Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.1.3.3
7.6.1.3.3 Korte verblijfsduur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291319:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hof Leeuwarden 18 november 2010, nr. 09/00177, V-N 2011/9.1.3.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen deze uitspraak ongegrond verklaard onder verwijzing naar art. 81 Wet RO (HR 22 juni 2012, nr. 10/05562, V-N 2012/45.1.5).
Besluit 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 7.4.1.
Besluit 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 7.4.1.
Besluit 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 7.4.1. Dit criterium lijkt te zijn ontleend aan de jurisprudentie inzake het begrip ‘ingezetene’ in art. 2 AOW (zie o.a. CRvB 23 april 2009, nr. 06-2238 AOW, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4157, r.o. 4.3).
Hof Leeuwarden heeft geoordeeld dat de verhuur van een gestoffeerd en gemeubileerd (woon)appartement voor de duur van één jaar zonder de mogelijkheid van tussentijdse opzegging, en waarbij de verhuur zonder opzegging na afloop van de huurperiode voor onbepaalde tijd doorloopt, geen verhuur is als bedoeld in art. 11 lid 1, onderdeel b, 2° Wet OB. Dat de verhuur in werkelijkheid maar 10 maanden heeft geduurd, doet hieraan naar het oordeel van het hof niet af.1 Het hof baseert zijn oordeel uitsluitend op de overeengekomen verblijfsduur en niet op de toerusting van de verblijfsruimte (zie paragraaf 7.6.1.3.2). Dit oordeel van het hof is niet in tegenspraak met de jurisprudentie van de Hoge Raad.2 De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het gemeenschappelijke kenmerk van de in (thans) 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn bedoelde accommodaties veeleer hierin bestaat dat het gaat om verblijfsruimten die zijn toegerust om daarin kort te verblijven zonder dat de tijdelijke bewoner is belast met de zorg voor de inventaris. In dit gemeenschappelijke kenmerk ligt besloten dat (ook) sprake moet zijn van een kortdurend of tijdelijk verblijf. De Hoge Raad overweegt bovendien expliciet dat het Hof van Justitie in het Blasi-arrest heeft overwogen dat het begrip ‘sectoren met een soortgelijke functie als het hotelbedrijf’ ruim moet worden uitgelegd, omdat zij beoogt te verzekeren dat het tijdelijk verstrekken van accommodatie op overeenkomstige wijze als het hotelbedrijf, dat potentieel met dit laatste concurreert, belast is. Dat een kortdurend verblijf vereist is, volgt ook uit de bewoordingen van art. 11 lid 1, onderdeel b, 2° Wet OB: “de verhuur (…) aan personen, die daar slechts voor een korte periode verblijf houden”. Kortom, voor de toepassing van art. 11 lid 1, onderdeel b, 2° Wet OB is zowel de geschiktheid van de verblijfsruimte voor de korte duur – de aard van het verblijf – als de duur van het verblijf van belang.3
Maar wanneer is sprake van de verhuur voor een korte periode? Zoals de uitspraak van Hof Leeuwarden laat zien, wordt de vraag of de verblijfsperiode kort is in beginsel beantwoord aan de hand van de met de huurder overeengekomen verblijfsperiode. Uit het Blasi-arrest volgt dat dit is toegestaan (zie paragraaf 7.6.1.2). De Staatssecretaris van Financiën hanteert in zijn beleid als praktisch uitgangspunt dat een overeengekomen verblijfsperiode van niet meer dan zes maanden van korte duur is. Een langere verblijfsperiode kan volgens de Staatssecretaris van Financiën van korte duur zijn, maar dat dient degene die art. 11 lid 1, onderdeel b, 2° Wet OB wenst toe te passen aannemelijk te maken.4 Van een kort verblijf is naar de mening van de Staatssecretaris van Financiën geen sprake indien de huurder het middelpunt van zijn maatschappelijk leven heeft overgebracht naar het gehuurde verblijf.5 Dit beleid komt mij juist voor, aangezien van het overbrengen van het middelpunt van het maatschappelijk leven van de huurder naar het gehuurde onroerend goed normaliter pas sprake is indien de huurder voornemens is om aldaar langdurig te wonen. Uit dit beleid kan niet – want a contrario – worden afgeleid dat sprake is van kortdurende verhuur indien de huurder het middelpunt van zijn maatschappelijk leven niet heeft overgebracht naar het gehuurde verblijf. Een huurder kan elders het middelpunt van zijn maatschappelijke leven hebben, maar toch langdurig woonruimte huren (bijv. een tweede woning).