Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/7.8.3
7.8.3 Zeepbel was reeds aanwezig toen de misleiding begon
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655881:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze situatie reeds De Jong 2010, p. 192-193 en p. 225.
Verordening (EU) Nr. 596/2014 (PbEU 2014, L 173/1).
In het scenario waarin de zeepbel tijdens het tijdvak van de misleiding uit elkaar spat, is deze vraag natuurlijk alleen relevant voor de beleggers die hun aandeel voordien hebben gekocht.
Zie over deze toerekeningsfactoren § 1.3.3 en de daar vermelde literatuur en rechtspraak.
Zie over de toerekeningsfactor voorzienbaarheid van de schade § 1.3.3.4 en de daar vermelde literatuur en rechtspraak.
Ik wijs in dit verband nog op de historische studie van Gerding uit 2006. Gerding heeft de belangrijkste periodes waarin in het verleden sprake was van zeepvorming in de beurskoers nauwkeurig bestudeerd, en hij laat zien dat deze periodes meestal gepaard gingen met een verhoogde intensiteit van securities fraud. Zie Gerding 2006, p. 403-417 en p. 450-453.
Een ander voorbeeld van de situatie waarin bestuurders van de vennootschap doelbewust (en direct) van een zeepbeleffect in de koers(inflatie) – veroorzaakt door een combinatie van misleidende informatievoorziening en irrationeel beleggerssentiment – proberen te profiteren, is het geval waarin het bestuur de publicatie van (inmiddels bekend geworden) negatieve informatie bewust nog even uitstelt, omdat het weet dat een aantal van hen op korte termijn aandelen gaat verkopen volgens een reeds (met de compliance officer) overeengekomen verkoopprogramma. Weliswaar ligt het tijdstip van verkoop in dat geval al enige tijd vast, maar door het bewust ‘timen’ van de negatieve publicatie kunnen de desbetreffende bestuurders dan toch nog van de kunstmatig hoge beurskoers profiteren. Voor een uitgebreide analyse van het verschijnsel van het bewust ‘timen’ van slechts nieuws met het oog op aandelenverkoopprogramma’s van individuele bestuurders, verwijs ik naar Horwich 2016.
Debt convenant zijn kort gezegd afspraken tussen de vennootschap en haar vreemd vermogenverschaffer(s) die erop neerkomen dat bepaalde financiële kernratio’s (bijvoorbeeld de verhouding vreemd vermogen/eigen vermogen) binnen een zekere bandbreedte moeten blijven.
Vgl. Choi & Pritchard 2019, p. 241-243. Zie in dit verband ook de uitgebreide analyse van Fox in Fox 1999, p. 1356-1368; Fox 2009a, p. 252-273; Fox 2009b, p. 310-318.
Streng vanuit het oogpunt van de eisende beleggers.
De Jong 2010, p. 192-193 en p. 225.
Vervolgens behandel ik de situatie waarin de zeepbel reeds voor de misleiding is ontstaan en waarin deze tijdens het tijdvak van de misleiding, tegelijkertijd met het naar buiten komen van de misleiding, dan wel na het tijdvak van de misleiding, uit elkaar spat (het gaat hier dus om drie verschillende scenario’s).1 In deze situatie zal – in tegenstelling tot de in § 7.8.2 besproken situatie – de misleiding reeds vanaf het begin een – vanuit de fundamenten bezien – buitensporig koerseffect hebben. Vanwege de (reeds aanwezige) zeepbel (die op zichzelf is veroorzaakt door irrationeel beleggersgedrag) zullen de beleggers immers overgevoelig op de misleidende informatie reageren. Ter illustratie geef ik een eenvoudig voorbeeld van het (eerste) scenario waarin de zeepbel tijdens het tijdvak van de misleiding uit elkaar spat.
Stel dat op tijdstip T0 sprake is van een zeepbel binnen de sector van aandelen waartoe het litigieuze aandeel behoort. Deze zeepbel heeft ervoor gezorgd dat de koersen van al deze aandelen zijn verdubbeld ten opzichte van de oorspronkelijke fundamentele waarde. Zo ook het litigieuze aandeel. Op tijdstip T0 noteert het aandeel € 100, terwijl het zonder de zeepbel € 50 zou noteren. Vervolgens beschikt de vennootschap op tijdstip T1 over (negatieve) voorwetenschap. Deze voorwetenschap weerspiegelt een fundamentele waarde van € 10, maar onder de huidige marktomstandigheden weerspiegelt zij een waarde van € 20. In strijd met de op haar rustende openbaarmakingsplicht uit hoofde van art. 17 lid 1 verordening Marktmisbruik2 besluit de vennootschap de voorwetenschap niet te publiceren. De koers noteert daardoor nog steeds € 100, terwijl deze zonder de misleiding € 80 zou noteren. Het niet publiceren van de voorwetenschap heeft de koers dus met € 20 kunstmatig geïnflateerd. Vervolgens spat op tijdstip T2 de zeepbel uit elkaar. De door de zeepbel veroorzaakte overwaardering loopt daarmee uit de koers, waardoor deze terugvalt van € 100 naar € 50. De koers noteert op dat moment echter nog steeds € 10 boven de fundamentele waarde, omdat de door de misleiding veroorzaakte koersinflatie nog steeds in de koers zit. Pas als op tijdstip T3 de misleiding bekend wordt, zal de koers terugvallen naar de fundamentele waarde van € 40.
Vervolgens is de vraag of het volledige bedrag aan koersinflatie aan de vennootschap kan worden toegerekend (in bovenstaand voorbeeld € 20) of dat slechts de koersinflatie geschoond voor het zeepbeleffect kan worden toegerekend (in bovenstaand voorbeeld € 10)?3 Deze vraag is minder eenvoudig te beantwoorden dan de in § 7.8.2 besproken toerekeningsvraag. De toerekingsfactoren strekking van de geschonden norm, verwijderdheid van de schade en voorzienbaarheid van de schade hoeven hier namelijk niet (noodzakelijkerwijs) in dezelfde richting te wijzen.4 Enerzijds kan aan de hand van de eerste twee genoemde toerekeningsfactoren worden beargumenteerd dat slechts de koersinflatie gecorrigeerd voor het zeepbeleffect aan de vennootschap kan worden toegerekend. De redenering is hier exact gelijk aan de redenering die werd gevolg in § 7.8.2, dus die zal ik hier niet herhalen. Anderzijds is (onder omstandigheden) verdedigbaar dat de vennootschap het zeepbeleffect in de koersinflatie heeft kunnen voorzien. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat ten tijde van marktgekte beleggers ‘met een zeepbeleffect’ op misleidende informatie kunnen reageren. Op grond van de toerekeningsfactor voorzienbaarheid van de schade5 is dan bepleitbaar het volledige bedrag aan koersinflatie aan de vennootschap toe te rekenen. De vraag in welke mate de door de misleiding veroorzaakte koersinflatie aan de vennootschap kan worden toegerekend, is dus in algemene zin niet te beantwoorden. Het zal van de overige omstandigheden van het geval afhangen aan welke toerekeningsfactor doorslaggevend gewicht moet worden toegekend.
Een relevante omstandigheid die in dit verband mijns inziens moet worden meegewogen, is het antwoord op de vraag of (het bestuur van) de vennootschap zich van (het irrationele sentiment onderliggend aan) de zeepbel bewust was, en of zij er doelbewust van heeft proberen te profiteren dat de beleggers met een zeepbeleffect op de misleidende informatie zouden reageren. Dit profijt kan zowel op directe, als op meer indirecte wijze hebben plaatsgevonden.6 Bij het direct profiteren kan gedacht worden aan de situatie waarin de vennootschap aandelen uitgeeft op een moment dat de markt wordt beheerst door irrationele sentimenten, en zij daarbij doelbewust gebruikt maakt van een misleidend prospectus. De gedachte is dat zij vanwege de ‘opgeblazen’ koersinflatie haar aandelen dan tegen een (veel) hogere prijs kan uitgeven.7 Bij het indirect profiteren kan gedacht worden aan de situatie waarin de vennootschap ten tijde van marktgekte welbewust misleidende informatie de wereld instuurt, omdat zij vanwege het (daardoor veroorzaakte) irrationele koerseffect dan veel gunstigere leningsvoorwaarden met de bank kan afsluiten. Andere beweegredenen voor het bewust verkeerd voorlichten van het beleggende publiek kunnen bijvoorbeeld zijn het niet laten overschrijden van bepaalde ‘debt convenants’,8 het door het bestuur ontvangen van een hogere (aan de beurskoers gerelateerde) beloning of het door het bestuur verdoezelen van slechte prestaties teneinde in functie te blijven.9 Dat beleggers ten tijde van marktgekte overgevoelig op misleidende informatie reageren, is natuurlijk niet in de laatste plaats hunzelf aan te rekenen. Dit neemt niet weg dat het voor het vertrouwen van beleggers in de (integriteit van de) effectenmarkt niet bevorderlijk is, wanneer irrationele beleggerssentimenten door slimme(re) spelers door middel van misleiding extra worden uitgebuit. Wil men dit vertrouwen stimuleren, dan zal men (onder omstandigheden) bij de schadetoerekening ex art. 6:98 BW niet al te streng moeten zijn.10 In concreto kan dit betekenen dat het volledige bedrag van de door de misleiding veroorzaakte koersinflatie, dus inclusief zeepbeleffect, voor vergoeding in aanmerking komt.
Tot slot wijs ik er nog op dat volgens De Jong in het scenario waarin de zeepbel na het tijdvak van de misleiding uit elkaar spat, de rechter zeer terughoudend moet zijn bij het op de voet van art. 6:98 BW aanbrengen van een correctie op de rechtens toerekenbare koersinflatie.11 Zijn argument is dat het aanbrengen van een dergelijke correctie zeer speculatief is, en gebaseerd is op wijsheid achteraf. Op zichzelf ben ik met De Jong eens dat het vaststellen van (de omvang van) het zeepbeleffect in de koersinflatie in de praktijk met grote onnauwkeurigheid – en derhalve onzekerheid – gepaard gaat. Wel zou ik daaraan willen toevoegen dat de mate van onnauwkeurigheid in het scenario waarin de zeepbel na het tijdvak van de misleiding uit elkaar spat, in beginsel niet groter is dan in het scenario waarin de zeepbel tegelijkertijd met het naar buiten komen van de misleiding uit elkaar spat. In beide scenario’s zal men – tot op zekere hoogte – over de grootte van de zeepbel moeten speculeren, en in beide scenario’s is deze exercitie gebaseerd op wijsheid achteraf. Voor zover dus de rechter in het eerstgenoemde scenario terughoudend zou moeten zijn bij het beperken van de schadevergoeding op de voet van art. 6:98 BW, zal hij niet minder terughoudend moeten zijn in het laatstgenoemde scenario. Dit laatste is wellicht anders wanneer in het scenario waarin de zeepbel na het tijdvak van de misleiding uit elkaar spat, het tijdstip waarop dit gebeurt, is gelegen ver na het (einde van het) tijdvak van de misleiding. In dat geval bestaat immers onzekerheid over de vraag of er tijdens het tijdvak van de misleiding überhaupt wel sprake was van een zeepbeleffect.
Als De Jong bedoelt te zeggen dat – specifiek – in het scenario waarin de zeepbel tijdens het tijdvak van de misleiding uit elkaar spat, de rechter (relatief) minder terughoudend hoeft te zijn bij het beperken van de schadevergoeding, ben ik dat met hem eens. In dat scenario is op het moment waarop de misleiding bekend wordt de zeepbel immers reeds uit elkaar gespat, zodat het bedrag van de koersinflatie geschoond voor het zeepbeleffect relatief nauwkeurig kan worden vastgesteld.