De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.3.2.3:8.3.2.3 Vervolg: primaire, secundaire en tertiaire gevolgen
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.3.2.3
8.3.2.3 Vervolg: primaire, secundaire en tertiaire gevolgen
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364835:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 1.2.3.2 voor het onderscheid tussen primaire, secundaire en tertiaire gevolgen.
Idem.
Idem.
Hof Amsterdam (OK) 25 april 2012, JOR 2013/6 m.nt. Bulten (Butôt). Een ander voor-beeld, is de noodzaakfinancieringsjurisprudentie.
Hof Amsterdam (OK) 17 december 2008, ARO 2009/3 (Medisch Centrum Voor Esthetische Geneeskunde).
Hof Amsterdam (OK) 17 juni 2009, ARO 2009/120 (Medisch Centrum Voor Esthetische Geneeskunde).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in 8.3.2.3 besproken rechtsgevolgen van eindvoorzieningen betreffen de primaire1 gevolgen van eindvoorzieningen. Deze houden in dat orgaanleden en/of de bevoegdheden van organen worden veranderd. Ook kunnen hun rechten en plichten gewijzigd worden. Het secundaire2 gevolg van deze primaire gevolgen is dat de (al dan niet vervangen) orgaanleden gebruik kunnen maken van hun (al dan niet gewijzigde) rechten en bevoegdheden en daarbij hun eventueel gewijzigde plichten in acht dienen te nemen. Dat betekent dat het besluitvormingsproces anders kan gaan verlopen. Sommige personen hebben hun invloed verloren, terwijl anderen juist (meer) invloed hebben gekregen. De tertiaire3 gevolgen van besluiten ontstaan, als de desbetreffende organen en hun leden vervolgens gebruik beginnen te maken van hun rechten en bevoegdheden. Daardoor ontstaat een andere gang van zaken binnen de rechtspersoon. Die wijzigingen hebben op hun beurt wederom (rechts)gevolgen voor de rechtspersoon en de bij zijn organisatie betrokkenen.
In de praktijk zijn de tertiaire gevolgen soms het welbewuste beoogde gevolg van eindvoorzieningen, maar dat is niet altijd het geval.
Denkbaar is bijvoorbeeld dat het verzoek tot het treffen van eindvoorzieningen is toegelicht met de wens om bepaalde tertiaire gevolgen te bewerkstellingen en de ondernemingskamer aanleiding ziet om aan die wens gevolg te geven. Een voorbeeld daarvan is de Butôt-beschikking4 waarin de ondernemingskamer een met het wijzigen van overeenkomsten samenhangend besluit vernietigt, de bestuurder ontslaat, tijdelijk een bestuurder aanstelt en daarbij overweegt dat deze bestuurder het tot zijn taak mag rekenen om, kort gezegd, het wijzigingen van de desbetreffende overeenkomst zoveel mogelijk ongedaan te maken.
Denkbaar is ook dat het ingrijpen van de ondernemingskamer onverwachte gevolgen heeft. Het is bijvoorbeeld voorgekomen dat een tijdelijke bestuurder werd aangesteld vanwege het ontbreken van het bestuur en diepgaande conflicten tussen de aandeelhouders die een negatieve en verlammende invloed hadden op de besluitvorming en de bedrijfsvoering hadden5 en de tijdelijk aangestelde bestuurder vervolgens tegen de zin van de proces-partijen surseance van betaling aanvroeg.6
Voor de bij de organisatie van de rechtspersoon betrokkenen zijn de tertiaire gevolgen in de praktijk vaak het belangrijkst. Weliswaar is het verlies van zeggenschap dat veelal gepaard gaat met (onmiddellijke) voorzieningen nadelig, maar dat is niet zo erg zolang degenen die de beslissingen kunnen nemen maar de besluiten nemen die men wenst. Sterker nog, als deze besluiten vóór de (onmiddellijke) voorzieningen niet mogelijk waren, zal men juist blij zijn met het ingrijpen door de ondernemingskamer. De echte pijn zit erin, als de nieuwe zeggenschapshebbers besluiten nemen waar men mordicus tegen is. Dat geldt in het bijzonder voor degenen die de onderneming van de rechtspersoon “als hun kindje zien”, voor degenen die vóór het treffen van de (onmiddellijke) voorzieningen deze besluiten hadden kunnen tegenhouden, alsmede in het geval deze besluiten een ingrijpende omkeerbare wijziging aanbrengen in de onderneming van de rechtspersoon of de zeggenschapsverhoudingen. Dit betreft de problematiek van de proportionaliteit van (onmiddellijke) voorzieningen en zal elders in dit onderzoek uitvoerig aan de orde komen, in het bijzonder in par. 9.2.2.1.