Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/3.2.1
3.2.1 Van 'oud' naar 'nieuw'
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS431768:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1995/96, 24 651, nr. 1-2.
Kamerstukken II 1995/96, 24 651, nr. 3, p. 3 (MvT).
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 1-2. Zie ook A.I.M. van Mierlo & F.M. Bart, Parlementaire geschiedenis, Herziening van het burgerlijke procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg, Deventer: Kluwer 2002.
Wetsvoorstel Aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg van 20 juni 2001, Kamerstukken II 2000/01, 27 824, nr. 1-2.
H.J. Snijders, E.M. Wesseling-van Gent & M. Ynzonides, 'Open brief aan Minister van Justitie, Uitstel gevraagd van invoering nieuw burgerlijk procesrecht', Advocatenbad 2001, p. 818-820.
Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 580. KB van 10 december 2001, Stb. 2001, 621.
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 4-10 (MvT).
Een algemene bespreking van art. 1-14 Rv is te vinden bij: P. Vlas & F. Ibili, 'De nieuwe commune regels inzake de rechtsmacht van de Nederlandse rechter', WPNR (2003) 6527, p. 310-319; X.E. Kramer, 'De regeling van rechtsmacht onder het herziene Rechtsvordering', 1VIPR 2002, p. 375-385; M.E. Koppenol-Laforce, 'Internationale rechtsmacht in rechtsvordering per 1 januari 2002 in werking', Juridisch up to date 2002, p. 13-17; G.J.W. Steenhoff, 'De rechtsmachtregeling inzake vermogensrecht in het herziene Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering', Executief 2002, p. 4-6. Zie voor een artikelgewijs commentaar: Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, art. 1-14 Rv; Polak 2005 (T&C Rv), art. 1-14 Rv. Eerdere voorstellen zijn besproken door: D. Kokkini-Iatridou & K. Boele-Woelki, `De regeling van de 'Internationale rechtsmacht' in het voorontwerp van wet van 1993', 1VIPR 1993, p. 323-364; D. Kokkini-Iatridou & K. Boele-Woelki, 'De regeling van de 'Internationale rechtsmacht'', WPNR (1994) 6121, p. 50-55; M.E. Koppenol-Laforce, 'De rechtsmacht van de Nederlandse rechter in het voorontwerp tot aanpassing van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering', TCR 1994, p. 5-10; J.J. van Haersolte-van Hof, 'Nieuwe regeling commune rechtsmacht, verschillen en parallellen met het EEX', LATER 1996, p. 208-211 (deel 1) en p. 242-245 (deel 2); J.W. Rutgers, `Rechtsmacht van de Nederlandse rechter', Advocatenblad 2000, p. 864-868. Zie ook de verschillende bijdragen in P. Vlas (red.), De internationale bevoegdheid van de Nederlandse Rechter volgens de nieuwe bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: studiedag gehouden op 26 januari 1996 in het Ministerie van Buitenlandse Zaken te 's-Gravenhage, 's-Gravenhage: T.M.C. Asser Instituut 1996 (/V/PR-Speciale aflevering 1996).
In april 1993 publiceerde het Ministerie van Justitie een Voorontwerp van Wet betreffende de Aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de herziening van de rechterlijke organisatie (hierna: Voorontwerp van Wet),
alsook een daarbij behorend Voorontwerp van Memorie van Toelichting (hierna: Voorontwerp van MvT). Art. 1.1.1-1.1.13 van dit Voorontwerp van Wet bevatten een algemene regeling voor de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Van dit Voorontwerp is gebruik gemaakt bij het opstellen van het wetsvoorstel Tweede Fase Herziening Rechterlijke Organisatie van 21 maart 1996.1 Dit wetsvoorstel had als doel het tot stand brengen van de rechtbank 'nieuwe stijl'. Kantongerechten en arrondissementsrechtbanken zouden worden geïntegreerd tot één gerecht voor alle civielrechtelijke, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken in eerste aanleg.2 Deze integratie maakte een grondige herziening van onder andere Rv noodzakelijk. Ruim tweeënhalf jaar na de indiening van dit wetsvoorstel bij de Tweede Kamer kondigde de Minister van Justitie aan dat hij vanwege nieuwe inzichten over de wijziging van de rechterlijke organisatie geen grond meer aanwezig achtte om het wetsvoorstel voort te zetten. Het wetsvoorstel werd hierop in zijn geheel ingetrokken,3 doch de voorgestelde bepalingen betreffende de herziening van het burgerlijk procesrecht werden neergelegd in een nieuw wetsvoorstel: het wetsvoorstel Herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg van 25 oktober 1999.4 Nadat nog een aantal wijzigingen waren aangebracht5 is de wet tot herziening van het burgerlijk procesrecht — volgens sommigen veel te vroeg —6 in werking getreden op 1 januari 2002.7 Gemakshalve spreek ik in het vervolg van `oud' en 'nieuw' procesrecht of van 'oud' en 'nieuw' Rv, ter aanduiding van de regeling van procesrecht in Rv vóór resp. ná 1 januari 2002.
Aan de herziening van Rv liggen blijkens de Memorie van Toelichting een aantal uitgangspunten ten grondslag: vereenvoudiging van procesrecht, deformalisering, modernisering van de verhouding tussen de rechter en partijen, streven naar efficiency en harmonisering van procesrecht. De wetgever heeft zich ten doel gesteld om het procesrecht zodanig in te richten dat procedures efficiënter kunnen worden gevoerd, vlot verlopen en daarmee voldoen aan de hedendaagse maatschappelijke eisen en aan de eisen van een goede rechtspraak.8 In het verlengde hiervan zijn de regels met betrekking tot de interne burgerlijke procesvoering op belangrijke punten ingrijpend gewijzigd. De belangrijkste wijziging die de herziening van Rv voor het Nederlandse IPR met zich heeft meegebracht is de introductie van een algemene wettelijke regeling inzake de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De regeling is opgenomen in Boek 1, Titel 1, Eerste Afdeling (`Rechtsmacht van de Nederlandse rechter') en beslaat de artikelen 1 tot en met 14.9 De werking van deze eerste veertien bepalingen is uitdrukkelijk beperkt tot gevallen die buiten het materiële en/of formele toepassingsgebied van voor Nederland geldende verdragen en EG-verordening vallen (art. 1 Rv). De regeling biedt een limitatieve opsomming van gronden waarop de Nederlandse rechter in civiele zaken met een grensoverschrijdend karakter zijn rechtsmacht kan baseren.