Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/2.2.4
2.2.4 Kosten
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS600221:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Cooter & Ulen 2008, p. 416-418, en Holzhauer 1993.
Zie ook § 2.4 en § 7.2.
Ik reken hier ook de emotionele kosten toe, zie Gramatikov 2008, die onderscheid maakt tussen stress en emotie, secondaire victimisatie en de kosten van een beschadigde status en relaties. Tevens kan onzekerheid over kosten, en de kosten die burgers willen betalen om die onzekerheid af te dekken, ook als een aparte kostenpost worden beschouwd. Zie ook § 7.6.4.
Zie ook Hodges, Vogenauer & Tulibacka 2010, p. 7-8, en bijbehorende nationale rapporten voor verschillende wijzen van private funding. Tuil 2010, p. 406, gaat in op de Nederlandse praktijk.
In 2009 waren de kosten van de rechterlijke macht ruim 926 miljoen euro (zonder deze te verrekenen met de baten, zoals griffierechten). Zie Jaarverslag Raad voor de Rechtspraak 2009, p. 41. De Raad voor de Rechtsbijstand kostte bijna 490 miljoen euro in datzelfde jaar, waarvan 354 miljoen aan toevoegingen werd uitgegeven (Monitor gesubsidieerde rechtsbijstand 2009, p. 119-120). Het gaat hier overigens steeds om de totale kosten van alle rechtsgebieden, niet alleen van civiel.
Zie over het plan om deze kostendekkend te maken: § 9.4.2.
Zie ook Hodges, Vogenauer & Tulibacka 2010, p. 4.
Zie de Wet griffierechten in burgerlijke zaken. De uitzonderingen staan in art. 4; de bedragen in de tabel in de bijlage bij de wet.
Zie Snijders, Klaassen & Meijer 2007, p. 127-128.
Dit blijkt o.a. uit de kwalitatieve studie van Couwenberg, Schol & Winter 2009, p. 18-20 en 35-36.
Reimann 2010, p. 34, schat de verhouding griffierechten/advocatenkosten aan de hand van landenrapporten voor continentaal Europa in als tussen de 1:1 en 1:6 en voor common law-landen relatief nog veel hogere advocatenkosten.
Aan een goede dienstverlening hangt uiteraard een prijskaartje. Voor een goede prijs-/kwaliteitsverhouding is niet alleen vereist dat de kwaliteit van de dienstverlening goed is, maar dit moet ook tegen de laagst mogelijk prijs gebeuren.
Allereerst is het belangrijk om het begrip 'kosten' te definiëren. In de literatuur worden met kosten soms alleen de financiële uitgaven bedoeld, terwijl in rechts-economische stukken soms alle belangen in kosten wordt uitgedrukt, ook de kwaliteit van de uitkomst zelf. De totale sociale kosten bestaan dan uit de administratieve kosten die de toepassing van procesrechtelijke regels veroorzaakt (tijd, geld en emoties van alle betrokken) en de 'foutkosten' die worden gemaakt wanneer het materiële recht niet goed wordt toegepast. Een verkeerde uitkomst wordt dus ook in geld uitgedrukt. Het efficiëntste systeem is vervolgens het systeem met de laagste totale sociale kosten, dus waarbij de som van administratieve kosten en foutkosten het laagst is.1 Het probleem van die benadering is dat daarin een 'eenheid procedurele kwaliteit' of een 'eenheid kwaliteit van uitkomst' van een prijskaartje moet worden voorzien, hetgeen impliceert dat die eenheden in geld zijn uit te drukken en/of dat er kennis beschikbaar is over wat de gemiddelde burger wil betalen voor een dergelijke eenheid. De trade-offs tussen de verschillende criteria worden dan met een arbitraire wegingformule weggepoetst, terwijl het juist relevant kan zijn als wordt weergegeven waar een spanningsveld tussen criteria bestaat, zodat duidelijk is waar een rechtspolitieke afweging moet worden gemaakt. In dit onderzoek worden daarom de verschillende toetsingscriteria van elkaar onderscheiden, zonder deze op een grote hoop te gooien.2 Kosten worden gedefinieerd als de financiële en niet-financiële middelen die partijen en samenleving kwijt zijn aan het civielprocesrechtelijke systeem.3
Het prijskaartje van het procesrecht wordt gedeeltelijk collectief betaald en gedeeltelijk privaat. Private financiering betekent soms dat de kosten direct door de justitiabelen worden gedragen, maar ook rechtsbijstandverzekeraars en vakbonden betalen vaak de kosten, welke indirect weer worden gefinancierd via premies en contributies.4
Op collectief niveau gaat het om de kosten die de overheid (indirect: de belastingbetaler) kwijt is aan het systeem van rechtspraak. Dit zijn met name de salarissen en andere kosten van de rechterlijke macht en die van gesubsidieerde rechtsbijstand.5 Ook de kosten van procesrechtelijke wet- en regelgeving horen hierbij, hoewel die in verhouding tot de andere uitgaven marginaal zijn. Op deze kosten moeten de ontvangen griffierechten in mindering worden gebracht.6 Het is belangrijk om te beseffen dat deze kosten voor de samenleving niet hoger moeten zijn dan nodig. Het is de vraag of de samenleving meer ' recht gedaan' wordt, wanneer bijvoorbeeld eigendomsrechten beter en sneller kunnen worden afgedwongen, maar er tegelijkertijd over vermogen en eigendomstransacties meer belasting betaald moet worden om die rechtspraak te financieren. Daar ligt een trade-offonder verborgen. De kosten zijn dus ook op collectief niveau belangrijk bij de beoordeling of een procesrechtelijke regel goed is.
Op individueel niveau bepalen de kosten waarmee een rechtszoekende geconfronteerd wordt nog meer dan op collectief niveau de wijze waarop het proces verloopt. De te verwachten kosten van de verschillende te nemen oplossingsstrategieën hebben namelijk invloed op de keuzes die de burgers in de procedure maken.7 Er zijn verschillende kostenposten voor de partijen. Na het ontstaan van het conflict zullen de eerste kosten vooral bestaan uit administratie-, telefoon- en reiskosten. Ook eventuele ingeschakelde deskundigen kosten geld. Vervolgens kan gekozen worden voor een buitengerechtelijk traject of voor een rechtszaak. In een buitengerechtelijk traject zullen de kosten vooral worden besteed aan juridisch advies en eventueel aan mediation, arbitrage en/of een geschillencommissie.
Bij de gang naar de rechter zijn er in de eerste plaats de griffierechten. Deze variëren met de aard en het belang van de zaak, met de procedure en de aard van de partij (natuurlijk persoon/rechtspersoon en wel/geen toevoeging). Zowel verweerders als gedaagden moeten in Nederland in beginsel griffierecht betalen, met de gedaagden in kantonzaken als voornaamste uitzondering.8 Daarnaast kunnen er onder andere kosten voor de deurwaarder, gerechtelijke deskundigen en getuigen worden gemaakt.9
De grootste kostenpost is meestal het tarief van de advocaat. Regel 25 lid 1 van de Gedragsregels voor Advocaten 1992 schrijft voor dat een redelijk bedrag in rekening gebracht moet worden, alle omstandigheden in aanmerking genomen, maar dit neemt niet weg dat de totale advocatenkosten van een procedure flink kunnen oplopen en zowel particulieren als bedrijven de prijs als een drempel voor de toegang tot het recht ervaren.10 Ook internationaal zijn de kosten van advocaten meestal de grootste kostenpost: vaak een veelvoud van de betaalde griffierechten.11
Overigens hoeft niet elke partij al deze kosten zelf te dragen, want er zijn verschillende wijzen waarop de kosten afgewenteld kunnen worden op anderen. Mensen uit de lagere inkomensgroepen hebben recht op gesubsidieerde rechtsbijstand en betalen dan slechts een beperkte eigen bedrage voor hun advocaat of mediator. Ook bij een rechtsbijstandsverzekering en de vakbond worden kosten afgewenteld. Ten slotte is er de mogelijkheid dat de wederpartij een deel van de kosten moet vergoeden bij een gewonnen procedure. Daar staat echter wel tegenover dat bij verlies juist het omgekeerde het geval is en er een grote kostenpost bijkomt.