Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/1.5.3.3:1.5.3.3 Gebruik, genot en beheer
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/1.5.3.3
1.5.3.3 Gebruik, genot en beheer
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS482370:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wibbens-de Jong 2006, p. 2.
Opzoomer 1876, p. 364. De rechten zijn als het ware ‘gelokaliseerd’ (Vandenberghe 1997, p. 314), of nog anders: de rechten mogen hoofdzakelijk uitgeoefend worden op dat deel van de muur dat naar de zijde van het eigen erf is gericht. Zie ook Gonthier 2003, p. 27-28.
Opzoomer 1876, p. 365.
Smalbraak 1980, p. 29.
Smalbraak 1980, p. 20.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wibbens-de Jong1 merkt opdat de bijzondere kenmerken van mandeligheid zijn te kennen uit art. 5:63. Daarmee verliest zij – evenals andere auteurs – uit het oog dat ook in verband met gebruik, genot en beheer van mandelige zaken een aantal bijzondere kenmerken zijn te noemen.
Bij de bespreking van ‘den gemeenen muur’ merkt Opzoomer op:
‘de afgescheiden grondeigenaars moesten voor den scheidsmuur nauw verbonden eigenaars zijn. Men had dien muur als een gemeenen muur te beschouwen. Maar moest het dan de gewone gemeenschap, de gewone medeëigendom zijn, het condominium of de communio pro indiviso zonder de minste wijziging? Daarmee kon de praktijk moeielijk vrede hebben. De gemeenschap kon hier in sommige opzichten minder streng zijn dan gewoonlijk, in andere moest zij daarentegen veel strenger zijn. Strekte bij den gewonen medeëigendom ieders recht zich over elk stuk van het geheel uit, ofschoon dan op ideëele wijze, hier achtte men het goed, ieder bij de uitoefening van den eigendom, althans bij een deel dier uitoefening, tot de helft van den gemeenen muur te beperken, als reikte werkelijk zijn eigendom slechts zoo ver en als bestond er geen gemeenschap.’2
De conclusie van Opzoomer is vervolgens dat er eigenlijk sprake is van een
‘soort van middelding tusschen gescheiden eigendommen en mede-eigendom, of liever nog: het is mede-eigendom, gemeenschap, maar waar het nodig is gewijzigd naar hetgeen alleen aan gescheiden eigendommen laat denken.’3
Dit bijzondere element komt in het oude Burgerlijk Wetboek vooral tot uitdrukking in de art. 684, 685, 686, 689, 705, 709 en 710 BW(oud). In het huidige Wetboek vinden wij deze bijzonderheid terug in de art. 5:67 lid 1 en 68.
Art. 5:67 lid 1:
‘Iedere mede-eigenaar mag tegen de mandelige scheidsmuur aanbouwen en daarin tot op de helft der dikte balken, ribben, ankers en andere werken aanbrengen, mits hij aan de muur en aan de door de buur bevoegdelijk daarmee verbonden werken geen nadeel toebrengt.’
Art. 5:68:
‘Iedere mede-eigenaar mag op de mandelige scheidsmuur tot op de helft der dikte een goot aanleggen, mits het water niet op het erf van de andere eigenaar uitloost.’
Uit art. 5:60 lid 1 volgt dat alleen bij bestemming van een onroerende zaak tot nut van de gezamenlijke erven mandeligheid ontstaat. In art. 5:61 wordt bepaald dat mandeligheid eindigt ingeval het gemeenschappelijk nut eindigt.
Constitutief vereiste voor mandeligheid is derhalve een rechtshandeling waarbij is voorzien in de bepaling van de bestemming (dat wil zeggen de bepaling van de aard van het genot en het gebruik van de desbetreffende zaak), zodanig dat het nut van de erven wordt verhoogd.
Smalbraak4 is van mening dat dit nutsvereiste slechts een vereiste is voor het ontstaan en bestaan van de mandeligheid. Hij zou het niet willen zien als een element van de ‘gebruiksdefinitie’. Ik zou menen dat, juist nu gemeenschappelijk nut vereist is voor – met name – het ontstaan en bestaan van mandeligheid, dit element wel tot de werkomschrijving moet behoren.5