het bestand van DHL; de eerste transactie betreft een luchtvrachtvervoersdienst van Spanje naar India in mei 2003, AWB-nummer: 020 42170704 (Lufthansa). Alcatel España wordt ook als klant aangeduid in het K+N EEA Inbound bestand.
Alcatel-Lucent Bell N.V.
4.16.4.
Op 19 april 2007 is de naam van Alcatel Bell N.V. (België) gewijzigd in Alcatel-Lucent Bell N.V. Document Alcatel-Lucent 26 bevat voor Alcatel-Lucent Bell S.A. (bedoeld zal zijn: N.V., rb) een print van een selectie van het bestand van DHL; de eerste transactie betreft een vlucht van België naar Iran in augustus 2004, AWB-nummer: 020 86365241 (Lufthansa). Alcatel Bell N.V. wordt ook als klant aangeduid in de K+N EEA bestanden.
Alcatel-Lucent Deutschland AG
4.16.5.
Op 26 januari 2007 is de naam van Alcatel SEL Aktiengesellschaft gewijzigd in Alcatel-Lucent Deutschland AG. Document Alcatel-Lucent 28 bevat voor deze vennootschap een print van een selectie van het bestand van DHL; de eerste transactie betreft een vlucht van Duitsland naar Iran in augustus 2004, AWB-nummer: 020 73311066 (Lufthansa). Alcatel SEL AG wordt ook als klant aangeduid in de K+N EEA bestanden.
Alcatel-Lucent USA Inc.
4.16.6.
Vanaf 1998 handelde (de rechtsvoorgangers van) Alcatel-Lucent USA Inc. onder de naam Alcatel USA Inc. Op 17 december 2007 is de naam van Alcatel USA Inc. gewijzigd in Alcatel-Lucent Holdings Inc. In december 2016 is vervolgens Alcatel-Lucent Holdings Inc. gefuseerd in Alcatel-Lucent USA Inc. Hieruit volgt dat voor zover Alcatel USA Inc. – of voor wat betreft de na-ijlperiode Alcatel-Lucent Holdings Inc. – is geraakt door het kartel, dit evenzo geldt voor achterliggende partij Alcatel-Lucent USA Inc. Een selectie van het bestand van UPS (document Alcatel-Lucent 31) bevat voor deze vennootschap een vlucht van Duitsland naar Dallas (Texas, VS) op 14 november 2003, AWB-nummer: 020 62229016 (Lufthansa), totale kosten: USD 1.388,66 (waarvan USD 79,98 brandstoftoeslag); charge weight: 558,5 kg. De transactiegegevens voor Alcatel-Lucent USA zijn bovendien gematched in de BRG-database.
Alcatel-Lucent Enterprise SA
4.16.7.
Op 5 juni 2007 is de naam van Alcatel Business Systems SA veranderd in Alcatel-Lucent Enterprise SA. Document Alcatel-Lucent 34 bevat voor deze vennootschap een print van een selectie van het bestand van DHL; de geselecteerde transactie betreft een luchtvrachtvervoersdienst voor een transport van België naar Zuid-Afrika op 30 mei 2002, AWB-nummer: 020 92565583, kosten in totaal: USD 44,43. Alcatel Business Systems SA is aangeduid als consignee. Uit de e-mail van DHL (document Alcatel-Lucent 11) volgt dat voor de transacties in dit bestand de consignees voor de luchtvrachtvervoersdiensten hebben betaald. Dit bestand is door DHL opgesteld door in de collect bestanden te filteren op Alcatel-Lucent entiteiten omdat deze entiteiten (dus de consignees) hebben betaald.
4.17.
De luchtvaartmaatschappijen menen dat al deze achterliggende partijen moeten afvallen en voeren daartoe het volgende aan. Er is geen direct bronbewijs (air waybills of facturen) overgelegd. Documenten Alcatel-Lucent 13 en 15 (en bijbehorende screenshots documenten Alcatel-Lucent 26 en 28) bevatten geen gegevens over de chargeable weight. Zonder nadere informatie over betaling valt niet te verifiëren of sommige achterliggende partijen voor luchtvrachtdiensten hebben betaald. Het enkele feit dat de aangeleverde gegevens succesvol zijn gekoppeld met de BRG Database is onvoldoende voor de vaststelling dat deze individuele achterliggende partijen zelf in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen. In aanvulling hierop hebben de luchtvaartmaatschappijen voor de volgende achterliggende partijen nog het volgende aangevoerd (waaruit volgens hen volgt dat de door Equilib overgelegde gegevens geen betrouwbare data zijn):
Alcatel-Lucent Bell N.V.
4.17.1.
De overgelegde Excel-bestanden en screenshots zijn onvoldoende om als bewijs te dienen dat deze vennootschap in de betreffende periode ten minste zelf één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen
Alcatel-Lucent Enterprise SA
4.17.2.
Uit document Alcatel-Lucent 34 blijkt onvoldoende dat Alcatel-Lucent Enterprise SA voor de door Equilib genoemde luchtvrachtvervoersdienst heeft betaald. Uit de kolom ‘Prepaid Level One’ blijkt niet dat de consignee de volledige kosten voor deze luchtvrachtvervoersdienst heeft voldaan.
Alcatel-Lucent USA
4.17.3.
De door Equilib uitgelichte vlucht komt niet voor in de overgelegde Excel-bestanden van DHL. De luchtvaartmaatschappijen kunnen enkel het bestaan van de met de BRG-database gekoppelde luchtvrachtvervoersdienst met AWB-nummer 020-62229016 erkennen. Dit betreft een vlucht naar de Verenigde Staten uitgevoerd door Lufthansa. In dat kader merken de luchtvaartmaatschappijen op dat Lufthansa in de Verenigde staten reeds saabeen schikking heeft getroffen over bepaalde luchtvrachtvervoersdiensten van, naar en binnen de VS.
4.18.
De rechtbank is van oordeel dat de achterliggende partijen van de groep ‘Alcatel-Lucent’ mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Equilib heeft wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende onderbouwd en de luchtvaartmaatschappijen hebben die concrete onderbouwing onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zoals hiervoor onder het toetsingskader ook al is overwogen, hoeft Equilib niet voor iedere achterliggende partij direct bronbewijs bestaande uit een air waybill en/of factuur over te leggen. De luchtvaartmaatschappijen hebben wel in algemene zin opgeworpen dat zonder nadere informatie over betaling niet is te verifiëren of sommige achterliggende partijen voor luchtvrachtdiensten hebben betaald, maar hebben de hieronder weergegeven gemotiveerde stellingen van Equilib op dit punt niet concreet weersproken:
- voor Alcatel-Lucent France SA: de shipper is Alcatel CIT en de gehanteerde Incoterm CPT, waaruit volgt dat Alcatel CIT (= Alcatel-Lucent France SA) voor de vracht heeft betaald;
- voor Alcatel Italia Spa: uit het feit dat het hier gaat om een collect bestand kan worden afgeleid dat deze vennootschap als consignee ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en Alcatel Italia Spa wordt ook als klant aangeduid in het K+N EEA Inbound bestand;
- voor Alcatel Bell N.V.: wordt als klant aangeduid in de K+N EEA bestanden;
- voor Alcatel-Lucent Deutschland AG: wordt als klant aangeduid in de K+N EEA bestanden;
- voor Alcatel-Lucent USA Inc.: (bij repliek) het bestand is door freight forwarder UPS opgesteld door in de collect bestanden te filteren op Alcatal-Lucent entiteiten omdat deze entiteiten (dus consignees) betaald hebben;
- voor Alcatel-Lucent Enterprise SA: Alcatel Business Systems SA (= Alcatel-Lucent Enterprise SA) is aangeduid als consignee. Uit de e-mail van DHL (document Alcatel-Lucent 11) volgt dat voor de transacties in dit bestand de consignees voor de luchtvrachtvervoersdiensten hebben betaald. Dit bestand is door DHL opgesteld door in de collect bestanden te filteren (met Equilib is de rechtbank van oordeel dat de stelling van de luchtvaartmaatschappijen dat de betalende entiteit zou zijn af te leiden uit de kolom “prepaid level ome” in het licht hiervan dan ook geen hout snijdt. De luchtvaartmaatschappijen zijn hier bij dupliek ook niet nader op ingegaan).
Verder geldt nog dat de vraag of de door Equilib voor Alcatel-Lucent USA uitgelichte vlucht onderwerp is van een schikking, in een later stadium aan de orde kan komen – deze eventuele mogelijkheid staat er niet aan in de weg dat Equilib voldoende heeft onderbouwd dat Alcatel-Lucent USA ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
Amphenol
4.19.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een datasheet (Excel-bestand) met details van facturen van freight forwarders van door haar afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Amphenol 1);
- een verklaring over de totstandkoming van dit bestand en de bevestiging dat al deze facturen door Amphenol Benelux B.V. zijn betaald (document Amphenol 2);
- een factuur met bijbehorende AWB (document Amphenol 3).
4.20.
Partijen zijn het erover eens dat Amphenol Benelux B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Aramco Overseas Company
4.21.
Equilib heeft voor zover van belang het volgende document overgelegd:
- een AWB voor een vlucht met Air France van Amsterdam naar Abu Dhabi (document Aramco 2).
4.22.
Partijen zijn het erover eens dat Aramco Overseas Company B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
ASML
4.23.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Transactieoverzicht met details voor ASML voor de jaren 1999-2008 (document ASML 1);
- een uittreksel uit het handelsregister waaruit blijkt dat de oude statutaire naam van ASML Netherlands B.V. ‘ASM Lithography BV’ is (document ASML 2);
- e-mailcorrespondentie tussen ASML en Equilib uit 2013 (document ASML 4);
- een (verzamel) factuur van freight forwarder Panalpinia gericht aan ASM Lithography BV voor vier vluchten met KLM, Lufthansa en Cargolux (document ASML 5).
4.24.
Partijen zijn het erover eens dat ASML Netherlands B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
AstraZeneca
4.25.
De groep ‘AstraZeneca’ is in 1999 ontstaan door de fusie tussen het Zweedse Astra AB en de Britse Zeneca Group Plc. De groep ‘AstraZeneca’ betreft de volgende achterliggende partijen:
- AstraZeneca AB (Zweden) en
- AstraZeneca UK Limited (Groot-Brittannië).
4.26.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Transactieoverzicht (Excel-bestand) met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten/in rekening gebrachte kosten (afkomstig van freight forwarder Geodis) voor AstraZeneca AB (document AstraZeneca 1);
- een print van een selectie van document AstraZeneca 1, te weten het stukje dat betrekking heeft op vluchten van KLM met vertrekpunt Stockholm in mei 2005 (document AstraZeneca 2);
- een bestand ‘Macc Airfreight’ 1999-2006 (Excel-bestand) met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten uit het eigen ‘SAP systeem’ van AstraZeneca UK (document AstraZeneca 3);
- e-mailwisseling tussen AstraZeneca en freight forwarder DHL (document AstraZeneca 4);
- vier Excel-bestanden met ‘raw data’ voor 1999-2002, afkomstig van DHL(documenten AstraZeneca 5-8);
- een screenshot van een selectie van de ‘raw data 2002’ betreffende vluchten uitgevoerd door Lufthansa vanuit de UK (document AstraZeneca 9).
4.27.
Equilib heeft toegelicht dat de AstraZeneca groep in haar eigen systemen weinig details over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten heeft vastgelegd. Voor AstraZeneca AB heeft freight forwarder Geodis een ‘omvangrijk bestand met kosten in rekening gebracht aan AstraZeneca AB’ aangeleverd (document AstraZeneca 1). Document 2 bevat gedetailleerde informatie over vluchten van KLM met vertrekpunt Stockholm in mei 2005: MAWB-nummers (beginnend met 74 voor KLM), ‘transport mode’ (‘air’), ‘KundNahm’ (klantnaam: AstraZeneca AB), gewicht, origin, destination, gewicht, kosten en specificatie surcharges. Document 3 bevat informatie uit het eigen SAP systeem van AstraZeneca UK Ltd. In het overgelegde screen shot met ‘raw data’ (document 9) staan verwijzingen naar locaties van AstraZeneca UK Ltd in de UK (ophaalplek “IPS, Warehouse I en MDU”); het bevat ook het gewicht, de kosten van de vracht en het totale bedrag (inclusief fuel en security surcharges). Dit bestand bevat weliswaar geen AWB-nummers en ook niet de naam van AstraZeneca UK Ltd., maar uit haar activiteiten en haar locatie vloeit voort dat zij luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Dit wordt bovendien bevestigd in de overgelegde e-mail van de Senior Director van AstraZeneca UK Ltd, waarin staat:“I have been able to confirm that my colleague’s understanding is that the various acronyms and abbreviations listed in the “shipper” column of the raw data are different AZ departments that would have booked the shipments – so they are understood to be all part of the same entity, but just different cost centres”.
4.28.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden en screenshots onvoldoende zijn. In de overgelegde bestanden worden de achterliggende partijen niet genoemd, maar slechts shippers die geen onderdeel uitmaken van deze procedures, en daarin ontbreken AWB-nummers, gevlogen routes en data van vluchten. Verder volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat de Astra Zeneca groep stelt dat zij gebruik heeft gemaakt van luchtvrachtvervoersdiensten en staat in de e-mail van de Senior Director van AstraZeneca UK Ltd slechts dat een collega begrijpt – en niet bevestigt – dat bepaalde afkortingen zouden verwijzen naar verschillende afdelingen binnen die achterliggende partij.
4.29.
De rechtbank is van oordeel dat AstraZeneca AB mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Equilib heeft wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende onderbouwd en de luchtvaartmaatschappijen hebben die concrete onderbouwing onvoldoende gemotiveerd weersproken. Document AstraZeneca 2 bevat inderdaad gedetailleerde informatie over vluchten en daarin staat – anders dan de luchtvaartmaatschappijen beweren – wel degelijk AstraZeneca AB als ‘shipper’ vermeld en zijn ook de HAWB-nummers opgenomen. Bovendien hebben de luchtvaartmaatschappijen de stelling van Equilib dat uit de aanduiding “Kundnamn” in de overzichten van freight forwarder Geodis blijkt dat AstrZeneca AB de (betalende) klant was, niet voldoende weersproken. Zoals hiervoor onder het toetsingskader al is overwogen, hoeft Equilib niet voor iedere achterliggende partij direct bronbewijs bestaande uit een air waybill en/of factuur over te leggen.
4.30.
Voor AstraZeneca UK Ltd. ligt dat anders. Geoordeeld wordt dat deze achterliggende partij moet afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. In document AstraZeneca 9 wordt de naam ‘AstraZeneca UK Ltd.’ niet als ‘shipper’ vermeld (maar meestal ‘IPS’) en het bevat ook geen air waybill nummers. De luchtvaartmaatschappijen hebben er ook terecht op gewezen dat de overgelegde e-mail van de Senior Director van AstraZeneca UK Ltd, te weinig specifiek is.
Atlas Copco
4.31.
De groep ‘Atlas Copco’ betreft de volgende achterliggende partijen:
- Atlas Copco AB;
- Atlas Copco Airpower N.V.;
- Atlas Copco Power Tools Distribution N.V.;
- Atlas Copco Rock Drills AB.
Aanvankelijk was ook Atlas Copco Secoroc AB opgevoerd als cedent, maar Equilib handhaaft de vordering van deze partij niet langer.
4.32.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- datasheets (Excel-bestanden) met door freight forwarders verstrekte gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten door Atlas Copco Airpower N.V., Atlas Power Tools Distribution N.V. en Atlas Copco Rock Drills AB (documenten Atlas Copco 1, 2 en 6);
- e-mails (documenten Atlas Copco 3, 4 en 5);
- screenshots van de van een selectie van de als documenten Atlas Copco 1, 2 en 6 overgelegde datasheets (documenten Atlas Copco 7, 8 en 9).
4.33.
Equilib heeft de overgelegde documenten als volgt toegelicht:
4.33.1.
Document Atlas Copco 7 ziet op Atlas Copco Airpower N.V. en bevat vluchten met KLM van Brussel naar Johannesburg in 2022; opgenomen zijn de datum, totale kosten en MAWB-nummer (o.a. 074 38915951 (KLM)).
4.33.2.
Document Atlas Copco 8 ziet op Atlas Copco Power Tools Distribution N.V. en bevat vluchten met KLM en omvat een groot aantal vluchten van Brussel via Amsterdam naar Manila in 2001; opgenomen zijn o.a. de datum, totale kosten en MAWB-nummer (o.a. 074 26841846 (KLM)).
4.33.3.
Document Atlas Copco 9 ziet op Atlas Copco Rock Drills AB. Dit bestand bevat geen details op vluchtniveau, maar wel totaalbedragen per jaar per carrier voor vluchten uit Zweden naar verschillende landen. Dit databestand is afkomstig van freight forwarder DHL en er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze data.
Ten slotte stelt Equilib dat volgens de luchtvaartmaatschappijen sprake is van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.34.
De luchtvaartmaatschappijen zetten hier het volgende tegenover. In hun akte van 16 december 2020 hebben de luchtvaartmaatschappijen weliswaar uiteengezet dat een aantal van de door Equilib namens de groep ‘Atlas Copco’ verstrekte gegevens overeenkwamen met gegevens in de BRG Database, maar toen waren die gegevens slechts verstrekt op groepsniveau. De luchtvaartmaatschappijen erkennen dus slechts het bestaan van de luchtvrachtvervoersdiensten waarop die transactiegegevens zien. Equilib moet per achterliggende partij stellingen innemen en onderbouwen. Equilib heeft thans wel stellingen ingenomen en documenten overgelegd per achterliggende partij, maar zij heeft nog steeds geen direct bronbewijs overgelegd; de overgelegde Excel-bestanden en screenshots zijn onvoldoende. Equilib stelt zelf ook dat de overgelegde gegevens voor Atlas Copco Rock Drills AB geen details op vluchtniveau bevatten Verder volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat bij verschillende freight forwarders data zijn verzameld over luchtvrachtvervoersdiensten. Bovendien heeft Equilib ten aanzien van een aantal achterliggende partijen geen (nadere) specifieke stellingen ingenomen of stukken overgelegd.
4.35.
De rechtbank is van oordeel dat de achterliggende partijen van de groep ‘Atlas Copco’ moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Voor Atlas Copco AB heeft Equilib in het geheel geen stellingen ingenomen. Voor Atlas Copco Rock Drills AB heeft Equilb weliswaar data afkomstig van freight forwarder DHL overgelegd, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode. Ook voor Atlas Copco Airpower N.V. en
Atlas Copco Power Tools Distribution N.V. heeft Equilib in haar akte wel details van vluchten vermeld, maar – na het verweer van de luchtvaartmaatschappijen dat dit uit de overgelegde documenten niet blijkt – niet (nader) toegelicht dat deze achterliggende partijen hebben betaald voor luchtvrachtvervoersdiensten. Dat de luchtvaartmaatschappijen op groepsniveau koppelingen hebben weten te maken met de BRG Database maakt dit alles niet anders; daarmee is immers niet gezegd dat ook deze twee achterliggende partijen luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen.
Atmel
4.36.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails met bijlagen (documenten Atmel 1 en Atmel 2);
- een HAWB (document Atmel 3).
4.37.
Equilib stelt dat de overgelegde HAWB ziet op een vlucht afgenomen door Amel Corporation als shipper. Uit de overige overgelegde gegevens blijkt dat de andere achterliggende Atmel-partijen dat deze in totaal USD 11 miljoen aan luchtvrachtvervoer hebben uitgegeven. Voor deze achterliggende partijen heeft geen details op transactieniveau kunnen achterhalen.
4.38.
Partijen zijn het erover eens dat Atmel Corporation mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.39.
Aangezien Equilib voor de overige achterliggende partijen er niet in is geslaagd om haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen, is de rechtbank met de luchtvaartmaatschappijen van oordeel dat deze moeten afvallen; het betreft de volgende achterliggende partijen:
- Atmel Switzerland Sarl;
- Atmel Sarl;
- Atmel Automotive GmbH;
- Atmel Nantes SAS;
- Atmel Rousset SAS;
- ACP Test Company Inc (Philippines) en
- Atmel Norway AS.
Aux Fruits de Juvisy D.J.S.M.M. S.A.
4.40.
Equilib heeft het volgende document overgelegd:
- facturen, waaronder een factuur voor een vlucht met KLM van Nairobi naar Roissy (document Aux Fruits De Juvisy 1).
4.41.
Partijen zijn het erover eens dat Aux Fruits de Juvisy D.J.S.M.M. S.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
BenQ Europe B.V.
4.42.
Equilib heeft voor zover van belang de volgende documenten overgelegd:
- een factuur van freight forwarder Panalpina voor een vlucht met Cargolux van Shanghai via Luxemburg naar Eindhoven (document BenQ 2);
- de bijbehorende HAWB (document BenQ 3).
4.43.
Partijen zijn het erover eens dat BenQ Europe B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Betafence N.V.
4.44.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Betafence 1);
- een screenshot van het Excel-bestand (document Betafence 2).
4.45.
Equilib stelt dat in het overgelegde Excel-bestand handmatig relevante details van door Betafence N.V. afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten zijn vastgelegd. Het bestand beslaat de jaren 2005-2010 en bevat details van vluchten met vertrekplaats Brussel naar verschillende bestemmingen, zoals de naam van de luchtvaartmaatschappij, de datum en de naam van de freight forwarder. Het bestand bevat geen MAWB-nummers. Het als document 2 overgelegde screenshot betreft een luchtvrachtvervoersdienst voor een transport van Brussel naar Beirut op 16 december 2005 met Martinair. De gedetailleerde informatie past bij de bedrijfsactiviteiten van Betafence N.V. Hiermee heeft Equilib voldoende aangetoond dat Betafence N.V. in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database. Uit de door de luchtvaartmaatschappijen overgelegde aanvullende producties 3 en 4 volgt dat ‘Betafence’ in 30 transacties als ‘shipper’ is opgenomen in de BRG Databae.
4.46.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand en het screenshot alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. De overgelegde gegevens bevatten geen MAWB-nummer en geen gewicht, zodat verificatie van deze gegevens praktisch onmogelijk is.
4.47.
De rechtbank is van oordeel dat Betafence N.V. moet afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding getracht en een voorbeeld gegeven van een concrete luchtvrachtvervoersdienst met vermelding van een aantal details, maar verzuimd de onderliggende documenten in het geding te brengen. Meer in het bijzonder heeft Equilib met betrekking tot geen enkele transactie (ook niet de door haar genoemde voorbeeldtransactie) een factuur in het geding gebracht of anderszins aangetoond dat Betafence N.V. ervoor heeft betaald. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat Equilib wel beschikt over relevante documenten.
BIC
4.48.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een e-mail met databestand (met details van fysieke facturen) (documenten BIC 1 en 2);
- databestand aangevuld met een tab waarop is aangegeven met welke luchtvaartmaatschappijen is gevlogen (op basis van een opgave van freight forwarders) (documenten BIC 3 en 4);
- een print van de tab met welke luchtvaartmaatschappij werd gevlogen (document BIC 5);
- een e-mail met de toezegging dat de oorspronkelijke facturen bewaard zouden blijven (document BIC 6);
- een e-mail uit 2015 met bijlagen met aanvullende data over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (documenten BIC 7-11).
4.49.
Equilib stelt dat onder de naam ‘BIC’ Société BIC SA en haar dochtermaatschappijen hebben gecedeerd aan Equilib. BIC was reeds in 2013 niet in staat meer details te verstrekken, maar uit de overgelegde e-mails, het aan de hand van fysieke facturen opgestelde databestand (document BIC 2), aangevuld met informatie over de luchtvaartmaatschappij (document BIC 5), alsmede later verstrekte Excel-bestanden uit de eigen systemen van BIC met informatie over afgenomen luchtvracht blijkt duidelijk dat BIC luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Het databestand dat is overgelegd als document BIC 2 (aangevuld met document BIC 5) bevat veel details op transactieniveau die passen bij de activiteiten van BIC en die niet (kunnen) zijn verzonnen: datum, plaats van vertrek en aankomst, gewicht, prijs, freight forwarder en de luchtvaartmaatschappij waarmee werd gevlogen. Ook de later overgelegde databestanden (documenten BIC 8-11) bevatten eveneens details van afgenomen luchtvracht die niet zijn verzonnen: factuurnummers, freight forwarder, plaats van aankomst en datum. De zoekterm ‘BIC’ komt bovendien volgens de luchtvaartmaatschappijen 5.040 keer voor in het ‘shipper’ veld en 2.712 keer in het ‘consignee’ veld in de BRG Database. De in bestanden vermelde uitgaven zijn echter niet in alle gevallen toe te wijzen aan één entiteit binnen de groep van cedenten die onder de naam ‘BIC’ vorderingen hebben gecedeerd.
4.50.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken – zoals een air waybill of factuur – zijn overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. De overgelegde Excel-bestanden bevatten geen MAWB-nummers, geen data van vluchten (behoudens document 2) en geen gewicht, zodat verificatie van deze gegevens praktisch onmogelijk is. In document 2 worden verder slechts drie achterliggende partijen als betalende partij genoemd.
4.51.
Geoordeeld wordt dat de achterliggende partijen die onder de naam ‘BIC’ vorderingen aan Equilib hebben gecedeerd, moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd (in haar aktes) aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) van welke BIC-vennootschap(pen). Dit betreft de volgende achterliggende partijen:
- Société BIC SA;
- BIC UK Ltd;
- BIC Italia Spa;
- BIC Belgium Sprl;
- BIC Nordic AB;
- BIC Iberia SA;
- BIC Violex SA;
- BIC Graphics Europe SA; en
- BIC Services SASU.
Bluetenpracht
4.52.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een datasheet (Excel-bestand) met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Bluetenpracht 2) met begeleidende e-mail (document Bluetenpracht 1);
- een screenshot van het voormalige ERP-systeem van Bluetenpracht (document Bluetenpracht 3).
4.53.
Equilib stelt dat uit de overgelegde e-mails, het door Bluetenpracht Frischblumen GmbH (de enige rechtspersoon die onder de naam ‘Bluetenpracht’ vorderingen aan Equilib heeft gecedeerd) aan de hand van haar eigen administratie opgestelde databestand en het screenshot van haar voormalige ERP-systeem blijkt dat zij in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Document 2 bevat details als betalende entiteit (Bluetenpracht), AWB-nummer, datum, luchtvaartmaatschappij, totale kosten, plaats van vertrek en aankomst en gewicht. Onder vertrekluchthaven heeft Bluetenpracht in veel gevallen de naam van de freight forwarder opgenomen (TransSchryver Quito/Ecuador of DeijlCargo Quito/Ecuador. Document 3 bevat een screenshot van een transactie voor een vlucht vanuit Ecuador naar Amsterdam met KLM op 1 oktober 2001 met AWB-nummer 074-99578172 en charge weight 674 kg. Deze transactie is aan Bluetenpracht gefactureerd voor (omgerekend) EUR 1.322,98. Deze vlucht is tevens opgenomen in het als document 2 overgelegde document op regel 269 en document 4 bevat een print van deze transactie. Bovendien blijkt dat (in ieder geval) één transactie uit het databestand tot een succesvolle koppeling met de BRG Database heeft geleid.
4.54.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken – zoals een air waybill of factuur – zijn overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand en het screenshot alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder bevestigt het screenshot ook niet dat Bluetenpracht Frischblumen GmbH de shipper of consignee is en evenmin wat de plaats van vertrek is. Uit de overgelegde e-mails volgt slechts dat een Excel-bestand is verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd., de litigation funder van Equilib.
4.55.
De rechtbank is van oordeel dat Bluetenpracht Frischblumen GmbH mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Equilib heeft wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende onderbouwd, en de luchtvaartmaatschappijen hebben die concrete onderbouwing onvoldoende gemotiveerd weersproken. De luchtvaartmaatschappijen hebben bijvoorbeeld de juistheid van in document Bluetenpracht 2 opgenomen vluchtgegevens niet betwist. Evenmin hebben zij betwist dat de door Equilib bij wijze van voorbeeld genoemde luchtvrachtvervoersdienst aan Bluetenpracht is gefactureerd, zoals door Equilib expliciet is gesteld. Zoals hiervoor onder het toetsingskader ook al is overwogen, hoeft Equilib niet voor iedere achterliggende partij direct bronbewijs bestaande uit een air waybill en/of factuur over te leggen.
Blumex
4.56.
Equilib heeft voor zover van belang het volgende document overgelegd:
- een factuur met bijbehorende AWB voor een vlucht met British Airways van Amsterdam naar New York (document Blumex 5).
4.57.
Partijen zijn het erover eens dat Import Blumex Export B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
[naam 61]
4.58.
Equilib heeft voor zover van belang het volgende document overgelegd:
- een factuur voor een vlucht met Martinair van Nairobi naar Amsterdam, met een factuur specificatie met onder meer het MAWB nr. (document [naam 61] 2).
4.59.
Partijen zijn het erover eens dat [naam 61] & Co International B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Campo International
4.60.
Equilib heeft voor zover van belang het volgende document overgelegd:
- een AWB voor een vlucht met Martinair van Juan Santamaria naar Amsterdam (document Campo International 2).
4.61.
Partijen zijn het erover eens dat Campo International B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Canon groep
4.62.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een (H)AWB van 8 september 2005 voor vlucht KL9358 met KLM van Tokyo naar Amsterdam (document Canon 1);
- een print van de Canon database (document Canon 2);
- een (H)AWB van 28 april 2005 voor een vlucht met KLM van Tokyo naar Amsterdam (document Canon 3).
4.63.
Partijen zijn het erover eens dat Canon Inc. en Canon Europe B.V. mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Castelijn en Beerens
4.64.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Excel-bestand met vlucht-specifieke transactiegegevens (document Castelijn en Beerens 2) en begeleidende e-mail (document Castelijn en Beerens 1);
- een screenshot van dat Excel-bestand (document Castelijn en Beerens 3).
4.65.
Equilib stelt dat Castelijn en Beerens B.V. met haar een bestand heeft gedeeld waarin handmatig alle details van beschikbare facturen zijn vastgelegd (document 2), die zien op door haar in de jaren 2005-2007 afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten. Het databestand bevat gegevens op vluchtniveau als de datum, het vluchtnummer, de plaats van vertrek en aankomst, het gewicht, de freight forwarder en het HAWB-nummer. Document 3 ziet op een luchtvrachtvervoersdienst voor een transport van Kolkata naar Amsterdam op 16 augustus 2005 met vermelding van het AWB-nummer 020-34818663 en Castelijn en Beerens B.V. als betalende partij (‘paying party’).
4.66.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs (zoals AWB of factuur) is overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand en het screenshot onvoldoende zijn. Die documenten bevatten bovendien nagenoeg geen MAWB-nummers waardoor verificatie van de gegevens praktisch niet uitvoerbaar is. Bovendien blijkt uit de stellingen van Equilib dat Castelijn en Beerens onderliggende documentatie beschikbaar heeft die zij niet in het geding heeft gebracht; Castelijn en Beerens heeft het Excel-bestand immers handmatig ingevuld aan de hand van de beschikbare facturen. Hieruit volgt dat er wel degelijk facturen beschikbaar zijn, maar dat Equilib er om onnavolgbare redenen voor heeft gekozen geen enkele factuur over te leggen. Uit de overgelegde e-mails blijkt slechts dat een Excel-bestand is verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd., de litigation funder van Equilib.
4.67.
Geoordeeld wordt dat deze achterliggende partij moet afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding getracht en een voorbeeld gegeven van een concrete luchtvrachtvervoersdienst met vermelding van een aantal details, maar verzuimd de onderliggende documenten in het geding te brengen. Meer in het bijzonder heeft Equilib met betrekking tot geen enkele transactie (ook niet de door haar genoemde voorbeeldtransactie) een factuur in het geding gebracht of anderszins aangetoond dat Castelijn en Beerens B.V. voor luchtvracht heeft betaald. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat Equilib wel beschikt over relevante documenten. Zij stelt immers zelf dat in het Excel-bestand handmatig alle details van beschikbare facturen zijn vastgelegd.
Chanjema Flowers en Ngong Roses
4.68.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een e-mail (document Chanjema Flowers en Ngong Roses 1);
- overzichten (Excel-bestanden) met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten van Chanjema Flowers (document Chanjema Flowers en Ngong Roses 2) en van Ngong Roses (document Chanjema Flowers en Ngong Roses 3);
- een AWB (document Chanjema Flowers en Ngong Roses 4);
- een factuur (document Chanjema Flowers en Ngong Roses 5);
- een e-mail van [naam 62] (productie 3 bij akte van repliek);
- een set documenten met betrekking tot een luchtvrachtvervoersdienst, waaronder een HAWB en een factuur met de tekst “INVOICE FOR CHANJEMA” (productie 4 bij akte van repliek);
- een set documenten met betrekking tot een luchtvrachtvervoersdienst, waaronder een AWB, een factuur gericht aan Ngong Roses C/O Veiling Flora AFD Import en een export certificaat (productie 5 bij akte van repliek).
4.69.
Equilib heeft deze documenten – voor zover van belang – als volgt toegelicht. Beide achterliggende partijen (Chanjema Flowers Ltd. en Ngong Roses Ltd.) zijn in Kenia gevestigde bedrijven onder hetzelfde management die bloemen naar de veiling in Nederland exporteerden. Chanjema Flowers Ltd. heeft alleen gedurende de jaren 2002-2004 gebruik gemaakt van luchtvracht (document 1). In die jaren is geen gebruik gemaakt van Ngong Roses Ltd. De kosten voor de luchtvracht werden door de inklaringsagent betaald en door de veiling namens de achterliggende partijen aan die agent terugbetaald. Vervolgens werden die kosten door de veiling op de opbrengst van de geveilde bloemen in mindering gebracht, zodat de achterliggende partijen uiteindelijk de kosten droegen. Equilib verwijst hiertoe naar de overlegde e-mail van [naam 62] (productie 3), waarin staat:
“(…) In all cases, the freight were deducted at source by the consignees from the flower sales proceeds of the supplier (Ngong Roses and Chanjema Flowers) and paid on their behalf to the clearing agents who would have paid the airlines on collect basis during clearing of the consignment.
The invoicing was organized in such a way that the consignee contracted the clearing agents to pay the freight charges on collect basis and invoice the consignor/supplier through the consignee. The consignee would in return recover the freight charges from the sales proceeds of the supplier to reimburse/pay the clearing agent. Ultimately, the consignor/supplier (Ngong Roses and Chanjema Flowers) paid for the freight charges. (…)”
In documenten 2 en 3 zijn zendingen opgenomen met gedetailleerde informatie als de datum, het (M)AWB-nummer, de luchtvaartmaatschappij, de vertrekluchthaven, de aankomstluchthaven, het gewicht, de totale kosten en de brandstoftoeslag. Producties 4 en 5 zien op specifieke luchtvrachtvervoersdiensten voor Chanjema Flowers Ltd. respectievelijk Ngong Roses Ltd. Productie 4 heeft Equilib als volgt nader toegelicht. Productie 4 bevat onder meer een HAWB voor een vlucht met Martinair van Nairobi naar Amsterdam op 8 september 2004 met vermelding van het MAWB-nummer, het HAWB-nummer en het gewicht alsmede ‘Chanjema” als agent/shipper. Verder staat op de HAWB vermeld dat de kosten voor luchtvracht ‘as agreed’ in rekening zullen worden gebracht via ‘collect’. Productie 4 bevat verder brieven van Airflo aan Chanjema Flowers Ltd., waarin de nieuwe kosten voor luchtvracht worden besproken en een factuur van de inklaringsagent aan Fleuro Plus B.V. (de veiling), met daarop de vermelding van de kosten voor de luchtvracht en de vermelding dat de kosten uiteindelijk aan Chanjema Flowers Ltd. in rekening zullen worden gebracht aan de hand van de tekst: “INVOICE FOR CHANJEMA”.
4.70.
De luchtvaartmaatschappijen voeren allereerst aan dat Chanjema Flowers Ltd. de enige rechtspersoon (cedent) is die vorderingen aan Equilib heeft gecedeerd. Uit de als document 1 overgelegde e-mail volgt dat Chanjema Flowers Ltd. zelf stelt dat zij alleen in de jaren 2002-2004 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen (terwijl Equilib voor de schatting van de VoC van Chanjema Flowers Ltd. ook cijfers uit de jaren 1999, 2000, 2005-2008 heeft opgevoerd). Voorts hebben zij (bij antwoordakte) aangevoerd dat de aanvankelijk overgelegde documenten onvoldoende zijn. Bij dupliek hebben de luchtvaartmaatschappijen hieraan toegevoegd dat uit de bij repliek gegeven toelichting niet kan worden opgemaakt dat de AWB die als document Chanjema Flowers en Ngong Roses 4 is overgelegd via een inklaringsagent is gelopen, zoals Equilib stelt. Ten aanzien van de bij repliek als productie 4 ingebrachte documenten merken de luchtvaartmaatschappijen het volgende op:
- uit de overgelegde House AWB valt geen master AWB# af te leiden, waardoor verificatie door de luchtvaartmaatschappijen ernstig wordt bemoeilijkt;
- uit de HAWB blijkt dat Chanjema Supermarkets in plaats van Chanjema Flowers Ltd. de shipper is;
- uit de andere overgelegde documenten blijkt niet dat Chanjema Flowers Ltd. degene is die de uiteindelijke factuur ontvangt omdat consequent is geadresseerd aan Chanjema.
4.71.
Geoordeeld wordt dat Ngong Roses Ltd. niet meedoet in (het vervolg van) deze procedures. De luchtvaartmaatschappijen hebben aangevoerd dat deze rechtspersoon helemaal geen vorderingen aan Equilib heeft gecedeerd en Equilib heeft vervolgens niet beweerd (laat staan aangetoond) dat dit onjuist is, bijvoorbeeld door verwijzing naar de lijst met cedenten (of de akte van cessie). De door Equilib met betrekking tot deze rechtspersoon overgelegde documenten behoeven dan ook geen nadere bespreking.
4.72.
Anders dan de luchtvaartmaatschappijen is de rechtbank evenwel van oordeel dat Chanjema Flowers Ltd. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Met de als productie 4 overgelegde documenten heeft Equilib voldoende toegelicht dat Chanjema Flowers Ltd. tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode en daarvoor heeft betaald. De luchtvaartmaatschappijen hebben dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Niet gesteld of gebleken is dat er een andere vennootschap met de naam ‘Chanjema’ bestaat, zodat er op dit moment vanuit gegaan moet worden dat met ‘Chanjema Supermarkets’ en ‘Chanjema’ de rechtspersoon (en achterliggende partij) Chanjema Flowers Ltd. is bedoeld.
Chico Nederland B.V.
4.73.
Equilib heeft voor zover van belang de volgende documenten overgelegd:
- een factuur van freight forwarder BREX voor een vlucht met Martinair van Guatamala naar Amsterdam (document Chico 1);
- een (H)AWB van 28 april 2005 voor een vlucht met KLM van Tokyo naar Amsterdam (document Chico 3).
4.74.
Partijen zijn het erover eens dat Chico Nederland B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Coast Seafood AS
4.75.
Equilib heeft voor zover van belang het volgende document overgelegd:
- een (verzamel)factuur van freight forwarder Norther Cargo AS voor een vlucht met Lufthansa van Oslo naar Hong Kong (document Coast Seafood 2).
4.76.
Partijen zijn het erover eens dat Coast Seafood AS mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Daimler AG
4.77.
Equilib heeft voor zover van belang de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (document Daimler 1);
- een screenshot met data (document Daimler 2);
- documenten behorende bij een vlucht met Lufthansa van Frankfurt naar Viracopos, waaronder een factuur van freight forwarder Karl Heins Dietrich GmbH en de bijbehorende (H)AWB (document Daimler 4).
4.78.
Partijen zijn het erover eens dat Daimler AG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Dell
4.79.
Volgens Equilib hebben onder de naam ‘Dell’ de rechtspersonen Dell Inc. en (indirect) Dell Products (Ireland) vorderingen aan Equilib gecedeerd.
4.80.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- informatie uit de eigen systemen van Dell over het gebruik van luchtvracht met de begeleidende e-mail waarin ook de activiteiten van Dell worden toegelicht (document Dell 1);
- bestanden met informatie over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (documenten Dell 2 tot en met 5)
4.81.
Equilib heeft deze documenten als volgt toegelicht. Document 1 de door de Dell met haar gedeelde informatie bevat met een opgave van de daadwerkelijke kosten voor transport op basis van haar ‘Freight Cost Calculator tool’ (FCC) die Dell Products (Ireland) – hierna: Dell Ireland – in november 2005 in gebruik nam. Voor eerdere jaren is geen data beschikbaar en is aan de hand van extrapolatie een inschatting van luchtvrachtkosten gemaakt. Document 2 (‘S. Africa Working’) ziet op luchtvrachtkosten voor Dell Ireland vanuit het Verenigd Koninkrijk en vanuit Nederland naar Zuid-Afrika. Tab 1 van dit document betreft een toelichting hierop van de EMEA Freight & Logistics Manager van Dell, waarin hij aangeeft dat 80% van de transporten voor Zuid-Afrika uit het Verenigd Koninkrijk zullen zijn verscheept en 20% vanuit Nederland. Tab 2 (‘FCC’) bevat de informatie over de jaren 2005 en 2006 vastgelegd in het FCC. Document 3 (‘AE Working’) bevat een toelichting op de FCC data voor transporten van Dell Ireland naar de Verenigde Arabische Emiraten en documenten 4 (‘KSA Working’) en 5 (‘Israel Working’) bevatten vergelijkbare bestanden voor transporten vanuit Nederland naar respectievelijk Saudi Arabië en Israël. De EMEA Freight & Logistics Manager geeft in deze bestanden met data over (deels) 2005 en 2006 aan dat de volumes in voorgaande jaren vergelijkbaar zullen zijn geweest. Uit de bestanden die afkomstig zijn uit de eigen administratie van Dell is in veel gevallen alleen de freight forwarder opgenomen en is niet op te maken met welke luchtvaartmaatschappij is gevlogen. Het gaat voor Dell in de kartelperiode om in zeer vele vluchten vanaf Amsterdam naar de hiervoor genoemde landen. Gelet op het hoge marktaandeel op Schiphol van KLM en de aanwezigheid op deze luchthaven van een groot aantal karteldeelnemers, is het onmogelijk dat Dell niet ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
4.82.
De luchtvaartmaatschappijen stellen allereerst dat van de groep ‘Dell’ twee rechtspersonen vorderingen aan Equilib hebben gecedeerd: Dell Inc. en Dell Ireland, en voeren aan dat ten aanzien van Dell Inc. geen (nadere) stellingen zijn ingenomen of stukken zijn overgelegd. Verder is ten aanzien van Dell Ireland geen direct bronbewijs overgelegd en zijn de overgelegde Excel-bestanden onvoldoende. Bovendien blijkt uit de overgelegde e-mails slechts wat naar schatting de bestede kosten aan luchtvrachtvervoersdiensten zouden zijn geweest voor de periode van 1999-2006.
4.83.
De rechtbank is van oordeel dat Dell Inc. en Dell Products (Ireland) moeten afvallen in het vervolg van deze procedures. Voor Dell Inc. zijn inderdaad geen (nadere) stellingen zijn ingenomen of stukken overgelegd. Ook Dell Products (Ireland) moet afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen.
Diramode
4.84.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd afkomstig van Diramode S.A.:
- een e-mail van het hoofd van de logistieke afdeling van Diramode (document Diramode 1);
- een print van een selectie van het overzicht van transacties waarin luchtvaartmaatschappijen worden genoemd (document Diramode 2);
- een print van een selectie van details van facturen uit 2005 (document Diramode 3);
- twee pagina’s uit het uittreksel voor oprichting van Diramode S.A. (productie 6 bij conclusie van repliek);
- een HAWB uit 2021 (productie 7 bij conclusie van repliek).
4.85.
Equilib heeft deze documenten als volgt toegelicht. Diramode S.A. zit achter het modebedrijf Pimkie en gebruikt de naam ‘Pimkie’. Pimkie had ten tijde van het kartel vier distributiecentra in Europa: in Frankrijk, Duitsland, Spanje en Italië. Die distributiecentra zijn in 2007 ondergebracht in Diramode S.A. Vanaf toen werden alle zendingen verstuurd naar het distributiecentrum in Duitsland en werd Diramode S.A. gefactureerd (verwezen wordt naar document 1). Aan de hand van haar ERP-systeem heeft Diramode S.A. een overzicht gemaakt van haar uitgaven aan transportkosten. Het gaat om grote aantallen facturen van freight forwarders. Diramode S.A. beschikte niet meer over data van voor 2005. In het databestand staan de kolommen ‘container’ en ‘vessel’, hetgeen gebruikelijk is voor zeevervoer. Document 2 ziet op transacties waarbij de luchtvaartmaatschappij is vermeld, waaronder Cargolux en KLM. Dat het om luchtvracht gaat en niet om zeevervoer komt ook overeen met de vertrek- en aankomstdatum en de kosten per gewichtseenheid. Document 3 ziet op leveringen aan de Pimkie centrales in Frankrijk, Duitsland en Spanje. Het overzicht bevat details van facturen uit 2005. De details (doorlooptijd en kosten) komen overeen met de details van de facturen waarbij wel een luchtvaartmaatschappij is opgegeven. Hiermee wordt aangetoond dat Diramode S.A. in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Daarbij is onmogelijk dat bij de grote aantallen transacties van Diramode S.A. geen vlucht naar Europa met een van de luchtvaartmaatschappijen zit. Dit blijkt ook wel uit het doel van Diramode: “fabrication de tous textiles naturels ou artificiels, l’achet et la vente en gros et en detail de tous articles de lingerie et mercerie” (producties 6). Als productie 7 heeft Equilib een recente air waybill voor Diramode overgelegd.
4.86.
De luchtvaartmaatschappijen stellen hier, voor zover (nog) relevant het volgende tegenover. uit productie 6 niet blijkt dat voor het voldoen aan het doel van Diramode S.A. luchtvrachtvervoersdiensten (moeten) worden afgenomen of dat die afgenomen zijn. Verder roept die productie de vraag op in hoeverre op de eerder overgelegde verklaring (waarin staat: “After 2007 we created Diramode”) en de eerder overgelegde stukken kunnen worden vertrouwd zonder dat enige verificatie mogelijk is. De overgelegde HAWB is ook onvoldoende omdat het AWB-nummer daarop ontbreekt en de HAWB buiten de (volgens Equilib) relevante periode valt.
4.87.
De rechtbank is van oordeel dat Diramonde S.A. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen.
Electrolux
4.88.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd, voor zover van belang:
- e-mails (documenten Electrolux 1, 3, 5 en 6);
- een pdf-bestand met een overzicht van de verschillende entiteiten (document Electrolux 1, 2);
- een PowerPoint met een overzicht van de verschillende freight forwarders (document Electrolux 4);
- een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Electrolux 7);
- pdf-bestanden en Excel-bestanden met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten over de jaren 2008, 2009 en 2010 (documenten Electrolux 9, 10 en 11).
4.89.
Equilib stelt dat Electrolux vooral gebruik maakt van luchtvracht voor het verzenden van (reserve)onderdelen vanuit fabrieken. De Electrolux-entiteiten waar in de relevante periode de productie plaatsvond hebben vorderingen op de luchtvaartmaatschappijen aan Equilib gecedeerd. In 2010 heeft Electrolux een overzicht opgesteld van de (Europese) groepsmaatschappijen die mogelijk gebruik hadden gemaakt van luchtvracht in de kartelperiode. Electrolux kon op dat moment niet met zekerheid vaststellen welke entiteiten in welke mate luchtvrachtvervoersdiensten hadden afgenomen, omdat goede data hiervoor niet beschikbaar was (zie de als document Electrolux 1 overgelegde e-mail). Gedurende de kartelperiode werden dat luchtvrachtvervoersdiensten ingekocht bij zeker 24 freight forwarders (zie document 4) en dat veel details met betrekking tot deze diensten niet werden vastgelegd. De beschikbare bestanden beslaan de periode 2005-2010 en de oudste daarvan bevatten slechts de route op landniveau, het totaal aantal zendingen en het totale gewicht. De data voor 2008/2009 geeft de route op plaatsniveau, het aantal zendingen en het totale gewicht. Het bestand voor 2010 bevat details op transactieniveau, zoals HAWB-nummer, datum, plaats van vertrek en bestemming, shipper, consignee, paying entity, incoterms en kosten, maar geen aanduiding van met welke luchtvaartmaatschappij is gevlogen. Equilb heeft de freight forwarders om informatie gevraagd. Alleen freight forwarder ScanGlobal heeft een bestand verstrekt met details van een groot aantal luchtvrachttransacties die door Electrolux Laundry Systems AB (Zweden) zijn betaald. Twee andere freight forwarders (Dimenco en K+N) hebben gegevens met de Electrolux groep gedeeld over de jaren 2000-2006 met details (AWB-nummers), maar geen duidelijke koppeling aan een achterliggende partij. Als document Electrolux 9 heeft Equilib data overgelegd over 2008 en 2009. Vertrek- en aankomstplekken die hierin veel voorkomen komen overeen met de steden waar Electrolux fabrieken heeft. EU-inbound routes in dit bestand (zie document Electrolux 10) hadden in veel gevallen als bestemming steden in Hongarije en Polen waar Electrolux ook fabrieken heeft. In de 2010 datapack (document Electrolux 11) zijn hiervoor ook aanwijzingen te vinden, want daarin is een groot aantal Electrolux-entiteiten als ‘paying entity’ opgenomen.
4.90.
Equilib heeft met betrekking tot de volgende entiteiten nog nader toegelicht dat deze luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen:
Electrolux Laundry Systems (Sweden) AB
4.90.1.
Equilib heeft toegelicht dat document Electrolux 7 (gegevens afkomstig van ScanGlobal) hoofdzakelijk details bevat van luchtvrachtvervoersdiensten die zijn betaald door Electrolux Laundry Systems (Sweden) AB. Uit het bestand volgt dat 95% van de transacties zien op vluchten ‘carriage paid’(CPT) vanaf Malmö (Zweden) en het bestand noemt als opdrachtgever ‘Electrolux Laundry Systems’. Uit dit bestand heeft Equilib als voorbeeld gelicht de transactie op de eerste regel. Dit betreft een transport met Scandinavian Airlines (AWB-nummer 11744941935) van Tokyo naar Stockholm met datum 14 april 2005. Het bestand bevat nog veel meer transacties voor deze entiteit (en ook voor Electrolux Logistics AB en Electrolux AB, zie kolom J ‘ORDREGIVER’ – maar dit heeft Equilib niet verder geconcretiseerd, rb).
Electrolux Filter AB
4.90.2.
Als document Electrolux 8 heeft Equlib een factuur overgelegd van K+N gericht aan Electrolux Filter AB voor een transport van 146 pakketten ‘dustbags’ van in totaal 1.424 kg met vlucht KL/8160 van Gothenburg naar Shanghai op 6 oktober 2004 met MAWB nr. 074-46194606 (KLM); de fuel charge en de security surcharge zijn op deze factuur apart opgenomen.
4.91.
De luchtvaartmaatschappijen voeren allereerst aan dat Equilib in haar akte ook Electrolux-entiteiten opvoert die geen cedent zijn en dat zij aan de andere kant twee cedenten (Electrolux Austria GmbH en Electrolux Limitada) geheel onbesproken laat. Deze laatste twee vennootschappen moeten dus in ieder geval afvallen. Uit de als document Electrolux 8 overgelegde factuur kan worden afgeleid dat Electrolux Filter AB de daarin genoemde luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
4.92.
Voor het overige voeren de luchtvaartmaatschappijen aan dat geen direct bronbewijs (AWB’s of facturen) is overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden, pdf-bestanden en andere documenten onvoldoende zijn. Zij lichten dit als volgt nader toe. Voor een belangrijk deel bevatten deze bestanden gegevens over de periodes 2009-2009 (documenten Electrolux 9 en 10) of 2010 (document Electrolux 11), waardoor deze niet zien op de relevante periode. Uit de als documenten 1 en 2 overgelegde e-mails volgt slechts een overzicht van entiteiten die – in de woorden van Equilib – “mogelijk gebruik hebben gemaakt van luchtvracht gedurende de kartelperiode”. In de als document 3 overgelegde e-mail staat: “For your information As we repeatedly have explained to CFI we do not have any centralised records for air cargo purchases prior to July 2006. We simply do not know which entities bought how much air cargo from which freigt forwarder or airlines.” Daaruit blijkt dat de Electrolux groep kennelijk afhankelijk is van freight forwarders om details over luchtvracht te achterhalen en dat zij zelf niet in staat is vast te stellen welke entiteiten welke hoeveelheid luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen voor 2006.
Uit de als document 5 overgelegde e-mail volgt slechts dat een derde partij aangeeft dat zij freight forwarders zal gaan verzoeken om data, waarop freight forwarder ScanGlobal een aantal documenten heeft verstuurd (document 6). Uit document 4 volgt ook niet dat de achterliggende partijen luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen. Dit document bevat namen van ongeveer 24 freight forwarders, maar toont niet aan dat Electrolux daadwerkelijk met deze freight forwaders heeft gewerkt.
4.93.
Partijen zijn het erover eens dat Electrolux Filter AB mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.94.
Anders dan de luchtvaartmaatschappijen is de rechtbank van oordeel dat dit ook geldt voor Electrolux Laundry Systems (Sweden) AB. Ook voor deze achterliggende partij heeft Equilib een concrete toelichting gegeven en concrete gegevens met betrekking tot een specifieke luchtvrachtvervoersdienst verstrekt, de juistheid waarvan de luchtvaartmaatschappijen niet hebben betwist (zij hebben deze geheel onbesproken gelaten).
4.95.
De rechtbank is met de luchtvaartmaatschappijen van oordeel dat de overige (hierna te noemen) achterliggende partijen moeten afvallen, omdat ten aanzien van een groot aantal daarvan in het geheel geen (nadere) specifieke stellingen ingenomen of stukken zijn overgelegd en Equilib er in ieder geval niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Met haar stelling dat de conclusie van de luchtvaartmaatschappijen dat deze partijen moeten afvallen is gebaseerd op de bestudering van slechts een enkel document (document Electrolux 7) miskent Equilib dat het aan haar is de door haar overgelegde documenten de duiden (de wegwijsplicht) en het niet aan de gedaagden (en de rechtbank) is om daar zelf in te gaan zoeken. Het betreft de volgende achterliggende partijen):
- Electrolux AB;
- Electrolux Rothenburg GmbH Factory and Development;
- Electrolux AG;
- Electrolux Belgium N.V. (ook: Electrolux Belgium S.A.);
- Electrolux d.o.o.;
- Electrolux Dayanikli Tüketim Mamülleri Sanayi ve Ticarect A.S. (Electrolux A.S.);
- Electrolux Distriparts AB;
- Electrolux Estonia Ltd.;
- Electrolux Floor Care and Light Appliances AB;
- Electrolux Group (Ireland) Ltd.;
- Electrolux Hausgeräte Vertriebs GmbH;
- Electrolux Hellas S.A.;
- Electrolux Hemprodukter AB;
- Electrolux Home Products (Nederland) B.V.;
- Electrolux Home Products Corporation N.V.;
- Electrolux Home Products Denmark A/S;
- Electrolux Home Products Espana S.A.;
- Electrolux Home Products France SAS;
- Electrolux Home Products Italy SPA;
- Electrolux Home Products Norway AS;
- Electrolux Latvia Ltd.;
- Electrolux Professional A/S;
- Electrolux Laundry Systems France SNC;
- Electrolux LDA SNC;
- Electrolux Lehel Hiitogepgyar Kft.;
- Electrolux Ljubljana d.o.o;
- Electrolux LLC;
- Electrolux Logistics AB;
- Electrolux Logistics GmbH;
- Electrolux Logistics Italy S.p.A.;
- Electrolux Logistics SAS;
- Electrolux Ltda;
- Electrolux Professional AB;
- Electrolux Professional AG;
- Electrolux Professional AS;
- Electrolux Professional B.V.;
- Electrolux Professional GmbH;
- Electrolux Professional Oy;
- Electrolux Professional S.p.A.;
- Electrolux Professional, S.A.;
- Electrolux Professionnel SAS;
- Electrolux s.r.o.;
- Electrolux Schwanden AG;
- Electrolux Service GmbH;
- Electrolux Slovakia s.r.o.;
- LLC Electrolux Rus;
- SC Electrolux Romania SA;
- UAB Electrolux;
- Oy Electrolux AB;
- Electrolux Luxembourg S.a r.L;
- Electrolux Deutschland GmbH;
- Electrolux Poland Spolka z o.o.;
- Electrolux Espana S.A.U.;
- Electrolux IT Solutions AB;
- Electrolux Home AB;
- Electrolux AG;
- Electrolux Plc;
- Electrolux Austria GmbH.
EMC
4.96.
Equilib stelt dat de enige EMC-vennootschappen die vorderingen aan haar hebben gecedeerd EMC Information Systems International en (indirect) moedermaatschappij EMC Corporation zijn. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Excel-bestand met gegevens uit 2006/2007 over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document EMC 2) met de begeleidende e-mails (document EMC 1);;
- een print met een selectie van het Excel-bestand (document EMC 3).
4.97.
Equilib stelt dat de EMC groep slechts over gedetailleerde gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten vanaf 2006 beschikte op basis van bestanden die zij verkreeg van Trax Technology, een externe dienstverlener voor het managen van transportkosten. Uit de overgelegde overzichten volgt steeds de datum van de verzending, de plaats van verzending, de bestemming, de kosten, het HAWB-nummer en soms het MAWB-nummer. Aan de hand van deze overzichten zijn schattingen gemaakt voor de jaren waarvoor data ontbrak. Document 3 bevat een selectie van een aantal transacties die zien op transporten van Cork (Ierland) waar moedermaatschappij EMC Corporation is gevestigd, naar Frankrijk, waaronder een zending op 6 juli 2007 met Air France naar Parijs met vermelding van het AWB-nummer (057-83074412) en een onderverdeling van de kosten. Ten slotte voert Equilib aan dat de term ‘EMC’ voorkomt in de BRG Database (verwezen wordt naar aanvullende producties 3 en 4 van de luchtvaartmaatschappijen) en dat de luchtvaartmaatschappijen ten minste één transactie voor EMC hebben kunnen matchen met de Database.
4.98.
De luchtvaartmaatschappijen voeren allereerst aan dat Equilib eerder ook EMC Computer Systems AG als cedent heeft opgevoerd, maar dat zij deze rechtspersoon thans volledig onbesproken laat. Deze entiteit zal dus in ieder geval moeten afvallen. Volgens de luchtvaartmaatschappijen blijven er dan nog twee cedenten (achterliggende partijen) over: EMC Corporation en EMC Information Systems International. Zij voeren voorts aan dat (ook) voor deze achterliggende partijen geen direct bronbewijs (AWB’s of facturen) is overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand en de print alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Bovendien bevestigen die bestanden niet dat het gaat om in de relevante periode door de achterliggende partijen zelf afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten. Verder blijkt uit de overgelegde e-mails slechts dat bepaalde gegevens zijn verstrekt. De in de als document EMC 3 overgelegde print opgenomen gegevens bevestigen niet dat het gaat om door een van de twee EMC cedenten zelf afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten; er wordt namelijk niet vermeld door welke entiteit de luchtvrachtvervoersdiensten zijn afgenomen: nergens wordt verwezen naar EMC Corporation of EMC Information Systems International.
4.99.
Geoordeeld wordt dat evident is dat EMC Computer Systems AG moet afvallen in het vervolg van deze procedures omdat Equilib voor deze entiteit geen (nadere) stellingen heeft ingenomen. De rechtbank is van oordeel dat ook EMC International Information Systems International en EMC Corporation moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. De luchtvaartmaatschappijen hebben terecht aangevoerd dat de omstandigheid dat de zoekterm ‘EMC’ een match oplevert met de gegevens in de BRG Database niet voldoende is, nu er meerdere EMC-vennootschappen zijn (die bovendien niet allemaal vorderingen aan Equilib hebben gecedeerd).
Ericsson
4.100. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- het jaarverslag over 2002 en een vertaling daarvan (documenten Ericsson 1 en 2);
- een overzicht van totaalbedragen uitgegeven aan luchtvrachtvervoer op basis van gegevens afkomstig van freight forwarder Panalpina (document Ericsson 3);
- e-mails inzake kosten voor het scannen en handmatig verwerken van informatie uit de gearchiveerde stukken (document Ericsson 4);
- een notitie van DHL (document Ericsson 5);
- drie databestanden met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten afkomstig van DHL(documenten Ericsson 6, 7 en 8; de ‘DHL-bestanden’).
4.101. Equilib heeft toegelicht dat verreweg de grootste afnemer van luchtvrachtvervoersdiensten binnen de Ericsson-groep Ericsson AB is (mede als rechtsopvolger van Ericsson Radio Systems AB) en dat daarnaast de volgende andere entiteiten met relevante uitgaven aan luchtvracht vorderingen aan Equilib hebben gecedeerd:
- Ericsson Telecom AB (Zweden);
- Ericsson South Africa (pty) Limited (Zuid-Afrika);
- Ericsson Inc. (Verenigde Staten);
- Ericsson Shared Services AB (Zweden);
- Nanjing Ericsson Panda Communications Company Ltd. (China) en
- Ericsson Telekomünikasyon Anonim Sirket (Turkije).
Equilib stelt dat uit de overgelegde digitale data, waaronder informatie van verschillende freight forwarders, blijkt dat alle achterliggende partijen luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode. Per entiteit heeft Equilib dit als volgt toegelicht:
Ericsson AB
4.101.1. Equilib heeft een aantal AWB’s, opgesteld door Panalpina, overgelegd (document Ericsson 9), waaronder een AWB van 2002 voor een vlucht met KLM en een AWB van 30 december 2002 voor een vlucht met Air France. Dat Nanjing Ericsson Panda Communications Company Ltd. (bedoeld zal zijn Ericsson AB, rb) de kosten voor deze vlucht heeft betaald volgt uit de notitie “prepaid”.
Nanjing Ericsson Panda Communications Company Ltd.
4.101.2. Equilib heeft een aantal AWBs, opgesteld door Panalpina, overgelegd (document Ericsson 10), waaronder een AWB van 2 januari 2003 voor een vlucht met Martinair en een AWB van dezelfde datum voor een vlucht met Lufthansa. De consignee is “Nanjing Ericsson Com. Ltd, waarmee gedoeld wordt op Nanjing Ericsson Panda Communications Company Ltd. Dat laatstgenoemde entiteit de kosten voor deze vlucht heeft betaald volgt uit de notitie “freight collect”.
Ericsson Telecom AB en Ericsson Shared Services AB
4.101.3. Uit de DHL-bestanden (documenten 6, 7 en 8) volgt dat deze entiteiten luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen. Voor Ericsson Telecom AB wordt dit inzichtelijk gemaakt in een print van een selectie van een van de DHL-bestanden die als document Ericsson 11 is overgelegd en voor Ericsson Shared Services AB met een print van een selectie van die bestanden die als document Ericsson 12 is overgelegd.
Ericsson South Africa (pty) Limited, Ericsson Inc. en Ericsson Telekomünikasyon Anonim Sirket
4.101.4. Met de DHL-bestanden is aangetoond dat deze drie entiteiten een groot aantal luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen; dit blijkt verder uit de documenten Ericsson 13, 14 en 15).
4.102. De luchtvaartmaatschappijen erkennen dat Ericsson AB en Nanjing Ericsson Panda Communications Company Ltd. ten minste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode en mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.103. Ten aanzien van de andere achterliggende partijen voeren de luchtvaartmaatschappijen aan geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat deze entiteiten luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen. De overgelegde (screenshots van de) Excel-bestanden zijn hiervoor onvoldoende. De omstandigheid dat een succesvolle koppeling met de BRG Database heeft plaatsgevonden zegt ook niets, want die koppeling zag op gegevens die zijdens Ericsson op groepsniveau waren overgelegd en niet op het niveau van individuele achterliggende partijen.
4.104. De rechtbank is met de luchtvaartmaatschappijen van oordeel dat de overige (hierna te noemen) achterliggende partijen moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen in haar aktes (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft voor deze achterliggende partijen verwezen naar (prints van) bestanden, maar heeft niet geconcretiseerd in haar aktes welke transacties in die (prints van) bestanden haar stelling dat een luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen onderbouwen. Het is niet aan de rechtbank om in de betreffende stukken op zoek te gaan naar concrete transacties en de benodigde gegevens bij elkaar te zoeken; Equilib heeft niet aan haar wegwijsplicht voldaan Dit betreft de volgende achterliggende partijen:
- Ericsson Telecom AB;
- Ericsson South Africa (pty) Limited;
- Ericsson Inc.;
- Ericsson Shared Services AB;
- Ericsson Telekomünikasyon Anonim Sirket.
Eurochoice
4.105. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (document Eurochoice B.V. 1);
- een Excel-bestand met details van beschikbare facturen (document Eurochoice B.V. 1);
- een screenshot van het Excel-bestand (document Eurochoice B.V. 3).
4.106. Equilib heeft toegelicht dat Eurochoice B.V. in het als document 1 overgelegde bestand handmatig alle details van beschikbare facturen heeft vastgelegd. In het overgelegde screenshot staat een groot aantal transacties inzake vluchten met KLM, waaronder tweemaal een transport van Amsterdam naar Bangkok op 1 januari 2003 met vermelding van het AWB-nummer (074-21700803). Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.107. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde (screenshot van het) Excel-bestand onvoldoende is. Het Excel-bestand bevat geen informatie over de datum en het gewicht en uit de overgelegde e-mails volgt slechts dat Eurochoice B.V. een Excel-bestand heeft verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd., de litigation funder van Equilib. Voor Eurochoice B.V. zijn geen transactiegegevens verstrekt die verifieerbaar zijn en voldoende overeenkomen met de gegevens in de BRG Database. De enkele omstandigheid dat de zoekterm “Eurochoice” resultaten oplevert is onvoldoende om aan te nemen dat Eurochoice B.V. zelf in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
4.108. De rechtbank is van oordeel dat Eurochoice B.V. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding getracht, maar verzuimd de onderliggende documenten in het geding te brengen. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat Equilib wel beschikt over relevante documenten. Zij stelt immers zelf dat in het Excel-bestand handmatig alle details van beschikbare facturen zijn vastgelegd. Ook heeft Eurochoice weliswaar twee transporten van Amsterdam naar Bangkok als voorbeeld genoemd onder vermelding van een AWB-nummer, maar nagelaten toe te lichten op grond waarvan ervan uit moet worden gegaan dat die specifieke luchtvrachtvervoersdiensten zijn betaald door Eurochoice of dat zij de kosten daarvoor heeft gedragen.
Everflora
4.109. Equilib heeft met betrekking tot Everflora Ltd. de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (document Everflora 1);
- het Equilib Transactieoverzicht (Excel-bestand) met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Everflora 2).
4.110. Equilib stelt dat Everflora Ltd. in 2014 bij haar een datasheet heeft aangeleverd met gegevens over afgenomen luchtvracht in de periode september 2002 tot december 2006, welke datasheet door Equilib is verwerkt in het Equilib Transactieoverzicht. Dat bestand bevat een overzicht met gedetailleerde gegevens als de datum, het gewicht, de totale kosten, de shipper, de vertrekluchthaven (Nairobi, Kenia) en het land van aankomst (Holland). Het is meer dan aannemelijk dat Everflora – een Keniaanse kwekerij van rozen – op de route Kenia-Amsterdam (indirect) ook luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen van KLM, Martinair en/of Air France. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database, aldus steeds Equilib.
4.111. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder bevat het Excel-bestand geen MAWB-nummers en wordt in de overgelegde e-mails slechts gesteld dat voor alle luchtvrachtvervoersdiensten geldt dat de vluchten plaatsvonden van Nairobi naar Amsterdam.
4.112. De rechtbank is van oordeel dat Everflora Ltd. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft wel data in het geding getracht, maar verzuimd de onderliggende documenten over te leggen. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, want de gegevens in de datasheet moeten toch ergens vandaan komen?
F. Hoffmann-La Roche
4.113. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een overzicht van KN inzake kosten van afgenomen luchtvracht tussen november 2005 en februari 2007 met begeleidende e-mailwisseling (documenten Hoffmann La Roche 1 en 2);
- een overzicht met door DHL verstrekte data met begeleidende e-mailwisseling (documenten Hoffmann La Roche 3 en 4);
- een Excel-bestand (‘luftfracht’) met details van facturen van afgenomen luchtvracht in de periode 2000-2006 (document Hoffmann La Roche 5);
- document Hoffmann La Roche 6 (met gegevens waaruit volgens Equilib volgt dat F. Hoffman La Roche AG deze facturen heeft betaald);
- twee facturen (document Hoffmann La Roche 7);
- een screenshot van een Excel-bestand met transactiegegevens (‘Client Roche 2000-2010 Europe Outbound’) (document Hoffmann La Roche 8).
4.114. Volgens Equilib hebben de volgende entiteiten hun vorderingen aan haar gecedeerd:
- F. Hoffman La Roche Ltd/AG;
- Roche Diagnostics GmbH en
- Roche Diagnostics Ltd/AG
Equilib heeft toegelicht dat F. Hoffmann La Roche Ltd/AG in 2010 een overzicht heeft verkregen van twee freight forwarders (KN en DHL), documenten 2 en 4. Document 5 bevat een handmatig door F. Hoffmann La Roche Ltd/AG opgesteld overzicht van details van hardcopy facturen van afgenomen luchtvracht in de periode 2000-2006. Document 7 zijn facturen gericht aan F. Hoffmann La Roche AG voor afgenomen luchtvracht. Het gaat om (i) een vlucht van Bazel naar Auckland (Nieuw-Zeeland) met Singapore Airlines in december 2000 en (ii) een vlucht van New York naar Bazel met Swiss International Air Lines in december 2000. Hieruit blijkt dat F. Hoffmann La Roche AG luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen.
Document 8 betreft een print van een deel van de tab AWB Overview 1 van het bestand ‘Client Roche 2000-2010 Europe Outbound’. In verreweg het grootste deel van de transacties is de naam ‘Roche Diagnostics GmbH’ opgenomen onder het kopje ‘Invoice-to-Party name’. Hieruit volgt dat Roche Diagnostics GmbH relevante luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen, aldus Equilib.
4.115. De luchtvaartmaatschappijen zetten hier het volgende tegenover. Voor de groep F. Hoffmann-La Roche zijn geen transactiegegevens verstrekt die overeenkomen met gegevens in de BRG Database. Het als document 5 overgelegde Excel-bestand is onvoldoende. Dit bevat geen MAWB-nummers. Ook het als document 8 overgelegde screenshot bevat geen vliegroutes, data van vluchten en gewicht, waardoor verificatie praktisch onmogelijk is. Bovendien blijkt uit de als document 6 overgelegde e-mail van F. Hoffmann-La Roche Ltd. dat veel data ontbreekt: “The file has been completed. But as you can see – and as already mentioned before – a lot of information is missing”. Uit diezelfde e-mail blijkt tevens dat Equilib een tijd geleden al elektronische gegevens van andere afdelingen heeft ontvangen, maar die gegevens zijn niet overgelegd. Ook staat in die e-mail: “F. Hoffmann-La Roche paid for all shipments”, zonder te specificeren om welke achterliggende partijen het zou gaan. De overgelegde e-mails (documenten 1 en 3) en de kostenoverzichten (documenten 2 en 4) bevatten bovendien slechts niet onderbouwde totaalbedragen.
4.116. Partijen zijn het erover eens dat F. Hoffmann-La Roche Ltd. (kennelijk ook wel F. Hoffmann-La Roche AG genoemd) mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.117. Geoordeeld wordt echter dat Roche Diagnostics GmbH en Roche Diagnostics Ltd./AG moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen met voldoende verifieerbare gegevens te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen.
Federal Mogul
4.118. Een groot aantal Federal Mogul entiteiten heeft vorderingen aan Equilib gecedeerd. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- datasheets met details van afgenomen luchtvracht in de periode 2005-2009 (documenten Federal Mogul 1, 2, 3 en 4);
- documenten Federal Mogul 5 t/m 24 met steeds een selectie van vluchten uit deze datasheets (meestal afkomstig van freight forwarder Hellman, document 2) voor een Federal Mogul entiteit;
4.119. Equilib heeft toegelicht dat de data in de vier als documenten Federal Mogul 1, 2, 3 en 4 overgelegde datasheets afkomstig zijn van freight forwarders DHL, Hellman, Danzas en KN. In de datasheets staat veelal gedetailleerde informatie als de datum, het (M)AWB-nummer, de luchtvaartmaatschappij, het gewicht, de totale kosten en de brandstoftoeslag. Volgens Equilib is de betalende entiteit (steeds een Federal Mogul entiteit) te herleiden door te selecteren op ‘Shipper’ en de bijbehorende Incoterms.
4.120. De luchtvaartmaatschappijen voeren allereerst aan dat Equilib ten aanzien van veertien achterliggende partijen geen specifieke stellingen heeft ingenomen of stukken heeft overgelegd. Voor geen enkele achterliggende partij heeft Equilib stukken – zoals een air waybill of factuur – overgelegd. De overgelegde Excel-bestanden (datasheets) en de screenshots (de selectie uit de datasheets) die Equilib ten aanzien van de overige twintig achterliggende partijen heeft overgelegd zijn onvoldoende. In die bestanden ontbreken bovendien MAWB-nummers en het gewicht, waardoor verificatie van deze gegevens bij gebrek aan onderliggende documentatie praktisch niet uitvoerbaar is.
4.121. De rechtbank is met de luchtvaartmaatschappijen van oordeel dat de veertien achterliggende partijen ten aanzien waarvan Equilib onweersproken geen specifieke stellingen heeft ingenomen of stukken heeft overgelegd, reeds om die reden moeten afvallen. Ook de overige twintig achterliggende partijen moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft wel data in het geding getracht, maar verzuimd de onderliggende documenten over te leggen of die data in haar aktes voldoende toe te lichten. Dit betekent dat de volgende achterliggende partijen afvallen:
- Federal-Mogul Holding Deutschland GmbH;
- Federal-Mogul Burscheid GmbH;
- Federal-Mogul Deva GmbH;
- Federal-Mogul Friction Products GmbH;
- Federal-Mogul Friedberg GmbH;
- Federal-Mogul Nürnberg GmbH;
- Federal-Mogul Sealing Systems GmbH Herdorf;
- Federal-Mogul Dresden Zweigniederlassung der Federal-Mogul Vermögensverwaltungs
GmbH;
- Federal-Mogul Sealing Systems Bretten GmbH;
- Federal-Mogul Wiesbaden GmbH;
- Federal-Mogul EMEA Distribution Services BVBA;
- Federal-Mogul S.A.;
- Federal-Mogul Friction Products a.s.;
- Federal-Mogul Operations France SAS;
- Federal-Mogul Sintertech SAS;
- Federal-Mogul Friction Products SAS;
- Federal-Mogul Sealing Systems SAS;
- Federal-Mogul System Protection SAS;
- Federal-Mogul France SAS;
- Federal-Mogul Hungary Kft;
- Federal-Mogul Italy SRL;
- Federal-Mogul Bimet S.A.;
- Federal-Mogul Gorzyce S.A.;
- Federal-Mogul Friction Products S.A.;
- Federal-Mogul Iberica S.L.;
- Federal- Mogul Izmit Piston ve Pim Uretim Tesislerie AS;
- Federal-Mogul Friction Products Ltd;
- Federal-Mogul Camshafts Casting Ltd;
- Federal-Mogul Sintered Products Ltd;
- Federal-Mogul Aftermarket UK Ltd;
- Federal-Mogul Ltd;
- Federal-Mogul Sealing Systems (Rochdale) Ltd;
- Federal-Mogul Sealing Systems (Slough) Ltd;
- Federal-Mogul Ignition UK Ltd.
Flor del Caribe
4.122. Equilib heeft het volgende document overgelegd:
- facturen met bijbehorende AWB’s, waaronder een AWB voor een vlucht met Cargolux van Quito naar Amsterdam (document Flor del Caribe 1).
4.123. Partijen zijn het erover eens dat Flor del Caribe S.à.r.l. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Foot Locker
4.124. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een e-mail (document Foot Locker 1);
- een factuur met bijbehorende AWB voor een vlucht met KLM van Durban naar Amsterdam (document Foot Locker 2).
4.125. Partijen zijn het erover eens dat Foot Locker Europe B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Fresh Partners
4.126. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een vertaling van een uittreksel uit het Thaise equivalent van het handelsregister van de Kamer van Koophandel met betrekking tot Fresh Partners (document Fresh Partners 1);
- e-mails (documenten Fresh Partners 2 en 3);
- een AWB (document Fresh Partners 4).
4.127. Equilib stelt dat uit de overgelegde e-mails volgt dat Fresh Partners data heeft verstrekt in vijf Excel-bestanden die zijn gebaseerd op handmatige vastlegging van details uit gearchiveerde facturen en AWB’s over de periode 2000-2006. Fresh Partners Fruits & Vegetables Co Ltd (hierna ook: Fresh Partners Fruits & Vegetables), een 100% dochter van Fresh Partners Group B.V. (hierna ook: Fresh Partners Group) is volgens Equilib de entiteit die voor de door de Fresh Partners groep afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten heeft betaald. Beide vennootschappen hebben hun vorderingen aan Equilib gecedeerd.
4.128. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs of enige andere documentatie is overgelegd ten aanzien van Fresh Partners Group B.V. Verder blijkt uit de overgelegde e-mails slechts dat zij stelt dat zij gebruik heeft gemaakt van luchtvrachtvervoersdiensten.
4.129. Partijen zijn het erover eens dat Fresh Partners Fruits & Vegetables Co Ltd. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.130. De rechtbank is van oordeel dat Fresh Partners Group B.V. moet afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar informatie – die kennelijk is gebaseerd op de eigen administratie van de Fresh Partners groep – in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door Fresh Partners Group zelf (en bijvoorbeeld niet door Fresh Partners Fruits & Vegetables of door een derde, die geen cedent is). De luchtvaartmaatschappijen hebben er terecht op gewezen dat uit de overgelegde e-mails lijkt te volgen dat de Fresh Partners groep nog wel beschikt over alle AWB’s waarvan gegevens zijn verwerkt in de verstrekte Excel-bestanden, zodat het mogelijk moet zijn geweest een door Fresh Partners Group afgenomen luchtvrachtvervoersdienst deugdelijk te specificeren en beschrijven, indien er inderdaad ten minste één dergelijke dienst door Fresh Partners Group zou zijn afgenomen. Nu Equilib dat, ook na de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen, heeft nagelaten moet het ervoor worden gehouden dat Fresh Partners Group zelf geen luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode, althans heeft Equilib haar vordering wat betreft Fresh Partners Group onvoldoende onderbouwd.
Fujitsu
4.131. Equilib heeft het volgende document overgelegd:
- een HAWB voor een vlucht met KLM van Pudong naar Amsterdam (document Fujitsu 1).
4.132. Partijen zijn het erover eens dat Fujitsu Components Europe B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Galeries Lafayette
4.133. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Excel-bestand met gegevens van volgens Equilib afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Galeries Lafayette 1);
- twee pdf-bestanden met uittreksels uit het handelsregister van de Franse kamer van koophandel (documenten Galeries Lafayette 2 en 3);
- een factuur van DHL met datum 29 februari 2000 (document Galeries Lafayette 4);
- een factuur gericht aan Bazar de l’Hotel de Ville met bijbehorende AWB (document Galeries Lafayette 5);
- een factuur gericht aan “Pion SA” met douaneformulier (document Galeries Lafayette 6).
4.134. De groep “Galeries Lafayette” omvat de volgende vennootschappen die hun (gestelde) vorderingen aan Equilib hebben gecedeerd:
- Galeries Lafayette SA
- Bazar de l’Hotel de Ville SAS (hierna ook: BHV)
- Louis Pion SAS
- Royal Airport SAS.
4.135. Equilib stelt dat zij voor Louis Pion SAS een factuur voor douane- en luchtvrachtkosten heeft overgelegd, waarop de brandstoftoeslag apart is gespecificeerd. Blijkens het overgelegde douaneformulier betreft het een vlucht vanuit Hong Kong en is Louis Pion SAS als ontvanger van de goederen (en adressaat van de factuur) verantwoordelijk voor de transportkosten van de goederen, die blijkens het douaneformulier “ex works” aan haar zijn geleverd. Voor Galeries Lafayette SA heeft zij eveneens een factuur overgelegd voor luchtvrachtkosten. Die factuur is gericht aan ‘Galeries Lafayette SPAM Import’. SPAM is de inkoopcentrale voor Galeries Lafayette SA en de kosten voor luchtvrachtvervoersdiensten werden logischerwijs doorgelegd aan Galeries Lafayette SA. Uit het feit dat de factuur mede is gericht aan ‘Galeries Lafayette’ volgt dat zij de kosten heeft betaald. Op de factuur is bovendien route-informatie opgenomen: het betreft onder meer vluchten van Zuid-Korea naar Frankrijk en van Nederland naar Frankrijk. Ook zijn vluchtdata en gewicht opgenomen.
4.136. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat de overgelegde factuur en AWB ten aanzien van Louis Pion SAS geen informatie bevatten over onder meer het MAWB-nummer, waardoor verificatie van het directe bronbewijs ernstig bemoeilijkt wordt.
Uit de overgelegde factuur ten aanzien van Galeries Lafayette SA kan niet worden afgeleid dat Galeries Lafayette SPAM Import de inkoopcentrale van deze achterliggende partij is en dat de kosten van de inkoopcentrale aan haar werden doorgelegd. Equilib heeft ook verder niet onderbouwd dat Galeries Lafayette SA die kosten heeft betaald, hetgeen de luchtvaartmaatschappijen betwisten. De factuur is bovendien niet mede gericht aan ‘Galeries Lafayette’. Die woorden zijn slechts een onderdeel van de naam van de entiteit ‘Galeries Lafayette SPAM Import’, de volledige naam van de betreffende entiteit die Equilib zelf ook gebruikt. Verder vermeldt die factuur geen MAWB-nummer en geen bestemming.
4.137. De rechtbank oordeelt als volgt.
Bazar de l’Hotel de Ville (BHV)
4.138. Partijen zijn het erover eens dat Bazar de l’Hôtel de Ville (BHV) SAS mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Royal Airport SAS
4.139. Wat betreft Royal Airport SAS heeft Equilib, naar aanleiding van de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen dat deze vennootschap in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen, geen specifieke stellingen ingenomen of stukken overgelegd, zodat zij reeds om die reden moet afvallen.
Galeries Lafayette SA
4.140. Ook Galeries Lafayette SA moet naar het oordeel van de rechtbank afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar een concrete luchtvrachtvervoersdienst beschreven die volgens haar is afgenomen door deze entiteit, maar heeft nagelaten om, in reactie op de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen van haar stelling dat Galeries Lafayette SA (en niet de gestelde inkoopmaatschappij SPAM) de kosten voor de betreffende vlucht heeft gedragen, die stelling nader te onderbouwen. De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat de kosten door SPAM “logischerwijs” werden doorgelegd naar Galeries Lafayette SA is in het licht van die betwisting onvoldoende, terwijl uit de overgelegde factuur, anders dan Equilib stelt, niet blijkt dat die (mede) is gericht aan Galeries Lafayette SA. De rechtbank brengt daarbij in herinnering dat het hier (zoals tijdens de laatste mondelinge behandeling besproken) gaat om het onderbouwen van schade met betrekking tot slechts (ten minste) één luchtvrachtvervoersdienst, waartoe vereist is dat de gevolgen van het kartel (met een in het licht van het causaal verband voldoende mate van directheid) zijn opgetreden in het vermogen van de achterliggende partij van wiens vordering de voldoening wordt gevorderd door Equilib. Dat een luchtvrachtvervoersdienst “ten behoeve van” een bepaalde achterliggende partij is afgenomen door een groepsmaatschappij is dus niet voldoende om te kunnen zeggen dat die achterliggende partij zelf een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
Louis Pion SAS
4.141. In afwijking van het standpunt van de luchtvaartmaatschappijen is de rechtbank van oordeel dat de vordering van Louis Pion SAS vooralsnog wel mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Equilib heeft met betrekking tot deze achterliggende partij een concrete, in de relevante periode afgenomen luchtvrachtvervoersdienst met een (vooralsnog) voldoende mate van detail beschreven, onder overlegging van een aan Louis Pion SAS gerichte factuur en een douaneformulier. Daarbij zijn onder meer datum, gewicht van de vracht, plaats van vertrek en bestemming en de verzendcondities (“ex works”) gegeven. Gesteld noch gebleken is dat de betreffende vracht anders dan per luchtvracht kan zijn verzonden. In die omstandigheden leidt het enkele ontbreken van een MAWB-nummer en de “route” er, anders dan de luchtvaartmaatschappijen betogen, niet toe dat Equilib – voor dit moment – onvoldoende heeft onderbouwd dat Louis Pion SAS deze luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Dat de transactie volgens de luchtvaartmaatschappijen door het ontbreken van die informatie niet te koppelen is aan de BRG-database is (in ieder geval in het kader van de onderhavige opdracht tot onderbouwing) niet van doorslaggevend belang.
Gebr. Van Den Haak Import
4.142. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een uittreksel uit de Kamer van Koophandel (document Gebr. Van Den Haak Import 1);
- een overzicht van de facturen van freight forwarder Panatlantic (document Gebr. Van den Haak Import 2);
- e-mails (documenten Gebr. Van den Haak Import 3 en 4);
- een AWB en bijbehorende factuur voor een vlucht met KLM van Colombia naar Nederland (documenten Gebr. Van den Haak Import 5 en 6).
4.143. Partijen zijn het erover eens dat Gebr. Van Den Haak Import mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Hewlett Packard
4.144. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een getuigenverklaring van [naam 63] , “HP Global Freight Cost Manager” (document HP 1);
- een ‘draaitabel’ met volgens Equilib aan luchtvrachtvervoersdiensten uitgegeven bedragen per entiteit (document HP 2);
- drie Excel-bestanden met gegevens van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (documenten HP 3, 4 en 5).
4.145. De Hewlett Packard groep omvat de volgende entiteiten die hun (gestelde) vorderingen aan Equilib hebben gecedeerd:
- Hewlett Packard Company;
- Hewlett Packard Industrial International Sàrl;
- Hewlett Packard Centre de Competence France SAS;
- Hewlett Packard GmbH;
- Hewlett Packard (Canada) Co;
- Hewlett Packard Caribe B.V.;
- Hewlett Packard Caribe B.V. Puerto Rico Branch;
- Hewlett Packard de Mexico S. De R.L. de CV;
- Hewlett Packard Puerto Rico B.V.;
- Hewlett Packard Puerto Rico B.V. Puerto Rico Branch;
- Hewlett Packard Singapore (Pte) Ltd;
- Hewlett Packard Oy;
- Shanghai Hewlett Packard Co, Ltd;
- Hewlett Packard Japan Ltd;
- Hewlett Packard Argentina SRL;
- Hewlett Packard France SAS;
- Hewlett Packard Venezuela C.C.A.;
- Hewlett Packard Espanola SL;
- Hewlett Packard Manufacturing Ltd;
- Hewlett Packard AP (Hong Kong) Ltd;
- Hewlett Packard India Sales Private Ltd;
- Hewlett Packard Chile, Commercial Limitada;
- Hewlett Packard HK SAR Ltd;
- Hewlett Packard Belgium BVBA/SPRL;
- Hewlett Packard Gesellschaft mbH;
- Hewlett Packard (Schweiz) GmbH;
- Hewlett Packard Ltd;
- Hewlett Packard Philippines Corporation;
- Hewlett Packard New Zealand;
- Hewlett Packard Korea Ltd;
- Hewlett Packard (Thailand) Ltd;
- Hewlett Packard (Israel) Ltd;
- Hewlett Packard Trading (Shanghai) Company Ltd;
- Hewlett Packard Aps;
- Hewlett Packard Nederland B.V.;
- Hewlett Packard International Pte Ltd;
- Hewlett Packard Australia Pty Ltd;
- Hewlett Packard Singapore (Sales) Pte Ltd;
- Hewlett Packard Industrial Printing Ltd;
- Hewlett Packard Software LLC;
- Hewlett Packard International Pte Ltd, Taiwan Branch.
4.146. Equilib stelt dat uit document 1 volgt dat alle relevante HP entiteiten een vordering aan Equilib hebben gecedeerd. Document 2 betreft een overzicht van de uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten per groepsmaatschappij zoals deze volgen uit de database met gegevens over de (wereldwijde) afname van luchtvrachtvervoersdiensten door de HP groep. De overgelegde Excel-bestanden (documenten 3,4 en 5) bevatten afdrukken van concrete voorbeelden uit de zeer omvangrijke database van Trax voor HP Company. De voorbeelden zien op de dochtermaatschappijen die samen veruit het grootste deel van de luchtvrachtvervoersdiensten (van en naar Europa) hebben afgenomen: Hewlett-Packard International Sarl (“HP International”), Hewlett-Packard Centre de Competence France SAS (“HP CDC”) en Hewlett-Packard GmbH (“HP Duitsland”). De Trax database is in de betreffende periode opgesteld voor interne doeleinden en er is geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die informatie. HP Company sloot de overeenkomsten met de freight forwarders ten behoeve van zichzelf en haar groepsmaatschappijen. Betalingen liepen via een centraal betalingssysteem. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.147. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder heeft Equilib slechts ten aanzien van vier achterliggende partijen stellingen ingenomen en wordt voor de overige achterliggende partijen verwezen naar de overgelegde ‘draaitabel’, maar daaruit volgen enkel totaalbedragen voor entiteiten binnen de HP groep. Bovendien blijkt uit de getuigenverklaring van [naam 63] dat de betaling van de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten niet altijd via de achterliggende partijen verliep, maar via een centraal betalingssysteem dat van toepassing was op alle achterliggende partijen. Verder blijkt uit die getuigenverklaring dat HP Company de grootste afnemer was en dat de dochtermaatschappijen, waarvan een aantal achterliggende partij is, geen afnemers van luchtvrachtvervoer waren. Ook bevat de getuigenverklaring een naar eigen zeggen incompleet overzicht van contracten voor de afname van luchtvrachtvervoersdiensten, maar daarvan is geen enkele kopie overgelegd.
4.148. De rechtbank is van oordeel dat de achterliggende partijen van de Hewlett-Packard groep, met uitzondering van Hewlett-Packard Company, moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Ten aanzien van de meeste achterliggende partijen geldt dat Equilib weliswaar geaggregeerde informatie over kosten van luchtvrachtvervoersdiensten in de relevante periode – volgens haar gebaseerd op een door de dienstverlener Trax bijgehouden omvangrijke database – in het geding heeft gebracht en een verklaring van een medewerker op groepsniveau waarin in algemene zin wordt gesteld dat alle cederende entiteiten luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door de betreffende achterliggende partij en heeft daarmee niet aan haar onderbouwings- en wegwijsplicht voldaan. Dit is anders waar het gaat om de achterliggende partijen HP International, HP CDC en HP Duitsland. Ten aanzien van die partijen heeft Equilib wel voorbeelden gegeven van concrete luchtvrachtvervoersdiensten en daarbij ook de nodige details verstrekt (waaronder in een aantal gevallen MAWB-nummers). Bij deze drie entiteiten is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd dat zij de luchtvrachtvervoersdiensten in kwestie daadwerkelijk zelf hebben betaald, althans dat de kosten voor hun rekening zijn gekomen. Immers, Equilib heeft zelf gesteld dat HP Company de entiteit is die de overeenkomsten met de freight forwarders sloot ten behoeve van zichzelf én haar groepsmaatschappijen (waaronder deze drie) en dat betalingen via een centraal betalingssysteem liepen. Hoe en of dat er in deze drie gevallen in geresulteerd heeft dat de kosten van de luchtvrachtvervoersdiensten (integraal) zijn doorberekend aan respectievelijk HP International, HP CDC en HP Duitsland, heeft Equilib niet duidelijk gemaakt, laat staan van enige vorm van onderbouwing voorzien. De verwijzing naar de draaitabel en de algemene verklaring van de heer [naam 63] volstaan daartoe in ieder geval niet. De rechtbank brengt daarbij in herinnering dat het hier (zoals tijdens de laatste mondelinge behandeling besproken) gaat om het onderbouwen van schade met betrekking tot slechts (ten minste) één luchtvrachtvervoersdienst, waartoe vereist is dat de gevolgen van het kartel (met een in het licht van het causaal verband voldoende mate van directheid) zijn opgetreden in het vermogen van de achterliggende partij van wiens vordering de voldoening wordt gevorderd door Equilib. Dat een luchtvrachtvervoersdienst ten behoeve van een bepaalde achterliggende partij is afgenomen door een groepsmaatschappij is dus niet voldoende om te kunnen zeggen dat die achterliggende partij zelf een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
Het voorgaande brengt mee dat afvallen:
- Hewlett-Packard Industrial International Sàrl;
- Hewlett-Packard Centre de Competence France SAS;
- Hewlett-Packard GmbH;
- Hewlett-Packard (Canada) Co;
- Hewlett-Packard Caribe B.V.;
- Hewlett-Packard Caribe B.V. Puerto Rico Branch;
- Hewlett-Packard de Mexico S. De R.L. de CV;
- Hewlett-Packard Puerto Rico B.V.;
- Hewlett-Packard Puerto Rico B.V. Puerto Rico Branch;
- Hewlett-Packard Singapore (Pte) Ltd;
- Hewlett-Packard Oy;
- Shanghai Hewlett-Packard Co, Ltd;
- Hewlett-Packard Japan Ltd;
- Hewlett-Packard Argentina SRL;
- Hewlett-Packard France SAS;
- Hewlett-Packard Venezuela C.C.A.;
- Hewlett-Packard Espanola SL;
- Hewlett-Packard Manufacturing Ltd;
- Hewlett-Packard AP (Hong Kong) Ltd;
- Hewlett-Packard India Sales Private Ltd;
- Hewlett-Packard Chile, Commercial Limitada;
- Hewlett-Packard HK SAR Ltd;
- Hewlett-Packard Belgium BVBA/SPRL;
- Hewlett-Packard GmbH;
- Hewlett-Packard (Schweiz) GmbH;
- Hewlett-Packard Ltd;
- Hewlett-Packard Philippines Corporation;
- Hewlett-Packard New Zealand;
- Hewlett-Packard Korea Ltd;
- Hewlett-Packard (Thailand) Ltd;
- Hewlett-Packard (Israel) Ltd;
- Hewlett-Packard Trading (Shanghai) Company Ltd;
- Hewlett-Packard Aps;
- Hewlett-Packard Nederland B.V.;
- Hewlett-Packard International Pte Ltd;
- Hewlett-Packard Australia Pty Ltd;
- Hewlett-Packard Singapore (Sales) Pte Ltd;
- Hewlett-Packard Industrial Printing Ltd;
- Hewlett-Packard Software LLC;
- Hewlett-Packard International Pte Ltd, Taiwan Branch.
4.149. Anders dan door de luchtvaartmaatschappijen is bepleit is de rechtbank van oordeel dat de vordering van Hewlett-Packard Company vooralsnog wel mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. De luchtvaartmaatschappijen hebben immers de stelling van Equilib dat deze entiteit ten aanzien van de luchtvrachtvervoersdiensten voor de gehele groep als contractspartij is opgetreden niet betwist (zij beroepen zich daar zelfs op). Nu het uitdrukkelijke standpunt van Equilib is dat alle cedenten (en dus ook Hewlett-Packard Company) in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen, vindt de rechtbank de betwisting van die stelling ten aanzien van deze entiteit, in het licht van diens niet ter discussie staande optreden als centrale contractspartij van de freight forwarders, onvoldoende gemotiveerd, zodat moet worden aangenomen dat Hewlett-Packard Company in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
Hilti/IVV
4.150. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails tussen Hilti en freight forwarder DB Schenker (document Hilti 1);
- een van DB Schenker afkomstig Excel-bestand met gegevens uit 2003-2006/2007 over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Hilti 2);
- een door Hilti/IVV groep opgesteld Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Hilti 3);
- een pdf-bestand met een selectie van data van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Hilti 4).
4.151. De volgende entiteiten uit deze groep hebben hun (gestelde) vorderingen gecedeerd aan Equilib:
- Hilti AG
- Internationale Vertriebs- und Verbund AG (“IVV AG”).
4.152. Equilib stelt dat zij aan de hand van de door de freight forwarder verstrekte gegevens van voor 2003 een overzicht heeft opgesteld, waarin uitgebreide informatie is opgenomen zoals de betalende entiteit, de datum, de freight forwarder, de luchtvaartmaatschappij, het (M)AWB-nummer, het vertrek, de aankomst, het gewicht en de totale kosten. Aan de hand van door Hilti/IVV groep aangeleverde gedetailleerde informatie is voor de ontbrekende jaren een schatting gemaakt. Equilib heeft in document Hilti 4 verder gepreciseerd welke van de twee entiteiten voor een specifieke transactie heeft betaald. Aan de opgave door de achterliggende partijen zelf kan in dit geval wel degelijk waarde worden gehecht. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.153. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand en het screenshot alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder bevat document Hilti 2 geen gegevens ten aanzien van de entiteit die de luchtvrachttransacties zou hebben afgenomen. Document Hilti 3 bevat die details wel, maar dat Hilti/IVV groep dit zelf zo heeft ingevuld in het Excel-bestand is bij gebrek aan onderliggende documentatie een onvoldoende onderbouwing.
4.154. De rechtbank is van oordeel dat Hilti AG en Internationale Vertriebs- und Verbund Aktiengesellschaft moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar informatie – die kennelijk is gebaseerd op de gegevens die zijn verstrekt door haar freight forwarders –
in het geding gebracht en zij heeft ten aanzien van beide achterliggende partijen een concrete luchtvrachtvervoersdienst beschreven en daarbij de nodige gegevens verstrekt, maar zij heeft nagelaten uiteen te zetten waarop haar stelling dat Hilti AG respectievelijk IVV AG voor deze diensten hebben betaald, gebaseerd is. Bij afwezigheid van verificatoire bescheiden, zoals een factuur, had van Equilib verwacht mogen worden dat zij haar stelling ten aanzien van het dragen van de kosten door deze twee entiteiten nader zou onderbouwen in haar processtukken. Nu zij dat niet heeft gedaan is haar vordering in zoverre onvoldoende onderbouwd.
Hunter Douglas
4.155. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een factuur (document Hunter Douglas 1);
- een HAWB voor een vlucht met Martinair van Amsterdam naar Johannesburg (document Hunter Douglas 2).
4.156. Partijen zijn het erover eens dat Hunter Douglas Europe B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
International Committee of the Red Cross
4.157. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een e-mail (document Rode Kruis 1);
- een overzichtsfactuur van uitgevoerde vluchten, waaronder een vlucht met Lufthansa van Genève naar Bogota (document Rode Kruis 2);
- een screenshot van de datasheet met alle luchtvracht die in december 2000 met Lufthansa is vervoerd (document Rode Kruis 3).
4.158. Partijen zijn het erover eens dat International Committee of the Red Cross mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Interparfums
4.159. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mailcorrespondentie (document Interparfums 1);
- een Excel-bestand met transactiegegevens (document Interparfums 2);
- een screenshot uit dit Excel-bestand (document Interparfums 3);
- een e-mail van [naam 64] , Executive Vice President van Interparfums S.A. (productie 8 bij repliek inzake een transactie per cedent).
4.160. Equilib stelt dat het bij document 1 gevoegde Excel-bestand details bevat van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten gedurende de jaren 2000-2006 als de betalende entiteit, de datum, de totale kosten, het vluchtnummer, de vertrekluchthaven, de aankomstluchthaven, het AWB-nummer, het gewicht en de brandstoftoeslag. Het overgelegde screenshot bevat gegevens met betrekking tot vluchten van Parijs naar Bangkok. Verder geldt, dat hoewel een groot deel van de luchtvrachtkosten wordt betaald door klanten van Interparfums S.A., in de e-mail van [naam 64] wordt bevestigd dat het transactieoverzicht uitsluitend door Interparfums S.A. afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten bevat waarvoor zij de kosten heeft gedragen. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.161. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand en het screenshot alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. De overgelegde gegevens bevatten bovendien geen chargeable weight en daaruit kan niet worden afgeleid dat de transacties daadwerkelijk door Interparfums S.A. zijn verricht. Het Excel-bestand bevat vermeldt verder ‘Interparfums’ steeds als betalende partij, maar daaruit volgt nog niet dat de luchtvrachtdienst door Interparfums S.A. is afgenomen en betaald. Daarbij komt dat Interparfums S.A. volgens de stellingen van Equilib een parfum- en cosmeticafabrikant is die haar producten wereldwijd distribueert. Het is aannemelijk dat in de keten producent-distributeur-lokale retailer niet de producent maar de distributeur of retailer voor het vervoer van als voorraad ingekochte goederen betaalt. Verder volgt uit document 1 slechts dat Interparfums S.A. een Excel-bestand aan Claims Funding Europe heeft toegezonden. Uit de e-mail van [naam 64] volgt voorts niet op welke wijze of op basis van welke gegevens hij is nagegaan dat de luchtvrachten door Interparfums S.A. zijn betaald.
4.162. De rechtbank is van oordeel dat Interparfums S.A. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar informatie overgelegd over beweerdelijk afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten, en daarbij ook enige gegevens over concrete vluchten verstrekt met vermelding van AWB-nummers, plaatsen van vertrek en bestemming en vluchtdata, maar zij heeft – zeker in het licht van de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen – onvoldoende onderbouwd dat de kosten van de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten zijn gedragen door Interparfums S.A. De enkele, in algemene bewoordingen gestelde, verklaring van de heer [naam 64] volstaat daartoe niet, omdat daarin niet wordt uitgelegd op grond waarvan het standpunt wordt ingenomen dat alle luchtvrachtvervoersdiensten in het Excel-overzicht, en meer in het bijzonder de door Equilib nader gespecificeerde, zijn betaald door Interparfums S.A. Zeker nu Equilib heeft erkend dat een groot deel van de door Interparfums verzonden luchtvracht werd betaald door klanten, had zij moeten uiteenzetten waarom, en op grond waarvan, dat voor deze transacties anders was.
Interpral-Ulysse
4.163. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een factuur en AWB (document Ulysse 1);
- een e-mail van Interpral-Ulysse SAS aan Claims Funding Europe (document Ulysse 2);
- een door Interpral-Ulysse SAS opgesteld Excel-bestand met transactiegegevens (document Ulysse 3);
- een screenshot uit dit Excel-bestand (document Ulysse 4).
4.164. Equilib stelt dat uit document Ulysse 1 volgt dat Interpral-Ulysse SAS met haar een bestand heeft gedeeld met details van door haar afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten voor de jaren 2001-2006. In document Ulysse 4 is een transactie uitgelicht met betrekking tot een vlucht van Cuba naar Parijs met Air France met vermelding van het AWB-nummer en de totale kosten, inclusief toeslagen. Verder is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database. De zoekterm “Interpral Ulysse”, die uitsluitend op deze cedent kan zien, komt veelvuldig voor in zowel het “shipper” veld als het “consignee” veld in de BRG Database.
4.165. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat de AWB en de factuur dateren van na de relevante periode (2012) en dat overigens geen direct bronbewijs is overgelegd. Het overgelegde Excel-bestand en het screenshot alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database zijn onvoldoende. De documenten bevatten bovendien geen chargeable weight en daaruit kan niet worden afgeleid dat de transacties daadwerkelijk door Interpral-Ulysse SAS zijn verricht. Verder volgt uit de overgelegde e-mail slechts dat Interpral-Ulysse SAS een Excel-bestand aan Claims Funding Europe heeft toegezonden.
4.166. De rechtbank is van oordeel dat Interpral-Ulysse SAS moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar een grote hoeveelheid geaggregeerde informatie in het geding gebracht en één concrete transactie ontleend aan die informatie nader omschreven, met vermelding van plaats van vertrek en bestemming van de vlucht, datum, AWB-nummer en kosten, maar zij heeft niet expliciet gesteld dat (en op grond waarvan) moet worden aangenomen dat die luchtvrachtvervoersdienst ook door Interpral-Ulysse SAS is betaald. Gelet op die omissie kunnen aan de betwisting van die stellingen door de luchtvaartmaatschappijen ook geen hoge eisen worden gesteld, zodat de in de aktes van de luchtvaartmaatschappijen vervatte algemene betwisting van (niet zozeer het bestaan van deze vlucht maar) de afname van de betreffende luchtvrachtvervoersdienst door deze achterliggende partij volstaat.
Jabil Circuit
4.167. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- twee overeenkomsten van Jabil Circuit Inc. met freight forwarders en een bijlage (documenten Jabil Circuit 1, 2 en 4);
- e-mails over de overeenkomsten (document Jabil Circuit 3);
- Excel-bestanden met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (documenten Jabil Circuit 5 en 6);
- screenshots van de Excel-bestanden (documenten Jabil Circuit 7 tot en met 21);
- screenshots van de bestanden waaruit de selecties van de transactiegegevens in documenten Jabil Circuit 6 tot en met 21 zijn gemaakt, met uitgelichte transacties van enige achterliggende partijen (producties 9 en 10 bij conclusie van repliek).
4.168. De volgende entiteiten uit deze groep hebben hun (gestelde) vorderingen gecedeerd aan Equilib:
- Jabil Circuit Inc.;
- Celebit Technology Private Limited;
- Jabil Circuit Austria GmbH;
- Jabil Circuit Chihuahua LLC;
- Jabil Circuit de Chihuahua S de RL de CV;
- Jabil Circuit de Mexico S de RL de CV;
- Jabil Circuit de Reynosa S de R.L. de C.V.;
- Jabil Circuit GmbH;
- Jabil Circuit Guadalajare, LLC;
- Jabil Circuit Guangzhou Holding (BVI) Inc;
- Jabil Circuit Holdings Limited;
- Jabil Circuit Hungary Contract Manufacturing Services Ltd;
- Celetronix India Private Limited;
- Jabil Circuit India Private Limited;
- Jabil Circuit Limited;
- Jabil Circuit of Michigan Inc;
- Jabil Circuit Poland sp. Z. o.o.;
- Jabil Circuit Reynosa LLC;
- Jabil Circuit Sdn Bdh;
- Jabil Circuit ILK. Limited;
- Jabil Circuit Ukraine Limited;
- Jabil do Brasil Industria Eletroeletronica Ltda;
- Jabil Global Services Inc.
- Jabil Global Services de Mexico S.A. de C.V.;
- Celetetronix USA Inc.
- Jabil Global Services Limited Ireland;
- Jabil Global Services Poland sp. Z.o.o.;
- Jabil Global Services Inc;
- Jabil Japan Inc;
- Jabil Industrial do Brasil Ltda;
- Jabil Assembly Poland sp.z o.o.;
- Jabil Circuit (Guangzhou) Ltd;
- Jabil Circuit (Shanghai) Co Ltd;
- Jabil Circuit (Singapore) Re Ltd;
- Jabil Circuit (Suzhou) Ltd;
- Jabil Circuit (Wuxi) Co Ltd.
4.169. Equilib stelt dat Jabil Circuit niet rechtstreeks contracteerde met luchtvaarmaatschappijen maar luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen via een tweetal freight forwarders. In de overgelegde overeenkomsten is expliciet opgenomen dat de ‘fuel surcharges’ door de freight forwarders worden doorberekend. Documenten Jabil Circuit 5 en 6 zijn afkomstig van de freight forwarders en bevatten details over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten over de jaren 1999-2006 met vermelding van de totale bedragen. Equilib heeft voor veertien achterliggende partijen voorbeeldtransacties uitgewerkt in de documenten Jabil Circuit 7 tot en met 21. Verder is ten aanzien van negen achterliggende partijen sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.170. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd. Verder heeft Equilib voor twintig achterliggende partijen geen stellingen ingenomen of stukken overgelegd en is voor de overige vijftien alleen een selectie uit de Excel-bestanden in de documenten Jabil Circuit 5 of 6 ingebracht. Dit is echter, evenals een succesvolle koppeling met de BRG Database, onvoldoende. Bovendien blijkt uit de overgelegde overeenkomsten niet dat Jabil Circuit Inc. die mede ten behoeve van de overige achterliggende partijen heeft gesloten. Voorts blijkt uit documenten Jabil Circuit 1 en 4 niet dat ‘fuel surcharges’ zijn doorberekend door de freight forwarders aan de achterliggende partijen.
4.171. De rechtbank is van oordeel dat alle achterliggende partijen uit deze groep moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar een grote hoeveelheid geaggregeerde informatie in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor iedere achterliggende partij van ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door de betreffende achterliggende partij. Zij heeft voor 14 achterliggende partijen verwezen naar screenshots waarin bepaalde selecties van transacties zijn uitgelicht, maar heeft geen van die transacties voldoende concreet beschreven in haar aktes. Het is niet aan de rechtbank om in de betreffende stukken op zoek te gaan naar concrete transacties en de benodigde gegevens bij elkaar te zoeken; Equilib heeft hier niet aan haar wegwijsverplichting voldaan. Dit is temeer een probleem nu geen verificatoire bescheiden (zoals AWB’s en/of facturen) zijn overgelegd met betrekking tot deze transacties, zodat van Equilib mocht worden verwacht dat zij dat gebrek zou compenseren door gedetailleerde stellingen in te nemen en te onderbouwen met voldoende specifieke feitelijke gegevens ten aanzien van zowel het bestaan en de kenmerken van de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten als de gestelde afname daarvan door de betreffende achterliggende partijen (en in dat kader dus ook de betaling dan wel het dragen van de kosten). Ten aanzien van de overige achterliggende partijen heeft Equilib zelfs in het geheel geen nadere (voldoende specifieke) gegevens verstrekt. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen met betrekking tot alle hiervoor genoemde achterliggende partijen niet meer mee mogen doen in het vervolg van deze procedures.
Jules
4.172. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Jules SAS 1);
- een screenshot van het Excel-bestand (document Jules SAS 2).
4.173. Equilib stelt dat Jules SAS in het overgelegde Excel-bestand details van afgenomen luchtvracht heeft verstrekt, en dat dit bestand gedetailleerde informatie bevat als de datum, de vertrekluchthaven, de aankomstluchthaven, het gewicht en de totale kosten. Het overgelegde screenshot omvat een luchtvrachtdienst voor een transport van Turkije naar Frankrijk in november 2005 met Air France en Jules SAS staat daarin als betalende partij genoemd. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.174. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde (screenshot van het) Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn.
4.175. De rechtbank is van oordeel dat Jules SAS moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar allerlei geaggregeerde informatie in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door Jules SAS zelf (en bijvoorbeeld niet een derde, die geen cedent is). Zij heeft (in document Jules SAS 2) een transactie gemarkeerd die volgens haar een door Jules SAS afgenomen luchtvrachtvervoersdienst vertegenwoordigd, maar geeft daarbij te weinig specifieke details (zoals de datum van de vlucht, het gewicht en/of het AWB-nummer). Zij legt ook niet uit op grond waarvan ervan uit moet worden gegaan dat Jules SAS de kosten van deze dienst heeft gedragen. De enkele vermelding van Jules SAS als “nom du payeur” in een door Jules SAS zelf opgesteld overzicht, zonder enige nadere informatie over de achtergrond van die vermelding, volstaat niet als onderbouwing op dit punt.
Kiabi Europe
4.176. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mailcorrespondentie (document Kiabi 1);
- een notitie van de heer [naam 65] (document Kiabi 2);
- een Excel-bestand (document Kiabi 3);
- een factuur voor een vlucht met Lufthansa van Chennai naar Lille (document Kiabi 4).
4.177. Partijen zijn het erover eens dat Kiabi Europe SAS mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Philips groep
4.178. Equilib heeft de volgende (nadere) documenten overgelegd, voor zover van belang:
- een notitie van 9 juli 2015 (document Philips 1);
- vier maandelijkse rapportages per freight forwarder, waarin de prestaties van iedere freight forwarder is afgezet tegen de Key Performance Indicators (KPI’s) (documenten Philips 2, 3, 4 en 5);
- een lijst met namen van de bijbehorende, in 2010 bestaande, juridische entiteiten (document Philips 6);
- een selectie van het Panalpina Airfreight Performance Report over de maand april 2005 voor Philips Lighting B.V., met onder meer een vlucht van Amsterdam naar India (document Philips 7);
- een selectie van het Panalpina Airfreight Performance Report over de maand april 2005 voor Philips Medical Systems Nederland B.V., met onder meer een vlucht van Eindhoven naar India (document Philips 8);
- een selectie van het Panalpina Airfreight Performance Report over de maand april 2005 voor Philips Consumer Lifestyle B.V., met onder meer een vlucht met Singapore Airlines van Eindhoven naar Singapore (document Philips 9);
- twee notariële aktes (documenten Philips 10 en 11);
- een KvK-formulier (document Philips 12);
- een AWB voor een vlucht met Cathay Pacific van Hong Kong naar Brussel en een print van de betreffende transactie voor Philips Innovative Applications N.V. (documenten Philips 13 en 14);
- twee facturen (document Philips 15);
- een selectie van het Panalpina KPI Report over augustus 2005 voor Philips Austria GmbH (document Philips 16);
- een selectie van het Panalpina KPI Report over september 2005 voor Philips Austria GmbH (document Philips 17);
- twee facturen van Expeditors voor Philips Lighting Poland S.A. (document Philips 18);
- een selectie van het Panalpina Airfreight Performance Report KPI april 2005 voor Philips Medizin Systeme Böblingen GmbH (document Philips 19);
- Panalpina April 2005 Air KPI Report voor Philips GmbH, waaronder een voorbeeld transport voor een vlucht met Lufthansa van Duitsland naar Bulgarije (document Philips 20);
- een nadere toelichting en een onderliggend document (documenten Philips 21 en 22);
- een AWB voor een vlucht met Japan Airlines van Japan naar Duitsland voor Philips Medical Systems DMC GmbH (document Philips 23);
- een Menlo Air KPI Report over 2005 voor Philips Technologie GmbH (document Philips 24);
- een AWB voor een vlucht met KLM van Hong Kong naar Budapest voor Philips Kft (document Philips 25);
- een openbare aankondiging en een aandeelhoudersbesluit waarbij de belangrijkste activiteiten van Philips zijn ondergebracht in de entiteit Philips Electronique Grand Publique omgedoopt tot Philips France (documenten Philips 26 en 27);
- statuten in verband met de acquirering door Philips France van de entiteiten ADAC Laboratories, ATL Ultrasound en Philips Medical Systems en de overname activa van ATL Ultrasound (documenten Philips 28 en 29);
- een selectie van het Air KPI Report YTD april 2005 van DHL (document Philips 30);
- een Expeditors KPI Report over April 2005 voor Philips Medical Systems Corporation (document Philips 31);
- een Panalpina Air KPI Report April 2005 voor Philips Eletrõnica da Amazônia Ltda en Philips do Brasil Ltda (document Philips 32);
- een Panalpina Air KPI Report 2005 voor Philips Electronics Singapore Private Limited (document Philips 33);
- een Panalpina April 2005 Air KPI Report voor Philips Electronics Hong Kong Limited (document Philips 34);
- een Panalpina April 2005 Air KPI Report voor Philips Domestic Appliances and Personal care Co of Suzhou Ltd (document Philips 35).
4.179. De volgende entiteiten uit de Philips groep hebben hun (gestelde) vorderingen aan Equilib gecedeerd:
- Philips Innovative Applications N.V.;
- Philips Austria GmbH;
- Philips Lighting Poland S.A.;
- Philips Medical Systems DMC GmbH;
- Philips Industries Hungary Electronical Mechanical Manufacturing and Training Limites Liability Company (“Philips Kft”);
- Philips Lighting B.V.;
- Philips Medical Systems Nederland B.V.;
- Philips Consumer Lifestyle B.V;
- Philips Medizin Systeme Böblingen GmbH;
- Philips GmbH;
- Philips Technologie GmbH;
- Philips Electronique Grand Publique;
- Philips Medical Systems Corporation;
- Philips Eletrõnica da Amazônia Ltda;
- Philips do Brasil Ltda;
- Philips Electronics Singapore Private Limited;
- Philips Electronics Hong Kong Limited;
- Philips Domestic Appliances and Personal Care of Suzhou Ltd.
4.180. Equilib stelt dat zij voor dertien achterliggende partijen Excel-bestanden heeft overgelegd met vlucht-specifieke gegevens, meer specifiek maandelijkse rapportages per freight forwarder, waarin de prestaties van iedere freight forwarder is afgezet tegen de Key Performance Indicators (KPI’s). De KPI-rapportages zijn ten tijde van het kartel opgesteld en bevatten gedetailleerde en (voor monitoringdoeleinden) gecontroleerde gegevens die als zeer betrouwbaar moet worden aangemerkt. Voor Philips Technologie GmbH is in document 24 een luchtvrachtvervoersdienst uitgelicht, die weliswaar aan ‘Philips Automotive Lighting’ in rekening is gebracht maar waarmee blijkens document 6 Philips Technologie GmbH is bedoeld. Document 34 heeft betrekking op Philips Electronics Hong Kong Limited en ziet op een vlucht vanuit Frankfurt, voor welke luchtvrachtvervoersdienst zij blijkens dat document ook heeft betaald. Voor twee achterliggende partijen was Equilib niet in staat een transactie uit de beschikbare informatie te koppelen. Deze achterliggende partijen zijn echter bewust geselecteerd en het is aannemelijk dat zij (althans hun rechtsvoorgangers) ook tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.181. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat ten aanzien van dertien achterliggende partijen geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de (selecties uit de) overgelegde Excel-bestanden alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Uit die bestanden blijkt bovendien dat de kosten van de voor drie achterliggende partijen uitgelichte luchtvrachtvervoersdiensten niet bij hen in rekening zijn gebracht. Verder beschrijft de overgelegde notitie slechts het proces van datavergaring en is de overgelegde lijst ongeautoriseerd en levert die lijst gezien de vage bewoordingen niet het door Equilib gestelde bewijs op.
4.182. Partijen zijn het erover eens dat Philips Innovative Applications N.V., Philips Austria GmbH, Philips Lighting Poland S.A., Philips Medical Systems DMC GmbH en Philips Kft mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode, althans nu de onderbouwing van deze achterliggende partijen in het licht van het door de luchtvaartmaatschappijen gevoerde verweer voldoende is te achten.
4.183. De rechtbank is van oordeel dat de overige 13 achterliggende partijen moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor het toetsingskader is overwogen. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank als volgt. Equilib heeft grote hoeveelheden geaggregeerde informatie overgelegd en voor de meeste van deze achterliggende partijen bovendien een of meer concrete luchtvrachtvervoersdiensten in haar aktes beschreven onder vermelding van gedetailleerde informatie, waaronder (M)AWB-nummers. Echter, zij heeft - in het licht van de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen - haar stellingen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd wat betreft het afnemen (en dus ook dragen van de kosten) van de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten door deze specifieke entiteiten binnen de Philips groep. Het volgende is daartoe van belang.
Equilib heeft met betrekking tot deze achterliggende partijen geen brondocumenten (zoals AWB’s en/of facturen) overgelegd, maar verwijst uitsluitend naar de gegevens in de overgelegde KPI-rapporten en overige door Philips zelf en/of de door haar ingeschakelde freight forwarders opgestelde documenten en overzichten. Uit de combinatie van vermeldingen van de entiteit die als shipper, dan wel consignee, zou zijn opgetreden en vermeldingen wie (shipper of consignee) heeft betaald leidt Equilib af dat de betreffende entiteiten ook de kosten voor de relevante luchtvrachtvervoersdiensten zouden hebben betaald. De luchtvaartmaatschappijen hebben dat (met betrekking tot deze 13 achterliggende partijen) gemotiveerd betwist en er in dat kader onder meer op gewezen dat uit de overgelegde Excel-bestanden en selecties daaruit blijkt dat de voor Philips Technologie GmbH, Philips Eletrônica da Amazônia Ltda en Philips Electronics Hong Kong Limited uitgelichte luchtvrachtvervoersdiensten, anders dan Equilib stelt, niet bij deze achterliggende partijen in rekening zijn gebracht. In reactie daarop heeft Equilib het volgende gesteld. Het klopt dat de uitgelichte luchtvrachtvervoersdienst voor Philips Technologie GmbH volgens het betreffende bestand bij “Philips Automotive Lighting” in rekening is gebracht, maar zoals blijkt uit de als document Philips 6 overgelegde notitie van een betrokken jurist van Philips is met “Philips Automotive Lighting” Philips Technologie GmbH bedoeld. De luchtvaartmaatschappijen hebben gelijk dat de uitgelichte luchtvrachtvervoersdienst voor Philips Eletrônica da Amazônia Ltda (optredend als consignee) is betaald door shipper Philips Industria Activities NV; Equilib heeft bij de selectie een fout gemaakt, maar in hetzelfde document (Philips 32) zijn op pagina 2 reeds meerdere transacties aan te wijzen die aan de receiver in rekening zijn gebracht (Equilib laat echter na een of meer van die transacties te beschrijven in haar akte). De opmerking van de luchtvaartmaatschappijen dat de voor Philips Electronics Hong Kong gemarkeerde luchtvrachtvervoersdienst zou zijn betaald door Philips France is, gelet op de inhoud van document Philips 34, onjuist. Naar het oordeel van de rechtbank levert deze reactie van Equilib geen voldoende weerlegging op van de door de luchtvaartmaatschappijen geconstateerde lacunes in de onderbouwing en is gebleken dat op de juistheid van de stellingen van Equilib ten aanzien van het dragen van de kosten niet zonder meer kan worden vertrouwd. Het feit dat met betrekking tot Philips Electronics Hong Kong kennelijk sprake was van een (lees)fout van de luchtvaartmaatschappijen maakt dit, ook wat betreft die entiteit, niet anders. Ook wat betreft Philips Electronics Hong Kong heeft Equilib in het licht van de betwisting door de luchtvaartmaatschappijen onvoldoende toegelicht op grond waarvan ervan moet worden uitgegaan dat zij voor ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst heeft betaald/de kosten heeft gedragen. de kosten heeft gedragen. Daar komt bij dat Equilib volgens haar eigen stellingen met betrekking tot twee achterliggende partijen helemaal geen luchtvrachtvervoersdiensten uit de beschikbare informatie aan hen heeft kunnen koppelen. Als dat Equilib al niet lukt kan, anders dan Equilib bepleit, er niet op worden vertrouwd dat deze entiteiten (of hun rechtsvoorgangers) wel luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode, uitsluitend omdat “deze cedenten bewust zijn geselecteerd”. Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de onderbouwing door Equilib ten aanzien van de resterende 13 Philips-entiteiten in het licht van de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen onvoldoende is, mede omdat blijkt dat (gelet ook op de twee cedenten die helemaal niet blijken te kunnen worden “gekoppeld” aan concrete luchtvrachtvervoersdiensten) van de juistheid van de opgaves van Philips en haar freight forwarders niet zonder meer kan worden uitgegaan.
4.184. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de volgende achterliggende partijen moeten afvallen voor het vervolg van deze procedures:
- Philips Lighting B.V.;
- Philips Medical Systems Nederland B.V.;
- Philips Consumer Lifestyle B.V;
- Philips Medizin Systeme Böblingen GmbH;
- Philips GmbH;
- Philips Technologie GmbH;
- Philips Electronique Grand Publique;
- Philips Medical Systems Corporation;
- Philips Eletrõnica da Amazônia Ltda;
- Philips do Brasil Ltda;
- Philips Electronics Singapore Private Limited;
- Philips Electronics Hong Kong Limited;
- Philips Domestic Appliances and Personal Care of Suzhou Ltd.
Koppert
4.185. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een door een luchtvrachtagent Copex Air verstrekt Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Koppert 1);
- e-mails (documenten Koppert 2, 3 en 6);
- een door Koppert B.V. opgesteld Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Koppert 4);
- een AWB uit 2015 (document Koppert 5);
- een screenshot van een selectie uit document Koppert 1 (document Koppert 6).
4.186. Equilib stelt dat document 1 gedetailleerde data over in de periode 2000-2006 door Koppert afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten bevat als de datum, de luchtvaartmaatschappij, het AWB-nummer, plaats van vertrek en aankomst en het gewicht. In 2015 heeft Koppert B.V. haar luchtvrachtagent gevraagd ook data voor aanvullende jaren te verstrekken (document 2). De data, inclusief die voor de jaren 2007-2010 heeft Koppert B.V. verwerkt in een Excel-bestand dat begin september 2015 met Equilib is gedeeld. Document 3 betreft de e-mail van Koppert B.V. aan Equilib, waarin wordt bevestigd dat de plaats van vertrek steeds Berkel en Rodenrijs was en Schiphol de vertrekluchthaven. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.187. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat de overgelegde AWB uit 2015 komt en dus buiten de relevante periode valt, dat overigens geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde (screenshot van het) Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder bevat document 2 slechts de aanvraag van data aan Koppert B.V., wordt in document 3 de overgelegde data toegelicht en gaat document 4 slechts over wanneer een uitspraak van de Europese Commissie kan worden verwacht.
4.188. De rechtbank is van oordeel dat Koppert B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Equilib heeft namelijk wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende onderbouwd, en de luchtvaartmaatschappijen hebben die concrete onderbouwing onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zoals hiervoor onder het toetsingskader ook al is overwogen, hoeft Equilib niet voor iedere achterliggende partij direct bronbewijs bestaande uit een air waybill en/of factuur over te leggen. Equilib heeft in haar akte verstrekking gegevens een concrete luchtvrachtdienst omschreven, met vermelding van luchtvaartmaatschappij, plaats van vertrek en eindbestemming, datum en AWB-nummer. Zij heeft (door de luchtvaartmaatschappijen niet specifiek weersproken) gesteld dat op deze transactie de Incoterm CFR (“cost and freight”) van toepassing was en dat dit inhoudt dat de verkoper (Koppert) de kosten en vracht heeft moeten betalen om de goederen naar de bestemming te brengen. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is dat Koppert in een groep is verbonden met andere entiteiten die voor haar de luchtvrachtdienst kunnen hebben afgenomen dan wel de kosten daarvan kunnen hebben betaald. In dit licht is de algemene betwisting van de luchtvaartmaatschappijen, die feitelijk niet meer inhoudt dan dat er geen bronbewijs is overgelegd, niet toereikend.
Kyocera
4.189. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een kopie van de historie uit het Handelsregister van Kyocera Mita Europe B.V. (thans Kyocera Document Solutions Europe B.V. (document Kyocera 1);
- een e-mail (document Kyocera 2);
- een foto van een aantal stapels facturen, gesorteerd per freight forwarder (document Kyocera 3);
- een factuur en een AWB (documenten Kyocera 4 en 5);
- e-mails tussen Kyocera Document Solutions Europe B.V. en Claims Funding Europe
(document Kyocera 6);
- Excel-bestanden met vlucht-specifieke gegevens (documenten Kyocera 7 en 8).
4.190. De volgende entiteiten binnen deze groep hebben hun (gestelde) vorderingen aan Equilib gecedeerd:
- Kyocera Document Solutions Europe B.V.;
- Kyocera Mita France SAS;
- Kyocera Mita Italy S.p.A.;
- Kyocera Mita Belgium N.V.;
- Kyocera Mita Germany GmbH;
- Kyocera Mita UK Ltd;
- Kyocera Mila Austria GmbH;
- Kyocera Mita Spain S.A.;
- Kyocera Mita Portugal LDA;
- Kyocera Mita Finland Oy;
- Kyocera Mita Nederland B.V.;
- Kyocera Mita South Africa (PTY)Ltd.
4.191. Equilib stelt dat de overgelegde foto een aantal stapels facturen betreft die zijn gericht aan Kyocera Document Solutions Europe B.V. De overige achterliggende partijen hebben in veel mindere mate gebruik gemaakt van luchtvervoer. De overgelegde factuur en AWB betreffen een door Kyocera Mita Europe B.V. (de oude statutaire naam van Kyocera Document Solutions Europe B.V.) afgenomen luchtvrachtvervoersdienst. Document Kyocera 7 bevat 223 zendingen van Kyocera Mita France SAS in de periode december 1999 tot maart 2006 en document Kyocera 8 tien zendingen van Kyocera Mita Italy S.p.A. voor de periode april 2003 tot december 2004. Beide overzichten bevatten gedetailleerde informatie. De onderliggende stukken zijn echter niet voorhanden. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.192. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat (met uitzondering van de documenten 4 en 5) geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden alsmede een succesvolle koppeling in de BRG Database onvoldoende zijn. Verder volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat een Excel-bestand is verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd, de litigation funder van Equilib. Bovendien stelt Equilib zelf dat behalve Kyocera Document Solutions Europe B.V. (voorheen Kyocera Mita Europe B.V.) de overige achterliggende partijen in veel mindere mate gebruikmaakten van luchtvervoer en staat in document 6 dat afgezien van Kyocera Document Solutions Europe B.V., Kyocera Mita France SAS en Kyocera Mita Italy S.p.A.: “The other SC didn’t have airfreight directly but only via Kyocera DS Europe or there was not enough airfreight justify the search for data”. Voorts kan uit de overgelegde foto geen informatie worden afgeleid aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de overige achterliggende partijen (behalve Kyocera Document Solutions Europe B.V.) in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen.
4.193. Partijen zijn het erover eens dat Kyocera Document Solutions Europe B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.194. De rechtbank is van oordeel dat de overige achterliggende partijen moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar een grote hoeveelheid geaggregeerde informatie in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door ieder van deze achterliggende partijen zelf (en bijvoorbeeld niet door een groepsmaatschappij of een derde, die geen cedent is). Met betrekking tot de twee luchtvrachtvervoersdiensten die Equilib beschrijft aan de hand van de documenten 7 en 8 (voor respectievelijk Kyocera France en Kyocera Italia) geldt dat zij daarbij met geen woord rept over de gronden waarop die luchtvrachtvervoersdiensten geacht moeten worden te zijn afgenomen (en de kosten gedragen) door de betreffende achterliggende partijen. In dat licht volstaat de algemene betwisting door de luchtvaartmaatschappijen ten aanzien van deze transacties. Wat betreft de overige achterliggende partijen heeft Equilib helemaal geen specifieke gegevens verstrekt en stelt zij zelfs dat ze in de relevante jaren weinig per luchtvracht hebben vervoerd en/of geen onderliggende stukken hebben kunnen traceren, en dat ze ook niet zijn opgenomen in de VOC voor Kyocera zoals gepresenteerd door Brattle. Waarom Equilib haar vorderingen ten aanzien van deze achterliggende partijen dan nog handhaaft is de rechtbank niet duidelijk.
4.195. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de volgende achterliggende partijen moeten afvallen voor het vervolg van deze procedures:
- Kyocera Mita France SAS;
- Kyocera Mita Italy S.p.A.;
- Kyocera Mita Belgium N.V.;
- Kyocera Mita Germany GmbH;
- Kyocera Mita UK Ltd;
- Kyocera Mila Austria GmbH;
- Kyocera Mita Spain S.A.;
- Kyocera Mita Portugal LDA;
- Kyocera Mita Finland Oy;
- Kyocera Mita Nederland B.V.;
- Kyocera Mita South Africa (PTY)Ltd.
Logitech
4.196. Equilib heeft het volgende document overgelegd:
- een factuur met bijbehorende AWB voor een vlucht met Air France van Shanghai naar Parijs (document Logitech 1).
4.197. Partijen zijn het erover eens dat Logitech Europe SA mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Luxottica
4.198. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- facturen (documenten Luxottica 1, 2 en 4);
- een notariële akte van fusie tussen Killer Loop Eyewear SpA en Luxottica Srl (document Luxottica 3);
- twee facturen van freight forwarders (producties 11 en 12 bij repliek inzake een transactie per cedent).
4.199. De volgende entiteiten binnen deze groep hebben hun (gestelde) vorderingen gecedeerd aan Equilib:
- Luxottica S.r.l.;
- Luxottica Distribution Center S.r.l.;
- Oakley Inc.;
- OPSM Group Pty Ltd.;
- Luxottica Group S.A.;
- Luxottica Retail North America Distrubution Inc.;
- Luxottica North America Distribution Inc. en
- Luxottica USA Inc.
4.200. Equilib stelt dat Luxottica haar in 2014 duizenden scans van facturen van freight forwarders uit de kartelperiode (van 2003 tot 2006) ter beschikking heeft gesteld en daarnaast vanuit haar eigen administratie gedetailleerde transactieoverzichten beschikbaar had uit 2001 en 2002 van uitgaven aan luchtvracht. Die gegevens zijn toegevoegd aan het Equilib Transactieoverzicht en aan de hand van die data, aangevuld met schattingen, is een berekening gemaakt van de totale uitgaven aan luchtvracht van Luxottica. De huidige schatting van de VOC ziet op de entiteiten Luxottica Distribution Center Srl, Luxottica Srl en Killer Loop Eyewear Spa en van alle drie die entiteiten wordt een voorbeeld gegeven van een afgenomen luchtvrachtvervoersdienst. Van Oakley Inc. en van OPSM Group Pty Ltd. is geen administratie meer beschikbaar, maar dat gezien de gelijkenissen tussen de productieketen van Oakley Inc. – (sport)brillen, kleding en accessoires – en de andere Luxottica entiteiten dan wel de locaties van de OPSM winkels en de productielocaties van de door haar verkochte goederen is aannemelijk dat zij geraakt zijn door het kartel, aldus steeds Equilib.
4.201. De luchtvaartmaatschappijen zetten hier, met betrekking tot alle achterliggende partijen, behalve de twee in de volgende rechtsoverweging genoemde, tegenover dat geen direct bronbewijs is overgelegd waaruit blijkt dat de betreffende achterliggende partijen ieder ten minste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Voor Killer Loop Eyewear (die geen cedent is en wiens naam voor het eerst opduikt in deze procedure) is wel een factuur overgelegd, maar die ziet op invoerrechten en niet op de luchtvrachtvervoersdienst zelf en gaat slechts vergezeld van een douaneformulier dat geen AWB-nummer bevat en ook overigens niet de minimaal vereiste informatie. Dat Equilib niet meer facturen van freight forwarders overlegt is des te opmerkelijker omdat zij stelt er duizenden te hebben ontvangen van Luxottica, aldus de luchtvaartmaatschappijen.
4.202. Partijen zijn het erover eens dat Luxottica S.r.l. en Luxottica Distribution Center S.r.l. mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.203. Met de luchtvaartmaatschappijen is de rechtbank is van oordeel dat Oakley Inc., OPSM Group Pty Ltd., Luxottica Group S.A., Luxottica Retail North America Distrubution Inc., Luxottica North America Distribution Inc. en Luxottica USA Inc. moeten afvallen, omdat een algemene beschrijving van de activiteiten en/of de locaties van de winkels van deze entiteiten niet volstaat en onweersproken geen specifieke stellingen ten aanzien van hen zijn ingenomen of stukken zijn overgelegd.
Mavuno Group
4.204. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een krantenartikel (document Mavuno Group 1);
- e-mails tussen de Mavuno Group en Claims Funding Europe (documenten Mavuno Group 2 en 3);
- een maandoverzicht van vervoerde luchtvracht uit januari 2004 (document Mavuno Group 4);
- een maandoverzicht van luchtvracht uit maart 2004 (document Mavuno Group 5);
- een Excel-bestand met gegevens over vluchten vanuit Nairobi naar Amsterdam en Londen (document Mavuno Group 6);
- screenshots uit bovengenoemd Excel-bestand (documenten Mavuno Group 7 en 8).
4.205. De volgende entiteiten binnen deze groep hebben hun (gestelde) vorderingen aan Equilib gecedeerd:
- Oserian Development Company Ltd;
- Bloom B.V.;
- World Flowers Ltd;
- Fast Track Flowers Ltd;
- World Flowers LLC.
4.206. Equilib stelt dat de activiteiten van de Mavuno Groep zowel het kweken van bloemen in Kenia als de logistiek en de verhandeling van deze bloemen in Nederland en het Verenigd Koninkrijk omvatten. Dat de groep luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode kan in rechte worden vastgesteld gezien de noodzaak van gebruik van dit type transport voor het verhandelde product. De directe afnemer was (destijds) dochtermaatschappij Airflo. De kosten heeft Airflo doorberekend aan Bloom B.V. en aan Fast Track Flowers Ltd en World Flowers Ltd, andere entiteiten binnen de groep. Dit blijkt uit de overgelegde e-mails uit 2013 met betrekking tot het inzichtelijk krijgen van details van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten in de jaren 1999-2006. Hardcopy AWB’s waren niet meer aanwezig. Documenten Mavuno Group 4 en 5 zijn interne overzichten uit januari en maart 2004, waarin staat hoeveel vrachten, dozen en kilogrammen per luchtvaartmaatschappij zijn vervoerd. Aan de hand van die overzichten en de administratie van Airflo is een Excel-bestand opgesteld met zoveel mogelijk details. Documenten Mavuno Groep 7 en 8 bevatten databestanden met details van facturen uit 2006 en 2007 voor vluchten met Martinair van Kenia naar Amsterdam respectievelijk Londen, zonder AWB-nummers maar wel met vluchtnummers en datum. Verder is in de BRG Database ten onrechte alleen gezocht op de term ‘Mavuno’.
4.207. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde (screenshot van het) Excel-bestand onvoldoende is. Verder is niet relevant op welke term in de BRG Database is gezocht, omdat ook een succesvolle koppeling onvoldoende is. Daarbij ontbreken in het Excel-bestand MAWB-nummers en volgt daaruit niet – en evenmin uit de overgelegde e-mails – welke achterliggende partij de luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Bovendien valt uit de overgelegde overzichten niet af te leiden wie de kosten van die diensten heeft betaald.
4.208. De rechtbank is van oordeel dat Oserian Development Company Ltd, Bloom B.V., World Flowers Ltd, Fast Track Flowers Ltd en World Flowers LLC moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar een hoeveelheid geaggregeerde informatie – die kennelijk is gebaseerd op de eigen administratie van de Mavuno Group – in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door ieder van de relevante entiteiten zelf (en bijvoorbeeld niet een derde, die geen cedent is). De stelling dat Mavuno Group (als geheel) gelet op de aard, locatie en omvang van haar activiteiten, noodzakelijkerwijs een grote afnemer van luchtvrachtvervoersdiensten moet zijn geweest in de relevante periode is daarvoor geen substituut, niet alleen omdat dit voorbijgaat aan de opdracht tot nadere onderbouwing maar ook omdat uit het feit dat de producten van een onderneming via luchtvracht worden vervoerd niet noodzakelijkerwijs volgt dat die onderneming zelf de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen en betaald. Dit geldt temeer waar, zoals in dit geval, binnen de groep kennelijke meerdere entiteiten bij de verzending en ontvangst van producten zijn betrokken en er dus alleen al binnen de groep meerdere potentiële afnemers van luchtvrachtvervoersdiensten zijn, de eventuele rol van distributeurs en klanten nog daargelaten. In deze omstandigheden kon Equilib in het kader van haar onderbouwingsverplichting niet volstaan met de door haar ingenomen algemene stellingen, en in het licht van die stellingen kan van de luchtvaartmaatschappijen geen specifiekere betwisting orden verwacht dan zij hebben aangevoerd.
Maxi Fleurs
4.209. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (document Maxi Fleurs 1);
- een Excel-bestand met vlucht-specifieke gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Maxi Fleurs 2).
4.210. Equilib stelt dat Maxi Fleurs Rungis SA blijkens de overgelegde e-mails een bestand met haar heeft gedeeld met details van luchtvrachttransacties uit Quito voor de jaren 2000-2006 voor een totaalbedrag van ruim USD 5 miljoen. In dat bestand is de in Panama gevestigde importeur Surexcon SA als betalende partij vermeld. Gezien de uitoefening van het bedrijf van Maxi Fleurs Rungis SA ligt het voor de hand dat zij voor deze transacties heeft betaald omdat het gaat om luchtvrachttransacties van bloemen uit Ecuador naar Frankrijk. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.211. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Bovendien vermeldt dat Excel-bestand Surexcon S.A. en niet
Maxi Fleurs Rungis SA als betalende partij en bevat het geen MAWB-nummers of informatie over de aankomstluchthavens. Verder volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat een Excel-bestand is verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd, de litigation funder van Equilib.
4.212. De rechtbank is van oordeel dat Maxi Fleurs Rungis SA moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar informatie in de vorm van een overzicht van beweerdelijk afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door Maxi Fleurs Rungis SA zelf (en bijvoorbeeld niet een derde, die geen cedent is). Bovendien heeft zij de stelling van de luchtvaartmaatschappijen dat uitgaande van het overzicht de (gestelde) luchtvrachtvervoersdiensten zouden zijn betaald door Surexcon S.A. niet gemotiveerd weersproken.
Medtronic
4.213. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een verzamelfactuur (document Medtronic 1);
- een factuur met AWB voor een vlucht met KLM van Los Angeles naar Amsterdam (document Medtronic 2).
4.214. Partijen zijn het erover eens dat Medtronic B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Mephisto
4.215. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (document Mephisto 1);
- een Excel-bestand met gegevens over volgens Equilib door Mephisto S.A. afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Mephisto 2);
- een screenshot van dat Excel-bestand (document Mephisto 3).
4.216. Equilib stelt dat Mephisto S.A. blijkens de overgelegde e-mails een bestand met luchtvrachtvervoersdiensten voor de periode 1999-2006 met haar heeft gedeeld waarin zij handmatig alle details van beschikbare facturen heeft vastgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand details bevat van in die periode door haar afgenomen transacties, waarbij gegevens van de beschikbare facturen zijn opgenomen. Verder bevat het overgelegde screenshot een specifieke luchtvrachtvervoersdienst. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.217. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde (screenshot van het) Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat een Excel-bestand is verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd, de litigation funder van Equilib.
4.218. De rechtbank is van oordeel dat Mephisto S.A. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar informatie in de vorm van een door de achterliggende partij zelf opgesteld overzicht in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door Mephisto S.A. zelf (en bijvoorbeeld niet een derde, die geen cedent is). Voor de aan de hand van document Mephisto 3 beschreven luchtvrachtvervoersdienst zijn weliswaar een aantal gegevens vermeld, zoals datum van het transport, (globale) plaats van vertrek en bestemming, AWB-nummer en luchtvaartmaatschappij, maar uit niets blijkt dat deze luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen door Mephisto.
Merck Sharpe & Dohme
4.219. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- KvK-uittreksels in verband met fusies binnen de Merck Sharpe & Dohme groep (documenten MSD 1 en 2);
- e-mails (document MSD 3);
- drie door freight forwarders verstrekte Excel-bestanden met gegevens over, volgens Equilib, door respectievelijk de achterliggende partijen Organon en Diosynth, Sentipharm en Intervet afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (documenten MSD 4, 5 en 6);
- drie screenshots van die Excel-bestanden (documenten MSD 7, 8 en 9).
4.220. De volgende entiteiten binnen deze groep hebben hun (gestelde) vorderingen aan Equilib gecedeerd:
- Merck Sharpe & Dohme B.V. (hierna ook: MSD B.V.)
- Intervet International B.V. (hierna ook: Intervet)
- Sentipharm A.G. (hierna ook: Sentipharm).
4.221. Equilib stelt dat zij details van luchtvrachtvervoersdiensten, zoals vermeld in de overgelegde Excel-bestanden, heeft verkregen van freight forwarders. Het gaat daarbij om luchtvrachtvervoersdiensten in de periode december 1999-februari 2006. In de Excel-bestanden staat vermeld welke entiteit voor een specifieke vlucht heeft betaald. Equilib heeft verder verwezen naar de overgelegde screenshots voor specifieke vluchten voor de verschillende achterliggende partijen en heeft daarbij een toelichting gegeven. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database. Zij stelt verder dat de rechtspersonen N.V. Organon en Diosynth B.V., die luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode, via een serie van juridische fusies zijn opgegaan in MSD B.V. Intervet en Sentipharm zijn dochterondernemingen van MSD B.V.
4.222. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde (screenshots van de) Excel-bestanden alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat Excel-bestanden zijn verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd, de litigation funder van Equilib.
4.223. De rechtbank is van oordeel dat de achterliggende partijen MSD B.V., Intervet en Sentipharm mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Equilib heeft wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment namelijk voldoende onderbouwd, en de luchtvaartmaatschappijen hebben die concrete onderbouwing onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zoals hiervoor onder het toetsingskader ook al is overwogen, hoeft Equilib niet voor iedere achterliggende partij direct bronbewijs bestaande uit een air waybill en/of factuur over te leggen, mits zij die omissie compenseert door haar stellingen op een andere wijze te onderbouwen. Wat zij wel gedaan heeft is voor elk van deze drie partijen, aan de hand van de gegevens uit de overzichten van de freight forwarders, een concrete luchtvrachtvervoersdienst beschrijven met vermelding van luchtvaartmaatschappij, AWB-nummer, plaatsen van vertrek en bestemming en de datum waarop de vlucht is uitgevoerd. Daarbij heeft zij per achterliggende partij ook uitgelegd uit welke gegevens volgens haar blijkt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdienst voor rekening van de betreffende achterliggende partij is uitgevoerd. Wat betreft MSD B.V. gaat het om een vlucht waarvan de kosten zijn betaald door N.V. Organon dat, zoals door de luchtvaartmaatschappijen niet is betwist, na een serie juridische fusies, in 2013 is opgegaan in (de cedent) MSD B.V. De luchtvaartmaatschappijen konden gelet op deze door Equilib gegeven toelichting niet volstaan met hun algemene betwisting, zodat Equilib voor dit moment voldoende heeft onderbouwd dat elk van de drie genoemde achterliggende partijen in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
Miss Fish
4.224. Equilib heeft het volgende document overgelegd:
- een factuur met bijbehorende AWB voor een vlucht met Air France van Rio de Janeiro naar Parijs (document Miss Fish 1).
4.225. Partijen zijn het erover eens dat Miss Fish SARL mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Mitsubishi
4.226. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (document Mitsubishi 1);
- een Excel-bestand met gegevens over volgens Equilib afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Mitsubishi 2);
- een screenshot van het ERP-systeem van een freight forwarder (document Mitsubishi 3).
4.227. Equilib stelt dat zij blijkens de overgelegde e-mails data vanaf december 1999 van een freight forwarder heeft verkregen. Het aan de hand van deze gegevens in september 2012 aangeleverde Excel-bestand beslaat de periode december 1999-februari 2006, en daarin zijn zendingen opgenomen met gedetailleerde informatie als de datum, het (M)AWB-nummer, de luchtvaartmaatschappij, de vertrekluchthaven, de aankomstluchthaven, het aantal stuks, het gewicht en de totale kosten. Het screenshot bevat gegevens van een specifieke, door Mitsubishi Motors Europe B.V. (hierna ook: Mitsubishi) afgenomen en betaalde luchtvrachtvervoersdienst, waarbij een toelichting wordt gegeven. Verder is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.228. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd
en dat het overgelegde Excel-bestand en het screenshot alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Uit het overgelegde screenshot blijkt dat bij de door Equilib beschreven specifieke transactie Mitsubishi is aangemerkt als “consignee” (ontvanger) van de beweerdelijke luchtvrachtvervoersdienst. Het is daarmee geenszins zeker dat Mitsubishi deze luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Bovendien komt deze luchtvrachtvervoersdienst voor in het door de luchtvaartmaatschappijen bij hun akte van 16 december 2020 gedeelde document genaamd “Unverifiable and Unmatched Records”. De luchtvaartmaatschappijen kunnen het bestaan van deze luchtvrachtvervoersdienst dus niet zelf verifiëren.
4.229. De rechtbank is van oordeel dat Mitsubishi Motors Europe B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Equilib heeft wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende onderbouwd, en de luchtvaartmaatschappijen hebben die concrete onderbouwing onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zoals hiervoor onder het toetsingskader ook al is overwogen, hoeft Equilib niet voor iedere achterliggende partij direct bronbewijs bestaande uit een air waybill en/of factuur over te leggen. Zij kan die omissie compenseren door haar vordering op een andere manier te onderbouwen. Equilib heeft in haar akte verstrekking gegevens, aan de hand van gegevens ontvangen van de door Mitsubishi voor alle “westbound” vracht ingeschakelde freight forwarder Hankyu-Hanshin Express, een concrete luchtvrachtvervoersdienst beschreven. Daarbij heeft zij gegevens verstrekt waaronder het AWB-nummer, chargeable weight, luchtvaartmaatschappij en aankomst- en vertrekluchthaven. Ook heeft zij gesteld dat de dienst aan Mitsubishi is gefactureerd voor een bedrag van € 3.299,83 inclusief brandstoftoeslag. Dit laatste is door de luchtvaartmaatschappijen niet (voldoende gemotiveerd) betwist; de enkele opmerking dat het feit dat Mitsubishi de consignee was niet betekent dat zij de dienst ook heeft afgenomen volstaat daartoe niet in het licht van de gedetailleerde stellingen van Equilib. Equilib heeft dus voor dit moment haar stelling dat Mitsubishi tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode voldoende onderbouwd.
Motorola
4.230. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (document Motorola 1);
- een pdf-bestand met documenten inzake de fusie tussen Motorola Electronic GmbH en Motorola GmbH (document Motorola 2);
- een pdf-bestand aandeelhoudersinformatie van Motorola Mobile Devices Germany GmbH (document Motorola 3);
- een pdf-bestand met informatie over de naamswijziging van Motorola Mobile Devices Germany GmbH in Motorola Mobility Germany GmbH (document Motorola 4);
- een pdf-bestand met documenten over een activa-passivatransactie tussen Motorola GmbH en Motorola Mobility Germany GmbH (document Motorola 5);
- Excel-bestanden met overzichten van volgens Equilib door Motorola-entiteiten afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (documenten Motorola 6 en 7);
- een AWB (document Motorola 8).
4.231. De volgende entiteiten binnen deze groep hebben hun (gestelde) vorderingen aan Equilib gecedeerd:
- Motorola Mobility UK Limited
- Motorola Mobility Germany GmbH.
4.232. Partijen zijn het erover eens dat Motorola Mobility Germany GmbH mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.233. Met betrekking tot Motorola Mobility UK Limited (hierna ook: Motorola UK) is de rechtbank met de luchtvaartmaatschappijen van oordeel dat deze entiteit moet afvallen, omdat Equilib zelf stelt dat de vordering van de Motorola groep slechts ziet op luchtvrachtvervoersdiensten die zijn afgenomen door Motorola Mobility Germany GmbH.
NEC Display Solutions
4.234. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Excel-bestand met gegevens over volgens Equilib door NEC Display Solutions Europe GmbH (hierna ook: NEC) afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document NEC Display Solutions 1);
- een screenshot van het Excel-bestand (document NEC Display Solutions 2).
4.235. Equilib stelt dat in document 1 handmatig beschikbare details van door NEC afgenomen luchtvrachtdiensten zijn vastgelegd. Het overgelegde screenshot bevat onder meer een luchtvrachtvervoersdienst met KLM voor een transport van Hong Kong naar Maastricht op 2 februari 2004 onder vermelding van het AWB-nummer. Uit de eerste kolom volgt dat NEC Display Solutions Europe GmbH de “paying party” was. Verder is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.236. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand en het screenshot alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn.
4.237. De rechtbank is van oordeel dat NEC Display Solutions Europe GmbH mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd. Zij heeft immers met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. Met betrekking tot het door haar gespecificeerde transport van Hong Kong naar Maastricht heeft zij naar het oordeel van de rechtbank voldoende relevante details verstrekt. Ook heeft zij gesteld dat NEC Display Solutions Europe GmbH als “paying party” is genoteerd en dat is door de luchtvaartmaatschappijen niet voldoende gemotiveerd betwist. Hun verweer ziet vooral op het ontbreken van bronbewijs, maar zoals onder het algemene toetsingskader al is overwogen is dat niet in alle gevallen vereist in het kader van deze opgedragen onderbouwingspoging.
Nikon
4.238. Equilib heeft het volgende document overgelegd:
- een (H)AWB voor een vlucht met KLM van Bangkok naar Amsterdam (document Nikon 1).
4.239. Partijen zijn het erover eens dat Nikon Europe B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Nokia
4.240. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een overzicht met kerngetallen over Nokia Corporation (hierna ook: Nokia) (document Nokia 1);
- e-mails tussen Nokia en FRA (document Nokia 2);
- e-mails van freight forwarders (documenten Nokia 3 tot en met 6);
- e-mailcorrespondentie tussen Nokia en Panalpina met als bijlage enkele overzichten (document Nokia 7);
- een overzicht met geaggregeerde gegevens (document Nokia 8);
- een screenshot van een Excel-bestand met gegevens over volgens Equilib door Nokia via freight forwarders afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Nokia 9).
4.241. Equilib stelt dat uit de overgelegde e-mails blijkt dat zij aan haar freight forwarders om informatie heeft verzocht, maar dat zij aangaven niet te kunnen of te willen meewerken. Document 6 bevat een overzicht van de totale bedragen per jaar die de freight forwarder Waco aan Nokia in rekening heeft gebracht. Verder bevatten documenten 7 en 8 weinig details. Document 9 bevat een screenshot van data uit de interne administratie met details over de jaren 2008-2010, waaruit blijkt dat de freight forwarders hoofdzakelijk vanuit locaties in Finland diensten aan Nokia Corporation hebben geleverd. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.242. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde overzicht en het Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder bevat het Excel-bestand geen MAWB-nummers en heeft Equilib bovendien in haar akte van 15 september 2021 geschreven: “Ondanks de vele inspanningen heeft Nokia, met behulp van Equilib en FRA, geen details van afgenomen luchtvracht kunnen achterhalen”. Bovendien kan uit de overgelegde e-mails niet worden afgeleid dat Nokia Corporation luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen.
4.243. De rechtbank is van oordeel dat Nokia Corporation moet afvallen in het vervolg van deze procedures omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar allerlei geaggregeerde informatie in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door Nokia, en dus niet door derden (zoals de afnemers van Nokia) die geen cedent zijn. Equilib heeft in haar akte verstrekking gegevens gesteld dat Nokia grote hoeveelheden producten (mobiele telefoons) per luchtvracht liet vervoeren, zelfs zodanig veel dat bepaalde freight forwarders speciaal voor (fabrieken van) Nokia bepaalde vrachtroutes hebben opgezet. Ook stelt zij dat uit een studie van een studie van een student aan de MIT Sloan School of Management zou blijken dat “Nokia has traditionally relied on air freight as the primary means of transporting goods from factories to customers (…) Nokia pays for the cost of transporting finished goods from its factories to consumer destinations”. Deze stellingen zijn echter te algemeen in het licht van de opdracht van de rechtbank en de betwisting door de luchtvaartmaatschappijen. De rechtbank begrijpt ook niet waarom het niet mogelijk was om met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst een nadere toelichting en concrete, verifieerbare gegevens te verstrekken. De gegevens in de overgelegde Excel-bestanden moeten toch ergens vandaan komen? Equilib heeft in dit verband ook niet aan haar wegwijsverplichting voldaan.
Novartis
4.244. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een overzicht opgesteld door FRA met datavergaring (document Novartis 1);
- e-mails met bijlagen van Novartis-entiteiten aan Equilib (documenten Novartis 2en 3);
- diverse facturen gericht aan verschillende Novartis-entiteiten en een aantal AWB’s (documenten Novartis 4 t/m 7);
- een Excel-bestand met gegevens van luchtvrachtvervoersdiensten die door Sandoz Ilac Sanayi ve Ticaret A.S. zouden zijn afgenomen (document Novartis 8);
- een Excel-bestand met gegevens van luchtvrachtvervoersdiensten die door CIBA Vision AG zouden zijn afgenomen (document Novartis 9);
- een e-mail en een Excel-bestand betreffende gegevens van Vaccins & Diagnostics S.r.l.(documenten Novartis 10 en 11)
- een Excel-bestand met gegevens van luchtvrachtvervoersdiensten die door Vaccines & Diagnostics Germany zouden zijn afgenomen (document Novartis 12);
- een e-mail met als bijlage een Excel-bestand betreffende Novartis Diagnostics (UK) Ltd (productie 13 bij conclusie van repliek).
4.245. De volgende entiteiten binnen deze groep hebben hun (gestelde) vorderingen aan Equilib gecedeerd:
- Novartis International AG
- Novartis Pharma AG
- Novartis Pharma Services AG
- Sandoz GmbH
- Sandoz Ilac Sanayi ve Ticaret A.S.
- Novartis Consumer Health SA
- CIBA Vision AG
- Vaccines & Diagnostics S.r.l.
- Vaccines & Diagnostics Germany
- Novartis Vaccines & Diagnostics Ltd.
4.246. Partijen zijn het erover eens dat Novartis Pharma AG, Sandoz GmbH, Novartis Pharma Services AG en Novartis Consumer Health SA mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor ieder van hen met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.247. Met betrekking tot de overige achterliggende partijen uit de Novartis-groep is het volgende van belang.
4.248. Equilib stelt dat uit document 8 onder meer volgt dat Sandoz Ilac Sanayi ve Ticaret AS betaald heeft voor vluchten met onder meer Lufhansa in 2003. Document 9 ziet op door Ciba Vision AG verstrekte informatie over 2005 en 2006 uit haar eigen systemen, die de naam van de freight forwarder, de origin en de destination, het chargeable weight, de totale kosten, het MAWB-nummer, de naam van de luchtvaartmaatschappij en het jaartal bevat. Verder is op basis van de documenten 10, 11 en 12 (afkomstig uit eigen SAP systemen) aannemelijk dat Novartis Vaccines & Diagnostics s.r.l. (voor circa € 2,4 miljoen) en Novartis Vaccines & Diagnostics Germany luchtvrachtdiensten hebben afgenomen. Voor Novartis Vaccines & Diagnostics (UK) Ltd verwijst Equilib naar productie 13. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.249. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat met betrekking tot Novartis International AG, Sandoz Ilac Sanayi ve Ticaret A.S., CIBA Vision AG, Vaccines & Diagnostics S.r.l., Vaccines & Diagnostics Germany en Novartis Vaccines & Diagnostics Ltd geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. De documenten 11 en 12 bevatten bovendien geen AWB-nummers en voor Novartis International AG zijn in het geheel geen data overgelegd.
4.250. De rechtbank is van oordeel dat Novartis International AG, Sandoz Ilac Sanayi ve Ticaret A.S., CIBA Vision AG, Novartis Vaccines & Diagnostics Ltd., Novartis Vaccines & Diagnostics s.r.l. en Novartis Vaccines & Diagnostics Germany moeten afvallen voor het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft met betrekking tot deze achterliggende partijen (behalve Novartis International AG) weliswaar algemene en geaggregeerde informatie in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door de betreffende rechtspersonen zelf.
Novozymes
4.251. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (document Novozymes 1);
- een Excel-bestand met gegevens over volgens Equilib door Novozymes A/S afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Novozymes 2);
- een screenshot van een aantal geselecteerde afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten uit het Excel-bestand (document Novozymes 3).
4.252. De volgende entiteiten uit deze groep hebben hun (gestelde) vorderingen aan Equilib gecedeerd:
- Novozymes A/S
- Novozymes North America Inc.
4.253. Equilib stelt dat Novozymes aan de hand van haar eigen administratie data van 2001-2006 heeft verwerkt in een transactieoverzicht. De data in het overgelegde Excel-bestand bevat onder meer de betalende partij (Novozymes A/S), het AWB-nummer, het land van vertrek en aankomst alsmede belast gewicht. Het overgelegde screenshot bevat onder meer een luchtvrachtvervoersdienst voor een transport van Denemarken naar de Verenigde Staten in december 2005 onder vermelding van het AWB-nummer. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.254. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde screenshot en het Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling in de BRG Database onvoldoende zijn. Verder zijn het Excel-bestand en het screenshot specifiek voor deze procedures opgesteld door de achterliggende partijen zelf en blijkt nergens uit dat de gegevens afkomstig zijn uit bijvoorbeeld de administratie van een freight forwarder. Bovendien blijkt uit document Novozymes 1 slechts dat een ‘data request template’ is aangeleverd bij Claims Funding International. Voorts heeft Equilib ten aanzien van Novozymes North America Inc. geen concrete stellingen ingenomen of stukken overgelegd.
4.255. De rechtbank is van oordeel dat Novozymes A/S en Novozymes North America Inc. moeten afvallen in het vervolg van deze procedures omdat Equilib omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Met betrekking tot Novozymes North America heeft Equilib in het kader van haar nadere onderbouwingspoging helemaal geen concrete stellingen ingenomen en geen gegevens overgelegd. Met betrekking tot Novozymes A/S heeft Equilib weliswaar geaggregeerde informatie in het geding gebracht en met betrekking tot één concrete transactie enige gegevens verschaft, maar zij heeft daarbij niet uitgelegd op grond waarvan (bij gebreke van een factuur of andere stukken of informatie inzake betaling) moet worden aangenomen dat Novozymes zelf de kosten voor deze luchtvrachtvervoersdienst heeft betaald en dus de afnemer is (en bijvoorbeeld niet een derde, die geen cedent is).
NV Bekaert
4.256. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (document Bekaert 1);
- een brief van een freight forwarder (document Bekaert 2);
- acht Excel-bestanden met door freight forwarders verstrekte gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (documenten Bekaert 3, 4, 6, 7, 8, 10 en 11);
- een e-mail (document Bekaert 5);
- onderliggende documentatie met betrekking tot intra-groep cessies (productie 14 bij conclusie van repliek).
4.257. Equilib stelt onder verwijzing naar productie 14 bij conclusie van repliek dat N.V. Bekaert SA en (indirect) haar dochtermaatschappijen Bekaert Combustion Technology B.V., Bekintex N.V., Bekaert Advanced Coatings N.V. en Bekaert Advanced Filtration SA hun vorderingen aan haar hebben gecedeerd.
Uit de overgelegde documenten 1 tot en met 4 blijkt dat alle cedenten, en in het bijzonder Bekaert Combustion Technology B.V. als ‘customer’ zijn vermeld op het tabblad, dat van de daarin opgenomen outbound transacties. 2407 van de 2494 regels zien op een vlucht met vertrek vanuit België of Nederland en dat er is gevlogen met verschillende luchtvaartmaatschappijen waaronder KLM. Onder meer het bestand ‘Statistics Harthrodt’ in document 6 bevat details van luchtvrachtvervoersdiensten geleverd aan NV Bekaert SA, waaronder details van een vlucht met Cargolux van Brussel via Luxemburg naar Hong Kong, onder vermelding van het AWB-nummer.
4.258. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden onvoldoende zijn. Bovendien wordt in de documenten 3 en 4 niet vermeld welke entiteit luchtvrachttransacties zou hebben afgenomen en/of betaald. Verder staat in het door Equilib overgelegde ‘Overzicht benadeelden en cessiedocumentatie’ (productie 3 bij akte overlegging gegevens en vermeerdering eis zijdens Equilib van 9 november 2016), welk overzicht door de rechtbank in het vonnis van 13 september 2017 over de geldigheid van de cessies als leidend is aangemerkt, alleen NV Bekaert SA als achterliggende partij vermeld. De destijds overgelegde cessiedocumentatie bevat ook geen enkele indicatie dat bij NV Bekaert SA sprake zou zijn van interne cessies. Zoals ook uit het proces-verbaal van de regiezitting van 22 juni 2016 volgt kon Equilib uiterlijk op 12 oktober 2016 via een eiswijziging alsnog vorderingen van nieuwe partijen in de procedures betrekken. Met het indienen van onderliggende documentatie over de interne cessies en het opvoeren van de vorderingen van de andere groepsmaatschappijen dan N.V. Bekaert SA is zij dus veel te laat. Dit is in strijd met de goede procesorde. De overige achterliggende partijen doen dus niet mee in deze procedures.
4.259. De rechtbank stelt voorop dat in de destijds overgelegde cessiedocumentatie alleen NV Bekaert SA als achterliggende partij staat vermeld en dat Equilib heeft nagelaten de vorderingen van de overige achterliggende partijen tijdig in deze procedures te betrekken door middel van een eiswijziging uiterlijk op 12 oktober 2016. Dit brengt mee dat alleen de eigen (dus niet uit de gestelde intra-groep cessies verkregen) vorderingen van NV Bekaert SA tot op heden nog meedoen in de procedure. N.V. Bekaert SA moet naar het oordeel van de rechtbank bovendien afvallen voor het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar allerlei geaggregeerde informatie – die kennelijk is gebaseerd op de eigen administratie van NV Bekaert SA en van haar freight forwarder KN – in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die in de betreffende periode is afgenomen door N.V. Bekaert SA zelf (en bijvoorbeeld niet een derde, die geen cedent is). Dat die entiteit zou voorkomen op het tabblad “customer” van een door KN opgesteld Excel-overzicht is daartoe, in het licht van de betwisting door de luchtvaartmaatschappijen, niet voldoende. De slotsom is dat de vorderingen van N.V. Bekaert SA en haar dochtermaatschappijen Bekaert Combustion Technology B.V., Bekintex N.V., Bekaert Advanced Coatings N.V. en Bekaert Advanced Filtration SA (om verschillende redenen) afvallen respectievelijk niet worden toegelaten voor het vervolg van deze procedure.
Oasis Fresh Produce
4.260. Equilib handhaaft de vordering van Oasis Fresh Produce niet langer.
Océ Technologies
4.261. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een KvK-uittreksel van de Océ Technologies groep (document Océ Technologies 1);
- e-mails waarin met betrekking tot een inschatting van de totale uitgaven aan relevante luchtvrachtvervoersdiensten en de beschikbare data(document Océ Technologies 2);
- twee Excel-bestanden met gegevens over volgens Equilib door Océ Technologies B.V. (2000-2004) en Océ Printing Systems GmbH (2000-2006) afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (documenten Océ Technologies 3 en 4) en pdf-bestanden met selecties van gegevens daaruit (documenten Océ Technologies 5 en 6).
4.262. De volgende entiteiten binnen deze groep hebben hun (gestelde) vorderingen aan Equilib gecedeerd:
- Océ-Technologies B.V.
- Océ-Deutschland GmbH
- Océ Printing Systems GmbH.
4.263. Equilib stelt dat de overgelegde e-mails uit 2013 een inschatting van de totale uitgaven aan relevante luchtvrachtvervoersdiensten en de beschikbare data bevatten. De door Océ ter beschikking gestelde Excel-bestanden zijn verwerkt in transactieoverzichten waarin details zijn vastgelegd van facturen voor zendingen, waaronder de datum, het AWB-nummer, de luchtvaartmaatschappij, de vertrekluchthaven, de aankomstluchthaven en de totale kosten. Verder is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database. Twee voorbeeldtransacties worden aan de hand van de documenten 5 en 6 nader toegelicht.
4.264. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde (pdf-bestanden met gegevens uit de) Excel-bestanden alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Ten aanzien van Océ-Deutschland GmbH zijn bovendien geen nadere specifieke stellingen ingenomen of stukken overgelegd. Verder volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat Excel-bestanden zijn verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd, de litigation funder van Equilib.
4.265. De rechtbank is van oordeel dat Océ Deutschland GmbH, Océ Technologies B.V. en Océ Printing Systems GmbH moeten afvallen in het vervolg van deze procedures omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar allerlei geaggregeerde informatie – die kennelijk is gebaseerd op de eigen administratie van de Océ-groep – in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door de betreffende achterliggende partij. Wat betreft Océ-Deutschland GmbH zijn helemaal geen nadere documenten of concrete informatie in het geding gebracht. Wat betreft Océ-Technologies B.V. en Océ Printing Systems geldt dat Equilib weliswaar voor beide een concrete luchtvrachtvervoersdienst als voorbeeld heeft beschreven en daarbij een aantal gegevens heeft genoemd, maar zij stelt niet eens met zoveel woorden dat de kosten van die diensten door de betreffende entiteiten zijn betaald of gedragen, laat staan dat zij (bij gebreke van facturen en betaalbewijzen) toelicht op grond waarvan daarvan zou moeten worden uitgegaan.
Omron
4.266. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- twee Excel-bestanden met gegevens over volgens Equilib in 2004 en 2005 door Omron Europe B.V. (hierna ook: Omron) afgenomen luchtvrachtdiensten (documenten Omron 1 en 2);
- een verklaring van de directeur van Omron Europe B.V. (document Omron 3).
4.267. Equilib stelt dat de overgelegde Excel-bestanden zien op de periode mei 2004 –
eind 2005 en dat daaruit blijkt van totale kosten voor luchtvrachtvervoersdiensten van € 1,8 miljoen. Uit de overzichten blijkt dat Omron Europe B.V. hoofdzakelijk gebruik maakte van luchtvracht voor de import van Azië naar Nederland. In die bestanden zijn opgenomen de naam van de betalende entiteit, de datum, het vluchtnummer inclusief de afkorting van de luchtvaartmaatschappij, de totale kosten, de origin, de destination en de freight forwarder. In de overgelegde verklaring wordt bevestigd dat deze data zien op luchtvrachtvervoersdiensten die zijn betaald door Omron Europe B.V. en wat de bron is van de verstrekte data. Omron Europe B.V. ontving van de freight forwarder verzamelfacturen voor afgenomen luchtvracht, die gedetailleerde informatie per zending bevatten, zoals het vluchtnummer. Verder is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.268. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden, die geen AWB-nummers bevatten zodat verificatie praktisch niet mogelijk is, alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. De overgelegde verklaring ziet bovendien slechts op de verstrekte data.
4.269. De rechtbank is van oordeel dat Omron Europe B.V. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar algemene en geaggregeerde informatie – die kennelijk is gebaseerd op de eigen administratie van Omron – in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die in de betreffende periode is afgenomen door Omron zelf (en bijvoorbeeld niet een derde, die geen cedent is). Equilib geeft het volgende voorbeeld van een concrete luchtvrachtvervoersdienst:
“Op regel 2 van het bestand voor 2005 (….) is opgenomen dat Omron Europe BV op 29 oktober 2005 een factuur heeft ontvangen voor een transport van Hong Kong (naar Amsterdam) met vlucht CV 07977/29 (Cargolux)”. Dit voorbeeld bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende verifieerbare informatie (zowel de datum van de vlucht als het AWB-nummer ontbreken bijvoorbeeld) en de betreffende factuur is om onduidelijke redenen niet overgelegd.
Orsay
4.270. Equilib heeft het volgende document overgelegd:
- een aantal facturen van Panalpina Welttransport GmbH, waaronder een factuur voor een vlucht met Lufthansa van Seoul naar Kehl (document Orsay 1).
4.271. Partijen zijn het erover eens dat Orsay GmbH mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Oudendijk
4.272. De groep ‘Oudendijk’ bestaat uit twee achterliggende partijen:
- Oudendijk Import B.V. en
- Bergflora pty, Ltd.
4.273. Equilib heeft het volgende document overgelegd:
- een bestand met een (verzamel)factuur met bijbehorende AWB’s, waaronder een AWB voor een vlucht met LAN Chile van Quito naar Amsterdam (document Oudendijk Import 1).
4.274. Partijen zijn het erover eens dat Oudendijk Import B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door Oudendijk Import B.V.
4.275. De rechtbank is met de luchtvaartmaatschappijen van oordeel dat Bergflora pty, Ltd. moet afvallen omdat Equilib met betrekking tot deze achterliggende partij in het geheel geen stukken heeft overgelegd. Blijkens een door Equilib genoemd maar niet overgelegd, Excel-bestand zijn alle vluchten bovendien door Oudendijk Import B.V. betaald, zoals Equilib ook zelf stelt.
Parker Hannifin
4.276. Tot de groep ‘Parker Parafin’ behoren 63 achterliggende partijen.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd, voor zover relevant:
- een e-mail van een freight forwarder Expeditors International (document Parker Hannifin 1);
- een Excel-bestand met door deze freight forwarder verstrekte gegevens over afgenomen luchtvrachtdiensten (document Parker Hannifin 2);
- een e-mail van een freight forwarder Schenker (document Parker Hannifin 3);
- een Excel-bestand met door deze freight forwarder verstrekte gegevens over afgenomen luchtvrachtdiensten (document Parker Hannifin 4);
- negen documenten met selecties van luchtvrachttransacties van diverse Parker Hannifin entiteiten uit de als documenten Parker Hannifin 2 en 4 overgelegde Excel-bestanden (documenten Parker Hannifin 5 tot en met 13).
4.277. Equilib stelt dat de overgelegde Excel-bestanden veelal gedetailleerde informatie van afgenomen luchtvracht bevatten als de datum, het (M)AWB-nummer, de luchtvaart-maatschappij, het gewicht, de totale kosten en de fuel surcharge. De als documenten 5 t/m 13 overgelegde documenten bevatten selecties van vluchten uit de Excel-bestanden voor Parker Hannifin Corporation, Parker Hannifin OY, Parker Hannifin AS, Parker Hannifin AB, Parker Hannifin GmbH, Parker Hannifin (UK) Limited, Parker Hannifin France (SAS), Parker Hannifin (Espana) S.A. en Parker Hannifin B.V., waarvan de eerste drie genoemde entiteiten daarin als betalende partij zijn vermeld. Omdat de gedetailleerde data niet volledig is, valt niet uit te sluiten dat de andere achterliggende partijen ook (indirect) luchtvrachtdiensten hebben afgenomen.
4.278. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken aangeleverd zijn waaruit blijkt dat de individuele achterliggende partijen behorende tot de groep ‘Parker Hannefin’ in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoerdienst hebben afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden daartoe onvoldoende zijn. De overgelegde bestanden en selecties daaruit zijn onvoldoende omdat daaruit slechts blijkt dat aan de Parker Hannifin groep in de jaren 1999-2008 kosten voor luchtvrachtvervoersdiensten in rekening zijn gebracht en die documenten geen MAWB-nummers bevatten. Verder volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat Excel-bestanden zijn verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd, de litigation funder van Equilib. Hieruit valt niet op te maken dat de gegevens in deze bestanden zien op door de cedenten afgenomen diensten. Bovendien heeft Equilib ten aanzien van 54 entiteiten geen specifieke stellingen ingenomen of stukken overgelegd.
4.279. De rechtbank is van oordeel dat deze achterliggende partijen moeten afvallen in het vervolg van deze procedures. Ten aanzien van 54 achterliggende partijen heeft Equilib onweersproken geen concrete stellingen heeft ingenomen of stukken heeft overgelegd. Voor de overige achterliggende partijen is Equilib er niet in geslaagd (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar allerlei geaggregeerde informatie in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door de betreffende achterliggende partij. De rechtbank dat de overgelegde Excel-bestanden veelal gedetailleerde informatie van afgenomen luchtvracht bevatten als de datum, het (M)AWB-nummer, de luchtvaart-maatschappij, het gewicht, de totale kosten en de fuel surcharge. Dit betreft de volgende achterliggende partijen):
- Parker Hannifin Corporation;
- Parker Origa Pneumatic GmbH;
- PH G.e.s.m.b.H.;
- Advanced Products NV;
- S.A. Parker Hannifin NV;
- Parker Hannifin s.r.o.;
- Parker Hannifin Industries s.r.o.;
- Parker Hannifin Czech Republic s.r.o.;
- Rectus Tema Denmark;
- Talkob Aps;
- Legis Denmark;
- PH Danmark AS;
- Vansco Electronic OY;
- Parker Hannifin OY;
- Legris SAS;
- SSD Parvex SAS;
- Parker Hannifin SNC;
- Parker Hannifin France SAS;
- Parker Hannifin GmbH;
- Domnick Hunter GmbH;
- Zander Aufbereitungstechnik GmbH;
- Rectus GmbH;
- Parker-Origa GmbH;
- Parker International Capital Management Ltd;
- Parker Sales (Ireland) Ltd.;
- Legris Spa;
- PH Hiross Srl;
- Parker Hannifin SpA;
- Parker ITR Srl;
- Parker Hannifin Global Capital Management Sarl;
- Parker Hose BV;
- Parker Pneumatic BV;
- Parker Polyflex BV;
- Parker Filtration BV;
- Parker Filtration & Separation BV;
- Parker Hannifin BV;
- ScanRope Eindom Nord AS;
- Parker Hannifin AS;
- Parker ScanRope AS;
- Parker Maritime AS;
- Legris Poland Sp z.o.o.;
- Parker Hannifin Sp z.o.o.;
- PH Portugal LDA;
- Parker Hannifin LLC;
- Parker Hannifin (Africa) Pty. Ltd;
- Legris Espanola SA;
- Parker Hannifin (Espana) S.A.;
- Legris Cenrasa;
- Parker Hannifin AB;
- Legris Scandinavia AB;
- Legris Svenska AB;
- Parker Origa AB;
- Tema Ingenjorsfima AB;
- Parker Origa Holding AG;
- Legris AG;
- Codri SA;
- Tema Marketing AG;
- Parker Lucifer AG;
- Parker Hareket ve Kontrol Sis. Tic. Ltd. Sirket;
- Parker Iklim Kontrol Sis. Sanayi ve Tic. AS;
- Parker Middle East FZE;
- Parker Hannifin (UK) Limited;
- Parker Hannifin Ltd.
Paul Michel
4.280. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd, voor zover relevant:
- een e-mail (document Paul Michel 1);
- een Excel-bestand met een overzicht per land van herkomst met onder andere luchtvaartmaatschappij, AWB-nummer, datum en soms het aantal dozen en de totale kosten (document Paul Michel 2);
- een screenshot van het tabblad Kenia zoals opgenomen in Document Paul Michel 1 (document Paul Michel 3).
4.281. Equilib stelt dat Paul Michel S.A. de enige entiteit is die onder de naam ‘Paul Michel’ een vordering heeft gecedeerd. Het overgelegde Excel-bestand per land van herkomst een overzicht bevat en dat het overgelegde screenshot ziet op een vlucht met KLM van Kenia naar Frankrijk onder vermelding van het AWB-nummer, het aantal dozen en de totale kosten. Verder stelt zij dat uit aanvullende producties van de luchtvaartmaatschappijen volgt dat “Paul Michel” in 38 transacties als ‘shipper’ en in 369 transacties als “consignee” is opgenomen. Er is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.282. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken die bevestigen dat Paul Michel S.A. zelf in de relevante periode ten minste een luchtvrachtdienst heeft afgenomen zijn overgelegd en dat het overgelegde screenshot en het Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database op de zoekterm “Paul Michel” onvoldoende zijn. Verder staat in de overgelegde e-mail slechts dat Paul Michel SA stelt dat zij gebruik heeft gemaakt van luchtvrachtvervoersdiensten in de jaren 1999-2006 en is daarvan een overzicht verstrekt.
4.283. De rechtbank is van oordeel dat Paul Michel S.A. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen – en betaald – in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen.
Pluriton
4.284. Equilib heeft met betrekking tot de achterliggende partijen. Pluriton B.V. en Pluriton Export B.V de volgende documenten overgelegd:
- een Excel-bestand (document Pluriton 1);
- een factuur met bijbehorende AWB voor een vlucht met KLM van Amsterdam naar Accra
(document Pluriton 2);
- een Excel-bestand (document Pluriton 3);
- een factuur met bijbehorende AWB voor een vlucht met Martinair van Amsterdam naar Muscat (document Pluriton 4).
4.285. Partijen zijn het erover eens dat Pluriton B.V. en Pluriton Export B.V. mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door Pluriton B.V. en Pluriton Export B.V.
Profile Flowers
4.286. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mailcorrespondentie (document Profile Flowers 1);
- facturen (document Profile Flowers 2);
- een Excel-bestand met afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Profile Flowers 3);
- een factuur van freight forwarder Panatlantic SA (document Profile Flowers 4);
- een AWB voor een vlucht met Martinair van Quito naar Amsterdam (productie 21 bij conclusie van repliek).
4.287. Partijen zijn het erover eens dat Profile Flowers Inc. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door Profile Flowers Inc.
RD Produce
4.288. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een e-mail (document RD Produce 1);
- een screenshot met geaggregeerde data (document RD Produce 2);
- een AWB voor een vlucht met Air Canada van Rotterdam naar Vancouver (document RD Produce 3).
4.289. Partijen zijn het erover eens dat RD Produce B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door RD Produce B.V.
Rehau
4.290. Equilib heeft voor de achterliggende partijen Rehau AG+Co en Rehau GmbH de volgende documenten overgelegd, voor zover relevant:
- een e-mailvan Rehau GmbH (document Rehau 1);
- door Rehau AG+Co verstrekt Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtdiensten (document Rehau 2);
- een AWB van april 2003 van Rehau AG+Co (document Rehau 3);
- door Rehau GmbH verstrekt Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtdiensten (document Rehau 4);
- een factuur gericht aan Rehau GmbH (document Rehau 5).
4.291. Equilib stelt dat het overgelegde Excel-bestand voor Rehau AG+Co de jaren 2002-2006 beslaat en het bestand voor Rehau GmbH de periode 2001-2006. Beide bestanden bevatten gedetailleerde informatie als de datum, het (M)AWB-nummer, de afkorting van de luchtvaartmaatschappij, het gewicht, de totale kosten en de brandstoftoeslag. Document 3 bevat een AWB voor een vlucht met Lufthansa van Atlanta naar Neurenberg in april 2003 met vermelding van het AWB-nummer en het gewicht. Dat Rehau AG+Co de vlucht heeft betaald volgt uit de vermelding ‘prepaid’ op die AWB.
4.292. In hun antwoordakte komen de luchtvaartmaatschappijen tot de conclusie dat zowel Rehau AG+Co als Rehau GmbH vooralsnog mee mogen blijven doen in het vervolg van de ze procedures, omdat (i) uit de als document 3 overgelegde AWB voldoende blijkt dat Rehau AG+Co in de relevante periode zelf tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en (ii) uit de van freight forwarder Schenker Deutschland afkomstige als document 5 overgelegde factuur voldoende blijkt dat Rehau GmbH in de relevante periode zelf tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door deze achterliggende partijen.
4.293. Aan het verweer van de luchtvaartmaatschappijen bij dupliek dat zij ten aanzien van Rehau AG+Co bij antwoord ten onrechte hadden geconcludeerd dat deze partij ‘mee mag blijven doen’, wordt voorbij gegaan. Dat is tardief. Equilib heeft hier niet meer op kunnen reageren. Het verweer kan, voor zover relevant, in een later stadium van de procedure alsnog aan de orde komen. Vooralsnog mag Rehau AG+Co mee blijven doen.
Saab
4.294. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een brief van het Zweeds advocatenkantoor Wistrand van 6 februari 2013(document Saab 1);
- een door freight forwarders verstrekt Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtdiensten (document Saab 2).
4.295. Equilib heeft deze documenten als volgt toegelicht. Saab Automobile AB is in december 2011 failliet verklaard. Uit de als document 1 overgelegde brief blijkt dat de vordering op de luchtvaartmaatschappijen na de faillietverklaring van Saab Automobile AB is overgegaan op de boedel. Het overgelegde Excel-bestand, waarvan onderliggende stukken op dit moment niet voorhanden zijn, ziet op afgenomen luchtvracht voor de periode 2001-2006. Ten minste één transactie is door de luchtvaartmaatschappijen erkend en deze kan middels het Excel bestand van Saab aan Saab worden gekoppeld. Het betreft een vlucht van Lufthansa (MAWB 02098669513). Verder is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.296. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken die bevestigen dat Saab Automobile S.A. zelf in de relevante periode ten minste een luchtvrachtdienst heeft afgenomen zijn overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder volgt uit de overgelegde brief van advocatenkantoor Wistrand slechts dat vorderingen van Saab Automobile AB na haar faillietverklaring in december 2011 op de boedel zijn overgegaan.
4.297. De rechtbank is van oordeel dat Saab Automobile AB moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Dat de luchtvaartmaatschappijen het bestaan één transactie hebben erkend en dat die middels het Excel bestand van Saab aan Saab kan worden gekoppeld, betekent nog niet dat Saab deze luchtvrachtvervoersdienst ook heeft afgenomen (en betaald).
SABIC
4.298. |Uit de groep ‘SABIC’ hebben 12 entiteiten vorderingen aan Equilib gecedeerd. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mailcorrespondentie over de gegevensverzameling voor SABIC Sales Europe B.V. en het bijbehorende Excel-bestand met details van afgenomen luchtvrachtdiensten (documenten SABIC 1 en 2);
- e-mailcorrespondentie over de gegevensverzameling voor SABIC Innovative Plastics B.V. en het bijbehorende Excel-bestand met details van afgenomen luchtvrachtdiensten (documenten SABIC 3 en 4);
- een overzicht van naamswijziging van “General Electric Plastics B.V. in SABIC Innovative Plastics B.V. per 17 september 2007 van de Kamer van Koophandel (document SABIC 5);
- e-mailcorrespondentie over de gegevensverzameling van luchtvrachtvervoersdiensten vanuit de Europese Unie naar Azië en het bijhorende Excel-bestand met afgenomen luchtvrachtdiensten (documenten SABIC 6 en 7);
- e-mails en bijgevoegde door freight forwarders verstrekte Excel-bestanden met gegevens over afgenomen luchtvrachtdiensten (documenten SABIC 8, 9 en 10).
4.299. Equilib verwijst ten aanzien van SABIC Innovative Plastics B.V. naar de overgelegde documenten 3 en 4, waaruit blijkt dat zij (dan wel General Electric Plastics B.V. of GE Plastics B.V., haar oude statutaire- en handelsnaam) 1328 van de 1592 luchtvrachttransacties heeft betaald. Ook GE Plastics China, GE Plastics Japan, GE Plastics India en GE Plastics South staan bij zeven transacties als betalende entiteit vermeld. Verder bevat document 4 een groot aantal vluchten vanuit de Verenigde Staten naar Europa, die waarschijnlijk deels zijn betaald door SABIC Plastics Mt. Vernon LLC. Equilib wijst met name naar een vlucht op 12 juni 2000 met KLM van Chicago naar Amsterdam, afgenomen door GE Electric Plastics B.V., met totale kosten van € 22.368,43. Document 7 betreft luchtvrachttransacties vanuit de Europese Unie naar Azië met als betalende entiteiten SABIC IP-Australia, GE Plastics Singapore, GE Plastics China, GE Plastics India, SABIC-IP Korea Ltd., GE Plastics Korea Ltd. en GE Plastics Japan. De door freight forwarders verstrekte documenten 9 en 10 bevatten gedetailleerde informatie van luchtvracht afgenomen door onder meer SABIC Innovative Australia Pty Ltd, SABIC Innovative Plastics South America – Industria e Comercio de Plasticos Ltda, SABIC Innovative Plastics India Private Limited, SABIC Innovative Plastics (China) Co. Ltd, SABIC Innovative Plastics B.V. en SABIC Innovative Plastics Japan LLC. Verder is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.300. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken die bevestigen dat entiteiten van de SABIC Groep ieder voor zich in de relevante periode ten minste een luchtvrachtdienst hebben afgenomen overgelegd zijn en dat de overgelegde Excel-bestanden alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder zijn ten aanzien van SABIC Innovative Plastics India Private Limited, SABIC Innovative Plastics (China) Co. Ltd, SABIC Innovative Plastics Argentina S.R.L. en SABIC Innovative Plastics Mexico, S. de R.L. de C.V. in het geheel geen stukken overgelegd of voorbeelden gegeven. Bovendien volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat bestanden zijn verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd, de litigation funder van Equilib.
4.301. De rechtbank is van oordeel dat deze achterliggende partijen moeten afvallen in het vervolg van deze procedures. Ten aanzien van een groot aantal achterliggende partijen heeft Equilib in het geheel geen stukken overgelegd. Voor de overige achterliggende partijen is Equilib er niet in geslaagd (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar allerlei geaggregeerde informatie in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door de betreffende achterliggende partij. De rechtbank begrijpt ook niet waarom het niet mogelijk was om met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst een nadere toelichting en concrete, verifieerbare gegevens te verstrekken. De gegevens in de overgelegde Excel-bestanden moeten toch ergens vandaan komen? Dit betreft de volgende achterliggende partijen:
- SABIC Sales Europe B.V.;
- SABIC Innovative Plastics B.V.;
- SABIC Innovative Australia Pty Ltd;
- SABIC Innovative Plastics South America – Industria e Comercio de Plasticos Ltda;
- SABIC Innovative Plastics India Private Limited;
- SABIC Innovative Plastics (China) Co. Ltd;
- SABIC Innovative Plastics India Private Limited;
- SABIC Innovative Plastics Korea Limited;
- SABIC Innovative Plastics Singapore PTE Limited;
- SABIC Innovative Plastics Mt. Vernon;
- SABIC Innovative Plastics Japan LLC;
- SABIC Innovative Plastics Argentina S.R.L.;
- SABIC Innovative Plastics Mexico, S. de R.L. de C.V.
SafariFresh
4.302. Equilib heeft voor zover van belang de volgende documenten overgelegd:
- de oprichtingsakte van Bloemenhandel Safari B.V. (document SafariFresh 1);
- de statutenwijziging, waarbij Bloemenhandel Safari B.V. is gewijzigd in SafariFresh B.V.
(document SafariFresh 2);
- een factuur voor een vlucht met Martinair van Nairobi naar Amsterdam (document SafariFresh 6).
4.303. Partijen zijn het erover eens dat SafariFresh B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door SafariFresh B.V.
Schaffner
4.304. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een datasheet (Excel-bestand) met gegevens over afgenomen luchtvrachtcument Schaffner 1);
- e-mails (document Schaffner 2).
4.305. De Schaffner Groep bestaat uit twee entiteiten, Schaffner EMV AG en Schaffner EMC SAS (France). Equilib stelt dat data met details is overgelegd van afgenomen luchtvracht in de periode 2003-februari 2007 en dat uit het overgelegde Excel-bestand volgt dat Schaffner EMC SAS (France) de betalende entiteit was. Zij verwijst onder meer naar de transactie van Schaffer EMC SAS (France uitgevoerd door Lufthansa (MAWB 020-619882640) van Melbourne (Australië) naar Parijs in april 2004. Verder is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.306. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken die bevestigen dat de twee entiteiten van Schaffner Groep in de relevante periode ieder ten minste één luchtvrachtdienst hebben afgenomen zijn overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder stelt Equilib dat alle door de Schaffner groep afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten zijn betaald door Schaffner EMC SAS (France), zodat vast staat dat Schaffner EMV AG geen luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Bovendien volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat data is verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd, de litigation funder van Equilib.
4.307. De rechtbank is van oordeel dat Schaffner EMC SAS (France) mag blijven mee doen, aangezien Equilib voor deze achterliggende partij voldoende concreet – middels luchtvaartmaatschappij, route en MAWB- nummer – heeft aangetoond dat ten minste één luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen in de relevante periode, en de luchtvaartmaatschappijen dit niet (gemotiveerd) hebben betwist. Ook hebben de luchtvaartmaatschappijen de stelling van Equilib dat alle door de Schaffner groep afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten zijn betaald door Schaffner EMC SAS (France) niet betwist.
4.308. Schaffner EMV AG moet echter afvallen, omdat voor deze entiteit in het geheel geen verifieerbare gegevens zijn overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zij ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode.
Special Fruit
4.309. Equilib heeft voor zover van belang de volgende documenten overgelegd:
- een e-mail (document Special Fruit 2);
- een factuur en een bijbehorende AWB voor een vlucht met KLM van Caracas naar Amsterdam (documenten Special Fruit 3 en 4).
4.310. Partijen zijn het erover eens dat Special Fruit N.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door Special Fruit N.V.
Sun Microsystems
4.311. Equilib heeft voor de achterliggende partijen, Oracle America Incorporated, Oracle Nederland B.V. en Sun Microsystems Schotland B.V., de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (document SUN Microsystems 1);
- een datasheet (Excel-bestand) met gegevens over afgenomen luchtvrachtdiensten (document SUN Microsystems 2).
4.312. Equilib stelt dat uit de overgelegde e-mails volgt dat de aangeleverde datasheet alle data is die Sun Microsystems kon terugvinden en dat dit bestand details bevat voor de jaren 2006-2008 over de freight forwarder, de plaats van herkomst en de bestemming, omschrijving van de goederen, het chargeable weight en de totale kosten. Op basis van dit bestand zelf is niet vast te stellen welke van de drie achterliggende partijen heeft betaald voor de luchtvrachtvervoersdienst. Verder is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.313. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken zijn overgelegd die bevestigen dat de entiteiten van Sun Microsystems groep in de relevante periode ieder ten minste een luchtvrachtdienst hebben afgenomen, en dat het overgelegde Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder heeft Equilib niet gespecificeerd welke luchtvrachtvervoersdienst door welke achterliggende partij is afgenomen en volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat het Excel-bestand is verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd., de litigation funder van Equilib.
4.314. De rechtbank is van oordeel dat Oracle America Incorporated, Oracle Nederland B.V. en Sun Microsystems Schotland B.V. moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar geaggregeerde informatie in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door de betreffende achterliggende partij.
Sunripe (1976)
4.315. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- AWB’s voor vluchten met Air France van Nairobi naar Parijs (document Sunripe 1).
4.316. Partijen zijn het erover eens dat Sunripe (1976) Ltd. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door Sunripe (1976) Ltd.
Syngenta
4.317. Uit de groep ‘Syngenta’ hebben de volgende achterliggende partijen vorderingen aan Equilib gecedeerd: Syngenta Crop Protection AG, Syngenta Supply AG, Syngenta Chemicals B.V. en Syngenta Seeds B.V. Equilib heeft voor deze achterliggende partijen de volgende documenten overgelegd:
- e-mailcorrespondentie tussen Equilib en de Syngenta groep (document Syngenta 1);
- een factuur voor Syngenta Crop Protection AG van freight forwarder Panalpina (document Syngenta 2);
- een factuur voor Syngenta Supply AG van freight forwarder Panalpina (document Syngenta 3);
- e-mailcorrespondentie tussen Equilib en de Syngenta groep (documenten Syngenta 4 en 5);
- een datasheet (Excel-bestand) met gegevens over afgenomen luchtvrachtdiensten door Syngenta Seeds B.V. van freight forwarder KDS (document Syngenta 6);
- een print (uittreksel van de datasheet van KDS (document Syngenta 7).
4.318. Equilib stelt dat document 1 ziet op de initiële inschatting van de luchtvaartkosten van de Crop Protection Business groep (Syngenta Crop Protection AG, Syngenta Supply AG en Syngenta Chemicals B.V.) en van de Seeds Business (Syngenta Seeds B.V.). De Syngenta groep heeft aan de hand van haar ERP-systeem een overzicht gegenereerd van de door de Crop Protection Business groep afgenomen luchtvracht tussen 1 januari 2002 en december 2006. Verder zijn facturen overgelegd van een freight forwarder, waarop informatie over luchtvracht en kosten staat. Steeds wordt op die facturen per zending vermeld wat het AWB-nummer is, het gewicht, de vluchtdatum, de verzender, de ontvanger en de totaalprijs. Document 2 betreft een factuur van 28 november 2003 voor enkele tientallen luchtvrachtzendingen, waaronder een zending naar Indonesië met Singapore Airlines op 3 november 2003 onder vermelding van het AWB-nummer, het gewicht en de kosten. Voor Syngenta Chemicals B.V. kon geen factuur worden achterhaald, maar aannemelijk is dat zij ook voor luchtvracht heeft betaald omdat zij onderdeel uitmaakte van de Crop Protection Business groep. Documenten 4 en 5 zien op het vergaren van data ten aanzien van Syngenta Seeds B.V. Document 6 is verkregen van een freight forwarder en ziet op 1804 zendingen tussen maart 2005 en 31 december 2006, met gedetailleerde informatie als het (M)AWB-nummer, de vertrekluchthaven, de aankomstluchthaven, het aantal stuks, het gewicht, de vluchtdatum, de totale kosten, de brandstoftoeslag en de ontvanger alsmede de toepasselijke Incoterm, waarbij Syngenta Seeds B.V. steeds betaalt voor het vervoer. Document 7 bevat onder meer een vlucht met KLM van Nederland naar Turkije op 22 december 2005 onder vermelding van het AWB-nummer, het gewicht en de kosten, waarvan een bedrag aan brandstoftoeslag. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.319. Partijen zijn het erover eens dat Syngenta Supply AG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door Syngenta Supply AG.
4.320. De luchtvaartmaatschappijen voeren ten aanzien van de overige achterliggende partijen het volgende aan. Voor Syngenta Chemicals B.V. zijn in het geheel geen stukken overgelegd en Equilib erkent in haar akte dat het niet mogelijk is een factuur te achterhalen. Voor het overige is geen direct bronbewijs overgelegd en de overgelegde Excel-bestanden alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database zijn onvoldoende. In de als document 1 overgelegde e-mails staat slechts in algemene termen dat:“Syngenta Supply AG, Syngenta Crop Protection AG en Syngenta Chemicals BV gezamenlijk voor bijna USD 41 miljoen aan luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen en Syngenta Seeds BV voor circa EUR 3 miljoen”. In de voor Syngenta Crop Protection AG als document 2 overgelegde factuur ontbreekt informatie over de gevlogen route. Verder volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat Syngenta een Excel-bestand heeft verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd., de litigation funder van Equilib.
4.321. Geoordeeld wordt als volgt. Syngenta Chemicals B.V. moet afvallen omdat onweersproken voor deze achterliggende partij in het geheel geen stukken zijn overgelegd. Ook Syngenta Seeds B.V. moet afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar documenten/data in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door Syngenta Seeds B.V. De als document 7 overgelegde print is onvoldoende.
4.322. Syngenta Crop Protection AG daarentegen mag mee blijven doen in het vervolg van deze procedures. Equilib heeft voor deze achterliggende partij als document 2 een factuur overgelegd waarbij de luchtvaartmaatschappijen slechts hebben opgemerkt dat niet duidelijk is wat de vertrekplaats van de vlucht zou zijn en dat daardoor niet kan worden vastgesteld dat dit een vlucht vanuit de Europese Economische Ruimte betreft. Equilib heeft hiertegen ingebracht dat in het door Syngenta verstrekte overzicht Nederland als plaats van vertrek is opgenomen en dat de luchtvaartmaatschappijen dit eenvoudig kunnen controleren. Hier zijn de luchtvaartmaatschappijen bij dupliek niet nader op ingegaan en daarmee hebben zij onvoldoende gemotiveerd betwist dat deze vlucht binnen de reikwijdte van het Besluit valt.
Tarsal Koos Minck
4.323. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- twee Excel-bestanden (documenten Tarsal 1 en 2);
- een factuur met bijbehorende AWB voor een vlucht met Cargolux van Nairobi naar Maastricht (document Tarsal 3).
4.324. Partijen zijn het erover eens dat Tarsal Koos Minck B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door Tarsal Koos Minck B.V.
Teijin Aramid
4.325. Equilib heeft voor zover van belang de volgende documenten overgelegd:
- een overzicht van afgenomen luchtvracht (document Teijin Aramid 1);
- een e-mail (document Teijin Aramid 2);
- een Excel-bestand (document Teijin Aramid 3);
- een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (document Teijin Aramid 4);
- een AWB voor een vlucht met Martinair van Amsterdam naar Mexico (document Teijin Aramid 5);
- een opdrachtbevestiging van freight forwarder Altrex Air B.V. (document Teijin Aramid 6).
4.326. Partijen zijn het erover eens dat Teijin Aramid B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door Teijin Aramid B.V.
The Greenery
4.327. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd, voor zover van belang:
- een CASS-factuur voor C. Disselkoers Airfreight B.V.waarop met de hand is aangegeven aan welke groepsmaatschappij de vlucht werd doorbelast (document The Greenery 1);
- documenten The Greenery 2 – 9 inzake luchtvrachtvervoersdiensten door verschillende groepsmaatschappijen;
- uitdraaien van een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtdiensten (documenten The Greenery 10, 11 en 12).
4.328. Equilib stelt dat document 1 is gericht aan agent C. Disselkoers Airfreight B.V., welke vennootschap de rechtstreekse afnemer van de luchtvrachtvervoersdiensten was. C. Disselkoers Airfreight B.V. (handelsnaam Blue Sky Cargo) is een 100% dochtermaatschappij van The Greenery B.V. Zij trad namens de groepsmaatschappijen op als freight forwarder. Zij contracteerde rechtstreeks met de luchtvaartmaatschappijen. Disselkoers Airfreight heeft de kosten intern doorbelast aan de betreffende groepsmaatschappij waarvoor luchtvracht werd uitgevoerd. Voor de overige cedenten is getracht om tenminste één AWB te vinden, liefst in combinatie met CASS factuur en een factuur van Disselkoers Airfreight B.V., maar dat is niet gelukt omdat deze documenten niet bij elkaar bewaard werden. Voor de volgende cedenten zijn documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij ten minste een luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen:
- The Greenery B.V.: document The Greenery 6, waaruit blijkt van een route, een AWB en een CASS factuur van Minnaar Holland B.V.;
- The Greenery Produce B.V.: document The Greenery 7, waaruit blijkt van een AWB (met nummer) van Lufthansa, een route, de datum, chargeable weight en kosten (incl. brandstof-toeslag);
- The Greenery B.V. h.o.d.n. Jover B.V.: document The Greenery 8 met een combinatie van een AWB-nummer en CASS factuur voor een vlucht met British Airways van Nederland naar de VAE onder vermelding van onder meer gewicht en datum;
- Botman International N.V.: document The Greenery 9 met een combinatie van een AWB- nummer en CASS factuur voor een luchtvracht vanuit Nederland naar VS met vermelding van AWB-nummer, gewicht, datum en kosten (incl brandstof toeslag).
Hage International B.V., Greensprout B.V. en Boers Holland B.V. hebben relatief weinig luchtvracht afgenomen en het was ondoenlijk voor hen onderliggende documentatie voor één transactie terug te vinden in de niet voor dat doel gesorteerde archieven. Verwezen wordt naar documenten 10, 11 en 12 voor printuitdraaien van drie transacties uit het overzicht dat met Equilib is gedeeld. Uit documenten 10 en 11 blijkt dat Hage International B.V. en Greensprout B.V. als shipper zijn aangemerkt, hetgeen erop duidt dat deze achterliggende partijen voor de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten hebben betaald. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.329. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde uitdraaien van een Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Equilib stelt zelf dat C. Disselkoers Airfreight B.V. de directe afnemer van luchtvrachtvervoersdiensten is, dat zij binnen de The Greenery groep als een soort freight forwarder opereert en dat zij de luchtvrachtkosten altijd intern heeft doorbelast. Dat betekent dat zij feitelijk zelf geen luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen en zelf dus ook geen schade heeft geleden. Dit volgt ook uit de vermelding op de overgelegde AWB’s van de betreffende achterliggende partij (en niet C. Disselkoers Airfreight B.V.) als shipper. Niet is aangetoond dat de kosten daadwerkelijk intern zijn doorbelast. Voor J.H. Wagenaar B.V. zijn in het geheel geen specifieke stellingen ingenomen of stukken overgelegd.
4.330. Partijen zijn het erover eens dat The Greenery B.V., The Greenery Produce B.V., Handelsmaatschappij ‘Jover’ B.V. en Botman International B.V. mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. De rechtbank is eveneens van oordeel dat Equilib voor deze partijen de vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partijen met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.331. De rechtbank is van oordeel dat J.H. Wagenaar B.V. moet afvallen omdat ten aanzien van deze achterliggende partij onweersproken in het geheel geen stellingen zijn ingenomen of stukken zijn overgelegd. Ook C. Disselkoers Airfreight B.V. moet afvallen omdat Equilib zelf stelt dat zij altijd de kosten voor luchtvrachtvervoer intern heeft doorbelast, waaruit valt af te leiden dat zij kennelijk zelf geen schade heeft geleden. Verder moeten Hage International B.V., Greensprout B.V. en Boers Holland B.V. afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Verwezen wordt naar hetgeen onder het toetsingskader is overwogen. Het enkele feit dat Hague International B.V. en Greensprout B.V. in een stuk als ‘shipper’ zijn aangemerkt is daartoe onvoldoende. Met betrekking tot Boers Holland B.V. zijn geen stukken overgelegd waaruit de afname van ten minste één luchtvrachtvervoersdienst blijkt.
The Guardian News and Media Limited
4.332. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (documenten Guardian 1 en 6);
- een Excel-bestand Initial Airfreight Info (document Guardian 2);
- Excel-bestanden met gegevens over afgenomen luchtvrachtdiensten (documenten Guardian 3, 4 en 5);
- een screenshot van het als document Guardian 3 overgelegde Excel-bestand (document Guardian 7).
4.333. Equilib stelt dat Guardian News & Media Limited zelf geen facturen meer in haar bezit had. Zij heeft van verschillende freight forwarders gebruik gemaakt in de relevante periode. Van freight forwarder Higgs heeft zij gegevens heeft gekregen met betrekking tot afgenomen luchtvrachtdiensten. De overgelegde Excel-bestanden beslaan de jaren 1999-2006 en bevatten zendingen met informatie als de datum, het AWB-nummer, het gewicht en de aankomstluchthaven. Document 7 bevat onder meer details over een factuur voor een vlucht met British Airways op 5 januari 2001 vanuit waarschijnlijk Londen, mogelijk Lille, naar Gibraltar, met British Airways en met vermelding van het MAWB-nummer 125-85783106. Verder is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.334. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden en het screenshot alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder bevat document 2 slechts niet onderbouwde totaalbedragen zonder vermelding van verifieerbare en concrete
gegevens en verwijzen documenten 3, 4 en 5 naar in rekening gebrachte transacties aan zowel Guardian News & Media Limited als Guardian Media Group Plc. Bovendien volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat Guardian News & Media Limited stelt dat zij gebruik heeft gemaakt van luchtvrachtvervoersdiensten via freight forwarders.
4.335. De rechtbank is van oordeel dat Guardian News & Media Limited mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Uit de overgelegde stukken blijkt dat Guardian News& Media Limited ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. De luchtvaartmaatschappijen stellen enerzijds dat niet is komen vast te staan dat Guardian News & Media Limited de kosten heeft gedragen, terwijl zij anderzijds stellen dat zowel bij Guardian News & Media Limited als Guardian Media Group Group Plc transacties in rekening zijn gebracht. De combinatie van deze stellingen brengt mee dat aangenomen kan worden dat Guardian News & Media Limited ook voor die ene luchtvrachtvervoersdienst heeft betaald.
TomTom
4.336. Equilib heeft een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtdiensten overgelegd (document TomTom 1).
4.337. Equilib stelt dat het overgelegde bestand ziet op details van afgenomen luchtvracht in de periode 2006-2010 als de datum, het (M)AWB-nummer, de luchtvaartmaatschappij, de vertrekluchthaven, de aankomstluchthaven, het aantal stuks, het gewicht en de totale kosten met een aparte specificatie van de veiligheids- en brandstoftoeslag. Zij wijst naar een vlucht uitgevoerd door de KLM (MAWB 074-56807995). Verder is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.338. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn.
4.339. De rechtbank is van oordeel dat TomTom International B.V. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Het enkel vermelden van MAWB-nummers zonder verder enige andere informatie is verregaand onvoldoende, gelet ook op hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen.
Trading House Holland BV
4.340. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een factuur (document THH2);
- een pdf-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtdiensten in april 2004 (document THH 3).
4.341. Equilib stelt dat uit de overgelegde bestanden volgt dat LAN Cargo en Martinair Cargo 80% van de daarin opgenomen vervoersdiensten hebben uitgevoerd. Voor de jaren 2006-2008 heeft Trading House Holland B.V. geen details kunnen verstrekken omdat zij zelf niet over deze gegevens beschikt en de freight forwarder niet langer actief is. De overgelegde factuur ziet op vervoer van Bogota naar Amsterdam en specificeert de luchtvaartmaatschappij en het AWB-nummer.
4.342. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde bestanden onvoldoende zijn. In de overgelegde factuur ontbreken op de overgelegde factuur de naam van de shipper dan wel de consignee en het chargeable weight.
4.343. De rechtbank is van oordeel dat Trading House Holland B.V. moet afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. De overgelegde factuur bevat onvoldoende gegevens om tot de conclusie te komen dat Trading House Holland B.V. in de relevante periode één luchtvrachtdienst heeft afgenomen. Weliswaar bevat de factuur van freight forwarder TransWorld Forwarding Inc. de route, de luchtvaartmaatschappij, een AWB-nummer en de vracht, maar de shippper en de consignee ontbreken.
Umicore groep NV/SA
4.344. Equilib heeft voor de achterliggende partijen, Umicore NV/SA en Umicore France S.A. de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (document Umicore 1);
- een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtdiensten (document Umicore 2);
- een screenshot van het Excel-bestand (document Umicore 3).
4.345. Equilib stelt dat Umicore NV/SA haar luchtvrachtvorderingen en die van haar dochtervennootschap Umicore France S.A. aan haar heeft gecedeerd. De overgelegde
e-mails tussen Equilib en Umicore NV/SA betreffen de beschikbaarheid van data en de bron van deze data. Alle data van 2001-2006 is verwerkt in het overgelegde Excel-bestand en bevat gedetailleerde gegevens als de datum, de luchtvaartmaatschappij, het AWB-nummer, de vertrekluchthaven en de aankomstluchthaven. Het overgelegde screenshot ziet op een vlucht van KLM van Antwerpen naar Amsterdam op 11 april 2001 met vermelding van het AWB-nummer en Umicore NV als betalende partij. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.346. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken die bevestigen dat de Umicore N.V./S.A. in de relevante periode ieder tenminste een luchtvrachtdienst heeft afgenomen zijn overgelegd en dat het overgelegde (screenshot van het) Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat een Excel-bestand is verstrekt aan de litigation funder van Equilib. Nu Equilib zelf heeft erkend dat niet is onderbouwd dat Umicore France S.A. luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen, valt zij reeds om die reden af.
4.347. De rechtbank is van oordeel dat Umicore France S.A. moet afvallen, nu Equilib in het geheel niet heeft onderbouwd dat deze entiteit luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen.
4.348. Met betrekking tot Umicore NV/SA is de rechtbank van oordeel dat Equilib conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd dat Umicore N.V./S.A ten minste één luchtvrachtdienst heeft afgenomen. De luchtvaartmaatschappijen hebben de concrete onderbouwing van de vlucht van 11 april 2011 (document Umicore 3) onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zoals hiervoor onder het toetsingskader ook al is overwogen, hoeft Equilib niet voor iedere achterliggende partij direct bronbewijs bestaande uit een air waybill en/of factuur over te leggen.
Unilever
4.349. Equilib heeft voor de vele achterliggende partijen die tot de Unilever-groep behoren de volgende documenten overgelegd:
- een memo van FRA waarin is samengevat met welke freight forwarders Unilever samenwerkte in de relevante periode, welke data zij van deze partijen heeft ontvangen en wat de spend is van Unilever bij deze freight forwarders (document Unilever 1);
- een e-mail waarin wordt toegelicht waarom de Unilever achterliggende partijen geen data van afgenomen luchtvracht kunnen aanleveren (document Unilever 2).
4.350. Equilib stelt dat de data die zij heeft kunnen achterhalen hoofdzakelijk afkomstig zijn van de freight forwarders met wie Unilever toentertijd samenwerkte en dat deze de periode 2008-2010 beslaan. Gezien de activiteiten van deze multinationale onderneming is zeer aannemelijk dat zij (ook) in de relevante periode veelvuldig gebruik heeft gemaakt van luchtvracht. Ook al kan niet worden vastgesteld welke achterliggende partij welke luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen, vast staat dat de Unilever-groep schade heeft geleden als gevolg van het kartel. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.351. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde gegevens alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Alleen voor de Unilever-groep als geheel zijn zeer beperkte data gegeven. Dat hiervoor valide redenen zijn, komt niet voor rekening van de luchtvaartmaatschappijen.
4.352. De rechtbank is van oordeel – hoewel het onwaarschijnlijk is dat Unilever in de relevante periode geen gebruik heeft gemaakt van luchtvracht – dat de achterliggende partijen die behoren tot de Unilever-groep moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Het verwijzen naar datasheets met data over de periode 2008-2010 en de stelling dat het aannemelijk is dat Unilever in de relevante periode dus ook vergelijkbare uitgaven aan luchtvracht had is verregaand onvoldoende. Het betreft de volgende achterliggende partijen:
- Unilever Plc;
- Unilever N.V.;
- Unilever Supply Chain Company AG;-
- Unilever Home & Personal Care International B.V. / Marga B.V.;
- Unilever Home & Personal Care Nederland B.V.;
- Unilever Research and Development Vlaardingen B.V.;
- Unilever Nederland Foods factories B.V.;
- Unilever Nederland B.V.;
- OLA Productie B.V.;
- Unilever Nederland Services B.V.;
- Unilever Belgium SA/NV;
- Unilever Lipton Tea SA/NV;
- Unilever Belgium Services SA/NV;
- Elais-Unilever Hellas SA;
- Knorr Bestfoods Hellas ABEE;
- Unilever Italy Holding Srl;
- Unilever Norge AS;
- Unilever Danmark A-S;
- Unilever Sverige AB;
- Unilever Finland Oy;
- Unilever Poland Services Sp. Zo.o.;
- Unilever Polska SA;
- Unilever Polska Sp zoo;
- UAB 'Unilever Lietuva';
- Unilever Esti OÜ;-
- SIA 'Unilever Baltic LLC';
- Olá-Producão de gelados e outros produtos alimentares SA;
- Industrias Lever Portuguesa SA;
- Unilever Jerónimo Martins LDA;
- LLC Unilever RUS;
- LLC Inmarko;
- Unilever UK Limited;
- Unilever CR, spol. Sr.o;
- Unilever Hungary Ltd;
- Unilever Slovensko spol. S.r.o;
- Unilever Beograd d.o.o;
- Unilever Bulgaria EOOD (als Beograd Unilever Bulgaria EOOD (als Beograd EOOD);
- SC Unilever Romania SA;
- SC Unilever South Central Europe SA;
- Unilever France;
- Unilever Espana SA.
V.S.V. Van Slooten Vis
4.353. Equilib heeft het volgende document overgelegd:
- een factuur met bijbehorende AWB voor een vlucht met KLM van Nairobi naar Amsterdam (document Van Slooten Vis 1).
4.354. Partijen zijn het erover eens dat V.S.V. Van Slooten Vis mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door V.S.V. Van Slooten Vis.
Valstar
4.355. Equilib heeft het volgende document overgelegd:
- een factuur met bijbehorende AWB voor een vlucht met Martinair van Amsterdam naar Bahrein (document Valstar 1).
4.356. Partijen zijn het erover eens dat Valstar Holland B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door Valstar Holland B.V.
4.357. Fruit World Breda B.V. is een onderdeel van Valstar Holland B.V. Equilib heeft bij haar akte van 15 september 2021 noch gegevens met betrekking tot deze cedent overgelegd noch melding gemaakt van Fruit World Breda B.V. De rechtbank is met de luchtvaartmaatschappijen van oordeel dat, als Fruit World Breda B.V. al als achterliggende partij heeft te gelden, zij moet afvallen, omdat voor deze partij specifieke stellingen heeft ingenomen of stukken heeft overgelegd.
Van Beek Bloemen
4.358. Equilib heeft een factuur van freight forwarder Total Touch Cargo Holland B.V. (document Van Beek Bloemen 1) overgelegd.
4.359. Equilib stelt dat de overgelegde factuur ziet op het vervoer per luchtvracht van bloemen vanuit Nairobi naar Amsterdam met Martinair (MP 8112) op 3 januari 2006 met aparte vermelding van de fuel surcharge van USD 424,60. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.360. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde factuur geen informatie bevat over de gevlogen route en het MAWB-nummer. Verder is een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende.
4.361. De rechtbank is van oordeel dat Van Beek Bloemen B.V. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. De door Equilib overgelegde factuur is onvoldoende concreet, aangezien een AWB-nummer ontbreekt en ook plaats van verstrek en aankomst, de shipper en de kosten niet zijn vermeld. Het enkele feit dat Van Beek Bloemen als ‘consignee’ is vermeld is zonder nadere toelichting onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de vermelding op de factuur van ’warehouse charges Nairobi’.
Van der Deijl Roses
4.362. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een AWB (document Van der Deijl 1);
- een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel betreffende de naamswijziging van Van der Deijl Noordwijk B.V. naar Van der Deijl Beheer B.V. (productie 15 bij repliek);
- een notariële akte van een activa-passiva transactie tussen Van der Deijl Beheer B.V. en Van der Deijl Roses B.V. (productie 16 bij repliek);
- een getuigenverklaring (productie 17 bij repliek);
- een AWB (productie 18 bij repliek).
4.363. Equilib stelt dat Van der Deijl Roses B.V. haar vorderingen (intern) heeft overgedragen aan Van der Deijl Beheer B.V. en dat Van der Deijl Beheer B.V. de vorderingen heeft overgedragen aan Equilib. De luchtvaartmaatschappijen bevestigen dat Van der Deijl Roses B.V. (onder de naam ‘Van der Deijl’) – via Van der Deijl Beheer B.V. – vorderingen aan Equilib heeft gecedeerd.
4.364. Volgens de luchtvaartmaatschappijen werd door Equilib eerder ook de rechtspersoon Van der Deijl Beheer Group als cedent of benadeelde partij genoemd. Deze rechtspersoon laat Equilib thans echter onbesproken, zodat de rechtbank met de luchtvaartmaatschappijen van oordeel is dat die in ieder geval moet afvallen in het vervolg van deze procedures. Dit betekent dat Van der Deijl Beheer B.V. de enige nog relevante achterliggende partij is.
4.365. Equilib heeft verder toegelicht dat in 1973 het familiebedrijf ‘Van der Deijl’ is opgericht met de naam G. van der Deijl Noordwijk B.V. Op 5 augustus 2004 is de statutaire naam van het bedrijf gewijzigd in Van der Deijl Beheer B.V. Op 17 december 2004 zijn de bedrijfsactiviteiten van Van der Deijl Beheer door middel van een activa-passivatransactie ondergebracht in het nieuw opgerichte Van der Deijl Roses B.V., waarbij de vermogensbestanddelen die benodigd waren voor het drijven van de onderneming zijn overgegaan op Van der Deijl Roses en de financiële vermogensbestanddelen, waaronder het bedrijfspand en enkele (overige) vorderingen, zijn achtergebleven in Van der Deijl Beheer. Voor zover er discussie zou kunnen ontstaan over de vraag of vorderingen op de luchtvaartmaatschappijen van vóór 17 december 2004 zijn achtergebleven in Van der Deijl Beheer, of zijn overgegaan op Van der Deijl Roses, meent Equilib dat het antwoord op die vraag in het midden kan blijven, omdat zowel Van der Deijl Roses als Van der Deijl Beheer hun vorderingen hebben gecedeerd aan Equilib. Van der Deijl gebruikte (informeel) de handelsnaam ‘Florist Center’. Equilib heeft een verklaring in het geding gebracht van de directeur van Van der Deijl Roses, Geraldine van der Deijl, waarin zij dat bevestigt (productie 17).
4.366. Equilib stelt dat uit het als document Van der Deijl 1 overgelegde document volgt dat ‘Van der Deijl’ ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft overgelegd. Zij licht dit als volgt toe. Het betreft een AWB (in combinatie met een house AWB), waarin ‘Florist Center’ wordt genoemd als ontvanger op het adres van ‘Van der Deijl’, Herenweg 102 in Noordwijk. Het betreft een vlucht met Martinair van Ecuador naar Nederland uitgevoerd op 16 april 2005. Het AWB-nummer is 129 42825554. Het betrof een vracht van 3.676 kg dozen met ‘fresh flowers’ en de totale vrachtkosten bedroegen USD 8.509,80, waarvan USD 1.102,80 brandstoftoeslag. Op de AWB staat de aanduiding “freight collect”, wat betekent dat ‘Van der Deijl’ verantwoordelijk is voor de kosten van de vracht.
4.367. Voorts is volgens Equilib op de als productie 18 overgelegde AWB met nummer 129-40026442 te zien dat dit een vlucht van Ecuador naar Nederland betreft met Martinair op 6 januari 2001 voor een zending van 28 dozen rozen à 573 kg. Als ‘consignee’ staat op de AWB ‘Florist Center C/O G. van der Deijl Noordwijk B.V.’ vermeld en dat G. van der Deijl Noordwijk B.V. (thans Van der Deijl Beheer) verantwoordelijk was voor de afhandeling van de luchtvracht, inclusief betaling van de kosten.
4.368. De luchtvaartmaatschappijen zetten hier het volgende tegenover. Op de als document Van der Deijl 1 overgelegde AWB staat, zoals Equilib ook stelt, dat betaald is via ‘collect’. Dit betekent volgens de luchtvaartmaatschappijen dat de consignee betaalt – en als consignee staat ‘Florist Center’. Wat betreft de als productie 18 overgelegde AWB erkennen de luchtvaartmaatschappijen dat deze luchtvracht is betaald door Van der Deijl Beheer. Deze luchtvrachtvervoersdienst heeft echter plaatsgevonden vóór de overgang van de bedrijfsactiviteiten van Van der Deijl Beheer op Van der Deijl Roses. De luchtvaartmaatschappijen stellen dat Equilib niet heeft aangetoond dat de vermeende vorderingen van Van der Deijl Beheer middels de activa-passivatransactie zijn overgegaan op Van der Deijl Roses.
4.369. De rechtbank is van oordeel dat ook Van der Deijl Beheer B.V. moet afvallen, om dat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Voor zover Van der Deijl Roses B.V. ook vorderingen aan Equilib heeft gecedeerd (wat de rechtbank niet duidelijk is), geldt dit ook voor haar. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. In aanvulling hierop geldt het volgende. Middels een activa-passivatransactie gaan in het algemeen slechts de uitdrukkelijk benoemde passiva (vorderingen) over; Equilib heeft niet, althans onvoldoende, toegelicht dat de (mogelijke) vorderingen Van der Deijl op de luchtvaartmaatschappijen als passiva via deze transactie op Van der Deijl Roses zijn overgegaan, dus daar kan niet vanuit worden gegaan. Dat betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat de vorderingen van Van der Deijl Beheer niet middels die transactie op Van der Deijl Roses zijn overgegaan. Met productie 18 heeft Equilib wel aangetoond dat Van der Deijl Beheer die luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en betaald, maar deze luchtvrachtvervoersdienst heeft echter plaatsgevonden vóór de overgang van de bedrijfsactiviteiten van Van der Deijl Beheer op Van der Deijl Roses. Met document 1 is wel aangetoond dat een Van der Deijl-vennootschap een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen (en betaald), maar niet welke.
Van Oord Shipmanagement B.V.
4.370. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (document Van Oord 1);
- een Excel-bestand met gegevens van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Van Oord 2);
- een screenshot van het Excel-bestand (document Van Oord 3).
4.371. Equilib stelt onder verwijzing naar de overgelegde e-mailwisseling met Van Oord Shipmanagement B.V. dat zij in eerste instantie twee datasheets met details en facturen uit 2005 en 2006 heeft ontvangen. Het Excel-bestand, dat Van Oord Shipmanagement B.V. van haar freight forwarder heeft ontvangen, ziet op de jaren 2003-2006 met daarin gedetailleerde data als de datum, het AWB-nummer, de plaats van vertrek en aankomst, het gewicht, de luchtvrachtkosten en de surcharges. Equilib verwijst verder naar het overgelegde screenshot met daarop een vlucht van Deutsche Lufthansa van Amsterdam naar Caracas op 31 augustus 2005 met vermelding van het AWB-nummer. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.372. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd, dat het overgelegde (screenshot van het) Excel-bestand en een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Bovendien volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat een Excel-bestand is verstrekt aan de litigation funder van Equilib.
4.373. De rechtbank is van oordeel dat Van Oord Shipmanagement B.V. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft wel een hoeveelheid data in het geding gebracht, waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten die Van Oord Shipmanagement B.V. heeft afgenomen van haar freight forwarder, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die door Van Oord Shipmanagement B.V. is afgenomen. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onvoldoende.
Van Rijn Trading
4.374. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- twee KvK-uittreksels (documenten Van Rijn 1 en 2);
- drie screenshots van het voormalige ERP-systeem met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (documenten Van Rijn 3 en 4).
4.375. Equilib stelt dat Van Rijn Trading B.V. (mede als rechtsopvolgster van Langfruit B.V.) op basis van haar eigen administratie (het voormalige ERP-systeem) via ‘exporten’ overzichten heeft gemaakt van haar uitgaven aan luchtvracht. Er is gedetailleerde informatie aangeleverd van iedere vracht die zij sinds 2004 heeft vervoerd, zoals de vertrekhaven, de aankomstluchthaven, het vluchtnummer, het AWB-nummer, de totale kosten en het volume uitgedrukt in pallets. Op de overgelegde screenshots is te zien dat de data in 2004 is ingevoerd en sindsdien niet meer is gewijzigd. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.376. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde screenshots van het overgelegde voormalige ERP-systeem alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn.
4.377. De rechtbank is van oordeel dat Van Rijn Trading B.V. moet afvallen in het vervolg van deze procedures omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft wel een hoeveelheid data uit het ERP systeem van Van Rijn Trading B.V. in het geding gebracht met daarin gedetailleerde informatie van iedere vracht die zij sinds 2004 heeft vervoerd, zoals vertrekhaven, aankomst (datum en tijd), vluchtnummer, AWB-nummer, totale kosten en volume maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die door Van Rijn Trading B.V. is afgenomen. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht –onvoldoende en ook onbegrijpelijk, nu Equilib wel stelt in het bezit te zijn van deze (gedetailleerde) informatie.
Vinkaplant
4.378. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een AWB voor een vlucht met Martinair van Juan Santamaria naar Amsterdam (document Vinkaplant 1);
- een brief van Vinkaplant B.V. (productie 19 bij repliek);
- een overzicht met bijbehorende AWB’s, waaronder een AWB voor een vlucht met Martinair van Las Américas International Airport naar Amsterdam (productie 20 bij repliek).
4.379. Partijen zijn het erover eens dat Vinkaplant B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door Vinkaplant B.V.
Vishay
4.380. Equilib handhaaft ten aanzien van deze partij haar vordering niet langer.
Volvo Trucks
4.381. Equilib heeft voor zover van belang de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (documenten Volvo Trucks 1 en 3-6);
- een Excel-bestand met totalen (document Volvo Trucks 2);
- Excel-bestanden met afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (documenten Volvo Trucks 7-8);
- een AWB voor een vlucht met LAN van Zweden naar Brazilië (document Volvo Trucks 10).
4.382. Partijen zijn het erover eens dat Volvo Logistics Corporation en Volvo Parts Corporation mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door Volvo Logistics Corporation en Volvo Parts Corporation.
Warnaco
4.383. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Excel-bestand met transactiegegevens (document Warnaco 1);
- een screenshot van het Excel-bestand (document Warnaco 2).
4.384. Equilib stelt dat het overgelegde bestand gedetailleerd is en onder meer de AWB-nummers, de datum, de code vertrekluchthaven en bestemming bevat alsmede 880 transacties (import van goederen uit Azië naar Amsterdam) uit de jaren 2001-2006 voor een totaalbedrag van € 4.075.067,37. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.385. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde bestand en screenshot alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder heeft Equilib voor Warnaco Incorporated geen specifieke stellingen ingenomen of stukken overgelegd en wordt alleen Warnaco B.V. in de overgelegde documenten als ‘consignee’ genoemd.
4.386. De rechtbank is van oordeel dat Warnaco Incorporated en Warnaco B.V. moeten afvallen in het vervolg van deze procedures. Voor Warnaco Incorporated heeft Equilib onweersproken geen specifieke stellingen ingenomen of stukken overgelegd en voor Warnaco B.V. is Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft wel een hoeveelheid data in het geding gebracht met daarin gedetailleerde informatie zoals AWB-nummers, datum, code vertekluchthaven en bestemming. Het bestand omvat, naar Equilib stelt, 880 transacties uit de jaren 2001 – 2006 voor een bedrag van ruim € 4 miljoen. Toch heeft zij verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die door Warnaco Warnaco B.V. is afgenomen. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk nu Equilib wel stelt in het bezit te zijn van deze (gedetailleerde) informatie.
Conclusie
4.387. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen blijkt voor (de vorderingen van) welke achterliggende partijen de procedures zullen worden voortgezet en welke achterliggende partijen zullen moeten afvallen.
4.388. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4.389. De rechtbank bepaalt op de voet van artikel 337 Rv dat van dit tussenvonnis (tussentijds) hoger beroep kan worden ingesteld.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
verstaat dat een regiezitting zal plaatsvinden op 27 en 28 juni 2023,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. A.E. de Vos en mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 24‑05‑2023
In eerdere vonnissen en in het proces-verbaal van 4 april 2022 wordt gesproken van ‘shipper(s)’; in dit vonnis zal de rechtbank de neutralere termen ‘achterliggende partij’ of ‘cedent’ gebruiken.
Zaak C-435/18, ECLI:EU:C:2019:1069
HvJ 6 oktober 2021, zaak C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumal), HvJ 13 juli 2006, zaak C295/04 - C298/04, ECLI:EU:C:2006:461 (Manfredi), HvJ 20 september 2001, zaak C453/99, ECLI:EU:C:2001:465 (Courage/Crehan)
Vgl. Conclusie AG Kokott voor het Otis-arrest, randnr. 59, 61.
Vgl. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404
Uitspraak 17‑01‑2018
Inhoudsindicatie
Prejudiciële vraag aan HR: Hoe dient het toepasselijk recht op een verbintenis (schadevergoedingsvordering) wegens ongeoorloofde mededinging aan de hand van artikel 4 lid 1 WCOD te worden bepaald ingeval van een grensoverschrijdende inbreuk op de mededingingsregels? Zie voor uitspraak HR ECLI:NL:HR:2018:345.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummers / rolnummers:
C/13/562256 / HA ZA 14-348 (SCC I) en C13/604492 / HA ZA 16-301 (SCC II)
Vonnis van 17 januari 2018
in de zaken van
de stichting
STICHTING CARTEL COMPENSATION,
gevestigd te Den Haag,
eiseres,
advocaat mr. J. van den Brande,
tegen
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap
MARTINAIR HOLLAND N.V. (hierna: Martinair),
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LUFTHANSA CARGO AG,
gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC.,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. D.J. Beenders,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIETE AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,
advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES LIMITED,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. Verloren van Themaat,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. Verloren van Themaat,
gedaagden.
Eiseres zal hierna SCC worden genoemd. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk de luchtvaartmaatschappijen worden genoemd. Gedaagden sub 1, 2 en 6 worden hierna gezamenlijk ook KLM c.s. genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 2 augustus 2017 (hierna: het tussenvonnis);
- -
de akte uitlaten rechtsvragen (392 Rv) van SCC;
- -
de akte uitlating prejudiciële vragen aan de Hoge Raad van KLM c.s.;
- -
de akten en/of B-formulieren van de overige luchtvaartmaatschappijen waarin deze zich aansluiten bij de inhoud van de akte van KLM c.s.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
2.1.
Bij het tussenvonnis zijn partijen op de voet van artikel 392 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het voornemen van de rechtbank om de Hoge Raad rechtsvragen te stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing alsmede over de inhoud van de te stellen vragen.
2.2.
SCC en de luchtvaartmaatschappijen hebben vervolgens akten genomen.
2.3.
SCC en de luchtvaartmaatschappijen scharen zich achter het voornemen van de rechtbank.
2.4.
SCC heeft over de inhoud van de te stellen vragen geen aanvullingen voorgesteld of opmerkingen gemaakt.
2.5.
De luchtvaartmaatschappijen hebben – kort weergegeven – de volgende opmerkingen gemaakt, die hieronder zullen worden besproken:
1. In het tussenvonnis is sprake van een aantal (onjuiste) feitelijke aannames waarvan bij de vraagstelling aan de Hoge Raad niet mag worden uitgegaan. Volgens de luchtvaartmaatschappijen:
a) dienen overwegingen over het bestaan, de reikwijdte en de omvang van het kartel in de vraagstelling achterwege te worden gelaten;
b) mag niet worden aangenomen dat sprake is geweest van een wereldwijd kartel dat al het vrachtvervoer omvatte;
c) mag niet worden aangenomen dat de vermeende inbreuk wereldwijd (dezelfde) impact zou hebben gehad;
d) zijn de feitelijke aannames omtrent de mededingingsbeperkende ‘afspraak’ onjuist of onvolledig.
2. In de vraagstelling aan de Hoge Raad mag niet worden uitgegaan van de veronderstelling dat concrete toepassing van artikel 4 lid 1 WCOD onwerkbaar zou zijn.
3. Het is van belang bij de vraagstelling rekening te houden met de standpunten van partijen in de andere door de rechtbank genoemde procedures.
Tot slot hebben de luchtvaartmaatschappijen een voorstel gedaan voor herformulering van de vragen.
Ad 1.a) overwegingen over het bestaan, de reikwijdte en de omvang van het kartel
dienen in de vraagstelling achterwege te worden gelaten
2.6.
De luchtvaartmaatschappijen stellen het volgende. Tot op heden heeft het partijdebat over het bestaan, de reikwijdte en de omvang van de vermeende wereldwijde inbreuk nog niet plaatsgevonden. Desondanks lijkt de rechtbank in diverse overwegingen in het tussenvonnis het bestaan van een wereldwijd kartel tot uitgangspunt te nemen (bijvoorbeeld onder 2.1) en te concretiseren hoe het kartel zou hebben geopereerd en wat de impact daarvan zou zijn geweest (onder 4.6, 4.11, 4.12, 4.16 en 4.20). Ook de door de rechtbank geformuleerde vragen duiden daarop. Verder zijn de stellingen van SCC over een beweerdelijke inbreuk onder meer gebaseerd op een besluit van 17 maart 2017 van de Europese Commissie (hierna: het besluit), waartegen de luchtvaartmaatschappijen beroep hebben ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie (hierna: het Gerecht). Een beoordeling van de stellingen van SCC aangaande de inbreuk zou onvermijdelijk en op ontoelaatbare wijze vooruitlopen op de beoordeling door het Gerecht.
2.7.
De rechtbank stelt voorop dat het gerechtshof Amsterdam in zijn arrest van 24 september 2013 in de zaak van Equilib Netherlands B.V. (zie onder 4.21 van het tussenvonnis) (ECLI:NL:GHAMS:2013:3013) heeft geoordeeld dat wanneer de ene partij zich ter ondersteuning van haar vorderingen beroept op een besluit van de Europese Commissie (hierna ook: de Commissie), het aan de andere partij, die de geldigheid van dat besluit betwist en wenst dat de zaak wordt aangehouden, is om:
a. aan te tonen dat zij tijdig beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld;
b. toe te lichten dat zij zich in de procedure ten overstaan van de Unierechter in redelijkheid verzet tegen het besluit van de Commissie;
c. de verweren aan de orde te stellen die zij in het geding wil voeren, zodat de nationale rechter kan beoordelen of en in hoeverre de beoordeling van die verweren afhangt van de geldigheid van het besluit van de Commissie.
En voorts dat op basis van de stukken en de daarbij gegeven toelichting de nationale rechter vervolgens kan beslissen of en in hoeverre de behandeling van de zaak moet worden aangehouden. Daarmee wordt recht gedaan aan enerzijds het belang van de eisende partij bij het voorkomen van onnodige vertraging in het verwezenlijken van haar aanspraken op vergoeding van door mededingingsinbreuk geleden nadeel en anderzijds het belang van de verwerende partij bij het beperken van kosten voor het voeren van verweer tegen die aanspraken zolang de geldigheid van het besluit van de Commissie niet onherroepelijk vaststaat, aldus het hof.
2.8.
Vervolgens is met partijen tijdens de regiezitting op 1 april 2015 afgesproken dat het in het belang van een efficiënte procesvoering is om steeds een onderdeel van het onderhavige geschil tot onderwerp van debat en beslissing te maken. In lijn hiermee is op de regiezitting van 22 juni 2016, zoals neergelegd in het proces-verbaal, nader afgesproken dat: “eerst een debat over het toepasselijk recht (in abstracto) [zal] plaatsvinden, waarna de rechtbank op dit punt vonnis zal wijzen”. Dit debat over het toepasselijk recht in abstracto heeft vervolgens ook plaatsgevonden. Daarna is het tussenvonnis gewezen, waarin onder 4.1 is overwogen: “zoals met partijen is afgesproken, ligt in dit stadium de vraag voor wat het toepasselijk recht is op de (aan SCC gecedeerde) schadevergoedingsvorderingen van de shippers”.
De rechtbank heeft deze afspraken met partijen gemaakt omdat die de proceseconomie dienen. Voor de voortgang van de procedure is het immers van essentieel belang om een zinvol debat te kunnen voeren over de ingestelde vorderingen met toepassing van het juiste recht. Dat het partijdebat over het bestaan, de reikwijdte en de omvang van de vermeende wereldwijde inbreuk in deze procedure nog niet heeft plaatsgevonden, maakt niet dat niet reeds nu over een voorvraag, zoals de onderhavige vraag naar het toepasselijk recht in abstracto, een beslissing kan worden genomen en, zo nodig, prejudiciële vragen aan de Hoge Raad kunnen worden gesteld.
2.9.
Aan de luchtvaartmaatschappijen kan worden toegegeven dat zolang het Gerecht nog niet heeft beslist het besluit van de Commissie niet bindend is en de exacte omvang van het kartel derhalve nog niet vaststaat. In die zin is het tussenvonnis in een aantal overwegingen mogelijk wat te stellig. Dat het besluit nog niet definitief is had duidelijker tot uitdrukking kunnen worden gebracht door te overwegen dat de rechtbank voor de beantwoording van de vraag naar het toepasselijk recht (in abstracto) veronderstellenderwijs er vanuit gaat dat sprake is van een wereldwijd kartel. Deze (rechts)vraag kan worden beantwoord zonder dat zekerheid bestaat over de exacte omvang van het vermeende kartel. Het tussenvonnis en het hierna volgende moet dan ook aldus worden gelezen en begrepen. Dat die veronderstelling niet uit de lucht is gegrepen, blijkt ook uit (de meest recente versie van) het nieuwe besluit van de Commissie, waarin is vastgesteld dat de inbreuk ziet op air transport:
- -
between airports in the EEA;
- -
between airports in the EU and airports in countries outside the EEA (except Switzerland);
- -
between airports in the EU and Switzerland;
- -
between airports in Contracting Parties to the EEA Agreement not being Member States and airports in third countries.
Op basis hiervan zal in het navolgende worden gesproken van een ‘wereldwijd kartel’.
Ad 1.b) niet mag worden aangenomen dat er sprake is geweest van een wereldwijd kartel dat al het vrachtvervoer omvatte
2.10.
De luchtvaartmaatschappijen stellen het volgende. Het bestaan van een ‘wereldwijde inbreuk’ die betrekking had op ‘al het vrachtvervoer’ volgt niet uit de documenten van de diverse mededingingsautoriteiten waarop SCC zich beroept. Geen van de door SCC aangehaalde besluiten heeft betrekking op het wereldwijde vrachtvervoer van de betrokken ondernemingen en blijkens de feiten en de eigen vaststellingen van de desbetreffende mededingingsautoriteiten was er geen sprake van een wereldwijde inbreuk die al het vrachtvervoer omvatte. Op lang niet alle routes werden brandstoftoeslagen gehanteerd. In sommige staten werden toeslagen door toezichthoudende instanties niet toegestaan, terwijl in andere staten een deel van de luchtvaartmaatschappijen geen toeslagen hanteerde en in sommige staten de afstemming van de toeslagen werd aangemoedigd, geautoriseerd of zelfs afgedwongen. Dit is in zekere mate in het besluit van de Commissie onderkend door een korting toe te passen op de boetes van alle luchtvaartmaatschappijen van 15%, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
2.11.
De discussie die de luchtvaartmaatschappijen hier opwerpen is niet van belang voor de vraag naar het toepasselijk recht (in abstracto). Vaststaat dat, wat er ook zij van de exacte omvang en reikwijdte van het kartel, het in ieder geval gaat om zeer veel vluchten van en naar zeer veel landen ter wereld (zie hiervoor onder 2.9). Dat aangenomen mag worden dat het kartel (indien dit komt vast te staan) effect heeft gehad op (de prijsvorming ten aanzien van) zeer veel vluchten van en naar zeer veel landen ter wereld is het uitgangspunt geweest bij – en relevant voor (de beantwoording van) – de door de rechtbank geformuleerde vragen.
Ad 1.c) niet mag worden aangenomen dat de vermeende inbreuk wereldwijd dezelfde impact zou hebben gehad
2.12.
De luchtvaartmaatschappijen stellen het volgende. De aanname van de rechtbank in het tussenvonnis dat de impact van de prijsafspraken wereldwijd hetzelfde was, is prematuur en onjuist. De hoogte en het bestaan van de brandstoftoeslagen verschilden gedurende de vermeende inbreukperiode van staat tot staat en de toeslagen vormden slechts een onderdeel van de totale prijs die voor het luchtvrachtverkeer in rekening werd gebracht. Afstemming met betrekking tot de toeslagen heeft slechts dan een effect op de totale prijs, als die afstemming is gecombineerd met afstemming over de andere elementen van de totale prijs, zoals de ‘base rate’. Is die afstemming er niet, dan brengt het zogenoemde ‘waterbed-effect’ met zich dat een hypothetische verhoging van toeslagen steeds een corresponderende verlaging van de ‘base rate’ tot gevolg heeft. Zonder afstemming van het volledige tarief is het dus niet aannemelijk dat de totaalprijzen negatief werden beïnvloed door de beweerde inbreuken, aldus de luchtvaartmaatschappijen.
2.13.
Ook de hier opgeworpen discussie is niet van belang voor de vraag naar het toepasselijk recht (in abstracto). Voor (de beantwoording van) die vraag is slechts van belang dat (veronderstellenderwijs) aangenomen mag worden dat het kartel effect heeft gehad op (de prijsvorming ten aanzien van) zeer veel vluchten van en naar zeer veel landen ter wereld. Of het door de luchtvaartmaatschappijen hier gestelde juist is en of de impact van het kartel in alle relevante landen hetzelfde is geweest, zal op een later moment aan de hand van het toepasselijk recht kunnen en moeten worden beoordeeld. In zoverre komt de rechtbank derhalve terug van rechtsoverweging 4.6 in het tussenvonnis.
Ad 1.d) de feitelijke aannames omtrent de mededingingsbeperkende ‘afspraak’ zijn onjuist of onvolledig
2.14.
De luchtvaartmaatschappijen stellen dat de aanname in het tussenvonnis (onder 4.6 en 4.14) dat de luchtvaartmaatschappijen één afspraak op één moment vanuit hun hoofdkantoren hebben gemaakt om de concurrentieverhoudingen te beïnvloeden, onjuist is. De verweten gedragingen betreffen zowel het niveau van de hoofdkantoren alsmede het niveau van de landelijke (of zelfs regionale) organisaties van de luchtvaartmaatschappijen, die niet alleen in Europa maar ook daarbuiten plaatsvonden, en niet alleen bestonden uit daadwerkelijke bijeenkomsten maar ook uit e-mail en telefoonverkeer. Tot op heden is er geen procesdebat geweest over de kwalificatie van de vermeende afspra(a)k(en) tussen de luchtvaartmaatschappijen, zodat de plaats van vestiging van de hoofdkantoren van de luchtvaartmaatschappijen als ‘fictief’ Handlungsort geen juist aanknopingspunt vormt, aldus de luchtvaartmaatschappijen.
2.15.
Deze stellingen berusten op een onjuiste lezing van het tussenvonnis. De rechtbank is er in het tussenvonnis niet van uitgegaan dat de afspra(a)k(en) om de concurrentie-verhoudingen te beïnvloeden werd(en) gemaakt op de hoofdkantoren van de luchtvaartmaatschappijen. In het tussenvonnis is onder 4.14 opgenomen dat (vertegenwoordigers van) de hoofdkantoren van de luchtvaartmaatschappijen de toeslagen dwingend hebben voorgeschreven. Het ligt niet voor de hand om aan te nemen dat dergelijke prijsafspraken op lokaal niveau zouden worden gemaakt. De rechtbank gaat er vanuit dat de (vermeende) prijsafspraken met betrekking tot de toepassing van toeslagen zijn gemaakt op gezag van (vertegenwoordigers van) de hoofdkantoren van de luchtvaartmaatschappijen en dat de afspraken in die zin zijn gemaakt vanuit de staat waar de luchtvaartmaatschappijen zijn gevestigd (waarbij niet relevant is waar ter wereld die afspraken feitelijk zijn gemaakt).
2.16.
In het tussenvonnis is onder 4.14 voorts uiteengezet dat mede in het licht hiervan de rechtbank geen reden ziet aansluiting te zoeken bij het door de luchtvaartmaatschappijen voorgestelde aanknopingspunt, te weten de luchthaven van vertrek. De door de luchtvaartmaatschappijen in hun akte voorgestelde vraag betreffende aanknoping bij het recht van de staat waar vraag en aanbod samenkomen, zal dan ook niet worden overgenomen.
Ad 2. In de vraagstelling aan de Hoge Raad mag niet worden uitgegaan van de veronderstelling dat concrete toepassing van artikel 4 lid 1 WCOD onwerkbaar zou zijn
2.17.
De luchtvaartmaatschappijen stellen dat slechts nadat het debat over het toepasselijk recht in abstracto is gevoerd en pas nadat vervolgens het toepasselijk nationaal recht op de verbintenissen van SCC in concreto is bepaald aan de hand van de door SCC nog in het geding te brengen air waybills, kan worden getoetst of de toepassing van de verwijzingsregel van artikel 4 lid 1 WCOD het voor een of meer shippers uiterst moeilijk of onmogelijk zou maken om het beweerde recht op schadevergoeding geldend te maken. Door het oordeel in het tussenvonnis onder 4.11 loopt de rechtbank te zeer op het partijdebat vooruit. De luchtvaartmaatschappijen maken er bezwaar tegen dat in de vraagstelling aan de Hoge Raad als uitgangspunt zou worden genomen dat concrete toepassing van de marktregel van artikel 4 lid 1 WCOD onwerkbaar zou zijn. Dit punt dient volgens de luchtvaartmaatschappijen ‘open’ in de vraagstelling aan de Hoge Raad te worden voorgelegd.
2.18.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis onder 4.11 overwogen dat de ‘marktregel’ van artikel 4 lid 1 WCOD in het geval van een kartel als het onderhavige (dat effect heeft gehad op (de prijsvorming ten aanzien van) zeer veel vluchten van en naar zeer veel landen ter wereld) niet tot een werkbaar resultaat zal leiden. De rechtbank heeft onder 4.11 en 4.12 van het tussenvonnis (slechts) duidelijk willen maken dat toepassing van de marktregel niet tot een werkbaar resultaat leidt indien een kartel, zoals hier, de concurrentieverhoudingen in meerdere staten heeft beïnvloed waardoor (in theorie en dus in abstracto) op een individuele vordering uit onrechtmatige daad van een shipper meerdere rechtsstelsels van toepassing (kunnen) zijn (zonder dat artikel 4 lid 1 WCOD een voorrangsregel geeft). Voorstelbaar (en zelfs waarschijnlijk) is immers dat de onrechtmatige-daadvordering van één shipper gebaseerd is op meerdere vluchten van en naar verschillende landen. Daar komt bij (zoals overwogen onder 4.18 van het tussenvonnis) dat ook indien de marktregel van artikel 4 WCOD voor iedere vordering van een individuele shipper één rechtsstelsel aanwijst (in het geval aan aanknoping bij de plaats van vestiging van de gelaedeerde (shipper) bijvoorbeeld, waarop rechtsoverweging 4.18 ziet), de rechtbank zich alsnog gesteld ziet voor een veelheid aan rechtsstelsels (terwijl sprake is van één en hetzelfde kartel en dus van één en dezelfde mededingingsrechtelijke inbreuk).
De rechtbank blijft dan ook bij hetgeen onder 4.11 van het tussenvonnis is overwogen.
Ad 3. Het belang bij de vraagstelling rekening te houden met de standpunten in de andere door de rechtbank genoemde procedures
2.19.
De rechtbank acht het met de luchtvaartmaatschappijen zeer gewenst dat de standpunten van de partijen in de andere in het tussenvonnis onder 4.21 genoemde zaken betrokken worden bij het debat over het toepasselijk recht (in abstracto). De rechtbank ziet het echter niet als haar taak om de door die andere partijen (in die andere zaken) ingenomen standpunten (voor zover zij dat al hebben gedaan) in dit vonnis uiteen te zetten en mee te nemen. De rechtbank wijst in dit kader op artikel 393 lid 2 Rv, dat de Hoge Raad de mogelijkheid geeft om anderen dan partijen in de gelegenheid te stellen om schriftelijke opmerkingen te maken. Equilib (eiseres is een van de andere bij deze rechtbank aanhangige procedures over het onderhavige kartel) heeft de rechtbank verzocht haar standpunt – dat afwijkt van de standpunten die SCC en de luchtvaartmaatschappijen innemen – op te nemen in dit vonnis. De rechtbank ziet hiervan af omdat in de Equilib-procedure nog geen (volledig) debat over het toepasselijk recht heeft plaatsgevonden. Overigens moet hier worden vermeld dat een van de onder 4.21 van het tussenvonnis genoemde zaken (die tussen KLM c.s. en Barnsdale) op verzoek van partijen eind 2017 is doorgehaald.
Ad 4. Voorstel voor (her)formulering van de vragen
2.20.
De luchtvaartmaatschappijen hebben in hun akte de door de rechtbank geformuleerde vragen geherformuleerd en verzoeken de rechtbank deze herformulering in overweging te nemen. Aan dit verzoek zal de rechtbank met inachtneming van het voorgaande deels gehoor geven.
2.21.
De onder de beslissing genoemde vragen zullen aan de Hoge Raad worden voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.
artikel 392 Rv
2.22.
Artikel 392 lid 3, eerste volzin, Rv schrijft voor dat de beslissing waarbij de vra(a)g(en) worden gesteld ook het onderwerp van geschil, de door de rechter vastgestelde feiten en de door partijen ingenomen standpunten vermeldt.
2.23.
Het onderwerp van geschil is, kort gezegd, of de luchtvaartmaatschappijen onrechtmatig hebben gehandeld jegens de shippers door prijsafspraken te maken met betrekking tot de toepassing van toeslagen in de relevante periode en of de luchtvaartmaatschappijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de shippers daardoor volgens SCC hebben geleden. De vorderingen van SCC zijn weergegeven in het tussenvonnis onder 3.1. In dit stadium van de procedure ligt in het bijzonder de vraag voor naar het toepasselijk recht (in abstracto) op de aan SCC gecedeerde schadevergoedings-vorderingen.
2.24.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis, onder 2.1 tot en met 2.10, een aantal relevante feiten vastgesteld. In het tussenvonnis zijn onder 4.2 tot en met 4.5 de standpunten van partijen ten aanzien van de (wijze van) vaststelling van het toepasselijk recht reeds weergegeven. Het standpunt van de luchtvaartmaatschappijen hieromtrent is in dit vonnis nader uiteenzet onder 2.6, 2.9, 2.11, 2.13 en 2.15.
2.25.
Artikel 392 lid 3, tweede volzin, Rv schrijft voor dat de beslissing waarbij de vra(a)g(en) worden gesteld tevens een uiteenzetting bevat dat met de beantwoording van de vra(a)g(en) wordt voldaan aan onderdeel a of b van het eerste lid.
2.26.
De rechtbank heeft die uiteenzetting in het tussenvonnis onder 4.20 en 4.21 reeds gegeven.
2.27.
Zoals voorgeschreven in artikel 392 lid 5 Rv zal iedere verdere beslissing worden aangehouden totdat een afschrift van de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
stelt de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende rechtsvragen:
I. Hoe dient het toepasselijk recht op een verbintenis (schadevergoedingsvordering) wegens ongeoorloofde mededinging aan de hand van artikel 4 lid 1 WCOD te worden bepaald ingeval van een grensoverschrijdende inbreuk op de mededingingsregels?
(i). Dient bij de concrete toepassing van artikel 4 lid 1 WCOD in dit verband worden aangeknoopt bij
a. het Nederlands recht als het recht van de staat (althans een van de staten) waar het veronderstelde wereldwijde kartel de concurrentieverhoudingen heeft beïnvloed?
Dient, indien vraag I (i).a. ontkennend moet worden beantwoord, te worden aangeknoopt bij
b. het recht van de staat van vestiging van de betreffende luchtvaartmaatschappij(en)?
c. het recht van de staat van vestiging van de gelaedeerde(n)?
d. het recht van een andere staat?
II. Maakt het voor de beantwoording van vraag I naar het toepasselijk recht uit of de geografische reikwijdte van de gestelde inbreukmakende gedragingen (i) wereldwijd is, (ii) gelijk aan het geografisch toepassingsgebied van artikel 101 VWEU, artikel 52 van de EER-Overeenkomst en/of van artikel 8 Zwitserse overeenkomst is, en (iii) minder verstrekkend is?,
3.2.
draagt de griffier op onverwijld een afschrift van dit vonnis en een afschrift van het tussenvonnis aan de Hoge Raad te zenden,
3.3.
draagt de griffier op afschriften van andere op de procedure betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad te zenden,
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. A.E. de Vos en mr. M.E.M. James-Pater, rechters, bijgestaan door mr. J.P. van der Stouwe, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2018.
Uitspraak 02‑08‑2017
Inhoudsindicatie
Luchtvaartkartel. Rechtsgeldigheid cessies aan litigation vehicle. Stelplicht en bewijslast. Niet in strijd met fiduciaverbod. Vorderingen voldoende bepaalbaar, akten van cessie bevatten voldoende gegevens om te kunnen vaststellen om welke vorderingen het gaat.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
Vonnis van 2 augustus 2017
in de zaken
met zaaknummers / rolnummers:
C/13/562256 / HA ZA 14-348 (SCC I) en C13/604492 / HA ZA 16-301 (SCC II)
van
de stichting
STICHTING CARTEL COMPENSATION,
gevestigd te Den Haag,
eiseres,
advocaat mr. J. van den Brande,
tegen
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap
MARTINAIR HOLLAND N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LUFTHANSA CARGO A.G.,
gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC.,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. D.J. Beenders,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIETE AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,
advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES LIMITED,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. Verloren van Themaat,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. Verloren van Themaat,
gedaagden.
Eiseres zal hierna SCC worden genoemd. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk de luchtvaartmaatschappijen worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het vonnis in incident van 25 maart 2015 (SCC I), met de daarin genoemde processtukken;
- -
het proces-verbaal van de regiezitting van 1 april 2015 (SCC I), met de daarin genoemde (proces)stukken;
- -
het aanvullend vonnis in incident van 1 juli 2015 (SCC I), waarbij het vonnis van 25 maart 2015 is aangevuld;
- -
het vonnis in incident van 13 april 2016 (SCC II) waarin SCC II is gevoegd met SCC I;
- -
het proces-verbaal van de regiezitting van 22 juni 2016 (SCC I en SCC II), met de daarin genoemde (proces)stukken;
- -
het vonnis in incident van 21 september 2016 (SCC II), met de daarin genoemde processtukken;
- -
het aanvullend vonnis van 16 november 2016 (SCC II), waarbij het vonnis van 21 september 2016 is aangevuld;
- -
het vonnis in incident van 12 april 2017 (SCC I en SCC II), met de daarin genoemde processtukken;
- -
het proces-verbaal van pleidooi van 18 mei 2017 (SCC I en SCC II), met de daarin genoemde processtukken.
1.2.
Vandaag doet de rechtbank tevens uitspraak in SCC I en SCC II over het toepasselijk recht op de (aan SCC gecedeerde) schadevergoedingsvorderingen van de shippers.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
In documenten van diverse mededingingsautoriteiten, waaronder die in de Europese Unie, Australië, Brazilië, Zuid-Afrika en Zuid-Korea, en in documenten in verband met gerechtelijke procedures in Australië, Canada en de Verenigde Staten van Amerika, is opgenomen dat door betrokken kartelleden hun deelname aan het kartel is erkend en dat tussen de kartelleden, waaronder (volgens SCC) de luchtvaartmaatschappijen, concurrentiebeperkende afspraken zijn gemaakt met betrekking tot al het vrachtvervoer dat tussen de kartelleden wereldwijd werd verzorgd in grotendeels dezelfde periode, in ieder geval in de periode 2000 - 2006.
2.2.
In een persbericht heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) opgenomen dat zij in een besluit van 9 november 2010 heeft geoordeeld dat vanaf december 1999 tot 14 februari 2006 brandstof- en veiligheidstoeslagen zijn gecoördineerd ten aanzien van vluchten van, naar en binnen de Europese Economische Ruimte en Zwitserland door diverse luchtvaartmaatschappijen. Aan elf luchtvaartmaatschappijen, zo is opgenomen in dat persbericht, zijn geldboetes opgelegd voor een totaalbedrag van € 799.445.000,-- voor deelname aan een internationaal kartel.
2.3.
Tegen dit besluit (hierna: het oude besluit) is door alle twintig geadresseerden daarvan, met uitzondering van Qantas Airways Limited, beroep ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie (hierna: het Gerecht). Bij arresten van 16 december 2015 heeft het Gerecht de beroepen gegrond verklaard en het oude besluit van de Commissie (ten aanzien van British Airways Plc. gedeeltelijk) nietig verklaard. De Commissie heeft geen beroep ingesteld tegen deze arresten.
2.4.
British Airways Plc. heeft tegen het oude besluit een hogere voorziening ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. Deze procedure loopt nog.
2.5.
In een persbericht heeft de Commissie opgenomen dat zij in een besluit van 17 maart 2017 wederom heeft geoordeeld dat in de hiervoor onder 2.2. genoemde periode sprake was van een internationaal kartel en dat zij aan elf luchtvaartmaatschappijen geldboetes heeft opgelegd voor een totaalbedrag van € 776.465.000,-- voor deelname aan dat kartel (Besluit van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 53 van de EER-overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (Zaak AT.39258 – Luchtvracht)) (hierna: het nieuwe besluit). Het nieuwe besluit is nog niet gepubliceerd. Het merendeel van de geadresseerden van het nieuwe besluit was ten tijde van het pleidooi op 18 mei 2017 voornemens om tegen dit besluit beroep in te stellen bij het Gerecht.
2.6.
Er zijn, zo stelt SCC, brandstoftoeslagen en andere toeslagen aan de afzenders van goederen die luchtvrachtdiensten hebben afgenomen (hierna: de shippers) in rekening gebracht via expediteurs (of freight forwarders).
2.7.
SCC is een Nederlandse stichting die speciaal is opgericht om schadevergoedings-vorderingen (die zijn ontstaan door mededingingsrechtelijke inbreuken) in rechte te verhalen (ook wel genoemd een ‘litigation vehicle’ of ‘claim vehicle’), in dit geval de vorderingen die een aantal shippers meent te hebben op de luchtvaartmaat-schappijen ter zake van het hiervoor bedoelde kartel. SCC is opgericht door Omni Bridgeway, een vennootschap die zich bezig houdt met het financieren en begeleiden van bedrijven bij het terugvorderen van verliezen die zij hebben geleden als gevolg van illegale prijsafspraken. Omni Bridgeway is tevens enig bestuurder van SCC.
2.8.
SCC koopt de vorderingen op, bundelt deze en gaat deze vervolgens in eigen naam innen. Hiertoe laat SCC haar ‘cliënten’ (in dit geval de shippers) hun (vermeende) vorderingen aan haar cederen. De door SCC overgelegde cessiedocumentatie – van uiteindelijk 266 shippers (die op de lijst staan die door SCC is overgelegd als productie 56) – betreft de cessieovereenkomsten tussen deze shippers als cedenten en SCC als cessionaris (Assignment Debt & Purchase Agreements, ADPA’s), de akten van cessie tussen de shippers en SCC (Assignments) en de bevestiging van de shippers ten aanzien van de scope en de omvang van de door hen aan SCC overgedragen vorderingen (Ackowledgment & Clarifications, A&C’s).
2.9.
Onder de 266 shippers bevinden zich (groepsmaatschappijen van) de Duitse ondernemingen Siemens A.G. en Infineon Technologies A.G.
2.10.
De shippers zijn – in het kader van deze procedure – door SCC onderverdeeld in drie groepen. De eerste groep shippers omvat de shippers die in (de lijst overgelegd als productie 1 bij) de dagvaarding in de SCC I procedure zijn genoemd. De tweede groep shippers omvat de shippers die in (de lijst overgelegd als productie 44 bij) de akte wijziging eis van 13 mei 2015 in de SCC I procedure, alsook in (de lijst overgelegd als productie 1 bij) de dagvaarding in de SCC II procedure zijn genoemd. In de lijst overgelegd als productie 1 bij de dagvaarding in de SCC II procedure is tevens de derde groep shippers opgenomen.
2.11.
SCC heeft verder, voor zover van belang, interne cessiedocumentatie met betrekking tot (shippers die behoren tot) de Siemens groep en de Infineon groep overgelegd. Volgens SCC hebben binnen die groepen sommige groepsmaatschappijen hun vorderingen eerst op basis van een Agreement on the Sale, Assignment and Transfer of Rights (ASATR) intern aan de moedermaatschappij overgedragen. Daarnaast hebben de betreffende groepsmaatschappijen de moedermaatschappij op basis van een Agency Agreemeent (AA) gemachtigd om hun vorderingen namens hen aan SCC over te dragen en/of namens hen tegen de luchtvaartmaatschappijen in te (laten) stellen. Volgens SCC heeft de moedermaatschappij de betreffende vorderingen van de groepsmaatschappijen vervolgens op basis van de betreffende cessieovereenkomst aan SCC overgedragen. Ten aanzien van andere groepsmaatschappijen heeft de moedermaatschappij hun vorderingen aan SCC overgedragen door de cessieovereenkomst mede namens deze groepsmaatschappijen aan te gaan. De betreffende groepsmaatschappijen hebben deze vertegenwoordiging door de moedermaatschappij vervolgens bevestigd in zogenaamde ‘Confirmations’, aldus steeds SCC.
2.12.
De cessieovereenkomsten (ADPA’s) tussen de shippers (die geen onderdeel van een van de hiervoor onder 2.11. genoemde groepen uitmaken) en SCC luiden als volgt, voor zover hier relevant:
“A. Background
I. The Assignor:
( i) purchased international air cargo services for routes to, from and/or within Europe between 1 January 2000 and 31 December 2006, either directly or indirectly (for example through a freight forwarder);
(ii) is likely to be entitled to recover the amount overpaid for those services as a
result of the illegal and anti competitive price-fixing which is detailed in Schedule
A; (…)
II. The Assignor and the Cartel Compensation Foundation have agreed that:
i. i) the Assignor will sell and transfer that claim to Cartel Compensation Foundation and (ii) Cartel Compensation Foundation will pay a purchase price comprising the possibility that the Claim will yield a return for the Assignor, plus (...)% of the recovery actually received, on the terms detailed below.
B. Terms
(…) 1.1. In this agreement, the terms below have the following meanings:
(…) 1.1.5. Claim The claim of the Assignor referred to in clauses I (i) and I (ii) of the Background of this agreement set out above, plus any similar or related claim. (…)
2. Assignment
2.1.
In consideration of the Purchase Price the Assignor hereby sells, assigns and transfers in full, and Cartel Compensation Foundation hereby buys and acquires complete legal and beneficial ownership, title and interest in, the Claim and all rights and entitlements incidental in any way thereto, including but not limited to the right to bring suit for the Claim as the owner thereof in Proceeding whatsoever. (…)”.
In deze cessieovereenkomsten is steeds een rechtskeuze voor Frans recht opgenomen.
2.13.
De cessieovereenkomst (ADPA) tussen de moedermaatschappij van de Siemens groep, Siemens A.G., en SCC luidt als volgt, voor zover hier relevant:
“A. Background
I. The Assignor and its Affiliates:
( i) purchased international air cargo services for global shipping routes between 1 January 2000 and 31 December 2006, either directly or indirectly (for example, through a freight forwarder);
(ii) are likely to be entitled to recover the amount overpaid for those services as a
result of the illegal and anti competitive price-fixing which is detailed in Schedule
A; (…)
II. The Assignor and the Cartel Compensation Foundation have agreed that:
i. i) the Assignor will sell and transfer, on its own behalf and in name and on behalf of its Affiliates, those claims to Cartel Compensation Foundation to the maximum extent it has capacity to do so; and
(ii) Cartel Compensation Foundation will pay a purchase price comprising the possibility that the claims will yield a return for the Assignor and its Affiliates, plus (...)% of the recovery actually received, on the terms detailed below.
B. Terms
(…) 1.1. In this agreement, the terms below have the following meanings:
(…) 1.1.6. Claims The claims of the Assignor and its Affiliates as described in Section 1 of the Background of this Agreement set out above, plus any similar or related claims, relating to international air cargo services from Defendants. (…)”
2. Assignment
2.1.
To the maximum extent it has capacity to do so and in consideration of the Purchase Price the Assignor - on its own behalf and in the name and on behalf of its Affiliates - hereby sells, assigns and transfers in full, and Cartel Compensation Foundation hereby buys and acquires complete legal and beneficial ownership, title and interest in, the Claims and all rights and entitlements incidental in any way thereto, including but not limited to the right to bring suit for the Claims as the owner thereof in any Proceeding whatsoever. (…)”.
In deze cessieovereenkomst is een rechtskeuze voor Nederlands recht opgenomen.
2.14.
De cessieovereenkomst (ADPA) tussen de moedermaatschappij van de Infineon groep, Infineon Technologies A.G., en SCC luidt, voor zover hier relevant:
“A. Background
I. The Assignor:
( i) purchased international air cargo services for routes to, from and/or within Europe between 1 January 2000 and 31 December 2006, either directly or indirectly (for example, through a freight forwarder);
(ii) are likely to be entitled to recover the amount overpaid for those services as a result of the illegal and anti competitive price-fixing which is detailed in Schedule A; (…)
II. The Assignor and the Cartel Compensation Foundation have agreed that:
( i) the Assignor will sell and transfer the Claim to Cartel Compensation Foundation and
(ii) Cartel Compensation Foundation will pay a purchase price comprising the possibility that the Claim will yield a return for the Assignor, plus (...)% of the recovery actually received, on the terms detailed below.
B. Terms
(…) 1.1. In this agreement, the terms below have the following meanings:
(…) 1.1.2. Assignor The party other than Cartel Compensation Foundation that has executed this agreement, and that party’s successors, heirs or assignees (as the case may be), for itself and as representative of its affiliates as set out in Schedule 1 hereto (the “Affiliates”).
(…) 1.1.5. Claim The claim of the Assignor referred to in clauses I (i) and I (ii) of the Background of this agreement set out above, plus any similar or related claim, and any of such claims of the Affiliates. (…)”
2. Assignment
2.1.
In consideration of the Purchase Price the Assignor hereby sells, assigns and transfers in full, and Cartel Compensation Foundation hereby buys and acquires complete legal and beneficial ownership, title and interest in, the Claim and all rights and entitlements incidental in any way thereto, including but not limited to the right to bring suit for the Claims as the owner thereof in any Proceeding whatsoever. (…)”.
In deze cessieovereenkomst is een rechtskeuze voor Frans recht opgenomen.
2.15.
De cessieovereenkomst (ADPA) tussen de moedermaatschappij van de STM groep, STMicroelectronics International N.V. en SCC luidt, voor zover hier relevant:
“A. Background
I. The Assignor (either directly or through its affiliated companies):
( i) purchased international air cargo services for routes to, from and/or within Europe between 1 January 2000 and 31 December 2006, either directly or indirectly (for example through a freight forwarder);
(ii) is likely to be entitled to recover the amount overpaid for those services as a result of the illegal and anti competitive price-fixing which is detailed in Schedule A; (…)
II. The Assignor and the Cartel Compensation Foundation have agreed that:
( i) the Assignor will sell and transfer (and/or will cause its relevant affiliated companies to sell and transfer) that claim to Cartel Compensation Foundation; and
(ii) Cartel Compensation Foundation will pay a purchase price comprising the possibility that the Claim will yield a return for the Assignor, plus (…)% of the recovery actually received,
on the terms detailed below.
B. Terms
(…) 1.1. In this agreement, the terms below have the following meanings:
(…) 1.1.5. Claim The claim of the Assignor referred to in clauses I (i) and I (ii) of the Background of this agreement set out above, plus any similar or related claim. (…)
1.1.7.
Claims The claims of all Assignors which are similar or related to the Claim. (…)
2. Assignment
2.1.
In consideration of the Purchase Price the Assignor hereby sells, assigns and transfers (and will cause the affiliated companies listed in Schedule B to sell, assign and transfer) in full, and Cartel Compensation Foundation hereby buys and acquires complete legal and beneficial ownership, title and interest in, the Claim and all rights and entitlements incidental in any way thereto, including but not limited to the right to bring suit for the Claim as the owner thereof in Proceeding whatsoever.
(…)”.
In deze cessieovereenkomst is een rechtskeuze voor Frans recht opgenomen.
2.16.
De akten van cessie (Assignments) tussen de eerste groep shippers en SCC luiden als volgt, voor zover hier relevant:
“1. The Assignor (…)
a. purchased international air cargo services between 1 January 2000 and 31 December 2006; and
b. is likely to be entitled to recover the amount overpaid for those services as a result of illegal and anti competitive price-fixing, from members of a cartel in the market for provision of those services, the existence of which has been established by a decision of the European Commission announced 9 November 2010.
2. The Assigner hereby assigns and transfers in full, and Cartel Compensation Foundation, the Assignee, hereby takes complete legal and beneficial ownership, title and interest in, the Claim refererd to in the preceding paragraph, plus any similar or related claim, and all rights and entitlements incidental in any way thereto, including but not limited to the right to bring suit for that claim as the owner thereof in any Proceeding whatsoever.
3. In the proceeding paragraph Proceeding includes any judicial, quasi-judicial, arbitral, consensual mediation process, alternative dispute resolution process, appellate, informal process or process initiated by a defendant (…), and / or any similar process.”
De akten van cessie tussen de tweede groep shippers en SCC zijn gelijkluidend aan die tussen de eerste groep shippers en SCC, met dien verstande dat het gaat om luchtvracht-diensten tussen 1 januari 2000 en 31 december 2007. Voorts is niet gesteld of gebleken dat de akten van cessie tussen de derde groep shippers en SCC op wezenlijke punten afwijken van die tussen de tweede groep shippers en SCC.
2.17.
De bevestiging van de shippers over de scope en omvang van de aan SCC overgedragen vorderingen (Acknowledgements & Clarifications, hierna: A&C’s) luidt als volgt:
“This clarification serves to acknowledge and confirm in so far as necessary that the claim which is assigned by the Assignor to the SCC in a schedule to the Agreement, and which is equally the subject of the aforementioned schedule as well as the balance of the Agreement, includes, whether by virtue of the words “plus any similar or related claim” or otherwise, any and all claims relating to any and all air cargo services:
( a) for routes all over the world, from any origin to any destination; and
( b) between 1 January 2000 and 31 December 2007,
whether or not the subject of the decision of the European Commission annouced on 9 November 2010 in a press release with reference IP/10/1487, and that the operation of the Agreement in this manner was intended and meant by us at the time when the Agreement was originally made between us.”
Tussen Siemens A.G. en SCC is ook een dergelijke A&C gesloten waarin wordt verwezen naar vorderingen betreffende luchtvrachtverkeer in
“all years in which the amounts to be paid for international air cargo services were increased, or damage was otherwise suffered by the Assignor and its Affiliates (...)”.
2.18.
De cessieovereenkomsten tussen de groepsmaatschappijen die onderdeel zijn van de Siemens groep en Siemens A.G. (ASATR’s) luiden als volgt, voor zover hier relevant:
“WHEREAS, 14 airlines and their respective affiliates (“AIRLINES”) are likely to have illegally fixed fuel and security surcharge on all shipments and, by means of a cartel, artificially inflated their international air freight charges within the European Economic Area between December 1999 and February 2006 (the “CARTEL PERIOD”);
WHEREAS, the European Commission imposed fines totaling € 799m against most of the AIRLINES in November 2010;
WHEREAS, ASSIGNOR is an affiliated company of ASSIGNEE that directly and/or indirectly purchased during the CARTEL PERIOD international air freight services from all or any of the AIRLINES within, from or to Europe and, as a result of the illegal price fixing of fuel and surcharges by the AIRLINES, has suffered economic and financial loss and damage due to payment of increased freight charges;
WHEREAS, ASSIGNOR has compensation claims against the AIRLINES
for the economic and financial loss and damage it suffered as a result of the illegal and anti competitive pricefixing (“CLAIMS”);
WHEREAS, in addition to the CLAIMS, ASSIGNOR has rights ancillary to the CLAIMS,
including but not limited to unilateral rights of declaration (…) and dependent and independent rights, including but not limited to interest (…) under or in connection with the CLAIMS (“ACCESSORY RIGHTS”);
WHEREAS, ASSIGNEE intends to sell, assign and transfer the CLAIMS and ACCESSORY
RIGHTS to an external litigation service provider (“SERVICE PROVIDER”) in order to enforce
the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS against all or any AIRLINES and gain compensation from the AIRLINES which shall be distributed among ASSIGNEE, ASSIGNOR and other parties that have assigned claims to the SERVICE PROVIDER;
WHEREAS, the PARTIES wish to ensure effective pooling of the CLAIMS and ACCESSORY
RIGHTS with the purpose of enabling the SERVICE PROVIDER to enforce them collectively
in one or more civil actions;
NOW THEREFORE, the PARTIES hereto agree as follows:
Article 1 - Sale, Assignment and Transfer
1.1
ASSIGNOR hereby sells, assigns and transfers in full the CLAIMS and ACCESSORY
RIGHTS to ASSIGNEE on the terms and conditions of this AGREEMENT.
1.2
ASSIGNEE hereby accepts the sale, assignment and transfer of the CLAIMS and
ACCESSORY RIGHTS and acquires the complete ownership and possession of the
CLAIMS and the ACCESSORY RIGHTS.
1.3
For the avoidance of doubt, the PARTIES agree that ASSIGNEE is entitled to sell,
assign and transfer in full any or all of the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS to
SERVICE PROVIDER or any other third party. (…)”
In deze cessieovereenkomsten is steeds een rechtskeuze voor Duits recht opgenomen.
2.19.
De cessieovereenkomsten tussen de groepsmaatschappijen die onderdeel zijn van de Infineon groep en Infineon Technologies A.G. zijn vergelijkbaar met die van de Siemens groep.
2.20.
De groepsmaatschappijen behorend tot de Siemens groep hebben met Siemens A.G. zogenoemde Agency Agreements (AA’s) gesloten, waarin is bepaald:
“WHEREAS, 14 airlines and their respective affiliates (“AIRLINES”) are likely to have illegally
fixed fuel and security surcharge on all shipments and, by means of a cartel, artificially inflated
their international air freight charges within the European Economic Area between December 1999 and February 2006 (the “CARTEL PERIOD”);
WHEREAS, the European Commission imposed fines totaling € 799m against most of the
AIRLINES in November 2010;
WHEREAS, PRINCIPAL is an affiliated company of SIEMENS AG that directly and/or indirectly purchased during the CARTEL PERIOD international air freight services from all or any of the AIRLINES within, from or to Europe and, as a result of the illegal price fixing of fuel and
surcharges by the AIRLINES, has suffered economic and financial loss and damage due to
payment of increased freight charges;
WHEREAS, PRINCIPAL has compensation claims against the AIRLINES for the economic
and financial loss and damage it suffered as a result of the illegal and anti competitive pricefixing (“CLAIMS”);
WHEREAS, in addition to the CLAIMS, PRINCIPAL has rights ancillary to the CLAIMS, including but not limited to unilateral rights of declaration (…) and dependent and independent rights, including but not limited to interest (…) under or in connection with the CLAIMS (“ACCESSORY RIGHTS”);
WHEREAS, SIEMENS AG and the PRINCIPAL intend to sell, assign and transfer the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS to an external litigation service provider (“SERVICE PROVIDER”) in order to ensure effective pooling of the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS with the purpose to enabling the SERVICE PROVIDER to enforce them collectively in one civil action against all or any AIRLINES and gain compensation from the AIRLINES which shall be distributed among SIEMENS AG, PRINCIPAL and other parties that have assigned claims to the SERVICE PROVIDER;
WHEREAS, the PARTIES wish to ensure that SIEMENS AG is authorized to assign the PRINCIPAL’s CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS to the SERVICE PROVIDER even if and to the extent the sale, assignment and/or transfer of the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS to SIEMENS AG in the “Agreement on the Sale, Assignment and Transfer of Rights” executed in parallel by SIEMENS AG and the PRINCIPAL was not successful (…)
NOW THEREFORE, the PARTIES hereto agree as follows (…)
Article 1 – Scope of Authorization and Agreement
To ensure effective pooling of the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS, by way of precaution, PRINCIPAL and SIEMENS AG, hereby agree as follows:
1.1
SIEMENS AG is hereby authorized to sell, assign and transfer in the name and on behalf of the PRINCIPAL any and all of the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS to the SERVICE PROVIDER or any other third party to pursue a recovery for the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS. (…)”.
2.21.
SCC heeft zogenoemde ‘Confirmations’ tussen een aantal groepsmaatschappijen en de moedermaatschappijen overgelegd. De ‘Confirmation’ tussen Siemens A.G. en haar groepsmaatschappijen luidt, voor zover hier relevant:
“WHEREAS:
(A) On [datum, rb], the Siemens Affiliate and Siemens entered into (…) (the ASATR), and (…) (the AA);
(B) Persuant to the ASATR, the Siemens Affiliate assigned its Air Cargo Damages Claim to Siemens;
(C) On 19 December 2013, Siemens and the Cartel Compensation Foundation (the CCF) entered into (…) (the ADPA);
(D) Pursuant to the ADPA, Siemens assigned - on its own behalf, and also in the name and on behalf of the corporations, companies and entities identified in Schedule D to the ADPA (the Named Affiliates) – its own Air Cargo Damages Claim and the Air Cargo Damages Claims of the Named Affiliates to the CCF; (…)
(F) On 16 March 2015, Siemens and the CCF executed the Acknowledgement & Clarification (in respect of the scope of the assigned Air Cargo Damages Claim) (…) (the Scope Acknowledgement & Clarification);
(G) Pursuant to the Scope Acknowledgement & Clarification, Siemens - on its own behalf, and also in the name and on behalf of the Named Affiliates – and the CCF acknowledged and confirmed that the Air Cargo Damages Claim assigned to the CCF pursuant the ADPA includes any and all claims relating to any and all air cargo services:
( a) for routes all over the world, from any origin to any destination; and
( b) in all years in which the amounts to be paid for international air cargo services were increased, or damage was otherwise suffered by Siemens and/or the Named Affiliates, as a result of illegal and anticompetitive price-fixing, which for the avoidance of doubt in any event includes but is in no way limited to, any and all international air cargo services between 1 January 2000 and 31 December 2007 inclusive,
whether or not the subject of the decision of the European Commission announced on 9 November 2010 in a press release with reference IP/10/1487, and that the operation of the ADPA in this manner was intended and meant by Siemens and the CCF at the time when the ADPA was originally made between the Siemens and the CCF;
HEREBY ACKNOWLEDGE AND CONFIRM:
1. that the Air Cargo Damages Claim assigned by the Siemens Affiliate to Siemens pursuant to the ASATR includes any and all claims relating to any and all air cargo services:
( a) for routes all over the world, from any origin to any destination; and
( b) in all years in which the amounts to be paid for international air cargo services were increased, or damage was otherwise suffered by the Siemens Affiliate, as a result of illegal and anticompetitive price-fixing, which for the avoidance of doubt in any event includes but is in no way limited to, any and all international air cargo services between 1 January 2000 and 31 December 2007 inclusive,
whether or not the subject of the decision of the European Commission annouced on 9 November 2010 in a press release with reference IP/10/1487;
2 that the operation of the ASATR in this manner was intended and meant by the Siemens Affiliate and Siemens at the time when the ASATR was originally made between the Siemens Affiliate and Siemens;
TO THE EXTENT NECESSARY HEREBY ACKNOWLEDGE AND CONFIRM:
3 that Siemens was – as per the date of the ADPA – pursuant to the AA authorised to assign the Air Cargo Damages Claim of the Siemens Affiliate to the CCF by executing the ADPA also in the name and on behalf of the Siemens Affiliate;
4 that Siemens was – as per the date of the Scope Acknowledgement & Clarification – pursuant to the AA authorised to acknowledge and confirm the scope of the Air Cargo Damages Claim of the Siemens Affiliate as assigned to the CCF pursuant to the ADPA, by executing the Scope Acknowledgement & Clarification also in the name and on behalf of the Siemens Affiliate;
TO THE EXTENT NECESSARY HEREBY RATIFY AND CONFIRM:
5 whatever Siemens has done in its capacity as agent under the AA, including, but not limited to:
( i) executing the ADPA also in the name and on behalf of the Siemens Affiliate;
(ii) assigning the Air Cargo Damages Claim of the Siemens Affiliate to the CCF pursuant to the ADPA;
(iii) empowering the CCF to resolve the Air Cargo Damages Claim of the Siemens Affiliate in its own name for the account of the Siemens Affiliate pursuant to, and in accordance with, clause 2.3 of the ADPA, which empowerment is governed by the laws of the Netherlands; (…)
( v) executing the Scope Acknowledgement & Clarification also in the name and on behalf of the Siemens Affiliate; and
(vi) acknowledging and confirming the scope of the Air Cargo Damages Claim of the Siemens Affiliate as assigned to the CCF pursuant to the ADPA, in accordance with the Scope Acknowledgement & Clarification (…)”.
2.22.
De ‘Confirmation’ tussen Infineon Technologies A.G. en haar groepsmaat-schappijen luidt, voor zover hier relevant:
“WHEREAS:
(A) On 25 April 2013, Infineon and the Cartel Compensation Foundation (the CCF) entered into
the Assignment & Debt Purchase Agreement attached hereto as Schedule 1 (the ADPA);
(B) Pursuant to the ADPA, Infineon assigned - on its own behalf, and also in the name and on
behalf of the Infineon affiliates set out in schedule 1 to the ADPA (the Named Affiliates) - its
own Claim (as defined in the ADPA) and the Claims of the Named Affiliates to the CCF;
(…);
(D) On 18 March 2015, Infineon and the CCF executed the Acknowledgment & Clarification (in
respect of the scope of the assigned Claims) attached hereto as Schedule 2 (the Scope
Acknowledgment & Clarification);
(E) Pursuant to the Scope Acknowledgment & Clarification, Infineon - on its own behalf, and also
on behalf of the Named Affiliates - and the CCF acknowledged and confirmed that the Claims
assigned to the CCF pursuant the ADPA include any and all air cargo services:
( a) for routes all over the world, from any origin to any destination; and
( b) between 1 January 2000 and 31 December 2007,
whether or not the subject of the decision of the European Commission announced on 9 November 2010 in a press release with reference IP/10/1487, save only for claims which are both the subject of the air cargo shipping services class action litigation in the United States of America and/or Canada and filed in the Air Cargo Settlement (which are excluded from the assigned claims), and that the operation of the ADPA in this manner was intended and meant by Infineon and the CCF at the time when the ADPA was originally made between Infineon and the CCF;
HEREBY ACKNOWLEDGE AND CONFIRM:
1. that Infineon was - as per the date of the ADPA - authorised to assign the Claim of the Infineon Affiliate to the CCF by executing the ADPA also in the name and on behalf of the Infineon Affiliate;
2 that Infineon was - as per the date of the Scope Acknowledgment & Clarification – authorised to acknowledge and confirm the scope of the Claim of the Infineon Affiliate as assigned to the CCF pursuant to the ADPA, by executing the Scope Acknowledgment & Clarification also on behalf of the Infineon Affiliate;
3 that this agency relationship between Infineon, as the agent, and the Infineon Affiliate, as the
principal, is governed by the laws of Germany;
TO THE EXTENT NECESSARY HEREBY RATIFY AND CONFIRM:
4 whatever Infineon has done in its capacity as agent under this agency relationship, including,
but not limited to:
( i) executing the ADPA also in the name and on behalf of the Infineon Affiliate;
(ii) assigning the Claim of the Infineon Affiliate to the CCF pursuant to the ADPA;
(iii) executing the Scope Acknowledgment & Clarification also on behalf of the Infineon Affiliate; and
(iv) acknowledging and confirming the scope of the Claim of the Infineon Affiliate as assigned to the CCF pursuant to the ADPA, in accordance with the Scope Acknowledgment & Clarification; (…)”.
2.23.
Siemens A.G. heeft een brief van 19 december 2013 met als geadresseerde ‘whom it may concern’ en als onderwerp ‘Assignment of Claims’ ondertekend, bedoeld om te verstrekken aan de luchtvaartmaatschappijen. Deze brief luidt, voor zover hier relevant:
“(…) (“Siemens”) and one or more of the Siemens Affiliates listed in Annex A (“Affiliates”) purchased, either directly or indirectly (for example, through a freigth forwarder), international air cargo services and suffered significant losses as a consequence of the unlawful price-fixing between 1 January 2000 and 31 December 2006 relating to those international air cargo services. Siemens and its Affiliates therefore have claims against you and the other airlines involved in the price-fixing activities (collectively, the “Claims”).
This letter constitutes notice that, Stichting Cartel Compensation (“Foundation”) has acquired the complete legal and beneficial ownership, title and interest in and to the Claims and all rights and entitlements incidental in any way thereto, including but not limited to the right to bring suit for the Claims as the owner, agent or other beneficiary thereof in any proceedings whatsoever (“Incidental Rights”).
Siemens sold, tranferred and assigned the Claims and Incidental Rights on its own behalf and in the name and on behalf of its Affiliates. Siemens was authorized to sell, assign and transfer the Claims and Incidental Rights of the Affiliates to the Foundation and/or the Claims and Incidental Rights of the Affiliates were sold, assigned and transferred to Siemens by the Affiliates before the further sale, transfer and assignment to the Foundation.”
3. Het geschil
3.1.
SCC vordert, na eisvermeerdering (zie 4.3. tot en met 4.7.) en vermindering van (de grondslag van) haar eis (zie 4.9. hierna), bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven:
1. te verklaren voor recht dat de luchtvaartmaatschappijen door de introductie, onderlinge afstemming en toepassing van de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag in de periode van 2000 tot en met 2006 onrechtmatig hebben gehandeld jegens de shippers vermeld in productie 56 SCC;
2. hoofdelijke veroordeling van de luchtvaartmaatschappijen tot betaling van
€ 243.932.063,12 en € 34.847.437,59 alsmede schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met rente en kosten.
3.2.
De luchtvaartmaatschappijen voeren verweer.
4. De beoordeling
4.1.
Zoals met partijen is afgesproken, ligt in dit stadium slechts de rechtsgeldigheid van de cessies op grond van het cessiestatuut ter beoordeling voor. Niet in geschil is dat het cessiestatuut het in de cessieovereenkomsten gekozen recht is, respectievelijk Nederlands recht, Frans recht en Duits recht.
4.2.
SCC stelt dat de 266 shippers (voorheen 1.170) die zijn vermeld op de door haar als productie 56 bij antwoordakte rechtsgeldigheid cessies, tevens akte houdende vermindering van de grondslag van de eis (hierna: de antwoordakte), overgelegde lijst, hun schadevergoedingsvorderingen ter zake van het kartel aan haar hebben overgedragen, van welke cessies zij bij exploten van aanzegging aan de luchtvaartmaatschappijen mededeling heeft gedaan. De luchtvaartmaatschappijen hebben betwist dat (al) deze vorderingen aan SCC zijn gecedeerd.
eisvermeerdering en vermindering van (de grondslag van) van eis
4.3.
SCC heeft bij akte van 13 mei 2015 in SCC I aangegeven haar eis te willen vermeerderen met de tweede groep shippers. Deze (op dat moment reeds aangekondigde) eisvermeerdering is tijdens de regiezitting op 1 april 2015 besproken. De luchtvaartmaat-schappijen hebben toen verklaard – kort gezegd – zich niet te zullen verzetten tegen de eisvermeerdering mits de vorderingen van de tweede groep shippers soortgelijke vorderingen betreffen als die van de eerste groep shippers. Bij conclusie van antwoord hebben de luchtvaartmaatschappijen vervolgens toch bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering (omdat de akten van cessie van de eerste groep shippers volgens de luchtvaartmaatschappijen verschillen van die van de tweede groep), waarna SCC (voor de zekerheid) de dagvaarding in SCC II heeft uitgebracht (waarbij de door de tweede en derde groep shippers aan haar gecedeerde vorderingen zijn ingesteld). Bij antwoordakte heeft SCC thans (opnieuw) verzocht te bepalen dat zij haar eis in SCC I heeft vermeerderd met de vorderingen van de tweede groep shippers. SCC heeft tevens verzocht dat daarnaast ook de vorderingen van de derde groep shippers (uit praktische overwegingen) in SCC I worden meegenomen.
4.4.
Het komt de rechtbank geraden voor, hoewel het debat tussen partijen in dit stadium van de procedure is beperkt tot de rechtsgeldigheid van de cessies, mede gelet op de efficiency van de procesvoering in de onderhavige zaken, om thans op de eisvermeerdering te beslissen.
4.5.
Het standpunt van de luchtvaartmaatschappijen, dat tijdens het pleidooi weliswaar kort maar tijdens de regiezitting van 22 juni 2016 en in de conclusie van antwoord van 30 september 2015 reeds uitvoerig is bepleit, komt erop neer dat de vorderingen van de tweede groep shippers niet soortgelijk zijn aan die van de eerste groep shippers, omdat de reikwijdte van de vorderingen van de tweede groep shippers ruimer is. Zij wijst hiertoe – samengevat – op het volgende:
(i) de door de tweede groep shippers afgenomen luchtvrachtdiensten (en dus hun vorderingen) zien op een langere periode dan die van de eerste groep shippers, te weten de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2007 in plaats van 1 januari 2000 tot 31 december 2006;
(ii) de toevoeging in de akten van cessie van de tweede groep shippers van de zinsnede:
“for aircargo services for routes all over the world, from any origin to any destination”;
(iii) de toevoeging in de akten van cessie van de tweede groep shippers van de zinsnede: “(or part of which)”; en
(iv) de toevoeging in de akten van cessie van de tweede groep shippers van de zinsnede: “amongst other government agency or judicial decisions globally”.
Kortom, de luchtvaartmaatschappijen stellen dat de periode waarop de vorderingen van de tweede groep shippers betrekking heeft een jaar langer is dan die van de eerste groep shippers en dat de vluchtroutes bij de tweede groep shippers, anders dan bij de eerste groep shippers, niet zijn beperkt tot Europa.
4.6.
SCC stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de overdracht van de vorderingen door zowel de eerste, als ook de tweede en de derde groep shippers uitdrukkelijk niet beperkt is tot die vorderingen die onder de temporele en geografische reikwijdte van het oude besluit vallen, en dat dit wordt bevestigd door de overgelegde cessiedocumentatie.
tweede groep shippers (eisvermeerdering)
4.7.
De rechtbank stelt voorop dat voor zover de Commissie in het nieuwe besluit heeft vastgesteld dat sprake is van een kartel, dit gaat om hetzelfde kartel als in het oude besluit. Uit de in het geding gebrachte cessiedocumentatie blijkt genoegzaam dat alle tot de drie groepen behorende shippers hun vorderingen met betrekking tot het wereldwijde kartel in de periode van 1999 tot en met 2006 (en de nawerking daarvan) aan SCC hebben overgedragen. De akten van cessie vermelden immers: “the existence of which has been established by the European Commission announced on 9 November 2010”, “a cartel in the market for the provision of those services”, “the Claim referred to in the preceding paragraph” en “any similar or related claim”. Verder staat in de A&C’s van zowel de eerste als de tweede groep shippers dat zijn overgedragen:“any and all claims relating to any and all air cargo services (…) whether or not the subject of the decision of the European Commission.” Voor de tweede groep shippers die geen A&C hebben getekend, geldt dat woorden van gelijke strekking al in de definitie van ‘Claim’ in de desbetreffende cessieovereenkomsten zijn opgenomen. Derhalve is de overdracht van de vorderingen noch waar het de eerste groep shippers betreft, noch waar het de tweede groep shippers betreft beperkt tot die vorderingen die onder de temporele en geografische reikwijdte van het oude besluit vallen. Daarmee staat vast dat de vorderingen van de twee groepen shippers in voldoende mate hetzelfde zijn als die van de eerste groep. Wat betreft de temporele reikwijdte is ook van belang dat het inherent is aan een kartel dat voor de benadeelden niet geheel duidelijk is welke periode precies relevant kan zijn. Dit kunnen de luchtvaartmaatschappijen SCC niet tegenwerpen. Op grond van het voorgaande is de conclusie dat de eisvermeerdering zal worden toegestaan.
derde groep shippers
4.8.
Voor het verzoek van SCC om uit praktische overwegingen ook de vorderingen van de derde groep shippers “mee te nemen” in SCC I bestaat geen juridische basis. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen. Dit compliceert de afdoening van de vorderingen van SCC evenwel niet. De zaken SCC I en SCC II zijn immers op 13 april 2016 gevoegd en zullen dan ook behandeld worden als één zaak.
vermindering van (de grondslag van) van eis
4.9.
De vermindering van de grondslag van de eis door SCC heeft tot gevolg dat onderwerp van de procedures SCC I en SCC II zijn de vorderingen van de shippers die zijn genoemd op de door SCC als productie 56 bij de antwoordakte overgelegde lijst. Zoals hiervoor onder 4.1. en 4.2. is overwogen, ligt thans de vraag voor of deze shippers hun vorderingen naar het cessiestatuut rechtsgeldig aan SCC hebben gecedeerd.
algemeen – stelplicht/bewijslast
4.10.
SCC heeft in de dagvaarding slechts gesteld dat deze – thans nog 266 –
shippers (hierna: de shippers) hun vorderingen op de luchtvaartmaatschappijen aan haar hebben overgedragen. Gelet op deze blote stelling konden de luchtvaartmaatschappijen bij antwoord volstaan met de blote betwisting van die overdracht, te meer nu de shippers niet zelf mededeling van de (gepretendeerde) cessies hebben gedaan aan de luchtvaartmaat-schappijen. In hun conclusies van antwoord hebben de luchtvaartmaatschappijen overigens de rechtsgeldigheid van de cessies niet alleen (bloot) betwist, maar tevens (met verwijzing naar voorbeelden) gesteld dat niet voor alle shippers cessiedocumentatie in het geding is gebracht, dat de wél in het geding gebrachte cessiedocumentatie dikwijls onvolledig is en dat aan de in het geding gebrachte cessiedocumentatie een aantal (concrete en juridische) gebreken kleven.
4.11.
Vervolgens heeft de rechtbank SCC tijdens de regiezitting van 22 juni 2016 belast met het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de vorderingen die zij in deze procedure instelt daadwerkelijk aan haar zijn gecedeerd en dat SCC dus de rechthebbende is op die vorderingen. Dat die bewijslast op SCC rust, volgt onder meer uit het arrest van de Hoge Raad van 9 februari 1939, NJ 1939, 865 (Woldijk/Nijman), waarin is overwogen, voor zover hier relevant:
“dat toch het Burgerlijk Wetboek nergens bepaalt, dat de schuldenaar verplicht zou zijn, zijn schuld te voldoen aan iemand, die, al moge hij de schijn wekken gemachtigde te zijn, in waarheid geen eigenaar van de vordering of – wat in andere woorden hetzelfde gezegd is – geen schuldeiser geworden is; (…)
ook al kon Woldijk (cessionaris, rb) volstaan met bij dagvaarding enkel de cessie te stellen, hij, na het verweer dat een rechtsgeldige oorzaak van de overdracht ontbrak, ingevolge art. 1902 (de voorloper van artikel 150 Rv, rb) de aanwezigheid daarvan, zijnde een voorwaarde voor het ontstaan van zijn recht, had te bewijzen. (…)”.
4.12.
Ook de goede procesorde vergt dat zowel voor de luchtvaartmaatschappijen als voor de rechtbank de omvang van het geschil duidelijk is. Van een professioneel ‘litigation vehicle’ als SCC mag worden verwacht dat zij kan aantonen welke vorderingen aan haar zijn overgedragen en dat zij daadwerkelijk rechthebbende is op die vorderingen.
Uiteindelijk is (eerst tijdens de uitwisseling van cessiedocumentatie tussen partijen na de regiezitting op 22 juni 2016) gebleken dat in de onderhavige zaken circa 900 vorderingen, waarvan aanvankelijk was gesteld dat deze waren gecedeerd, toch niet waren gecedeerd. Weliswaar was volgens SCC eerder niet duidelijk welke entiteiten binnen de desbetreffende groepsmaatschappijen luchtvracht hadden vervoerd, maar niet valt in te zien waarom SCC die duidelijkheid niet reeds bij dagvaarding had kunnen verschaffen. In ieder geval blijkt hieruit dat niet zonder meer kan worden vertrouwd op de stelling van SCC dat zij rechthebbende is op de vorderingen.
4.13.
SCC kiest – om haar moverende, begrijpelijke en op zich legitieme redenen – (op commerciële basis) voor deze manier van procederen. De luchtvaartmaatschappijen mogen door deze wijze van procederen echter niet in een slechtere positie komen te verkeren dan wanneer zij rechtstreeks door de shippers (de cedenten van de vorderingen) zouden zijn aangesproken. De luchtvaartmaatschappijen moeten weten wie hun ‘eigenlijke’ wederpartijen zijn, mede omdat zij tegen SCC de verweermiddelen moeten kunnen aanvoeren die zij tegen de cedenten (shippers) hadden kunnen voeren (vgl. HR 27 november 2009 (World Online), ECLI:NL:HR:2009:BH2162).
4.14.
De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat indien de in het geding gebrachte documentatie per shipper bevat: (i) de cessieovereenkomst (titel) en (ii) de akte van cessie en (iii) duidelijk is dat die zijn getekend/verstrekt door de cedent, in voldoende mate vaststaat dat SCC rechthebbende op de vorderingen is, tenzij er concrete aanwijzingen zijn, aan te dragen door de luchtvaartmaatschappijen, dat desondanks geen rechtsgeldige cessie heeft plaatsgevonden.
Daarbij is van belang dat de debitor cessus (en de rechtbank) op basis van de documentatie kan vaststellen dat de cedent en cessionaris daadwerkelijk hebben beoogd om de vordering(en) over te dragen. Verder is ten aanzien van de cessies die worden beheerst door Nederlands recht relevant dat zowel de cessieovereenkomst als de akte van cessie tot stand zijn gekomen vóór de mededeling van de cessie, want pas met de mededeling is de levering van de vordering voltooid (artikel 3:94 lid 1 BW). Niet juist is evenwel – anders dan de luchtvaartmaatschappijen hebben betoogd – dat van een geldige cessie geen sprake kan zijn als eerst de akte van cessie is getekend en pas daarna de titel in een document (cessie-overeenkomst) is vastgelegd.
4.15.
Weliswaar is het verstrekken van de cessiedocumentatie geen voorwaarde voor de geldigheid van de cessie (vgl. artikel 3:94 lid 4 BW), maar dat betekent niet dat SCC niet gehouden is aan te tonen dat de vorderingen die zij in deze procedure instelt daadwerkelijk aan haar zijn overgedragen, met andere woorden dat zij rechthebbende is op die vorderingen. Dit geldt te meer in gevallen als de onderhavige waar de mededeling is gedaan door de cessionaris en niet door de cedent. Dan is voorzichtigheid op zijn plaats, zoals de luchtvaartmaatschappijen terecht betogen onder verwijzing naar het arrest Woldijk/Nijman en de noot daaronder van E.M. Meijers alsmede naar (recente) literatuur. Het ligt evenwel op de weg van de luchtvaartmaatschappijen om concreet te betwisten dat de cessies rechtsgeldig hebben plaatsgevonden. Zij zullen met concrete aanwijzingen moeten komen dat de cedent niet rechtsgeldig is vertegenwoordigd, de cessie niet heeft gewild, dan wel dat de cessie om een andere reden geen rechtsgevolg heeft gehad.
4.16.
Tussen partijen is niet – langer – in geschil dat SCC voor alle shippers de cessiedocumentatie (lees: cessieovereenkomsten en akten van cessie) in het geding heeft gebracht. Van belang is voorts dat gesteld noch gebleken is dat de in deze procedure ingebrachte documentatie valselijk is opgemaakt dan wel dat de daarop geplaatste handtekeningen niet echt zijn.
4.17.
De luchtvaartmaatschappijen stellen dat aan de cessiedocumentatie (in het algemeen) een tweetal gebreken kleven:
( i) de over te dragen vorderingen zijn in de akten van cessie (die worden beheerst door Nederlands recht en Frans recht) niet met voldoende bepaaldheid omschreven; en
(ii) de cessie(s) die worden beheerst door Nederlands recht zijn in strijd met het fiduciaverbod (artikel 3:84 lid 3 BW).
(i) voldoende bepaalbaar
4.18.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat de cessies die worden beheerst door Nederlands recht ongeldig zijn omdat de over te dragen vorderingen in de akten van cessie (dus op het tijdstip van de levering) niet met voldoende bepaaldheid omschreven zijn. De rechtbank begrijpt dat dit verweer alleen ziet op de cessie van Siemens A.G. aan SCC, nu alleen deze cessie wordt beheerst door Nederlands recht.
4.19.
De rechtbank stelt voorop dat voor het overdragen van een vordering op naam
vereist, maar ook voldoende, is dat de desbetreffende akte zodanige gegevens bevat dat in
de relatie tussen de cedent en de cessionaris, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan
worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. De vraag hoe specifiek die gegevens dienen te zijn, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval (HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6947).
4.20.
In de cessieovereenkomst (ADPA) tussen Siemens A.G. en SCC (zie 2.13.) worden de overgedragen vorderingen als volgt gedefinieerd:
“The claims of the Assignor and its Affiliates as described in Section 1 [lees: to recover the amount overpaid as a result of illegal and anti competitive price-fixing, for international air cargo services for global shipping routes between 1 January 2000 and 31 December 2006, either directly or indirectly (for example, through a freight forwarder), rb], plus any similar or related claims, relating to international air cargo services from Defendants.”
Verder is in de cessieakte (‘Assignment’) tussen Siemens A.G. en SCC vermeld:
“The claim to recover the amount overpaid by Siemens and its Affiliates as a result of illegal and anti competitive price-fixing, for international air cargo services between 1 January 2000 and 31 December 2006, either directly or indirectly (for example, through a freight forwarder), from members of a cartel in the market for the provision of those services, the existence of which has been established by a decision of the European Commission announced 9 November 2010, plus any similar or related claim, and all rights and entitlements incidental in any way thereto, including but not limited to the right to bring suit for such claims as the owner thereof in any Proceeding whatsoever.”
In de aan de luchtvaartmaatschappijen op 24 december 2013 namens SCC betekende exploten van aanzegging die betrekking hebben op de vorderingen van de eerste groep shippers staat vermeld:
“dat hierbij mededeling gedaan wordt van het feit dat aan SCC zijn overgedragen alle vorderingen die Partijen [Partijen zijn de in productie 1 bij het exploot genoemde shippers, rb] hebben op de [luchtvaartmaatschappij] in verband met de schade die Partijen hebben geleden door het kartel met betrekking tot luchtvrachtvervoer waarvan de [luchtvaartmaatschappij] in de periode van 1999 tot en met 2006 deel heeft uitgemaakt. Deze overdracht omvat alle daaraan gerelateerde vorderingen van de Partijen op de [luchtvaartmaatschappij] en alle vergelijkbare vorderingen van de Partijen op de [luchtvaartmaatschappij], geen enkele vordering uitgezonderd.”
De exploten van aanzegging van 11 mei 2015 en 6 november 2015 die betrekking hebben op de vorderingen van de tweede en derde groep shippers bevatten een (vrijwel) gelijkluidende mededeling.
4.21.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de hiervoor genoemde
cessiedocumentatie en exploten voldoende duidelijk dat het gaat om vorderingen
van de shippers tot vergoeding van alle schade als gevolg van het kartel met
inbegrip van meerprijs, rente, gemiste winst en kosten. Voor zover de Commissie in haar
nieuwe besluit heeft vastgesteld dat sprake is van een kartel, is voor een ieder voldoende duidelijk dat het om hetzelfde kartel gaat als in het oude besluit. Verder is in de ‘Acknowledgment & Clarification’ (zie 2.17.) in een groot aantal gevallen de scope en omvang van de overgedragen vorderingen ook nog eens bevestigd. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen betogen, betekent dit evenwel niet dat de vorderingen op het tijdstip van de levering onvoldoende bepaald waren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het gaat om vorderingen uit onrechtmatige daad uit hoofde van een kartel (waarvan de omvang en duur voor de kartelleden wél en voor de shippers niet kenbaar was). Het standpunt van de luchtvaartmaatschappijen komt er in feite op neer dat de shippers niet hun gehele schadevergoedingsvordering uit hoofde van het kartel hebben willen overdragen, maar onderdelen daarvan hebben uitgezonderd, hetgeen de rechtbank – bij gebreke van aanwijzigingen daarvoor – onaannemelijk voorkomt.
Duidelijk is voorts dat het gaat om vorderingen van alle in het besluit aangeduide leden
van het kartel (als schuldenaren van de vorderingen). De akten van cessie (onder meer door de verwijzing naar de cessieovereenkomsten) bevatten derhalve voldoende gegevens om te kunnen vaststellen om welke vorderingen het gaat. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen betogen, is het voor de bepaalbaarheid van de gecedeerde vorderingen, te weten schadevergoedingsvorderingen die zijn gebaseerd op onrechtmatige daad (deelname aan het kartel), niet nodig dat (thans al) kan worden vastgesteld welke shippers welke vluchten (welke routes) hebben afgenomen.
4.22.
De luchtvaartmaatschappijen hebben ten aanzien van de cessies die worden beheerst door Frans recht aangevoerd dat niet is voldaan aan het bepaaldheidvereiste. Zij verwijzen hierbij naar een uitspraak van de Cour de cassation (1ère Chambre civile, 20 maart 2001, no. 99-14982), waarin is geoordeeld dat toekomstige of mogelijke vorderingen enkel kunnen worden overgedragen wanneer deze vorderingen voldoende bepaald zijn. Ten tijde van de cessies waren de vorderingen volgens de luchtvaartmaat-schappijen naar hun aard toekomstig en eventueel, omdat niet duidelijk is of SCC succesvol zal zijn in het vorderen van schadevergoeding en zo ja, wat de omvang daarvan zal zijn.
Met SCC is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige procedure geen sprake is van een toekomstige of eventuele vordering omdat het hier gaat om schadevergoedings-vorderingen uit onrechtmatige daad, die ontstaan op het moment dat de schade wordt geleden en niet pas na toewijzing van de vordering. Het beroep op voornoemde uitspraak kan de luchtvaartmaatschappijen dan ook niet baten.
(ii) fiduciaverbod
4.23.
De luchtvaartmaatschappijen voeren verder aan dat de cessie(s) die worden beheerst door Nederlands recht in strijd zijn met het fiduciaverbod (artikel 3:84 lid 3 BW). Dit ziet derhalve alleen op de cessie van de vorderingen door Siemens A.G. aan SCC.
4.24.
Artikel 3:84 lid 3 BW bepaalt dat een rechtshandeling die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid of die de strekking mist het goed na de overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen, geen geldige titel is voor overdracht van dat goed.
4.25.
Van strijd met het fidcuiaverbod is geen sprake. Daarvoor is het volgende redengevend. Allereerst kan in dit geval geen sprake zijn van een overdracht van vorderingen tot zekerheid, reeds omdat, zoals SCC terecht aanvoert, SCC geen vordering heeft op Siemens A.G. waarvoor zij zekerheid zou wensen. De vorderingen dienen niet als een soort ‘onderpand’ waarop SCC zich zou kunnen verhalen als Siemens A.G. wanprestatie zou plegen jegens SCC. Dat SCC uit hoofde van de gecedeerde vorderingen (indien zij in deze procedure succesvol is) betalingen ontvangt en gelet op haar afspraken met de cedenten een percentage (maximaal 70%) van deze betalingen doorgeeft aan de cedenten en de rest (als onderdeel van de koopprijs) behoudt, rechtvaardigt geen ander oordeel. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen stellen is van een wanverhouding tussen de waarde van het aandeel van SCC (minimaal 30%) en de door SCC gestelde waarde van de overgedragen vorderingen geen sprake. De waarde van de vorderingen materialiseert zich immers pas na het voeren van deze procedure, waarvan SCC de kosten voor haar rekening neemt.
Voorts volgt uit artikel 2 van de cessieovereenkomst (ADPA) tussen Siemens A.G. en SCC (zie 2.13.) dat deze strekt tot werkelijke overdracht van alle betrokken vorderingen. Uit deze overeenkomst kan niet anders worden afgeleid dan dat de vorderingen krachtens verkoop op SCC overgaan, waarna SCC de alsdan tot haar vermogen behorende vorderingen zal gaan innen. Dat de koopprijs deels afhankelijk is van het resultaat van de onderhavige procedure doet daar niet aan af.
Voorts bevatten de overeenkomsten geen bepalingen op grond waarvan de vorderingen (bijvoorbeeld in geval van faillissement) van SCC (kunnen) terugvallen in het vermogen van de cedent. Dat de cedent onder bepaalde voorwaarden een terugkooprecht zou hebben, indien dit al het geval is, bevestigt juist dat de overeenkomst ertoe strekt de vorderingen daadwerkelijk in het vermogen van SCC te doen vallen. Ten slotte is er, anders dan de luchtvaartmaatschappijen betogen, geen enkele aanwijzing dat onleesbaar gemaakte (commerciële) delen in de cessieovereenkomst voorzien in een relevante beperking in de bevoegdheid van SCC om de vorderingen naar eigen goeddunken te beheren en daarover te beschikken.
strijd met openbare orde/goede zeden
4.26.
Nu de luchtvaartmaatschappijen op grond van het cessiestatuut niet hebben
aangevoerd dat de cessies in strijd zijn met de openbare orde/goede zeden, behoeft dit punt
hier geen bespreking.
verdere gebreken in de cessiedocumentatie (volgens de luchtvaartmaatschappijen)
4.27.
De luchtvaartmaatschappijen hebben (uiteindelijk) in hun akte overlegging producties ten behoeve van het pleidooi op 18 mei 2017 de volgende gebreken genoemd in de cessiedocumentatie:
( a) de datum van ondertekening ontbreekt;
( b) de handtekening ontbreekt;
( c) de interne cessies wijken af in scope/omvang en moment totstandkoming;
( d) de bevoegheidsdocumentatie is vaak gebrekkig; de volgende gevallen doen zich voor:
( i) er is alleen een ‘onofficieel’ document verstrekt;
(ii) er is geen of een onvolledige vertaling van de bevoegdheidsdocumentatie overgelegd;
(iii) de datum van de bevoegdheidsdocumentatie verschilt van die van de cessiedocumentatie en/of de startdatum van de vertegenwoordigingsbevoegdheid ontbreekt of is onduidelijk;
(iv) de naam/namen van de ondertekenaar(s) is (zijn) niet in de bevoegdheids-documentatie terug te vinden dan wel niet of nauwelijks leesbaar alsmede de reikwijdte van de vertegenwoordigingsbevoegdheid is onduidelijk.
(a) ontbreken datum van ondertekening
4.27.1.
De luchtvaartmaatschappijen hebben aangevoerd dat in een aantal akten van cessie de datum van ondertekening daarvan door de shipper ontbreekt. Volgens de luchtvaartmaat-schappijen is dit relevant voor de beoordeling van de (naar Nederlands, Frans en Duits recht vereiste) beschikkingsbevoegdheid van de shipper.
Nu de vorderingen zijn gegrond op onrechtmatige daad (en het hier geen handelsdebiteuren betreft) is niet relevant wat het exacte tijdstip van ondertekening van de akten van cessie is, mits er maar is getekend voordat de cessie is medegedeeld aan de luchtvaartmaatschappijen (zie ook hiervoor onder 4.14.). De rechtbank stelt vast dat dit ten aanzien van 42 shippers (van de door de luchtvaartmaatschappijen genoemde 53 shippers) het geval is. De overige 11 shippers zijn dochtermaatschappijen van Siemens A.G.. Ten aanzien van deze shippers hebben de luchtvaartmaatschappijen aangevoerd dat bij gebreke van een datum in de interne cessiedocumentatie binnen de groep niet kan worden vastgesteld dat Siemens A.G. ten tijde van de cessie aan SCC reeds beschikte over de vorderingen van deze dochtermaat-schappijen. De rechtbank constateert met SCC dat ten aanzien van een aantal van deze dochtermaatschappijen wel degelijk op de handtekeningenpagina van de ASATR de datum van ondertekening is vermeld (Siemens Ltd.Ho Chi Minh City, shipper 01.653, Siemens S.A., shipper 01.423, Siemens International Trading Ltd, shipper 01.556 en Siemens Japan K.K., shipper 01.623) dan wel volgt uit de ‘Confirmations’ waarin is vermeld op welke datum de betreffende dochtermaatschappij haar vordering heeft overgedragen aan Siemens A.G., zodat van een gebrek op dit punt dat tot ongeldigheid van de cessies leidt, geen sprake is.
(b) ontbreken handtekening
4.27.2.
De luchtvaartmaatschappijen hebben aangevoerd dat de handtekening
van een tweetal shippers ontbreekt, zodat er geen sprake is van wilsovereenstemming tussen
SCC en de desbetreffende shipper over de cessie. Voor wat betreft ZF Services S.A. de C.V. (shipper 58.84) stelt de rechtbank met SCC vast dat er wel een handtekening op de handtekeningenpagina staat. Voorts is de rechtbank met SCC van oordeel dat voor de titel geen vormvoorschrift geldt zodat ook aan het vereiste van wilsovereenstemming is voldaan indien de shipper de cessieovereenkomst heeft geparafeerd dan wel in de A&C’s heeft bevestigd dat er een cessieovereenkomst met SCC is gesloten (hetgeen geldt voor Antibiotics S.A.U., shipper 30.01). Ook dit door de luchtvaartmaatschappijen gestelde gebrek leidt derhalve niet tot ongeldigheid van de cessies.
(c) interne cessies: afwijken scope/omvang en moment totstandkoming
4.27.3.
De luchtvaartmaatschappijen hebben aangevoerd dat ten aanzien van een aantal shippers de scope en omvang van de interne cessie binnen de groep afwijkt van die van de overdracht van de vorderingen door de moedermaatschappij aan SCC en dat de interne cessie later tot stand is gekomen dan de overdracht van de vorderingen aan SCC dan wel op dezelfde datum.
De rechtbank constateert dat deze shippers dochtermaatschappijen van Siemens A.G. zijn. Het betoog van de luchtvaartmaatschappijen mist relevantie, nu de dochtermaatschappijen in de ‘Confirmations’ hebben bevestigd dat de scope en omvang identiek is aan die van de overdracht van de vorderingen door Siemens A.G. aan SCC en dat Siemens A.G. bevoegd was om de vorderingen namens hen aan SCC te cederen door de cessieovereenkomst met SCC mede namens hen aan te gaan dan wel de dochtermaatschappijen de ASATR’s al hadden getekend ten tijde van de mededeling bij exploot van 24 december 2013.
(d) de bevoegheidsdocumentatie
4.27.4.
De luchtvaartmaatschappijen hebben ten aanzien van een aantal cessies de vertegenwoordigingsbevoegdheid betwist van degene(n) die namens de shipper heeft (hebben) getekend.
(i) alleen een ‘onofficieel’ document
4.27.5.
Het betoog van de luchtvaartmaatschappijen dat in sommige gevallen alleen een ‘onofficieel’ document is verstrekt (bijvoorbeeld geen uittreksel handelsregister of equivalent daarvan in een ander land), kan hen niet baten. Op grond van artikel 152 lid 1 Rv kan bewijs door alle middelen rechtens worden geleverd, zodat uittreksels uit handelsregisters, volmachten, ‘Confirmations’, notulen van board meetings, schermafdrukken van webpagina’s, C.V.’s of gedeelten uit jaarverslagen in dit geval volstaan. Daarbij komt dat vennootschappen ook door onbevoegde vertegenwoordigers kunnen worden gebonden bijvoorbeeld indien de cessionaris gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de door de cedent gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. In de gevallen waarin SCC slechts aan de hand van ‘onofficiële’ documenten de vertegenwoor-digingsbevoegdheid van de ondertekenaar(s) handen en voeten heeft gegeven, zijn door de luchtvaartmaatschappijen geen concrete aanwijzingen gesteld (en evenmin gebleken) dat de cedent niet rechtsgeldig is vertegenwoordigd, zodat dit geen aanleiding is om te concluderen dat de cessies ongeldig zijn.
(ii) geen of alleen een onvolledige vertaling
4.27.6.
Verder hebben de luchtvaartmaatschappijen aangevoerd dat van een deel van de bevoegdheidsdocumentatie geen of alleen een onvolledige vertaling is verstrekt en dat niet uit te sluiten is dat in de niet-vertaalde delen beperkingen van de vertegenwoordigings-bevoegdheid zijn opgenomen.
SCC heeft hier tegenin gebracht dat een vertaling van relevante delen van de bevoegdheidsdocumentatie is verstrekt en dat dit volstaat, onder bespreking van onder meer de volgende twee voorbeelden.
( i) Namens shipper ZF Hungária Kft. (shipper 58.38) is de ADPA door twee personen getekend en luidt de vertaling:
“Methode van de vertegenwoordiging: gezamenlijk
Positie van de persoon die bevoegd is voor vertegenwoordiging: beherend vennoot (Algemeen Directeur)”.
(ii) Namens shipper ZF Lemförder TLM Dis Ticaret ltd. Sti. (shipper 58.52) is de ADPA getekend door [naam 1] en [naam 2] en luidt de vertaling:
“dat (…) de bedrijfsdirecteuren [naam 2] en [naam 1] met hun gemeenschappelijke handtekeningen die zij onder de bedrijfshandelsnaam zullen zetten, worden geautoriseerd om het bedrijf voor de duur van 10 jaar vanaf de datum van onderhavig besluit voor elke denkbare zaak en formaliteit in de breedste zin te vertegenwoordigen en bindend te verklaren.”
SCC heeft verder ten aanzien van drie Italiaanse shippers aangevoerd dat de vertaling daarvan door een Italiaanse advocaat is opgesteld, die tevens concludeert dat de personen die de cessieovereenkomst namens deze shippers hebben getekend bevoegd waren om deze shippers te vertegenwoordigen.
Voor zover de luchtvaartmaatschappijen wijzen op het ontbreken van de bevoegdheids-documentatie ten aanzien van Eldor Corporation S.p.A. (shipper 48.01) heeft deze shipper volgens SCC bevestigd dat de personen die de cessieovereenkomst namens haar hebben getekend, bevoegd waren om haar te vertegenwoordigen, hetgeen voldoende is.
Ook hier geldt voorts dat geen concrete aanwijzingen zijn gesteld of gebleken waaruit zou kunnen volgen dat de niet-vertaalde delen beperkingen van de vertegenwoordigings-bevoegdheid zijn opgenomen, zodat ook dit weer geen aanleiding is om te concluderen dat de cessies ongeldig zijn.
( iii) de datum van de bevoegdheidsdocumentatie verschilt van die van de cessiedocumentatie en/of de startdatum van de vertegenwoordigings-bevoegdheid ontbreekt of is onduidelijk
4.27.7.
De luchtvaartmaatschappijen hebben aangevoerd dat in een aantal gevallen de datum van de bevoegdheidsdocumentatie verschilt van die van de cessiedocumentatie en/of dat de startdatum van de vertegenwoordigingsbevoegdheid ontbreekt of onduidelijk is. Zo heeft SCC ten aanzien van Perishable Management Company V.O.F. (shipper 42.01) een uittreksel uit 1999 verstrekt als bewijs van vertegenwoordigingsbevoegdheid voor de ondertekening van cessiedocumentatie uit 2012, aldus de luchtvaartmaatschappijen.SCC heeft daar tegenin gebracht dat bevoegdheidsdocumentatie daterend van de datum van de cessiedocumentatie er niet voor iedere shipper is (en nu ook niet meer verkregen kan worden) en dat voldoende is dat uit de overgelegde documentatie blijkt dat de ondertekening op de datum van de cessiedocumentatie bevoegdelijk heeft plaatsgevonden, hetgeen op verschillende manieren kan blijken.
Ten aanzien van voornoemde shipper heeft SCC het volgende aangevoerd. De ADPA is namens die shipper op 20 april 2012 ondertekend door [naam 3] (als Director). Uit een uittreksel uit het handelsregister van 26 september 2016 blijkt dat [naam 3] B.V. sinds 1 januari 1999 vennoot van deze shipper is. Op dit uittreksel staat vermeld dat die B.V. beperkt bevoegd is de shipper te vertegenwoordigen en dat voor de beperkende bepalingen de opgave geraadpleegd moet worden. Dat heeft SCC vervolgens naar aanleiding van de opmerkingen van de luchtvaartmaatschappijen gedaan. Uit die opgave, die dateert van 1998, blijkt dat iedere vennoot bevoegd was om deze shipper te vertegenwoordigen. Aldus heeft SCC volledig gedocumenteerd dat [naam 3] op 20 april 2012 bevoegd was om deze shipper te vertegenwoordigen.
Wat betreft de opmerking van de luchtvaartmaatschappijen dat in een aantal gevallen de startdatum van de vertegenwoordigingsbevoegdheid bestaat uit een combinatie van zeven cijfers, heeft SCC uitgelegd dat dit te maken heeft met het hanteren van een gregoriaanse kalender.
SCC heeft verder nog uiteengezet hoe de vertegenwoordigingsbevoegdheid inzake Ut Prius n.v. (shipper 21.01) uit de cessiedocumentatie kan worden afgeleid. De ADPA is namens deze shipper op 29 mei 2012 getekend door [naam 4] en [naam 5] . Blijkens de publicaties in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad tot en met 18 januari 2017 was [naam 5] op 29 mei 2012 gedelegeerd bestuurder van deze shipper en als zodanig bevoegd om deze shipper te vertegenwoordigen. Er zijn voorts geen concrete aanwijzingen gesteld of gebleken waaruit zou kunnen volgen dat in deze gevallen de vertegenwoordigings-bevoegdheid ontbreekt, althans dat de bewuste shipper de vorderingen niet heeft willen cederen.
(iv) naam/namen van de ondertekenaar(s) niet in de bevoegdheidsdocumentatie terug te vinden dan wel niet of nauwelijks leesbaar of de reikwijdte van de vertegenwoordigingsbevoegdheid onduidelijk
4.27.8.
Volgens de luchtvaartmaatschappijen is/zijn de naam/namen van de ondertekenaar(s) niet in alle bevoegdheidsdocumentatie terug te vinden dan wel niet of nauwelijks leesbaar alsmede is de reikwijdte van de vertegenwoordigingsbevoegdheid soms onduidelijk.
SCC heeft hier tegenin gebracht dat de enkele omstandigheid dat een van de namen van de ondertekenaars in de bevoegdheidsdocumentatie niet terugkomt, niet automatisch betekent dat uit de bevoegdheidsdocumentatie niet blijkt dat de ondertekening bevoegdelijk heeft plaatsgevonden. Als voorbeeld noemt SCC shipper New Wave Group AB (shipper 35.01). SCC heeft steeds gesteld dat de ADPA namens deze shipper is ondertekend door [naam 6] en [naam 7] . De A&C is namens deze shipper ondertekend door [naam 6] en [naam 8] . Wanneer de handtekening van [naam 6] wordt vergeleken met de handtekeningen die namens deze shipper op de handtekeningenpagina’s van de ADPA zijn gezet, dan is er een treffende gelijkenis. Daaruit blijkt dat het gaat om dezelfde persoon (al staat er in de ADPA een andere naam vermeld).
Wat betreft de reikwijdte van de vertegenwoordigingsbevoegdheid is SCC onder meer ingegaan op de door de luchtvaartmaatschappijen genoemde shipper Fairchild Semiconductor International, Inc. (shipper 07.01). De ADPA is namens deze shipper op 28 juni 2012 ondertekend door [naam 9] (als Director Global Logistics). Aan de luchtvaartmaatschappijen is een bevestiging van deze shipper verstrekt dat [naam 9] bevoegd was om deze shipper te vertegenwoordigen. Deze bevestiging is op 28 oktober 2016 getekend door [naam 10] (als Director) en [naam 11] (als Assistant Secretary). Uit de bevoegdheidsdocumentatie die aan deze bevestiging is gehecht en die dateert van 6 december 2016 blijkt dat [naam 10] en [naam 11] bevoegd waren om deze shipper te vertegenwoordigen. Voor het overige zijn geen concrete aanwijzingen gesteld of gebleken dat de hier door de luchtvaartmaatschappijen gestelde ‘gebreken’ maken dat aangenomen moet worden dat de cessies niet geldig zijn, althans dat de bewuste shippers hun vorderingen niet hebben willen cederen.
4.28.
De rechtbank constateert dat SCC de verweren van de luchtvaartmaatschappijen tegen de geldigheid van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de ondertekenaar(s) van de cessiedocumentatie in de antwoordakte en tijdens het pleidooi (aan de hand van eerder overgelegde stukken) gemotiveerd heeft weersproken, zoals hiervoor met enige voorbeelden is weergegeven.
Het had vervolgens op de weg van de luchtvaartmaatschappijen gelegen om dit verweer op hun beurt concreet te weerleggen. Dit hebben zij echter – ook in de enkele hiervoor niet besproken gevallen – nagelaten. Zij hebben volstaan met een blote betwisting dat wat SCC gedocumenteerd heeft aangevoerd onvoldoende is. De luchtvaartmaatschappijen hebben voorts geen enkele concrete aanwijzing gegeven waaruit is af te leiden dat de shippers zich niet gebonden achten. Verder is niet gesteld of gebleken dat zich ook maar één shipper van wie de vorderingen onderwerp zijn van deze procedure bij de luchtvaartmaatschappijen heeft gemeld met een aanspraak op schadevergoeding of zich (ook) heeft aangesloten bij een ander ‘litigation vehicle’. De shippers hebben bovendien niet alleen de ADPA’s getekend maar veelal ook A&C’s, waarin wordt verwezen naar het eerdere stuk. Daaruit blijkt ook dat sprake was van vertegenwoordigingsbevoegd, althans de wens om gebonden te zijn aan de cessie. Verder wordt in de A&C’s en in de ‘Confirmations’ feitelijk de eerdere overdracht bekrachtigd. Het beroep van de luchtvaartmaatschappijen op artikel 3:58 BW kan hen niet baten, nu dit artikel ziet op wettelijke geldigheidsvereisten zoals beschikkingsbevoegdheid en toepassing mist waar het zoals hier gaat om het bekrachtigen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid.
Bij twijfel over de vertegenwoordigingsbevoegdheid hadden de luchtvaartmaatschappijen, zoals SCC terecht heeft aangevoerd, bovendien ook zelf contact kunnen opnemen met de betreffende shippers, maar dat hebben zij kennelijk niet gedaan.
4.29.
Voor zover de luchtvaartmaatschappijen nieuwe bezwaren tegen de cessies naar voren hebben gebracht in hun ten behoeve van het pleidooi overgelegde productie 80, danwel tijdens het pleidooi, is dat te laat en derhalve in strijd met de goede procesorde, zodat die bezwaren buiten beschouwing blijven.
STM
4.30.
Ten slotte hebben de luchtvaartmaatschappijen erop gewezen dat SCC pas voor het eerst en zonder toelichting op 7 februari 2017 interne documentatie over cessies van groepsmaatschappijen van STMicroelectronics International N.V. (hierna: STM) heeft verstrekt, dat deze groepsmaatschappijen niet op de eerder met de luchtvaartmaatschappijen gedeelde en in het geding gebrachte overzichten van shippers van SCC staan vermeld en evenmin in de cessieovereenkomst waarmee STM haar vorderingen aan SCC heeft willen overdragen. Deze groepsmaatschappijen komen ook niet voor op de als productie 56 bij antwoordakte van SCC overgelegde lijst. Op deze lijst staat alleen STM zelf als nummer 77 vermeld. De vorderingen van die groepsmaatschappijen dienen dan ook buiten beschouwing te blijven, aldus de luchtvaartmaatschappijen. Zij voeren hiertoe het volgende aan. SCC poogt op deze manier nieuwe vorderingen, dat wil zeggen vorderingen van nieuwe shippers, onderwerp te maken van deze procedure. Dat kan niet meer. Tijdens de regiezitting van 22 juni 2016 is immers door de rechtbank – na overleg met partijen – bepaald dat SCC na 12 oktober 2016 geen verdere eiswijzigingen meer mocht indienen.
4.31.
De rechtbank volgt het betoog van de luchtvaartmaatschappijen. De poging van SCC om thans de vorderingen van de groepsmaatschappijen van STM onderwerp te maken van deze procedure is een verkapte vermeerdering van eis. Deze vermeerdering van eis zal niet worden toegestaan omdat deze in strijd is met de goede procesorde, te weten de afspraken die de rechtbank met partijen tijdens de regiezitting heeft gemaakt met het oog op het ordentelijk verloop van de onderhavige – omvangrijke en ingewikkelde – procedure.
conclusies
4.32.
Op grond van al het voorgaande is de conclusie dat de cessies die worden beheerst door Nederlands recht rechtsgeldig zijn. Dit brengt mee dat het verweer van de luchtvaartmaatschappijen dat de procedeeropdrachten niet geldig zijn, geen bespreking behoeft.
4.33.
Gesteld noch gebleken is dat overigens naar Frans of Duits recht strengere eisen aan de cessies worden gesteld dan naar Nederlands recht. De luchtvaartmaatschappijen hebben niet gesteld dat de cessies naar Duits en Frans recht concrete gebreken vertonen anders dan die welke hiervoor reeds zijn besproken. De conclusie is dan ook dat de cessies die worden beheerst door Frans en Duits recht evenals de cessies die worden beheerst door Nederlands recht rechtsgeldig zijn.
verdere verloop van de procedure
4.34.
Zoals tijdens de pleidooizitting is besproken, dienen thans afspraken te worden gemaakt over het verdere verloop van de procedure. De zaak zal hiertoe worden verwezen naar de rol. SCC zal als eisende partij als eerste in de gelegenheid worden gesteld hierover bij akte (na bestudering van dit vonnis en het eveneens vandaag gewezen vonnis over het toepasselijk recht) uit te laten, waarna de luchtvaartmaatschappijen in de gelegenheid zullen worden gesteld hierop te reageren.
4.35.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat de cessies van de in productie 56 van SCC vermelde 266 shippers als cedenten aan SCC als cessionaris naar het cessiestatuut rechtsgeldig zijn, met dien verstande dat dit ten aanzien van STM uitsluitend geldt voor zover zij zelf als shipper een vordering uit onrechtmatige daad (uit hoofde van het kartel) heeft in verband met door haar zelf (als opdrachtgever) al dan niet via een freight forwarder afgenomen luchtvrachtdiensten,
5.2.
verwijst de zaak naar de rol van 13 september 2017 voor de akte aan de zijde van SCC als bedoeld onder 4.34., waarna de luchtvaartmaatschappijen de gelegenheid zullen krijgen daarop bij antwoordakte te reageren,
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. A.E. de Vos en mr. M.E.M. James-Pater, rechters, bijgestaan door mr. J.P. van der Stouwe, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2017.
Uitspraak 01‑05‑2017
Inhoudsindicatie
Luchtvaartkartel. Kartelverbod artikel 101 VWEU van toepassing op voor bepaalde data uitgevoerde vluchten? Prejudiciële vragen aan HvJ.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
Vonnis van 1 mei 2019
in de zaken met zaaknummers / rolnummers
C/13/562256 / HA ZA 14-348 (SCC I) en
C/13/604492 / HA ZA 16-301 (SCC II) van
de stichting
STICHTING CARTEL COMPENSATION,
gevestigd te Den Haag,
eiseres,
advocaat mr. J. van den Brande,
tegen
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap
MARTINAIR HOLLAND N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LUFTHANSA CARGO A.G.,
gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC.,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. D.J. Beenders,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIETE AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,
advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES LIMITED,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat,
gedaagden,
alsmede in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/486440/ HA ZA 11-944 (Equilib I) van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EQUILIB NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
advocaat mr. M.H.J. van Maanen,
tegen
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V. ,
gevestigd te Amstelveen,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap
MARTINAIR HOLLAND N.V. ,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIÉTÉ AIR FRANCE S.A. ,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,
advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,
gedaagden,
en
4. de vennootschap naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD ,
gevestigd te Singapore,
advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat,
5. de vennootschap naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES LIMITED ,
gevestigd te Singapore,
advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LUFTHANSA CARGO A.G. (,
gevestigd te Kelsterbach, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G. ,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SWISS INTERNATIONAL AIR LINES A.G. ,
gevestigd te Basel, Zwitserland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
9. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC. ,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. D.J. Beenders,
10. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AIR CANADA ,
gevestigd te Saint Laurent, Canada,
advocaat mr. K.A.J. Bisschop,
11. de rechtspersoon naar buitenlands recht
CATHAY PACIFIC AIRWAYS LIMITED ,
gevestigd te Hong Kong, China,
advocaat mr. Ph.W.M. ter Burg,
gevoegde partijen,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/561169 / HA ZA 14-283 (Equilib II) van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EQUILIB NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
advocaat mr. M.H.J. van Maanen,
tegen
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap
MARTINAIR HOLLAND N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de naamloze vennootschap naar buitenlands recht
SOCIÉTÉ AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,
advocaat mr. dr. D.A.M.H.W. Strik,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LUFTHANSA CARGO A.G.,
gevestigd te Kelsterbach, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC.,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. D.J. Beenders,
gedaagden.
Eiseressen zullen hierna SCC en Equilib worden genoemd. Gedaagden (en gevoegde partijen) zullen hierna gezamenlijk de luchtvaartmaatschappijen worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
e-mailcorrespondentie tussen de rechtbank en partijen over de agenda van de pleidooizitting op 27 november 2018;
- -
het verkorte proces-verbaal van pleidooi van 27 november 2018, met de daarin genoemde processtukken;
- -
de e-mail van mr. Van Maanen van 24 december 2018 namens Equilib met een reactie op het proces-verbaal.
1.2.
In het proces-verbaal is bepaald dat eventuele opmerkingen daarop binnen veertien dagen na ontvangst daarvan per e-mail aan de griffie kenbaar kunnen worden gemaakt. Het proces-verbaal is per e-mail op 11 december 2018 aan partijen toegezonden.
De e-mails van 2 januari 2019 van mr. T. Heikens, van 3 januari 2019 van mr. M. Portman en van 7 januari 2019 van mr. H. Speyart namens gedaagden met reacties op het proces-verbaal, dateren van na deze termijn van veertien dagen. Gelet hierop zullen die e-mails, zoals verzocht door mr. Th. Verheij namens SCC en Equilib bij e-mail van 10 januari 2019, buiten beschouwing worden gelaten.
2. De feiten
2.1.
In documenten van diverse mededingingsautoriteiten, waaronder die in de Europese Unie (hierna: EU), Australië, Brazilië, Zuid-Afrika en Zuid-Korea, en documenten in verband met gerechtelijke procedures in Australië, Canada en de Verenigde Staten van Amerika, is opgenomen dat door betrokken kartelleden hun deelname aan het kartel is erkend en dat tussen de kartelleden, waaronder (volgens SCC en Equilib) de luchtvaartmaatschappijen, concurrentiebeperkende afspraken zijn gemaakt met betrekking tot vrachtvervoer dat door de kartelleden wereldwijd werd verzorgd in de kartelperiode, in ieder geval in de periode 2000 - 2006.
2.2.
In een persbericht heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) opgenomen dat zij in een besluit van 9 november 2010 heeft geoordeeld dat vanaf december 1999 tot 14 februari 2006 brandstof- en veiligheidstoeslagen zijn gecoördineerd ten aanzien van vluchten van, naar en binnen de Europese Economische Ruimte (hierna: EER) en Zwitserland, door diverse luchtvaartmaatschappijen (hierna: het oude besluit). Aan de betrokken luchtvaartmaatschappijen, zo is opgenomen in dat persbericht, zijn geldboetes opgelegd voor een totaalbedrag van € 799.445.000,-- voor deelname aan een internationaal kartel.
2.3.
Tegen het oude besluit is door alle geadresseerden daarvan, met uitzondering van Qantas Airways Limited, beroep ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie (hierna: het Gerecht). Bij arresten van 16 december 2015 heeft het Gerecht de beroepen gegrond verklaard en het oude besluit van de Commissie (ten aanzien van British Airways Plc. gedeeltelijk) nietig verklaard. De Commissie heeft geen beroep ingesteld tegen deze arresten.
2.4.
Bij arrest van 14 november 2017 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) de door British Airways Plc. tegen het oude besluit ingestelde hogere voorziening afgewezen.
2.5.
In een persbericht heeft de Commissie opgenomen dat zij in haar besluit van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna: EER-overeenkomst) en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (hierna: EUZO) (hierna: het nieuwe besluit) wederom heeft geoordeeld dat in de hiervoor onder 2.2 genoemde periode sprake was van een internationaal kartel en dat zij aan de betrokken luchtvaartmaatschappijen geldboetes heeft opgelegd voor een totaalbedrag van € 776.465.000,-- voor deelname aan dat kartel. Het merendeel van de geadresseerden van het nieuwe besluit heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij het Gerecht. Die procedure loopt nog.
2.6.
Uit de provisional non-confidential version, gedateerd 17 maart 2017, van het nieuwe besluit (Zaak AT.39258) blijkt het volgende:
- -
het besluit is gericht tot 19 rechtspersonen, waaronder alle gedaagden;
- -
het besluit heeft betrekking op één enkele en voortdurende inbreuk, die het grondgebied van de EER en Zwitserland bestreek en waarbij de adressanten hun prijsbeleid voor het verstrekken van luchtvaartdiensten vanuit, naar en binnen de EER coördineerden ten aanzien van de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van commissie over de toeslagen;
- -
het besluit betreft verkopen van luchtvaartdiensten: (i) tussen luchthavens in de EER in de periode 7 december 1999 – 14 februari 2006; (ii) tussen luchthavens in de EU en luchthavens in derde landen [niet zijnde Zwitserland, rb] in de periode 1 mei 2004 – 14 februari 2006; (iii) tussen luchthavens in de EER (met uitzondering van luchthavens in de EU) en luchthavens in derde landen in de periode 19 mei 2005 – 14 februari 2006; en (iv) tussen luchthavens in de EU en luchthavens in Zwitserland in de periode 1 juni 2002 – 14 februari 2006.
In het besluit is voorts, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“5.2. Jurisdiction of the Commission
5.2.1.
Article 101 of the TFEU
(…)
(823) Before 1 May 2004, Council Regulation (EEC) No 3975/87 of 14 December 1987 laying down the procedure for the application of the rules on competition to undertakings in the air transport sector granted the Commission implementing powers to apply Article 101 of the TFEU with respect to air transport between EU airports. Air transport between EU airports and airports in third countries was, however, excluded from the scope of that regulation. Consequently, Article 101 of the TFEU could only be enforced by the authorities of the Member States and the Commission on the basis of the transitional regime set out in Articles 104 and 105 of the TFEU.
(824) Under these circumstances, the Commission will not apply 101 of the TFEU to [conduct] concerning air transport between EU airports and airports in third countries that took place before 1 May 2004.
5.2.2.
Article 53 of the EEA Agreement
(…)
(827) Before 19 May 2005, Regulation (EEC) No 3975/87 provided implementing rules for the application of Article 53 of the EEA Agreement with respect to air transport between EEA airports. Air transport between airports in the EEA and airports in third countries was, however, not covered. Consequently, Article 53 of the EEA Agreement could only be enforced on the basis of the transitional regime set out in Article 55 of the EEA Agreement.
(828) Under these circumstances, the Commission will not apply Article 53 of the EEA Agreement to [conduct] concerning air transport between airports in the EEA and airports in third countries that took place before 19 May 2005.”
2.7.
De in het nieuwe besluit genoemde brandstoftoeslagen, veiligheidstoeslagen en de over die toeslagen betaalde commissie zijn, zo stellen SCC en Equilib, aan de afzenders van goederen die luchtvrachtdiensten hebben afgenomen (verladers of shippers, hierna: de shippers) in rekening gebracht (meestal) via expediteurs (of freight forwarders). Vrijwel alle luchtvaartcapaciteit van de luchtvaartmaatschappijen wordt aan freight forwarders verkocht (ten behoeve van shippers/verladers, de afnemers van luchtvrachtdiensten die goederen vervoerd willen hebben).
2.8.
SCC is een Nederlandse stichting die speciaal is opgericht om schadevergoedings-vorderingen (die zijn ontstaan door mededingingsrechtelijke inbreuken) in rechte te verhalen (ook wel genoemd een ‘litigation vehicle’ of ‘claim vehicle’), in dit geval de vorderingen die shippers menen te hebben op de luchtvaartmaatschappijen ter zake van het hiervoor bedoelde kartel. SCC is opgericht door Omni Bridgeway, een vennootschap die zich bezig houdt met het financieren en begeleiden van bedrijven bij het terugvorderen van verliezen die zij hebben geleden als gevolg van illegale prijsafspraken. Omni Bridgeway is tevens enig bestuurder van SCC.
2.9.
Equilib, sinds 18 december 2012 na een fusie de rechtsopvolger onder algemene titel van Equilib S.A.R.L. (een vennootschap naar Frans recht), is een Nederlandse vennootschap die op dezelfde wijze als SCC schadevergoedingsvorderingen (die zijn ontstaan door mededingingsrechtelijke inbreuken) in rechte tracht te verhalen.
2.10.
SCC en Equilib kopen de vorderingen op, bundelen deze en gaan deze vervolgens in eigen naam innen. Hiertoe laten SCC en Equilib hun ‘cliënten’ (in dit geval de shippers) hun (vermeende) vorderingen aan hen cederen.
3. Het geschil
3.1.
SCC vordert, na eisvermeerdering en vermindering van (de grondslag van) haar eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven:
I. te verklaren voor recht dat de luchtvaartmaatschappijen door de introductie, onderlinge afstemming en toepassing van de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag in de periode van 2000 tot en met 2006 onrechtmatig hebben gehandeld jegens de shippers vermeld in productie 56 SCC;
II. hoofdelijke veroordeling van de luchtvaartmaatschappijen tot betaling van
€ 243.932.063,12 en € 34.847.437,59 alsmede schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met rente en kosten.
3.2.
Equilib vordert, na vermeerdering en vermindering van eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven:
I. te verklaren voor recht dat de luchtvaartmaatschappijen door deelname aan het kartel naar het van toepassing zijnde recht aansprakelijk zijn uit hoofde van toerekenbaar onrechtmatig handelen jegens de shippers vermeld in productie 3 bij akte van 9 november 2016;
II. te verklaren voor recht dat de luchtvaartmaatschappijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die deze shippers hebben geleden als gevolg van het handelen als bedoeld in de verklaringen voor recht onder I;
III. de luchtvaartmaatschappijen hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Equilib van een volledige vergoeding (inclusief wettelijke rente) van de schade die deze shippers hebben geleden als gevolg van het handelen als bedoeld in de verklaringen voor recht onder I, nader op te maken bij staat;
IV. de luchtvaartmaatschappijen hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
3.3.
Ten aanzien van het onderwerp waarover de rechtbank thans (in alle zaken) een beslissing zal nemen, is met partijen afgesproken dat de zaken (op de rol) gevoegd worden behandeld.
3.4.
Met partijen zijn afspraken gemaakt over het onderwerp waarover de rechtbank in dit stadium zal beslissen. In dit vonnis ligt de vraag voor of de rechtbank bevoegd is het kartelverbod van artikel 101 lid 1 VWEU toe te passen gedurende de kartelperiode:
( a) vóór 1 mei 2004 op vluchten tussen luchthavens in de EU en luchthavens buiten de EER (hierna: derde landen);
( b) vóór 19 mei 2005 op vluchten tussen luchthavens in IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en luchthavens in derde landen; en
( c) vóór 1 juni 2002 op vluchten tussen de EU en Zwitserland.
3.5.
SCC en Equilib stellen, samengevat, primair dat het kartelverbod van (thans) artikel 101 VWEU gedurende de gehele kartelperiode rechtstreekse horizontale werking had, zodat de rechtbank bevoegd is dit verbod ook toe te passen op de hiervoor onder 3.4 genoemde vluchten in de relevante periodes. Subsidiair stellen SCC en Equilib dat de rechtbank op grond van artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 1/2003 van de Raad (PB L 1 van 4 januari 2003, p. 1) in ieder geval vanaf 1 mei 2004 bevoegd is geworden artikel 101 VWEU toe te passen, voor zover die bevoegdheid voordien niet bestond, en wel met terugwerkende kracht. SCC en Equilib verwijzen ter onderbouwing van hun stellingen naar vaste rechtspraak van het HvJ en naar de namens hen overlegde opinie van prof. mr. A.W.H. Meij (hierna: Meij) van 26 oktober 2018.
3.6.
Met betrekking tot de primaire stelling van SCC en Equilib betwisten de luchtvaartmaatschappijen kort gezegd dat artikel 101 lid 1 VWEU rechtstreekse horizontale werking heeft. De rechtbank is niet bevoegd om die bepaling toe te passen omdat een voorafgaand besluit van de Commissie of van de nationale autoriteiten als bedoeld in de artikelen 104 en 105 VWEU in het onderhavige geval ontbreekt. Met betrekking tot de subsidiaire stelling van SCC en Equilib betwisten de luchtvaartmaatschappijen dat de rechtbank op grond van artikel 6 van Verordening 1/2003 bevoegd is om gedragingen die op het moment dat zij plaatsvonden niet verboden waren, met terugwerkende kracht alsnog verboden te verklaren. Het toekennen van terugwerkende kracht blijkt niet uit tekst, doel of opzet van Verordening 1/2003 en zou een materiële wijziging inhouden, die volgens de luchtvaartmaatschappijen in strijd is met de rechtszekerheid.
3.7.
In de Engelse zogenoemde Emerald-procedure, waarin dezelfde vraag – de temporele afbakening van het geschil – betreffende dezelfde door de Commissie vastgestelde inbreuk op artikel 101 lid VWEU als in de onderhavige procedure aan de orde is, heeft de High Court (Mrs Justice Rose) op 4 oktober 2017 uitspraak gedaan (2017 EWHC 2420(Ch)). Zij is – kort samengevat – tot het oordeel gekomen dat zij niet bevoegd is te oordelen over de vorderingen op basis van inbreuken op artikel 101 VWEU of artikel 53 EER-overeenkomst met betrekking tot toeslagen voor diensten op routes tussen luchthavens binnen de EU en derde landen vóór 1 mei 2004 en op routes tussen luchthavens binnen de EER (niet zijnde lidstaten van de EU) en derde landen vóór 19 mei 2005, bij gebreke van een besluit van de bevoegde nationale autoriteiten of de Commissie waarin een dergelijke inbreuk wordt vastgesteld.
4. De beoordeling
Relevante Europese regelgeving
EEG/VWEU
4.1.
Artikel 85 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (hierna: EEG-Verdrag) (thans en hierna te noemen artikel 101 VWEU) bepaalt dat overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt beperkt, onverenigbaar zijn met de interne markt en verboden zijn. In artikel 101 lid 3 VWEU is voorzien in de mogelijkheid dat de bepalingen in lid 1 van dit artikel buiten toepassing worden verklaard. Overeenkomsten en besluiten die krachtens artikel 101 VWEU verboden zijn, zijn ingevolge het tweede lid van rechtswege nietig.
4.2.
Artikel 86 van het EEG-Verdrag (thans en hierna te noemen artikel 102 VWEU) bepaalt dat overenigbaar met de interne markt en verboden is, voor zover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan.
4.3.
Artikel 87 lid 1 van het EEG-Verdrag (thans en hierna te noemen artikel 103 VWEU) bepaalt dat de Raad een uitvoeringsregeling vaststelt voor de toepassing van de beginselen neergelegd in de artikelen 101 en 102 VWEU.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel heeft de uitvoeringsregeling tot doel:
a. a) nakoming van de in artikel 101 lid 1 en in artikel 102 VWEU bedoelde verbodsbepalingen te verzekeren door de instelling van geldboeten en dwangsommen;
b) de wijze van toepassing van artikel 101 lid 3 VWEU vast te stellen met inachtneming van de noodzaak, enerzijds een doeltreffend toezicht te verzekeren, en anderzijds de administratieve controle zoveel mogelijk te vereenvoudigen;
c) in voorkomende gevallen, de werkingssfeer van de bepalingen van de artikelen 101 en 102 VWEU voor de verschillende bedrijfstakken nader vast te stellen;
d) de taak van de Commissie, onderscheidenlijk van het HvJ, bij de toepassing van de in dit lid bedoelde bepalingen vast te stellen;
e) de verhouding vast te stellen tussen de nationale wetgevingen enerzijds en de bepalingen van deze afdeling, alsmede de uitvoeringsbepalingen van dit artikel anderzijds.
4.4.
Artikel 88 van het EEG-Verdrag (thans en hierna te noemen artikel 104 VWEU) bepaalt dat tot de inwerkingtreding van de voorschriften, op grond van artikel 103 VWEU vastgesteld, de autoriteiten van de lidstaten beslissen over de toelaatbaarheid van mededingingsregelingen en over het misbruik maken van een machtspositie op de interne markt, in overeenstemming met hun nationale recht en de in artikel 101, met name lid 3, en in artikel 102 VWEU neergelegde bepalingen.
4.5.
In artikel 89 van het EEG-Verdrag (thans en hierna te noemen artikel 105 VWEU) heeft de Commissie, onverminderd het in artikel 104 VWEU bepaalde, de taak gekregen te waken voor de toepassing van de in de artikelen 101 en 102 VWEU neergelegde beginselen. Op verzoek van een lidstaat of ambtshalve, en in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, welke haar daarbij behulpzaam zijn, stelt zij een onderzoek in naar de gevallen van vermoedelijke inbreuk op bovengenoemde beginselen. Indien haar blijkt dat inbreuk is gepleegd, stelt zij passende middelen voor om daaraan een eind te maken.
Verordeningen
4.6.
Op 13 maart 1962 is Verordening (EEG) nr. 17 van de Raad (PB 13 van 21 februari 1962, p. 204), de eerste verordening over de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, in werking getreden (hierna: Verordening 17). Krachtens Verordening 17 is de Commissie exclusief bevoegd om artikel 101 lid 1 VWEU buiten toepassing te verklaren op overeenkomsten die voldoen aan de in artikel 101 lid 3 VWEU genoemde voorwaarden. Ondernemingen die een beroep wilden doen op artikel 101 lid 3 VWEU moesten bij de Commissie voorafgaand een ontheffingsbesluit aanvragen. Overeenkomsten die al bestonden op het moment van inwerkingtreding van Verordening 17 moesten vóór 1 augustus 1962 worden aangemeld bij de Commissie, die vervolgens alsnog een ontheffing met terugwerkende kracht kon verlenen.
4.7.
Eveneens op 13 maart 1962 is Verordening (EEG) nr. 141 van de Raad (PB 124 van 28 november 1962, p. 2751) in werking getreden (hierna: Verordening 141), waarin in artikel 1 is bepaald dat Verordening 17 niet van toepassing is op de vervoersector.
4.8.
Op 1 januari 1988 is Verordening (EEG) nr. 3975/87 van de Raad (PB L 374 van 31 december 1987, p. 1) tot vaststelling van de wijze van toepassing van de mededingingsregels op ondernemingen in de sector luchtvervoer in werking getreden. In de preambule wordt onder meer overwogen dat “de regels betreffende mededinging deel uitmaken van de algemene regels van het Verdrag die ook op het luchtvervoer van toepassing zijn (…) dat de Commissie op het ogenblik (…) over geen enkel middel beschikt om rechtstreeks een onderzoek in te stellen naar gevallen van vermoedelijke inbreuk op de artikelen 85 [101 VWEU] en 86 [102 VWEU] van het [EEG-]Verdrag in de luchtvervoer-sector; dat zij evenmin beschikt over een eigen bevoegdheid om besluiten te nemen of sancties op te leggen om de door haar vastgestelde inbreuken te doen beëindigen. (…) Dat het derhalve wenselijk is dat regels worden vastgesteld volgens welke de Commissie in nauw en voortdurend contact met de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten de noodzakelijke maatregelen kan nemen voor de toepassing van de artikelen 85 [101 VWEU] en 86 [102 VWEU] op het internationale luchtvervoer tussen de luchthavens in de Gemeenschap”. Artikel 1 bepaalt dat met deze verordening de regels voor de toepassing van de artikelen 85 [101 VWEU] en 86 [102 VWEU] van het Verdrag op het luchtvervoer worden vastgesteld. De Commissie verkreeg daarmee de bevoegdheid om in de luchtvervoersector onderzoek in te stellen naar inbreuken van artikelen 101 en 102 VWEU, de (exclusieve) bevoegdheid om artikel 101 lid 3 VWEU toe te passen (waaronder de mogelijkheid om een ontheffing met terugwerkende kracht te verlenen) en sancties op te leggen om inbreuken te bestraffen en te beeïndigen. In artikel 7 is vastgelegd dat de autoriteiten van de lidstaten bevoegd blijven om te beslissen of een zaak onder de bepalingen van art 85 lid 1 [101 lid 1 VWEU], of artikel 86 [102 VWEU] van het EEG-Verdrag valt, zolang de Commissie geen procedure heeft ingeleid met het oog op het opstellen van een beschikking in de betrokken zaak, noch de in artikel 5, lid 3, eerste alinea, bedoelde mededeling heeft gedaan (toepassing van art 85 lid 3 [101 lid 3 VWEU], rechtbank). Indien ondernemingen een beroep op artikel 85 lid 3 [101 lid 3 VWEU] willen doen, moeten zij een verzoek bij de Commissie indienen.
4.9.
Op 16 december 2002 is Verordening (EEG) nr. 1/2003 van de Raad betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag aangenomen (hierna: Verordening 1/2003). Deze Verordening was – in eerste instantie - niet van toepassing verklaard op luchtvervoer tussen de luchthavens in de EU en derde landen. Vóór de inwerkingtreding van Verordening 1/2003 op 1 mei 2004 is deze gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 411/2004 van de Raad van 26 februari 2004 (PB L 68 van 6 maart 2004, p. 1), waarbij de gehele luchtvaartsector onder het regime van Verordening 1/2003 is gebracht. In de preambule is onder meer opgenomen dat het stelsel, zoals ingevoerd met Verordening 17, moet worden vervangen door een stelsel van wettelijke uitzondering, waarin de mededingingsautoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten bevoegd zijn niet alleen artikel 81 lid 1 [101 lid 1 VWEU] en artkel 82 [102 VWEU] van het EG-Verdrag, die volgens de rechtspraak van het HvJ rechtstreekse werking hebben, maar ook artikel 81 lid 3 [101 lid 3 VWEU] van het EG-Verdrag toe te passen. De Commissie verkreeg de bevoegdheid om ook ten aanzien van luchtvervoer tussen luchthavens in de EU en derde landen de artikelen 101 (inclusief lid 3) en 102 VWEU toe te passen. Naast de Commissie verkreeg ook de nationale rechter op grond van artikel 6 van Verordening 1/2003 de bevoegdheid om artikel 101 (inclusief lid 3) en 102 VWEU toe te passen. In de preambule is onder (7) opgenomen “de nationale rechterlijke instanties vervullen bij de toepassing van de communautaire mededingingsregels een wezenlijke taak. Zij beschermen de uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiende subjectieve rechten door geschillen tussen particulieren te beslechten, met name door aan de slachtoffers van inbreuken schadevergoeding toe te kennen. De rol van de nationale rechterlijke instanties is dienaangaande complementair aan die van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten. Het is bijgevolg noodzakelijk hun de bevoegdheid toe te kennen de artikelen 81 en 82 van het Verdrag [101 en 102 VWEU] ten volle toe te passen”. De hier bedoelde bevoegdheid is in artikel 6 van Verordening 1/2003 opgenomen. Artikel 16 van Verordening 1/2003 bepaalt dat de nationale rechters verplicht zijn om geen beslissingen te nemen die in strijd zijn met de door de Commissie gegeven beschikkingen en draagt hun op beslissingen te vermijden die in strijd kunnen komen met een beschikking die de Commissie overweegt.
EER
4.10.
Op 1 januari 1994 is de EER-overeenkomst (zie 2.5) in werking getreden, die thans geldt tussen de EU en haar lidstaten enerzijds en Liechtenstein, Noorwegen en IJsland anderzijds. De EER-overeenkomst ziet op samenwerking van de (toenmalige) lidstaten van de EU met sommige van de toenmalige lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) door uitbreiding van onder meer de mededingingsregels van de EU naar de deelnemende EVA-lidstaten.
4.11.
Artikel 6 EER-overeenkomst bepaalt dat de bepalingen uit die overeenkomst moeten worden uitgelegd en toegepast overeenkomstig de uitleg die door het HvJ is en zal worden gegeven aan de in essentie gelijkluidende bepalingen van primair en afgeleid Unierecht. De artikelen 53 en 54 EER-overeenkomst zijn de equivalenten van de artikelen 101 en 102 VWEU. De artikelen 55 en 60 EER-overeenkomst zijn (via verwijzingen) het equivalent van artikel 103 VWEU. De EER-overeenkomst kent geen equivalent van artikel 104 VWEU. In artikel 55 EER-overeenkomst (het equivalent van artikel 105 VWEU) zijn de bevoegdheden van artikel 105 VWEU toegekend aan de Commissie en aan de Toezichthoudende Autoriteit EVA.
Artikel 3 Protocol 21 EER bepaalt dat, in aanvulling op de in Bijlage XIV EER-overeenkomst genoemde Uniebesluiten, de in dat artikel genoemde besluiten de bevoegdheden van de Commissie weergeven voor de toepassing van de EU-mededingingsregels. De betrokken lijst bevat een verwijzing naar Verordeningen 17, 141 en 3975/87, deze laatste zoals gewijzigd bij Verordening 1284/91. Bijlage XIV EER bevat geen verwijzing naar Verordening 17 of enige andere uitvoeringsregeling van de EU.
EUZO
4.12.
Op 1 juni 2002 is de EUZO (zie 2.5) in werking getreden. Artikelen 8 en 9 EUZO zijn de equivalenten van de artikelen 101 en 102 VWEU. Artikel 1 lid 1 EUZO luidt als volgt:
“Deze overeenkomst stelt voor de Overeenkomst sluitende partijen regels vast op het gebied van de burgerluchtvaart. Deze bepalingen doen geen afbreuk aan de regels die zijn vervat in het EG-Verdrag en met name aan de huidige bevoegdheden van de Gemeenschap uit hoofde van de mededingingsregels en de uitvoeringsbepalingen daarvan alsook uit hoofde van alle relevante wetgeving van de Gemeenschap die in de bijlage bij deze overeenkomst is vermeld.”
Relevante rechtspraak HvJ
4.13.
Het HvJ heeft in het arrest [partijnamen] (HvJ 30 januari 1974, ECLI:EU:C:1974:6)
overwogen, voor zover hier relevant:
“(…)
14 dat bijgevolg dient te worden onderzocht of de nationale rechterlijke instanties te wier overstaan de verbodsbepalingen van de artikelen 85 en 86 [101 en 102 VWEU] in een civielrechtelijk geding worden ingeroepen, als “autoriteiten van de Lid-Staten” moeten worden aangemerkt;
15 Overwegende dat de bevoegdheid dier instanties om, met name in zodanige gedingen, de bepalingen van gemeenschapsrecht toe te passen uit de rechtstreekse werking daarvan voortvloeit;
16 dat het verbod van de artikelen 85, lid 1, en 86 [101 lid 1 en 102 VWEU] naar zijn aard rechtstreekse gevolgen teweeg kan brengen in de rechtsbetrekkingen tussen particulieren en die artikelen derhalve rechtstreeks rechten voor de justitiabelen doen ontstaan, die de nationale rechter dient te handhaven.
17 dat bij ontkenning, op grond van voormeld artikel 9, van deze hem toekomende bevoegdheid aan particulieren rechten zouden worden ontnomen, welke zij aan het Verdrag zelf ontlenen.
(…)
20 (…) dat de benaming “autoriteiten van de Lid-Staten” (…) een rechterlijk instantie, te wier overstaan een beroep op de rechtstreekse werking van artikel 86 [102 VWEU] wordt gedaan, niet kan ontheffen van de verplichting uitspraak te doen.
21 dat niettemin, wanneer de Commissie een procedure op grond van artikel 3 van verordening nr. 17 inleidt, die rechterlijke instantie haar beslissing kan aanhouden, indien zij zulks om redenen van rechtszekerheid noodzakelijk acht, in afwachting van de uitslag van het optreden der Commissie.
22 dat zij daarentegen, in het algemeen, het geding voortgang zal doen vinden wanneer zij vaststelt dat hetzij de betrokken gedraging klaarblijkelijk de mededinging of de handel tussen de Lid-Staten niet merkbaar ongunstig kan beïnvloeden, hetzij de onverenigbaarheid van die gedraging met artikel 86 [102 VWEU] niet in twijfel kan worden getrokken.
(…)”.
4.14.
Het HvJ heeft in het arrest [partijnaam] (HvJ 30 april 1986, ECLI:EU:1986:188) overwogen, voor zover hier relevant:
“ (…)
42 Mitsdien moet worden geconcludeerd, dat de verdragsregels betreffende de mededinging, en inzonderheid die van de artikelen 85 tot en met 90 [101 tot en met 105 VWEU], van toepassing zijn op de vervoersector.
(…)
45 (…) dat het luchtvervoer op dezelfde voet als de andere takken van vervoer onderworpen blijft aan de algemene regels van het Verdrag, met inbegrip van die betreffende de mededinging.
(…)
49 Daarentegen belet het ontbreken van de in artikel 87 bedoelde uitvoeringsmaatregelen volgens de Commissie niet, dat de nationale rechter, in voorkomend geval, wordt gevraagd om zich uit te spreken over de verenigbaarheid van een overeenkomst of een bepaalde gedraging met de mededingingsregels, daar deze regels rechtstreeks werken.
(…)
63 (…) het feit, dat een mededingingsregeling onder het toepassingsgebied van artikel 85 [101 VWEU] kan vallen, [is] op zichzelf niet voldoende om haar zonder meer als verboden krachtens artikel 85, lid 1 [101 lid 1 VWEU], en derhalve als van rechtswege nietig krachtens artikel 85, lid 2 [101 lid 2 VWEU], aan te merken.
64 Een dergelijke conclusie zou namelijk in strijd zijn met het beginsel van de rechtszekerheid (…) aangezien daardoor bepaalde overeenkomsten met een verbod en met nietigheid van rechtswege zouden worden getroffen, nog voordat de mogelijkheid heeft bestaan om vast te stellen of artikel 85 [101 VWEU] in zijn geheel op deze overeenkomst van toepassing is.
65 Zoals het Hof in het arrest- [partijnaam] heeft verklaard, moet dus worden aangenomen dat tot op het tijdstip van de inwerkingtreding van een verordening of richtlijn ter uitvoering van de artikelen 85 en 86 [101 en 102 VWEU] in de zin van artikel 87 [103 VWEU], het in artikel 85, lid 1, [101 lid 1 VWEU] bedoelde verbod alsook de in artikel 85, lid 2, [101 lid 2 VWEU] bedoelde nietigheid van rechtswege slechts intreden met betrekking tot de overeenkomsten en besluiten ten aanzien waarvan de autoriteiten van de Lid-Staten op grond van artikel 88 van het Verdrag [104 VWEU] hebben beslist, dat zij onder artikel 85, lid 1, [101 lid 1 VWEU] vallen doch niet voor een ontheffing als bedoeld in artikel 85, lid 3 [101 lid 3 VWEU], in aanmerking komen of ten aanzien waarvan de Commissie is overgegaan tot de vaststelling, bedoeld in artikel 89 lid 2 [105 lid 2 VWEU]. (…)
67 (…) De in het arrest- [partijnaam] ontwikkelde beginselen blijven gelden, ook wanneer geen verordening of richtlijn in de zin van artikel 87 [103 VWEU] is vastgesteld en dus geen procedure is vastgesteld voor de toepassing van artikel 85, lid 3 [101 lid 3 VWEU].
68 Wanneer de bevoegde autoriteiten niet op grond van artikel 88 [104 VWEU] hebben beslist dat een bepaalde tariefafspraak tussen luchtvaartmaatschappijen krachtens artikel 85, lid 1 [101 lid 1 VWEU], verboden is en dat krachtens artikel 85, lid 3 [101 lid 3 VWEU], ter zake geen ontheffing kan worden verleend, of wanneer de Commissie geen beschikking krachtens artikel 89, lid 2 [105 lid 2 VWEU] heeft gegeven waarin zij met betrekking tot een dergelijke afspraak een inbreuk (…) vaststelt, kan een nationale rechterlijke instantie als die welke zich in de onderhavige hoofdgedingen tot het Hof heeft gewend, mitsdien niet uit eigen beweging de onverenigbaarheid van bedoelde tariefafspraak met artikel 85, lid 1 [101 lid 1 VWEU], vaststellen.
69 Zolang er voor de betrokken sector nog geen regeling als voorzien in artikel 87 [103 VWEU] is getroffen, dienen de nationale rechters echter, wanneer hetzij op initiatief van de nationale autoriteiten krachtens artikel 88 [104 VWEU], hetzij op initiatief van de Commissie krachtens artikel 89, lid 2 [105 lid 2 VWEU], een dergelijke onverenigbaarheid is vastgesteld, daaruit alle consequenties te trekken, en dienen zij op basis daarvan krachtens artikel 85, lid 2 [101 lid 2 VWEU], met name tot de nietigheid van rechtswege van de in deze vaststelling bedoelde tariefafspraken te concluderen.
(…)”.
4.15.
In het arrest [partijnamen] (HvJ 11 april 1989, ECLI:EU:C:1989:140) heeft het HvJ overwogen, voor zover hier relevant:
“(…)
20 Zoals het Hof echter overwoog in voornoemd arrest van 30 april 1986 [ [partijnaam] , rechtbank], kunnen prijsafspraken in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag [101 lid 1 VWEU] slechts door de in artikel 85, lid 2, [101 lid 2 VWEU] bedoelde nietigheid worden getroffen na de inwerkingtreding van op grond van artikel 87 [103 VWEU] vastgestelde communautaire regels ter nadere regeling van de bevoegdheid van de Commissie om vrijstellingen overeenkomstig artikel 85, lid 3, [101 lid 3 VWEU] te verlenen (…)
21 Zoals reeds opgemerkt, gelden de gemeenschapsregels inzake het luchtvervoer enkel voor internationale verbindingen tussen luchthavens in de Gemeenschap. Dit betekent, dat voor (…) verbindingen met luchthavens in derde landen nog steeds de overgangsbepalingen van de artikelen 88 en 89 [104 en 105 VWEU] en de in het arrest van 30 april 1986 [ [partijnaam] , rechtbank] beschreven regeling gelden. (…)
29 Wat de toepassing van artikel 85 EEG-Verdrag [101 VWEU] betreft, moet mitsdien aan de nationale rechter worden geantwoord, dat bilaterale of multilaterale overeenkomsten inzake tarieven voor lijnvluchten ingevolge artikel 85, lid 2 [101 lid 2 VWEU], van rechtswege nietig zijn:
- in geval van tarieven voor vluchten tussen luchthavens in een en dezelfde Lid-Staat of tussen een dergelijke luchthaven en een luchthaven in een derde land: wanneer hetzij de autoriteiten van de Lid-Staat (…) op grond van artikel 88 [104 VWEU] hetzij de Commissie op grond van artikel 89 [105 VWEU] de overenigbaarheid van de overeenkomst met artikel 85 [101 VWEU] hebben vastgesteld; (…)
- in het geval van tarieven voor internationale vluchten tussen luchthavens in de Gemeenschap: wanneer bij de Commissie geen verzoek (…) is ingediend om de overeenkomst vrij te stellen van het verbod van artikel 85, lid 1 [101 lid 1 VWEU]
(…)
32 (…) De enige reden voor de verdere toepassing van de overgangsbepalingen van de artikelen 88 en 89 [104 en 105 VWEU] is immers, dat overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen als bedoeld in artikel 85, lid 1 [101 lid 1 VWEU], kunnen worden vrijgesteld overeenkomstig artikel 85, lid 3 [101 lid 3 VWEU], en dat het mededingingsbeleid vorm krijgt door het toestaan dan wel het weigeren van dergelijke vrijstellingen, waarover de bevoegd verklaarde instanties beslissen krachtens de op grond van artikel 87 [103 VWEU] vastgestelde uitvoeringsbepalingen. Daarentegen kan voor misbruik van machtspositie hoegenaamd geen vrijstelling worden verleend; een dergelijke gedraging wordt door het Verdrag zonder meer verboden, en al naar gelang het geval zijn het de nationale autoriteiten dan wel de Commissie die in het kader van hun bevoegdheid de consequenties uit dit verbod hebben te trekken.
33 Hieruit kan worden afgeleid, dat het verbod van artikel 86 EEG-Verdrag [102 VWEU] zonder restrictie voor de gehele luchtvaartsector geldt.
(…)
36 Het typische geval van een onder artikel 85 vallende mededingingsregeling doet zich (…) voor, wanneer twee economisch van elkaar onafhankelijke ondernemingen te zamen bij afspraak de prijzen op de betrokken markt vaststellen of de concurrentie anderszins beperken.
(…)
51 Weliswaar heeft de Raad in de considerans van verordening nr 3976/87 uiting gegeven aan zijn streven om de concurrentie in het luchtvervoer slechts geleidelijk te verscherpen (…), maar met dit streven kan slechts rekening gehouden worden binnen de door het Verdrag getrokken grenzen.
52 (…) verbiedt het Verdrag (…) uitdrukkelijk op enigerlei wijze de totstandkoming te bevorderen van overeenkomsten of onderling feitelijke gedragingen op tariefgebied, die in strijd zijn met artikel 85 lid 1 [101 lid1 VWEU]
(…)”.
Bevoegdheden civiele rechter versus bestuur(srechte)lijke handhavingsbevoegdheden
4.16.
De opinie van Meij luidt, voor zover hier relevant:
“(...) 9. Van belang (…) is (…) vast te houden dat de materiële normen op het gebied van de mededinging rechtstreeks voortvloeien uit het Verdrag. Het secundaire recht van uitvoeringsverordeningen op dit gebied kan de uitvoering en toepassing van deze normen vergemakkelijken en zelfs verduidelijken, maar de essentiële inhoud van de Verdragsvoorschriften niet wijzigen. (…) 13. In zover is de verklaring van artikel 6 van Verordening 1/2003 dat nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn de artikelen 101 en 102 VWEU toe te passen, vooral een bevestiging van een al veel eerder door de rechtspraak erkende, zelfs verplichte bevoegdheid om artikel 101, lid 1, VWEU toe te passen, mede uitgebreid met de bevoegheid toepassing te geven aan ontheffingscriteria van artikel 101, lid 3 VWEU. Aangezien, volgens vaste rechtspraak, de verboden van de artikelen 101, lid 1 en 102 VWEU naar hun aard ertoe strekken rechtstreekse gevolgen teweeg te brengen in betrekkingen tussen particulieren, doen deze bepalingen voor de betrokken particulieren rechtstreeks rechten ontstaan die de nationale rechter dient te handhaven. Dit is met name ook het geval voor ondernemingen die menen schade te hebben geleden door mededingingsbeperkende praktijken in situaties waarin de Commissie daartegen niet is opgetreden. Hieruit volgt dat in horizontale privaatrechtelijke verhoudingen niet alleen rechten ontstaan, maar als weerslag daarvan ook verplichtingen die de rechter dient te handhaven. (…) 15 Het Verdrag bevat (…) geen aanwijzing die de rechtstreekse werking van artikelen 101 en 102 VWEU en de daaraan te verbinden gevolgen afhankelijk maakt van inwerkingtreding van uitvoeringsvoorschriften.(…) Immers, zoals het Hof [HvJ, rechtbank] ook nadrukkelijk heeft overwogen ten aanzien van de mededingingsregels van het Verdrag, gaat het om rechten die particulieren “aan het Verdrag zelf ontlenen”. Rechtstreekse werking laten afhangen van besluiten van bestuurlijke autoriteiten is onverenigbaar met de kern van dit leerstuk. Ook voor de periode waarin voor de bestuursrechtelijke handhaving van deze bepalingen nog het overgangsregime (…) gold, kan aan de artikelen 101 en 102 VWEU dan ook niet de rechtstreekse werking die deze bepalingen naar hun aard kenmerkt, worden ontzegd. (…) 18. Wat betreft de uitvoering, het toezicht en de handhaving behelzen de artikelen 104 en 105 VWEU een overgangsregime in afwachting van uitvoeringsvoorschriften op de voet van artikel 103 VWEU. (…) dit overgangsregime [ziet] in het bijzonder op de handhaving, inclusief de verlening van ontheffingen, door de bestuurlijke autoriteiten van de lidstaten. Het optreden van de nationale bestuursorganen in deze materie staat onder het toezicht van de nationale (bestuurs)rechter.
19. Los daarvan stond en staat de taak van de nationale civiele rechter om in geschillen tussen particuliere ondernemingen onderling toepassing te geven aan het EU-mededingingsrecht.(…)
21. (…) In [partijnamen] oordeelde het Hof van Justitie dat het voorschrift in Verordening 17/62 dat de autoriteiten van de lidstaten bevoegd blijven zolang de Commissie geen procedure opent ten aanzien van dezelfde feiten, alleen ziet op de hier bedoelde ‘principale’ bestuursrechtelijke procedures voor de nationale autoriteiten bedoeld in artikel 104 VWEU en niet op de ‘incidentele’ taken van de nationale rechter. In gelijk perspectief betreft het overgangsregime voorzien bij de artikelen 104 en 105 VWEU uitsluitend de ‘principale’ bestuursrechtelijke handhaving, niet de ‘incidentele’ privaatrechtelijke handhaving.(…)”.
Standpunten partijen aan de hand van de HvJ rechtspraak ten aanzien van de primaire stelling van SCC en Equilib
4.17.
SCC en Equilib verwijzen ter onderbouwing van hun primaire stelling dat het kartelverbod van artikel 101 lid 1 VWEU naar zijn aard rechtstreekse horizontale werking heeft, en dus rechtstreeks gevolgen kan hebben in de rechtsbetrekkingen tussen particulieren, en altijd van toepassing is geweest op de luchtvervoersector, onder meer naar de arresten [partijnamen] en [partijnaam] . Het HvJ heeft in de arresten [partijnamen] en [partijnaam] een beperking van de bevoegdheid van de nationale rechter enkel aanvaard in het geval een ontheffing, eventueel met terugwerkende kracht, op grond van artikel 101 lid 3 VWEU nog mogelijk is. Dit is nadien door het HvJ in het arrest [partijnamen] uitdrukkelijk bevestigd. In dit geval is de rechtszekerheidsratio achter [partijnaam] en [partijnamen] niet aan de orde, aangezien een ontheffingsbesluit van de nationale autoriteiten er niet meer gaat komen, omdat die autoriteiten daartoe nu niet meer bevoegd zijn en toen deze dat nog wel waren, de luchtvaartmaatschappijen niet om een ontheffing hebben gevraagd. Ook overigens kan, gelet op de kwalificatie die de Commissie aan de samenwerking tussen gedaagden heeft gegeven – hardcore cartel conduct –, een vrijstelling op grond van artikel 101 lid 3 VWEU niet in beeld komen. Tevens verwijzen SCC en Equilib naar het Delimitis-arrest (HvJ 28 februari 1991, ECLI:EU:1991:91), waarin het HvJ heeft geoordeeld dat de Commissie geen exclusieve bevoegdheid heeft tot toepassing van de artikelen 101 lid 1 en 102 VWEU. Zij deelt deze bevoegdheid met de nationale rechter omdat deze artikelen rechtstreekse gevolgen teweegbrengen in de betrekkingen tussen particulieren en voor de justitiabelen rechtstreekse rechten doen ontstaan die de nationale rechter dient te handhaven. Het luchtvervoer was (en is) dus nooit ontheven geweest van de materiële werkingssfeer van de mededingingsregels. Enkel de wijze van toepassing – of anders gezegd: de wijze van handhaving van de mededingingsregels – en specifiek lid 3 van artikel 101 VWEU – verschilde van tijd tot tijd, aldus steeds SCC en Equilib.
Subsidiair stellen SCC en Equilib zich op het standpunt dat de nationale rechter thans op grond van artikel 6 van Verordening 1/2003 bevoegd is om een inbreuk vast te stellen, ook over de periode vóór 1 mei 2004 respectievelijk 19 mei 2005.
4.18.
Volgens de luchtvaartmaatschappijen heeft het HvJ in de arresten [partijnaam] , [partijnaam] en [partijnamen] bevestigd dat de bevoegdheid van de nationale civiele rechter onder het overgangsregime afhankelijk is van een besluit van de Commissie of van een nationale mededingingsautoriteit (een zogenaamde activeringshandeling). Uit de onderlinge samenhang van de bepalingen blijkt dat de rechtstreekse werking van het verbod van artikel 101 lid 1 VWEU niet automatisch is, maar (i) tijdens het overgangsregime afhankelijk is van een voorafgaand verbodsbesluit van een nationale mededingingsautoriteit of van de Commissie, en (ii) daarna afhankelijk is van de aard van de op de voet van artikel 103 VWEU vast te stellen uitvoeringsregeling. Daarom kon en kan een nationale rechter voor de periodes waarin het overgangsregime van 104 en 105 VWEU gold niet uit eigen beweging vaststellen dat een gedraging of overeenkomst in strijd is met artikel 101 lid 1 VWEU. Dit geldt mutatis mutandis voor vluchten uitgevoerd tussen (niet EU) EER-lidstaten en derde landen vóór 19 mei 2005. Voor het HvJ was in de zaken [partijnaam] en [partijnaam] niet het risico op tegenstrijdige uitspraken over mogelijke ontheffingen beslissend, maar de omstandigheid dat nog geen uitvoeringsregeling was vastgesteld. De mogelijkheid van conflicterende beslissingen bestaat namelijk ook nog onder Verordening 1/2003, aangezien daarin sprake is van een gedeelde bevoegdheid van de Commissie en de nationale rechter om artikel 101 leden 1 en 3 VWEU toe te passen, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van SCC en Equilib stellen de luchtvaartmaat-schappijen dat artikel 6 van Verordening 1/2003 geen procedurele bepaling is, maar dat de materiële werking van de artikelen 101 en 102 VWEU met de invoering van de Verordening is gewijzigd. Dit sluit terugwerkende kracht uit, aldus de luchtvaartmaatschappijen.
Overwegingen rechtbank
4.19.
In haar besluit van 17 maart 2017 overweegt de Commissie dat zij voor het nemen van haar beslissing haar bevoegdheid ontleent aan Verordening no 1/2003, die per 1 mei 2004 inwerking is getreden. Voor die datum ontleende de Commissie haar bevoegdheid om uitvoering te geven aan de wijze van toepassing van de mededingingsregels op het luchtvervoer aan Verordening no 3975/87. Luchtvervoer tussen EU luchthavens en luchthavens in derde landen was van de werking van deze verordening uitgesloten. Het gevolg hiervan was dat de werking van artikel 101 lid 3 VWEU voor deze vluchten door de nationale autoriteiten en de Commissie slechts kon worden afgedwongen middels het overgangsregime van artikel 104 en 105 VWEU. Dit is, zo blijkt uit het besluit (zie 2.6), voor de Commissie de reden geweest om haar besluit van 17 maart 2017 te beperken tot de periode vanaf 1 mei 2004 voor wat betreft de vluchten tussen de luchthavens binnen de EU en luchthavens in derde landen. Mutatis mutandis gold hetzelfde ten aanzien van vluchten uitgevoerd tussen EER luchthavens en luchthavens in derde landen voor de periode vóór 19 mei 2015.
4.20.
De kernvraag die thans voorligt is of de rechtbank bevoegd is om in een civiele procedure tussen private partijen (‘particulieren’) vast te stellen dat sprake is van een inbreuk op de Europese mededingingsregels, met name een inbreuk op het verbod van artikel 101 VWEU, en schadevergoeding toe te kennen aan benadeelde partijen wegens inbreuk op dit verbod, voor vluchten die plaatsvonden vóór 1 mei 2004 respectievelijk 19 mei 2005, in de periode dat het overgangsregime van de artikelen 104 en 105 VWEU gold voor deze vluchten.
4.21.
Ten aanzien van vluchten tussen de EU en Zwitserland vóór 1 juni 2002 is de rechtbank – met partijen – van oordeel dat de bepalingen van de EUZO niet van toepassing zijn. Geoordeeld moet echter worden dat, gelet op artikel 1 lid 1 van de EUZO, op deze vluchten de algemene mededingingsbepalingen vervat in het E(E)G-Verdrag (en thans VWEU) van toepassing zijn, nu deze vluchten in die periode zijn aan te merken als vluchten tussen de EU en een derde land, zodat op deze vluchten hetzelfde regime van toepassing is als op vóór 1 mei 2004 uitgevoerde vluchten tussen luchthavens in de EU en luchthavens buiten de EER. Dit betekent dat alles wat hierna wordt overwogen ten aanzien van deze laatste categorie vluchten ook geldt voor vluchten vóór 1 juni 2002 tussen de EU en Zwitserland.
4.22.
Over de beantwoording van de onder 4.20 opgenomen vraag kan, dat is wel duidelijk, heel verschillend worden gedacht. De luchtvaartmaatschappijen en Justice Rose beantwoorden de vraag aan de hand van de jurisprudentie van het HvJ ontkennend, terwijl SCC en Equilib hem op basis van dezelfde jurisprudentie, gesteund door Meij in zijn opinie, bevestigend beantwoorden. De rechtbank overweegt als volgt.
4.23.
In het arrest [partijnamen] heeft het HvJ als uitgangspunt vastgelegd dat het verbod van de artikelen 101 lid 1 en 102 VWEU naar zijn aard rechtstreekse gevolgen kan hebben in de rechtsbetrekkingen tussen particulieren en dat die artikelen dus rechtstreekse rechten, voortvloeiend uit het Verdrag, voor justitiabelen doen ontstaan die de nationale rechter dient te handhaven. Indien de uitoefening van deze rechten door particulieren afhankelijk zou zijn van de exclusieve (administratieve) handhaving door de autoriteiten van de lidstaten of de Comissie zouden deze rechten aan de particulieren worden onthouden. Dit houdt in dat een rechter ten overstaan van wie een beroep op de rechtstreekse werking van een dezer artikelen wordt gedaan (en derhalve in zoverre niet ‘uit eigen beweging’) zich niet kan ontheffen van de verplichting uitspraak de doen. Wel overweegt het HvJ dat de nationale rechter in een geding waarin een beroep op de mededingsregels wordt gedaan, terughoudendheid dient te betrachten als ook de Commissie (of de nationale autoriteit) zich over dezelfde materie buigt. Het voorgaande impliceert dat artikel 101 lid 1 VWEU naar zijn aard rechtstreekse horizontale werking heeft in de betrekkingen tussen particulieren. De bevoegdheid van de nationale rechter om deze bepalingen van het EU-recht in een geschil tussen particulieren toe te passen vloeit voort uit de rechtstreekse werking van die bepalingen.
4.24.
In het arrest [partijnaam] heeft het HvJ vastgesteld dat het luchtvervoer op dezelfde voet als de andere takken van vervoer onderworpen is aan de algemene regels van het Verdrag, met inbegrip van de regels betreffende de mededinging. Wel heeft het Hof daarbij aangetekend, dat zolang een regeling als bedoeld in artikel 87 EEG-Verdrag [103 VWEU] nog niet van toepassing was, de artikelen 88 en 89 EEG-Verdrag [104 en 105 VWEU] van toepassing zijn. In het geval een regeling nog niet van toepassing is of de nationale autoriteit of de Commissie nog geen oordeel hebben gegeven over de gestelde inbreuk, maar nog wel de mogelijkheid hebben dit te doen, is de nationale rechter niet bevoegd om strijd met artikel 85 EEG-Verdrag [101 VWEU] vast te stellen – met als consequentie nietigheid van rechtswege – aangezien daardoor bepaalde overeenkomsten met een verbod en met nietigheid van rechtswege zouden worden getroffen, nog voordat de mogelijkheid heeft bestaan om vast te stellen of artikel 85 [101 VWEU] in zijn geheel op de overeenkomst van toepassing is. Dit zou in strijd met het beginsel van rechtszekerheid zijn, aldus het Hof.
4.25.
Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat het Verdrag de nationale civiele rechter een eigen zelfstandige bevoegdheid geeft tot toepassing van de mededingingsregels in geschillen tussen particulieren.
4.26.
De hierboven geschetste bevoegdheid van de nationale rechter staat los van de administratieve handhaving door de ter zake bevoegde mededingingsautoriteiten als bedoeld in artikelen 104 en 105 VWEU. Zoals ook Meij in zijn opinie schrijft, doet die administratieve handhaving niet af aan de autonome rol die de nationale rechter heeft om artikel 101 VWEU toe te passen. Met de rechtstreekse horizontale werking van artikel 101 lid 1 VWEU is onverenigbaar dat de toepassing daarvan door de nationale rechter zou afhangen van besluiten van bestuurlijke autoriteiten, zoals de luchtvaartmaatschappijen onder verwijzing naar de arresten [partijnaam] en [partijnamen] aanvoeren. Volgens de luchtvaartmaatschappijen blijkt uit deze arresten dat eerst een zogenaamde ‘activeringshandeling’ verricht dient te worden door de bestuurlijke autoriteiten, voordat de nationale rechter artikel 101 VWEU kan toepassen. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen betogen, volgt uit de genoemde arresten, naar het oordeel van de rechtbank, niet dat het ontbreken van de ‘activeringshandeling’ de reden is waarom de nationale rechter terughoudendheid moet betrachten, maar de mogelijkheid dat alsnog een vrijstelling, al dan niet met terugwerkende kracht, te verkrijgen is. De beperking in de rol van de nationale rechter vindt derhalve zijn grondslag in de ontheffingsmogelijkheid van artikel 101 lid 3 VWEU en de daarmee verbonden rechtszekerheid.
4.27.
Op grond van de artikelen 104 en 105 VWEU is zowel administratieve handhaving als civielrechtelijke handhaving mogelijk, waardoor in beginsel een risico op tegenstrijdige beslissingen bestaat. Er is echter geen sprake van een voorrangsverhouding van de administratieve handhaving ten opzichte van de civielrechtelijke handhaving. Of, om de bewoordingen van SCC en Equilib te gebruiken: er zijn twee naast elkaar staande ‘loketten’, aan de ene kant het ‘loket’ van de nationale autoriteit en aan de andere kant het ‘loket’ van de nationale civiele rechter. Dit risico is door het HvJ erkend. Zoals hierboven is overwogen, leest de rechtbank in de arresten [partijnaam] en [partijnamen] dat het HvJ een beperking van de bevoegdheid van de nationale civiele rechter slechts aanvaardt in het geval dat een ontheffing op grond van artikel 101 lid 3 VWEU nog tot de mogelijkheden behoort, over welke ontheffing de bevoegd verklaarde instanties krachtens uitvoeringsbepalingen beslissen. Het HvJ heeft geoordeeld dat het in strijd zou zijn met het beginsel van de rechtszekerheid indien een nationale rechter een inbreuk zou vaststellen, met het vèrstrekkende gevolg van nietigheid van rechtswege, terwijl ingevolge het overgangsregime de bevoegde autoriteiten nog een ontheffing (in de zaak [partijnaam] met terugwerkende kracht) zouden kunnen verlenen. In het arrest [partijnamen] is deze lijn bevestigd door het HvJ. In lijn hiermee heeft het HvJ in hetzelfde arrest voor de toepassing van artikel 102 VWEU (waarin niet is voorzien in de mogelijkheid van een ontheffing en de rechtszekerheid dus niet in het geding is) geen betekenis toegekend aan het overgangsregime. Het verbod van artikel 102 VWEU gold zonder restrictie voor de gehele luchtvaartsector en kon dus rechtstreeks door de nationale rechter worden toegepast.
4.28.
Uit de bovengenoemde jurisprudentie leidt de rechtbank dan ook af dat de nationale rechter overeenkomsten of gedragingen aan artikel 101 VWEU kan en moet toetsen wanneer over de toepasbaarheid van artikel 101 lid 3 VWEU geen discussie meer bestaat. Deze situatie doet zich in het onderhavige geval voor. Onbetwist staat immers vast dat de luchtvaartmaatschappijen in de relevante (kartel)periode geen ontheffing hebben gevraagd bij de nationale autoriteiten of de Commissie en dat zij die ontheffing nu niet meer bij deze instanties kunnen aanvragen. Dit betekent dat er in het onderhavige geval geen sprake meer kan zijn van tegenstrijdige beslissingen en dus van rechtsonzekerheid. In het licht van voornoemde rechtspraak van het HvJ lijken er dan ook geen beperkingen meer te zijn voor de rechtbank om artikel 101 VWEU toe te passen.
4.29.
Het standpunt van de luchtvaartmaatschappijen – dat de omstandigheid dat nog geen uitvoeringsregeling was vastgesteld voor vluchten tussen EU luchthavens en luchthavens in derde landen, en derhalve het overgangsregime van de artikelen 104 en 105 VWEU van toepassing was, betekent dat artikel 101 VWEU materieel niet van toepassing is op deze vluchten in de periode vóór 1 mei 2004 – kan niet worden gevolgd. De stelling van de luchtvaartmaatschappijen dat een voorafgaand besluit van de nationale autoriteit of van de Commissie een voorwaarde zou zijn voor toepassing van artikel 101 lid 1 VWEU door de nationale rechter, wordt naar het oordeel van de rechtbank niet ondersteund door de overwegingen van het HvJ in de arresten [partijnamen] , [partijnaam] en [partijnamen] . De redenering van de luchtvaartmaatschappijen zou tot gevolg hebben dat de enkele vaststelling dat een dergelijke ‘activeringshandeling’ ontbreekt, betekent dat de nationale rechter nooit bevoegd zou zijn tot toepassing van artikel 101 VWEU. Dit standpunt lijkt niet aan te sluiten bij de jurisprudentie van het HvJ, want dan zou nimmer sprake (kunnen) zijn van rechtsonzekerheid als bedoeld in de genoemde uitspraken.
4.30.
Zoals hierboven al is overwogen, lijkt uit de jurisprudentie van HvJ te volgen dat artikel 101 VWEU van toepassing is op de luchtvervoersector, ook in de periode vóór 1 mei 2004, dat artikel 101 VWEU rechtstreekse horizontale werking heeft in de betrekkingen tussen particulieren en dat de nationale rechter in geschillen tussen particulieren een zelfstandige bevoegdheid heeft als Unie-rechter. Dit zou betekenen dat deze niet kan weigeren de bepalingen inzake het Eurpese mededingingsrecht toe te passen, maar dat deze zich wel moet houden aan de procedurele regels die de bevoegheden tussen de diverse Unie-organen op dat moment regelen. Ten tijde van het overgangsregime kon de nationale rechter alleen dan geen beslissingen nemen met betrekking tot artikel 101 lid 3 VWEU zolang er nog de mogelijkheid was dat de Commissie of een nationale autoriteit een vrijstelling kon geven. Zodra deze mogelijkheid er niet meer was, of zodra er een beslissing van de Europese Commissie of een nationale autoriteit was, diende de nationale rechter bij toepassing van artikel 101 VWEU in een procedure tussen particulieren daarmee rekening te houden. Naar het oordeel van de rechtbank houdt dit derhalve in dat de nationale civiele rechter, in de periode dat het overgangsregime nog van toepassing was, geen bevoegdheid had om een beslissing op basis van artikel 101 VWEU te nemen zolang nog de mogelijkheid bestond dat een nationale autoriteit of de Commissie een ontheffing konden verlenen. De beperking van de rol van de nationale rechter was dus gelegen in het feit dat er (nog) een ontheffingsmogelijkheid was, niet omdat de regel materieel niet door de nationale rechter mocht worden toegepast. Immers, de rechtstreekse horizontale werking van artikel 101 VWEU was niet uitgesloten voor artikel 101 lid 3 VWEU, maar er was wel een procedurele beperking aan de toepassing daarvan door de nationale rechter met het oog op de rechtszekerheid.
4.31.
De Commissie en de nationale autoriteit zijn thans niet langer bevoegd om een beslissing in dezen te nemen aangezien de procedurele regels met de invoering van Verondening 1/2003 zijn gewijzigd. Indien het standpunt van de luchtvaartmaatschappijen zou worden gevolgd, zou dit als consequentie hebben dat er thans geen bevoegde autoriteit of nationale rechter meer is die een oordeel over de toepasselijkheid van het verbod van artikel 101 VWEU over de periode vóór 1 mei 2004 kan vellen. Dit zou een beloning zijn voor het verzwijgen van prijsafspraken die mogelijk in strijd zijn met de mededingingregels in die periode. Onbetwist staat vast dat de luchtvaartmaatschappijen nimmer in die periode een verzoek voor een ontheffing aan de Commissie of een nationale mededingingsautoriteit hebben gedaan. De situatie van mogelijke strijdigheid van beslissingen doet zich in het onderhavige geval niet (langer) voor, aangezien de Commissie zich in haar nieuwe besluit van 17 maart 2017 onbevoegd heeft verklaard over de periode vóór 1 mei 2004 te beslissen op grond van Verordening 1/2003. In dit besluit heeft de Commissie wel geoordeeld dat een inbreuk heeft plaatsgevonden gedurende de periode 1999 tot 2006 (zie hiervoor onder 2.2 en 2.5). Zij heeft aan dat oordeel echter geen consquenties verbonden aangezien zij zich daartoe niet bevoegd acht gelet op de procedure zoals vastgelegd in Verodening 1/2003. Van een mogelijke tegenstrijdige beslissing lijkt dan ook geen sprake.
4.32.
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat zij op basis van de aangehaalde jurisprudentie van het HvJ bevoegd is om – achteraf – een oordeel te geven over de afspraken die de luchtvaartmaatschappijen onderling hebben gemaakt in de periodes vóór 1 mei 2004. In die periode was artikel 101 VWEU van toepassing op de afspraken die hier voorliggen. Het enkele feit dat de procedure met betrekking tot de vaststelling van een inbreuk en verlening van een ontheffing in de loop van de tijd is gewijzigd maakt de materiële toepassing van de mededingingsregels in een civiele procedure niet anders.
4.33.
Zowel de stellingen van partijen als het oordeel van de rechtbank met betrekking tot vluchten vóór 1 mei 2004 gelden mutatis mutandis voor vluchten uitgevoerd tussen (niet EU) EER-lidstaten en derde landen vóór 19 mei 2005.
4.34.
Nu de primaire stelling van SCC en Equilib op lijkt te gaan, komt de rechtbank aan beoordeling van hun subsidiaire stelling (dat de rechtbank bevoegd is Verordening 1/2003 met terugwerkende kracht toe te passen alsmede de standpunten van partijen over en weer te dien aanzien) niet toe.
Prejudiciële vragen
4.35.
De rechtbank constateert dat haar oordeel afwijkt van het oordeel van Justice Rose in haar uitspraak van 4 oktober 2017 in de Emerald-procedure. Justice Rose komt immers tot het oordeel dat de nationale rechter niet bevoegd is artikel 101 lid 1 VWEU tijdens het overgangsregime toe te passen (zie onder 3.7). Met het oog op de doelstelling van het VWEU om eenvormige toepassing van het VWEU te waarborgen acht de rechtbank bij deze stand van zaken het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ noodzakelijk voor het wijzen van haar vonnis.
4.36.
De rechtbank is voornemens op de voet van artikel 267 VWEU de volgende vragen voor te leggen aan het HvJ ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing:
1. Was artikel 101 VWEU, althans artikel 53 EER-overeenkomst, van toepassing op vluchten die zijn uitgevoerd vóór 1 mei 2004 op routes tussen luchthavens binnen de EU en luchthavens buiten de EER, op vluchten die zijn uitgevoerd vóór 19 mei 2005 op routes tussen luchthavens in IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en derde landen en op vluchten die zijn uitgevoerd vóór 1 juni 2002 tussen luchthavens binnen de EU en Zwitserland?
2. Is de nationale rechter in een geschil tussen benadeelde partijen en luchtvaartmaatschappijen bevoegd artikel 101 VWEU, althamns artikel 53 EER-overeenkomst in volle omvang toe te passen met betrekking tot afspraken/onderling afgestemde feitelijke gedragingen van de luchtvaartmaatschappijen ten aanzien van luchtvrachtdiensten op vluchten die zijn uitgevoerd vóór 1 mei 2004 op routes tussen luchthavens binnen de EU en luchthavens buiten de EER, respectievelijk vóór 19 mei 2005 op routes tussen IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en en luchthavens buiten de EER, respectievelijk op vluchten die zijn uitgevoerd vóór 1 juni 2002 tussen luchthavens binnen de EU en Zwitserland, ook over de periode dat het overgangsregime van de artikelen 104 en 105 VWEU gold of staat het overgangsregime daaraan in de weg?
4.37.
De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte (gemotiveerd) uit te laten over haar voornemen om de zojuist geformuleerde vragen aan het HvJ voor te leggen en over de inhoud van die vragen. De rechtbank verzoekt partijen zo mogelijk een gezamenlijke akte te nemen.
4.38.
Verder verzoekt de rechtbank partijen om haar in die akte te informeren over de stand van zaken met betrekking tot het hoger beroep in de Engelse Emerald-procedure.
4.39.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 29 mei 2019 opdat alle partijen de in rechtsoverwegingen 4.37 en 4.38 bedoelde akte kunnen nemen,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. A.E. de Vos en mr. M.E.M. James-Pater, rechters, bijgestaan door mr. J.P. van der Stouwe, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2019.
Uitspraak 25‑03‑2015
Inhoudsindicatie
Incidenten 843a Rv, voeging, vrijwaring en aanhouding. Vorderingen 843a Rv en aanhouding in dit stadium afgewezen. Het is in de hoofdzaken aan eisers om uit te leggen welk nadeel zij hebben geleden en waarom dat nadeel door gedaagden is veroorzaakt.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/562256 / HA ZA 14-348
Vonnis in incident van 25 maart 2015
in de zaak van
de stichting
STICHTING CARTEL COMPENSATION,
gevestigd te Den Haag,
eiseres in de hoofdzaak en in het incident/verzoek artikel 133 Rv,
verweerster in het incident/verzoek artikel 843a Rv, vrijwaring, aanhouding en voeging artikel 222 Rv,
advocaat mr. J. van den Brande,
tegen
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap
MARTINAIR HOLLAND N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
advocaat mr. R.B. Gerretsen,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LUFTHANSA CARGO AG,
gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,
advocaat mr. R.B. Gerretsen,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC.,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. D.J. Beenders,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIETE AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,
advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES LIMITED,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. Verloren van Themaat,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. Verloren van Themaat,
gedaagden in de hoofdzaak,
verweersters in het incident/verzoek artikel 133 Rv,
sub 1, 2 en 6: eiseressen in het incident/verzoek artikel 843a Rv, vrijwaring, aanhouding en voeging artikel 222 Rv,
sub 3, 4, 5, 7 en 8: eiseressen in het incident/verzoek artikel 843a Rv, vrijwaring en aanhouding,
en zaaknummer / rolnummer C/13/561180 / HA ZA 14-288 (vrijwaringszaak) van
1. de naamloze vennootschap KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Amstelveen, advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap MARTINAIR HOLLAND N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer, advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht SOCIETE AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk, advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,
eiseressen,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen, Duitsland, advocaat mr. R.B. Gerretsen,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht LUFTHANSA CARGO AG,
gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland, advocaat mr. R.B. Gerretsen,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht BRITISH AIRWAYS PLC.,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk, advocaat mr. D.J. Beenders,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht SWISS INTERNATIONAL AIRLINES AG, gevestigd te Basel, Zwitserland, advocaat mr. R.B. Gerretsen,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht CARGOLUX AIRLINES INTERNATIONAL S.A., gevestigd te Sandweiler, Luxemburg, advocaat mr. A. Knigge,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht SAS A.B.,
gevestigd te Stockholm, Zweden, advocaat mr. W. Heemskerk,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SCANDINAVIAN AIRLINES SYSTEM DENMARK-NORWAY-SWEDEN,
gevestigd te Stockholm, Zweden, advocaat mr. W. Heemskerk,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht SAS CARGO GROUP A/S,
gevestigd te Kastrup, Denemarken, advocaat mr. W. Heemskerk,
gedaagden.
Eiseres in de hoofdzaak zal hierna SCC worden genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak zullen hierna gezamenlijk de luchtvaartmaatschappijen worden genoemd (sub 1, 2 en 6 gezamenlijk KLM c.s. en afzonderlijk KLM, Martinair en AF, sub 3 en 4 en Swiss International Airlines AG gezamenlijk Lufthansa/Swiss, sub 5 BA en sub 7 en 8 gezamenlijk SIA). De overige partijen in de vrijwaringszaak zullen hierna Cargolux en SAS worden genoemd.
1. De procedure
in de hoofdzaak
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding van 24 december 2013, met producties,
- -
de incidentele conclusie houdende voeging ex artikel 222 Rv, tevens verzoek tot oproeping in vrijwaring, tevens verzoek tot aanhouding, tevens verzoek tot overlegging of afgifte van stukken ex artikel 843a Rv, van KLM c.s. van 25 juni 2014, met producties,
- -
de incidentele vordering ex artikel 843a Rv tevens houdende incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring en verzoek tot aanhouding van Lufthansa van 25 juni 2014, met één productie,
- -
de incidentele conclusie houdende verzoek tot verlof voor oproeping in vrijwaring, tevens vordering ex artikel 843a Rv, tevens verzoek tot aanhouding van BA van 25 juni 2014, met producties,
- -
de incidentele conclusie houdende verzoek tot exhibitie ex artikel 843a Rv tevens verzoek tot aanhouding tevens verzoek tot oproeping in vrijwaring van SIA van 25 juni 2014, met producties,
- -
de conclusie van antwoord in het incident, tevens houdende incidentele vordering tot vervallenverklaring ex artikel 133 Rv van SCC van 23 juli 2014, met producties,
- -
de rolbeslissing van 23 juli 2014, waarbij het verzoek van SCC ex artikel 133 Rv is afgewezen,
- -
de rolbeslissing van 20 augustus 2014, waarbij pleidooi in de incidenten is toegestaan,
- -
het proces-verbaal van de op 5 februari 2015 gehouden comparitie/pleidooien en de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen.
in de vrijwaringszaak
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding van 2 april 2014,
- -
het proces-verbaal van de op 5 februari 2015 gehouden comparitie/pleidooien en de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen.
in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten/verzoeken.
2. De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak
2.1.
In documenten van diverse mededingingsautoriteiten, waaronder die in de Europese Unie, Australië, Brazilië, Zuid-Afrika en Zuid-Korea en documenten in verband met gerechtelijke procedures in Australië, Canada en de Verenigde Staten van Amerika, is opgenomen dat door betrokken kartelleden hun deelname aan een kartel is erkend en dat tussen de kartelleden, waaronder (volgens SCC) de luchtvaartmaatschappijen, concurrentiebeperkende afspraken zijn gemaakt met betrekking tot al het vrachtvervoer dat tussen de kartelleden wereldwijd werd verzorgd in grotendeels dezelfde periode, in ieder geval vanaf 2000 - 2006.
2.2.
In een persbericht heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) opgenomen dat zij in een beschikking van 9 november 2010 heeft geoordeeld dat vanaf december 1999 tot 14 februari 2006 brandstof- en veiligheidstoeslagen zijn gecoördineerd ten aanzien van vluchten van, naar en binnen de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, door diverse luchtvaartmaatschappijen (hierna: de beschikking). Aan elf luchtvaartmaatschappijen, zo is verder opgenomen in dat persbericht, zijn geldboetes opgelegd voor een totaalbedrag van € 799.445.000,-- voor deelname aan een internationaal kartel. De beschikking is tot op heden nog niet gepubliceerd. Tegen deze beschikking is door alle twintig geadresseerden daarvan, met uitzondering van Qantas Airways Limited, beroep ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie.
3. De vorderingen
in de hoofdzaak
3.1.
SCC vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven:
1. te verklaren voor recht dat de luchtvaartmaatschappijen door de introductie, onderlinge afstemming en toepassing van de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag in de periode van 2000 tot en met 2006 onrechtmatig hebben gehandeld jegens de shippers;
2. hoofdelijke veroordeling van de luchtvaartmaatschappijen tot betaling van
€ 216.942.546,77 en € 30.991.792,40 alsmede schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
een en ander te vermeerderen met rente en kosten.
Er zijn brandstoftoeslagen en andere toeslagen aan de afzenders van goederen die luchtvrachtdiensten hebben afgenomen in rekening gebracht via expediteurs, die (volgens SCC) handelen voor rekening en risico van deze shippers. Een aantal shippers (hierna: de shippers) heeft hun vorderingen met betrekking tot het kartel overgedragen aan SCC, als vermeld in de als productie 32 bij dagvaarding overgelegde overdrachtsakten.
3.2.
SCC legt aan haar vordering, samengevat, het volgende ten grondslag. De luchtvaartmaatschappijen hebben in de relevante periode 2000 - 2006 verboden prijsafspraken gemaakt. Zij maakten deel uit van een wereldwijd kartel dat de introductie, handhaving en toepassing van een brandstoftoeslag en andere toeslagen voor goederenvervoer door de lucht tot doel had (hierna: het kartel). Diverse luchtvaartmaatschappijen hebben inmiddels in nationale procedures (Australië, Brazilië, Zuid-Afrika, Amerika, Canada, Zuid-Korea) erkend dat zij betrokken zijn geweest bij het kartel. De Europese Commissie heeft in haar persbericht bevestigd dat er sprake is van een internationaal kartel en van onderlinge contacten om ervoor te zorgen dat internationale luchtvrachtbedrijven voor alle zendingen een vaste toeslag per kilo berekenden. Een groot aantal partijen heeft schade geleden door de activiteiten van het kartel, onder meer door de brandstoftoeslag die door de kartelleden in rekening werd gebracht boven de ‘base rate’ voor luchtvrachtdiensten. Deze kosten kwamen ten laste van de afzenders van goederen, die al dan niet door tussenkomst van expediteurs luchtvrachtdiensten hebben afgenomen. Een aantal afzenders (hiervoor en hierna: de shippers) heeft vorderingen met betrekking tot het kartel overgedragen aan SCC, als vermeld in de als productie 32 bij dagvaarding overgelegde overdrachtsakten. Zowel in het geval dat de shippers rechtstreeks met de luchtvaartmaatschappijen hebben gecontracteerd als in het geval dat de shippers en de luchtvaartmaatschappijen gebruik hebben gemaakt van een expediteur, zijn de volledige toeslagen bij de shippers in rekening gebracht en door hen betaald. Voornoemde handelwijze is in strijd met het kartelverbod als neergelegd in onder meer (thans) artikel 101 VWEU (voorheen artikel 85 respectievelijk artikel 81 EG-verdrag), artikel 6 Mededingingswet en de mededingingswetgeving van andere landen buiten de EU alsmede onrechtmatig in de zin van de artikelen 6:162 BW en 6:163 BW. De shippers hebben hun vorderingen overgedragen aan SCC. De in deze procedure gevorderde schade betreft de aan de shippers opgelegde toeslagen. Voor wat betreft de brandstoftoeslag is in ieder geval schade geleden van ruim € 245 miljoen.
in de incidenten
3.3.
KLM c.s. vordert, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- -
voeging met de vrijwaringsprocedure op grond van artikel 222 Rv,
- -
oproeping in vrijwaring van in het petitum genoemde luchtmaatschappijen en de mogelijkheid tot uitbreiding van de in vrijwaring op te roepen luchtvaartmaatschappijen,
- -
afschrift van bescheiden ex artikel 843a Rv als gespecificeerd in het petitum van de conclusie,
- -
aanhouding totdat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan dan wel is vernietigd,
- -
aanhouding tot de openbaarmaking van de beschikking,
- -
kostenveroordeling.
3.4.
Lufthansa vordert, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- -
oproeping in vrijwaring van in het petitum genoemde luchtvaartmaatschappen en de mogelijkheid om een aanvullend vrijwaringsincident op te werpen,
- -
afschrift van bescheiden ex artikel 843a Rv als gespecificeerd in het petitum van de conclusie, op straffe van een dwangsom,
- -
aanhouding totdat nadere partijen in vrijwaring opgeroepen moeten worden,
- -
aanhouding tot de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan,
- -
aanhouding tot de publicatie van de beschikking,
- -
kostenveroordeling.
3.5.
BA vordert, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- -
oproeping in vrijwaring van de in het petitum genoemde luchtvaartmaatschappijen en de mogelijkheid tot uitbreiding van de in vrijwaring op te roepen partijen,
- -
afschrift van bescheiden ex artikel 843a Rv als gespecificeerd in het petitum van de conclusie, op straffe van een dwangsom,
- -
aanhouding totdat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan,
- -
kostenveroordeling.
3.6.
SIA vordert, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- -
oproeping in vrijwaring van in het petitum genoemde luchtvaartmaatschappijen en de mogelijkheid tot uitbreiding van de in vrijwaring op te roepen partijen,
- -
afgifte van bescheiden ex artikel 843a Rv als gespecificeerd in het petitum van de conclusie, op straffe van een dwangsom,
- -
aanhouding totdat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan,
- -
aanhouding ter bestudering van de hiervoor bedoelde bescheiden,
- -
kostenveroordeling.
3.7.
SCC vordert, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- -
vervallenverklaring van het recht van de luchtvaartmaatschappijen om in de hoofdzaak een conclusie van antwoord te nemen op grond van artikel 133 Rv,
- -
kostenveroordeling.
3.8.
De vorderingen van de onderscheiden partijen zullen gezamenlijk worden behandeld in die zin dat achtereenvolgens aan de orde zullen komen artikel 133 Rv, artikel 222 Rv, artikel 843a Rv, vrijwaring en aanhouding.
4. De beoordeling
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank bevoegd is van de hoofdzaak kennis te nemen.
in het incident/verzoek ex artikel 133 Rv
4.2.
SCC vordert op grond van artikel 133 Rv het recht van de luchtvaartmaatschappijen om in de hoofdzaak een conclusie van antwoord te nemen vervallen te verklaren, althans vast te stellen dat dat recht is vervallen.
4.3.
SCC stelt hiertoe, samengevat, dat de luchtvaartmaatschappijen een tweede uitstel hebben gekregen voor het nemen van de conclusie van antwoord op de rolzitting van 25 juni 2014 en dat die conclusie niet is genomen. Op grond van artikel 133 lid 4 Rv en de in de incidentele conclusie door SCC genoemde jurisprudentie is het recht van de luchtvaartmaatschappijen om de conclusie van antwoord te nemen op 25 juni 2014 vervallen. Artikel 6 EVRM en de goede procesorde bieden geen basis voor een nader uitstel. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat op dit verzoek reeds door de rolrechter is beslist, verzoekt SCC de rechtbank om op die beslissing, die niet is gemotiveerd en heeft te gelden als een tussenvonnis, terug te komen. Aldus steeds SCC.
4.4.
De luchtvaartmaatschappijen hebben aangevoerd dat het verzoek van SCC al door de rolrechter is afgewezen. Er is óf sprake van een rolbeslissing, waartegen geen hoger beroep mogelijk is, óf van een voor hoger beroep vatbaar vonnis, waartegen geen hoger beroep is ingesteld, aldus de luchtvaartmaatschappijen.
4.5.
Op het verzoek van SCC op grond van artikel 133 Rv is reeds afwijzend beslist door de rolrechter. De door de luchtvaartmaatschappijen ingeleide incidenten zijn naar aard, strekking en inhoud zodanig dat daarover vooraf moet worden beslist en dat het antwoord in de hoofdzaak na de beslissing in het incident kan worden genomen. Voor zover SCC betoogt dat tot heroverweging van die beslissing moet worden overgegaan, wordt geoordeeld dat het door SCC gestelde niet tot de conclusie kan leiden dat die beslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust. Evenmin brengen de eisen van een goede procesorde mee dat tot heroverweging moet worden overgegaan. Het verzoek van SCC wordt dan ook afgewezen.
in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv
4.6.
KLM c.s. vordert op grond van artikel 222 Rv voeging van de hoofdzaak met de vrijwaringszaak.
4.7.
SCC refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.8.
Voor voeging op grond van artikel 222 Rv is vereist dat beide procedures aanhangig zijn bij dezelfde rechter, dat sprake is van verknochtheid tussen beide procedures en dat beide procedures zich nog in een beginstadium bevinden. Met KLM c.s. is de rechtbank van oordeel dat aan deze vereisten in het onderhavige geval is voldaan. Zowel de hoofdprocedure als de vrijwaringsprocedure is bij deze rechtbank aanhangig en de voeging wordt gevorderd vóór alle weren. De te voegen procedures bevinden zich nagenoeg in hetzelfde stadium, zodat de voeging niet zal leiden tot een hinderlijke vertraging van deze procedures. Verder is aan de eis van verknochtheid voldaan. Het gaat in beginsel om juridische geschilpunten die voortvloeien uit hetzelfde gestelde feitencomplex, namelijk het (beweerdelijk) deelnemen van KLM c.s. en andere luchtvaartmaatschappijen aan een kartel. Beide procedures zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In de hoofdprocedure staat immers centraal de hoofdelijke aansprakelijkheid van KLM c.s., terwijl in de vrijwaringsprocedures zal moeten worden beoordeeld in hoeverre een eventuele hoofdelijke veroordeling van KLM c.s. tot schadevergoeding kan worden afgewenteld op de gedaagden in de vrijwaringsprocedure. Een separate behandeling van beide procedures zou kunnen leiden tot het risico van een onwenselijke inconsistentie in de uitspraken, zodat voeging ook in het belang van de doelmatigheid en proceseconomie moet worden geacht. Het verzoek tot voeging wordt op grond van het voorgaande dan ook toegewezen.
in het incident ex artikel 843a Rv
4.9.
De luchtvaartmaatschappijen vorderen op grond van artikel 843a Rv afschrift van bescheiden, zoals nader gespecificeerd in hun conclusies (zoals luchtvrachtbrieven/air waybills, (raam)overeenkomsten en facturen en documentatie met betrekking tot cessies). Zij stellen daarbij een rechtmatig belang te hebben ter onderbouwing van hun verweer. De gevraagde luchtvrachtbrieven/air waybills, (raam)overeenkomsten en facturen zijn nodig voor de bepaling van het toepasselijk recht, de eventuele verjaring van de vorderingen, de temporele en geografische reikwijdte van de vorderingen, de al dan niet een-op-een doorberekening van de toeslagen, de in vrijwaring op te roepen partijen en de identiteit van de expediteurs. Verder zijn de onderliggende cessieovereenkomsten nodig om te kunnen achterhalen waaruit de vermeende schade zou kunnen bestaan, om welke specifieke vluchten het gaat, met welke expediteur is gecontracteerd en welke luchtvaartmaatschappij de desbetreffende vlucht heeft uitgevoerd. Aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
4.10.
SCC verzet zich tegen afgifte van de door de luchtvaartmaatschappijen gevorderde bescheiden en voert hiertoe samengevat het volgende aan. De vordering is prematuur omdat het processuele debat in de hoofdzaak nog niet is gevoerd. Het is nu nog onduidelijk of er aan bewijslevering zal worden toegekomen en, zo ja, met betrekking tot welke feiten en omstandigheden. Bovendien is de vordering slechts ingesteld om de procedure te vertragen en gegrond op vermoedens en twijfels, een “fishing expedition” naar mogelijke verweren, waarvoor artikel 843a Rv niet is bedoeld. Daarbij komt dat de luchtvaartmaatschappijen de verzochte bescheiden niet nodig hebben voor het nemen van de conclusie van antwoord.
Verder gaat het naar schatting om miljoenen pagina’s en onzeker is of en, zo ja, in welke mate alle bescheiden nog aanwezig zijn. Het betreft derhalve een langdurige en kostbare aangelegenheid. Niet alle bescheiden zijn voldoende bepaald omschreven. Verder stellen de luchtvaartmaatschappijen ten onrechte dat zij van SCC kunnen verlangen dat zij haar stellingen op dit punt onderbouwt. Voor zover de luchtvaartmaatschappijen betogen dat zij air waybills nodig hebben om te kunnen beoordelen welke luchtvaartmaatschappijen in vrijwaring moeten worden opgeroepen, geldt dat zij deel uitmaakten van het kartel en dus weten wie bij die afspraken betrokken waren. Bovendien blijkt de identiteit en de betrokkenheid bij het kartel van vele luchtvaartmaatschappijen ook uit de stukken die in verschillende procedures (wereldwijd; bijvoorbeeld onderzoek van mededingingsautoriteiten en gerechtelijke procedures gericht op handhaving) zijn overgelegd. Aldus steeds SCC.
4.11.
Op grond van artikel 843a Rv kan een partij bij een juridische procedure inzage, afgifte of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden wanneer hij daarbij een rechtmatig belang heeft en de bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij hij partij is. Artikel 843a lid 4 Rv bepaalt dat er geen gehoudenheid bestaat om aan de vordering te voldoen als dat niet nodig is voor een behoorlijke rechtsbedeling. Aldus kunnen de belangen van partijen worden afgewogen.
De belangenafweging bij een schadevergoedingsvordering, zoals de onderhavige, is nader uitgewerkt door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) in de zaak Bundeswettbewerbsbehörde/Donau Chemie AG (HvJ 6 juni 2013/C-536/11): enerzijds het belang van verzoeker bij inzage in de gevraagde stukken met het oog op de voorbereiding van zijn beroep tot schadevergoeding, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de andere mogelijkheden die eventueel te zijner beschikking staan en anderzijds met de concrete nadelige gevolgen voor openbare belangen of gerechtvaardigde belangen van anderen waartoe inzage kan leiden.
Verder is in geval van kartelschade de Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (hierna: de Richtlijn) relevant, en met name artikel 5 lid 3 dat over de toegang tot bewijsmateriaal gaat. De Richtlijn wordt nog geïmplementeerd, maar biedt in dit stadium (overeenkomstig het geldende recht) inzichten, beginselen en aanknopingspunten voor de beoordeling.
In het kader van voornoemde bepaling dient het verlenen van toegang tot bewijsmateriaal beperkt te worden tot wat evenredig is, waarbij rekening dient te worden gehouden met de rechtmatige belangen van alle betrokken partijen en derden. Met name moet rekening worden gehouden met de volgende elementen: (a) de mate waarin de claim of het verweer waarmee het verzoek om toegang tot bewijsmateriaal wordt gerechtvaardigd, wordt ondersteund door beschikbare feiten en beschikbaar bewijsmateriaal, (b) de omvang en de kosten van toegang, in het bijzonder voor betrokken derden, om te voorkomen dat gezocht moet worden naar niet-specifieke informatie waarvan het niet waarschijnlijk is dat zij relevant is voor de partijen in de procedure en (c) of het bewijsmateriaal waartoe toegang wordt gevraagd, al dan niet vertrouwelijke informatie bevat, in het bijzonder over derden, en welke regelingen ter bescherming van dergelijke vertrouwelijke informatie van toepassing zijn.
4.12.
De rechtbank is van oordeel dat een afweging van de belangen van partijen met inachtneming van de hiervoor onder 4.11. genoemde uitgangspunten maakt dat de vordering van de luchtvaartmaatschappijen op dit moment moet worden afgewezen. Daartoe wordt als volgt overwogen.
De vordering is prematuur omdat de luchtvaartmaatschappijen nog geen conclusie van antwoord hebben genomen. Als de luchtvaartmaatschappijen de stellingen van SCC voldoende betwisten, ligt het vervolgens op de weg van SCC om haar stellingen, onder meer met betrekking tot de causaliteit en de omvang van de schade (welk nadeel is geleden door de cedenten en waarom is dit nadeel veroorzaakt door de luchtvaartmaatschappijen), nader toe te lichten. Een onderdeel van die toelichting zal betrekking moeten hebben op een analyse van alle relevante marktomstandigheden en in het bijzonder het werkelijke prijspeil dat ten laste is gekomen van de cedenten en het hypothetische prijspeil dat door de cedenten zou zijn betaald indien de gewraakte handelingen van de luchtvaartmaatschappijen achterwege zouden zijn gebleven (waarbij relevante inzichten mogelijk kunnen worden ontleend aan het ‘Werkdocument van de diensten van de Commissie, Praktische Gids betreffende begroting van schade bij schadeacties wegens inbreuken op artikel 101 of 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, bij de Mededeling van de Commissie betreffende de begroting van schade bij schadeacties wegens inbreuken op artikel 101 of 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie’). In een later stadium kan dan eventueel, afhankelijk van de bewijslevering, de afgifte van bescheiden alsnog aan de orde komen.
4.13.
Verder overweegt de rechtbank dat in het geval van toewijzing het verzamelen van de gevraagde - naar onvoldoende weersproken schatting miljoen - documenten zeer veel tijd in beslag zal nemen en zeer hoge kosten zal meebrengen. Hierdoor zal de procedure bovendien in aanzienlijke mate worden vertraagd (zo vraagt SIA een termijn van een jaar om de bescheiden te bestuderen), terwijl het nog maar de vraag is of alle bescheiden waarvan afschrift wordt gevorderd nodig zijn voor het verweer.
Aan de luchtvaartmaatschappijen kan worden toegegeven dat SCC haar vorderingen op belangrijke punten summier heeft onderbouwd, maar zij hebben zelf naar het oordeel van de rechtbank tot op heden onvoldoende gesteld, mede gelet op de belangen van SCC als hiervoor omschreven, om in dit stadium van de procedure hun vorderingen ex artikel 843a Rv toegewezen te krijgen. De luchtvaartmaatschappijen kunnen immers in hun antwoord op de tot op heden geponeerde stellingen van SCC volstaan met een betwisting die recht doet aan die stellingen (zie 4.21 en verder hierna). Die vordering zal dan ook worden afgewezen.
in het incident tot oproeping in vrijwaring
4.14.
KLM c.s., Lufthansa, BA en SIA vorderen andere luchtvaartmaatschappijen in vrijwaring op te roepen. Zij stellen daartoe, samengevat, dat voor zover de rechtbank zal oordelen dat zij door deelname aan het kartel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor enige schade, andere luchtvaartmaatschappijen mede draagplichtig zijn.
Daarnaast verzoeken zij in de gelegenheid te worden gesteld om hun vordering op dit punt uit te breiden tot meer partijen als na ontvangst van de bescheiden ex artikel 843a Rv meer duidelijkheid zal zijn verkregen van SCC welke maatschappijen voor het onderhavige geschil relevant zijn.
4.15.
SCC refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.16.
Maatstaf voor de toewijsbaarheid van een vordering tot oproeping in vrijwaring is of de gedaagde partij in de hoofdzaak (voldoende onderbouwd) stelt dat de in vrijwaring op te roepen derde krachtens zijn rechtsverhouding tot hem verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen.
4.17.
De luchtvaartmaatschappijen hebben voldoende gemotiveerd gesteld dat als gevolg van deelname aan het kartel voor de andere luchtvaartmaatschappijen mogelijk een (gedeeltelijke) verplichting tot vrijwaring bestaat. Verder is de oproeping in vrijwaring gevorderd vóór alle weren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vordering tot oproeping van andere luchtvaartmaatschappijen toewijsbaar is, zoals hierna in de beslissing is vermeld.
4.18.
Afwijzing van de vordering ex artikel 843a Rv brengt mee dat de daarmee samenhangende verzoeken tot uitbreiding van de in vrijwaring op te roepen partijen dan wel het opwerpen van een aanvullend vrijwaringsincident, eveneens in dit stadium zullen worden afgewezen (in een later stadium kunnen zij zo nodig opnieuw aan de orde worden gesteld).
in het incident/verzoek tot aanhouding
4.19.
De luchtvaartmaatschappijen verzoeken de behandeling van de onderhavige procedure aan te houden totdat de beschikking van de Commissie in kracht van gewijsde is gegaan dan wel is vernietigd dan wel totdat de Commissie de procedure met betrekking tot het publiceren van informatie uit het dossier overeenkomstig artikel 30 Verordening 1/2003 heeft afgerond dan wel tot de publicatie van de beschikking dan wel ter nadere bestudering van de ex artikel 843a Rv bedoelde bescheiden.
Hiertoe doen zij een beroep op het arrest van het HvJ van 20 september 2001, zaak
C-344/98 (het Masterfoods-arrest). De luchtvaartmaatschappijen stellen dat de beschikking relevant is voor de onderhavige procedure omdat SCC zich ter onderbouwing van haar vorderingen met name op de beschikking beroept.
4.20.
SCC verzet zich tegen aanhouding en voert hiertoe samengevat aan dat zij haar vorderingen niet alleen baseert op de beschikking, die immers slechts ziet op het Europese deel van het kartel, maar ook op andere mededingingsgrondslagen. Verder wijst SCC op het arrest van het hof Amsterdam van 24 september 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:3013) in de Equilib-zaak (486440 / HA ZA 11-944).
4.21.
De rechtbank acht het in de onderhavige zaak aangewezen dat eerst wordt onderzocht welke onderwerpen of onderdelen van het geschil zich lenen voor behandeling en beoordeling in dit stadium, waarin de beschikking nog niet onherroepelijk vaststaat, en dat de luchtvaartmaatschappijen daartoe eerst een conclusie van antwoord nemen. Dit kan op beperkte wijze plaatsvinden (vergelijk het voornoemde arrest van het hof Amsterdam van 24 september 2013); voor zover SCC in haar dagvaarding summier is ingegaan op punten in het onderhavige geschil, kunnen de luchtvaartmaatschappijen volstaan met een korte betwisting die recht doet aan hetgeen door SCC naar voren is gebracht. In het geval SCC op een later moment nieuwe stellingen inneemt, zullen de luchtvaartmaatschappijen in de gelegenheid worden gesteld daarop te antwoorden. Hun verweer zal alsdan niet als tardief worden beoordeeld.
4.22.
Voor zover de luchtvaartmaatschappijen betogen dat zij op het verweer reeds in hun incidentele conclusies zijn vooruitgelopen, geldt dat die conclusies van antwoord in de hoofdzaak in dat geval niet veel tijd in beslag zullen nemen. Als de luchtvaartmaatschappijen de stellingen van SCC voldoende betwisten, ligt het vervolgens op de weg van SCC om haar stellingen, onder meer met betrekking tot de causaliteit en de omvang van de schade, nader toe te lichten (zoals hiervoor is overwogen onder 4.12 en verder). Dit betreft kwesties van nationaal recht, staat los van de beschikking, kan in aanmerkelijke mate bijdragen aan een nadere invulling van het debat tussen partijen (dat zich steeds meer moet toespitsen op specifieke gedragingen van de luchtvaartmaatschappijen (routes, vluchten, etc.) en specifieke activiteiten van de (beweerdelijke) cedenten). Er bestaat dan ook geen reden om de procedure in dit stadium aan te houden, zodat het verzoek tot aanhouding zal worden afgewezen.
slotsom (alle incidenten/verzoeken)
4.23.
De slotsom van al het voorgaande is dat de incidentele vorderingen tot voeging en tot oproeping in vrijwaring zullen worden toegewezen en dat het gevorderde in de incidenten/verzoeken voor het overige zal worden afgewezen. Nu de vordering ex artikel 843a Rv wordt afgewezen, delen de daarmee samenhangende verzoeken tot aanhouding tot oproeping in vrijwaring van andere partijen en tot bestudering van bescheiden, dit lot.
4.24.
BA heeft verzocht hoger beroep tegen dit vonnis open te stellen. De rechtbank ziet geen aanleiding daartoe. Het daartoe strekkende verzoek van BA zal dan ook worden afgewezen.
4.25.
In de omstandigheid dat de luchtvaartmaatschappijen kan worden toegegeven dat SCC haar vorderingen in de hoofdzaak tot op heden summier heeft onderbouwd (en de over en weer gevraagde informatie op zichzelf relevant lijkt) en in de omstandigheid dat de incidenten/verzoeken tot aanhouding en ex artikel 843a Rv worden afgewezen en die tot voeging en oproeping in vrijwaring worden toegewezen, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten in de verzoeken/incidenten te compenseren als hierna onder de beslissing is vermeld.
in de hoofdzaak
4.26.
Op gezamenlijk verzoek van partijen is een regiecomparitie gepland op 1 april 2015. De hoofdzaak en de vrijwaringszaak zullen naar de rol van 1 april 2015 worden verwezen. Uit het voorgaande volgt dat de luchtvaartmaatschappijen daarna een conclusie van antwoord kunnen nemen, tenzij partijen (op of naar aanleiding van de regiecomparitie) anders afspreken of de rechtbank anders bepaalt. De rechtbank bepaalt, zoals tijdens de zitting van 5 februari 2015 aan de orde is gekomen, dat de luchtvaartmaatschappijen voor wat betreft de gemeenschappelijke onderdelen van hun betoog (gemeenschappelijke feitelijke stellingen, gemeenschappelijke thema’s, gemeenschappelijke juridische argumenten) moeten volstaan met één conclusie van antwoord. Dit geldt ook voor de volgende processtukken. De rolrechter zal hierop toezien.
5. De beslissing
De rechtbank
in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv
5.1.
voegt de hoofdzaak (zaaknummer/rolnummer C/13/562256 / HA ZA 14-348) met de vrijwaringszaak (zaaknummer/rolnummer C/13/561180 / HA ZA 14-288),
in het incident tot oproeping in vrijwaring (zaak 14-348)
5.2.
staat aan KLM/Martinair/AF toe om in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de terechtzitting van 30 september 2015:
- -
Singapore Airlines Cargo Pte Ltd, gevestigd te Singapore, Singapore;
- -
Singapore Airlines Limited, gevestigd te Singapore, Singapore;
- -
LATAM Airlines Group S.A., voorheen LAN Airlines S.A., gevestigd te Santiago, Chili;
- -
LAN Cargo S.A., gevestigd te Miami, Florida, Verenigde Staten van Amerika;
- -
Air Canada, gevestigd te Saint-Laurent, Canada;
- -
Cathay Pacific Airways Limited, gevestigd te Hong Kong, Hong Kong;
- -
Japan Airlines Co. Ltd, gevestigd te Tokyo, Japan;
- -
Qantas Airways Limited, gevestigd te Mascot, Australië;
- -
SAS Danmark A/S, gevestigd te Århus, Denemarken;
- -
SAS Norge A/S, gevestigd te Gardermoen, Akerhus, Noorwegen;
- -
SAS Sverige AB, gevestigd te Stockholm, Zweden;
- -
Korean Air Lines Co., gevestigd te Seoul, Zuid-Korea;
- -
Asiana Airlines Inc., gevestigd te Seoul, Zuid-Korea;
- -
Nippon Cargo Airlines Co. Ltd., gevestigd te Tokyo, Japan;
- -
All Nippon Airways Co. Ltd., gevestigd te Tokyo, Japan;
- -
Polar Air Cargo LLC, gevestigd te Purchase, New York, Verenigde Staten van Amerika;
- -
Polar Air Cargo World Inc., gevestigd te Purchase, New York, Verenigde Staten van Amerika;
- -
Thai Airways International Public Co. Ltd, gevestigd te Bangkok, Thailand,
5.3.
staat Lufthansa toe om in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de terechtzitting van 30 september 2015:
- -
Air Canada, gevestigd te Saint-Laurent, Canada;
- -
Air France-KLM S.A., gevestigd te Parijs, Frankrijk;
- -
British Airways PLC, gevestigd te Harmondworth, Verenigd Koninkrijk;
- -
Cargolux Airlines International S.A., gevestigd te Sandweiler, Luxemburg;
- -
Cathay Pacific Airways Limited, gevestigd te Hong Kong, Hong Kong;
- -
Japan Airlines Co. Ltd, gevestigd te Tokyo, Japan;
- -
Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V., gevestigd te Amstelveen;
- -
LATAM Airlines Group S.A., voorheen LAN Airlines S.A., gevestigd te Santiago, Chili;
- -
LAN Cargo S.A., gevestigd te Miami, Florida, Verenigde Staten van Amerika;
- -
Martinair Holland N.V., gevestigd te Haarlemmermeer;
- -
Qantas Airways Limited, gevestigd te Mascot, Australië;
- -
SAS AB, gevestigd te Stockholm, Zweden;
- -
SAS Cargo Group A/S, gevestigd te Kastrup, Denemarken;
- -
Scandinavian Airlines System Denmark-Norway-Sweden, gevestigd te Stockholm, Zweden;
- -
SAS Denmark A/S, gevestigd te Kastrup, Denemarken;
- -
SAS Norge AS, gevestigd te Gardermoen, Noorwegen;
- -
SAS Sverige AB, gevestigd te Stockholm, Zweden;
- -
Singapore Airlines Limited, gevestigd te Singapore, Singapore;
- -
Singapore Airlines Cargo Pte Ltd, gevestigd te Singapore, Singapore;
- -
Société Air France, gevestigd te Roissy Charles-de-Gaulle CEDEX, Frankrijk;
- -
Korean Air Lines Co. Ltd., gevestigd te Seoul, Zuid-Korea;
- -
Asiana Airlines Inc., gevestigd te Seoul, Zuid-Korea;
- -
Nippon Cargo Airlines Co. Ltd., gevestigd te Tokyo, Japan;
- -
All Nippon Airways Co. Ltd., gevestigd te Tokyo, Japan;
- -
Thai Airways International Public Company Limited, gevestigd te Bangkok, Thailand;
- -
Polar Air Cargo Worldwide Inc., gevestigd te Purchase, New York, Verenigde Staten van Amerika;
- -
Polar Air Cargo LLC, gevestigd te Purchase, New York, Verenigde Staten van Amerika,
5.4.
staat BA toe om in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de terechtzitting van
30 september 2015:
- -
Air Canada, gevestigd te Saint-Laurent, Canada;
- -
Air France-KLM Group, gevestigd te Parijs, Frankrijk;
- -
Société Air France S.A., gevestigd te Roissy Charles-de-Gaulle CEDEX, Frankrijk;
- -
Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V., gevestigd te Amstelveen;
- -
Cargolux Airlines International S.A., gevestigd te Sandweiler, Luxemburg,
- -
Cathay Pacific Airways Limited, gevestigd te Hong Kong, Hong Kong,
- -
Japan Airlines Co. Ltd, gevestigd te Tokyo, Japan;
- -
LAN Airlines S.A., gevestigd te Santiago, Chili;
- -
LAN Cargo S.A., gevestigd te Miami, Florida, Verenigde Staten van Amerika;
- Lufthansa Cargo AG, gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland;
- -
Deutsche Lufthansa AG, gevestigd te Keulen, Duitsland;
- -
Swiss International Air Lines AG, gevestigd te Basel, Zwitserland;
- -
Martinair Holland N.V., gevestigd te Haarlemmermeer;
- -
Qantas Airways Limited, gevestigd te Mascot, Australië;
- -
SAS AB, gevestigd te Stockholm, Zweden;
- -
SAS Cargo Group A/S, gevestigd te Kastrup, Denemarken;
- -
Scandinavian Airlines System Denmark-Norway-Sweden, gevestigd te Stockholm, Zweden;
- -
Singapore Airlines Cargo Pte Ltd, gevestigd te Singapore, Singapore;
- -
Singapore Airlines Limited, gevestigd te Singapore, Singapore;
- -
Korean Air Lines Co. Ltd., gevestigd te Seoul, Zuid-Korea;
- -
Asiana Airlines Inc., gevestigd te Seoul, Zuid-Korea;
- -
Polar Air Cargo LLC, gevestigd te Purchase, New York, Verenigde Staten van Amerika;
- -
Nippon Cargo Airlines Co. Ltd., gevestigd te Tokyo, Japan;
- -
All Nippon Airways Co. Ltd., gevestigd te Tokyo, Japan;
- -
Thai Airways International Public Company Limited, gevestigd te Bangkok, Thailand,
5.5.
staat SIA toe om in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de terechtzitting van
30 september 2015:
- -
Air Canada, gevestigd te Saint-Laurent, Canada;
- -
Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V., gevestigd te Amstelveen;
- -
Air France, gevestigd te Roissy Charles-de-Gaulle CEDEX, Frankrijk;
- -
Air France-KLM Group, gevestigd te Parijs, Frankrijk;
- -
Martinair Holland N.V., gevestigd te Haarlemmermeer;
- -
British Airways PLC, gevestigd te Harmondworth, Verenigd Koninkrijk;
- Lufthansa Cargo AG, gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland;
- -
Cargolux Airlines International S.A., gevestigd te Sandweiler, Luxemburg,
- -
Cathay Pacific Airways Limited, gevestigd te Hong Kong, Hong Kong,
- -
Japan Airlines Co. Ltd, gevestigd te Tokyo, Japan;
- -
LATAM Airlines Group S.A., gevestigd te Santiago, Chili;
- -
LAN Cargo S.A., gevestigd te Miami, Florida, Verenigde Staten van Amerika;
- -
Qantas Airways Limited, gevestigd te Mascot, Australië;
- -
SAS Denmark-Norway-Sweden, gevestigd te Stockholm, Zweden;
- -
SAS AB, gevestigd te Stockholm, Zweden;
- -
SAS Cargo Group A/S, gevestigd te Kastrup, Denemarken;
- -
Swiss International Air Lines AG, gevestigd te Basel, Zwitserland;
- -
Korean Air Lines Co. Ltd., gevestigd te Seoul, Zuid-Korea;
- -
Asiana Airlines Inc., gevestigd te Seoul, Zuid-Korea,
in de incidenten/verzoeken voorts:
5.6.
compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak
5.8.
verwijst de zaken naar de rol van 1 april 2015 voor de reeds geplande regiecomparitie,
5.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes, mr. H.J. Fehmers en mr. R.A. Dudok van Heel, rechters, bijgestaan door mr. J.P. van der Stouwe, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2015.
*