Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/8.4.2
8.4.2 Kosten of waarde van de materialen en van de vervaardiging
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258788:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
In artikel 143, lid 2, UDWU zijn de woorden „vallen ook de omgeslagen kosten” vervangen door „valt ook de omgeslagen waarde” krachtens Uitvoeringsverordening (EU) 2017/989 van de Commissie van 8 juni 2017 tot rectificatie en wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, OJ L 149 van 13.6.2017, p. 19–56. Door deze wijzigingen moet thans gekeken worden naar de waarde van de materialen op het moment dat deze worden aangewend voor de vervaardiging van de ingevoerde goederen. Voor de wijziging moest worden aangesloten bij de kosten van de materialen waaronder ik de aankoopkosten van de materialen versta. Indien tussen de aankoop van de materialen en de aanwending van de goederen een bepaalde periode zit, kan dit derhalve invloed hebben op de vaststelling van de douanewaarde op basis van de methode van de berekende waarde.
Onder kosten of waarde van de materialen en van de vervaardiging worden op grond van artikel 143, lid 2, UDWU verstaan: i) de kosten van verpakking die voor douanedoeleinden worden geacht met de goederen één geheel te vormen (onderdeel 11.3), ii) kosten van het verpakken (onderdeel 11.3), en iii) de omgeslagen waarde van de in artikel 71, lid 1, onderdeel b, DWU genoemde producten of diensten die door de koper (direct of indirect) zijn geleverd om te worden gebruikt bij de productie van de te waarderen goederen.1 Voor zover het diensten of goederen betreft die staan genoemd in artikel 71, lid 1, onderdeel b, ten vierde, DWU en binnen de Europese Unie zijn verricht of vervaardigd, moet de omgeslagen waarde van deze elementen enkel in aanmerking worden genomen indien de diensten en goederen in rekening zijn gebracht aan de fabrikant. In aanvulling wordt in artikel 143, lid 3, UDWU een definitie gegeven voor productiekosten. Hieronder worden verstaan alle uitgaven die het scheppen, uitbreiden of aanzienlijk verbeteren van economische goederen met zich brengen en omvatten tevens de in artikel 71, lid 1, onder b, ten tweede en derde, DWU genoemde kosten. Dit artikel, waarvan een equivalent ontbreekt in de CVA, heeft naar mijn idee enkel tot doel om de kosten van de vervaardiging te onderscheiden van de bedrijfskosten. De achtergrond lijkt gelegen in het feit dat bij bedrijfskosten het bijvoeglijk naamwoord ‘gewoonlijk’ een toets introduceert, die bij de kosten of waarde van de vervaardiging ontbreekt. Voorbeelden van kosten die niet als kosten of waarde voor de vervaardiging, maar desalniettemin wel, mits aan te merken als ‘gewoonlijk’, als bedrijfskosten in aanmerking kunnen worden genomen zijn huisvestings-, onderhouds- en opslagkosten.
Er is voor de methode van de berekende waarde niet voorzien in het in aanmerking nemen van betalingen voor royalty of licentierechten. Dat betekent niettemin dat ze voor de methode van de berekende waarde een rol kunnen spelen. Dat is bijvoorbeeld het geval een fabrikant een betaling voor een royalty of licentierecht verricht aan een derde partij. Alsdan wordt deze betaling in aanmerking genomen voor de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig de methode van de berekende waarde, omdat zij geacht worden onderdeel uit te maken van de algemene kosten die verband houden met de vervaardiging van de goederen.