Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/1.2.1.3:1.2.1.3 Kritiek liberalisering energiebedrijven
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/1.2.1.3
1.2.1.3 Kritiek liberalisering energiebedrijven
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS616174:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Brief van 2 februari 2006 inzake de splitsing van energiebedrijven en Cross Border Leasecontracten, met kenmerk ET/EM/6009299.
Volgens de Minister van Economische Zaken in de brief van 21 oktober 2008 aan de Tweede Kamer, Kamerstukken II 2008/09, 31 700 XIII, nr. 41, p. 4.
Kamerstukken 11 2007/08, 30 212, nr. 71, p. 3.
Kamerstukken 11 2007/08, 30 212, nr. 74, p. 2.
Kamerstukken 11 2003/04, 28 982, nr. 18, p. 3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op diverse onderdelen van de liberalisering van de energiemarkt is kritiek geuit door verschillende partijen. Vooral tegen het laatste aspect van de liberalisering (de splitsing van de eigendom) bestond (en: bestaat) veel verzet. Energiebedrijven hebben bij de minister geklaagd dat de eigendomssplitsing onder andere gevolgen heeft voor de in de energiesector veel gebruikte Cross Border Leases (CBL' s). Deze constructies zien, kort gezegd, op de overdracht van bepaalde kapitaalgoederen (binnen de energiesector zijn dit voornamelijk de netten) aan (in de energiesector veelal Amerikaanse) investeringsmaatschappijen of banken, die vervolgens deze kapitaalgoederen weer `terug verhuren' aan de (in dit geval: Nederlandse) energiebedrijven. Als energiebedrijven de eigendom van (en daarmee bepaalde zeggenschap over) hun netten verliezen zouden veel van de CBL-contracten aangepast moeten worden wat aanzienlijke kosten (boetes/claims) met zich mee kan brengen. De minister meent dat de gevolgen voor de CBL-constructies niet zo ernstig zijn als de energiebedrijven beschrijven. In een brief aan de Tweede Kamer geeft de minister aan:1
`Als ik de voor enkele energiebedrijven resterende financiële risico's als gevolg van de door hen afgesloten Cross Border Leases (CBL's) afweeg tegen de structurele baten van het wetsvoorstel voor de Nederlandse energievoorziening en de door deze bedrijven uit hoofde van de CBL's reeds genoten financiële voordelen, is mijn conclusie dat met het wetsvoorstel geen onverantwoorde financiële risico's worden genomen.'
De energiebedrijven hebben inmiddels de splitsingsactiviteiten voortvarend ter hand genomen. Ten aanzien van de voorziene problemen bij de CBL-constructies blijkt dat er voorzien is in een CBL-overgangsrecht waarbij de rechten van de CBL-investeerders zoveel mogelijk worden gerespecteerd:2
`Teneinde rechten van de partijen die voortvloeien uit de CBL's te respecteren, voorziet het overgangsrecht in de Wet onafhankelijk netbeheer erin dat in het verleden afgegeven garanties kunnen worden voortgezet of aangevuld wanneer de geïntegreerde bedrijven worden gesplitst in afzonderlijke delen. Daarmee is buiten twijfel gesteld dat op grond van de CBL's garanties en zekerheden kunnen worden afgegeven door (voormalige) groepsmaatschappijen van het geïntegreerde concern.'
Naast de mogelijke problemen met de CBL-constructies werd tevens gesuggereerd dat een ander mogelijk gevolg van de eigendomssplitsing zou zijn dat er hogere tarieven zouden worden doorberekend. De minister heeft als reactie hierop gesteld dat de wijze van splitsing van de bedrijven zo veel mogelijk moet bijdragen aan een beheerste tariefontwikkeling. Zo is er een maximering van de tegenprestatie van de economische eigendom; moeten energiebedrijven reële waarderingen hanteren voor hun netten en mogen splitsingskosten niet worden doorberekend in de tarieven. De NMa dient op deze aspecten toe te zien3 en krijgt in de nabije toekomst nog meer bevoegdheden om de tarieven te reguleren.4
De nieuwe wetgeving op het gebied van de liberalisering van de energiemarkt lijkt op het eerste gezicht niet veel invloed te hebben (gehad) op de nieuwe (private) eigendomsregeling betreffende netten. In beginsel was de wetgever van mening dat de netbeheerder naast de economische, ook over de juridische eigendom van de netten zou moeten beschikken.5 Destijds was echter de vraag wie juridisch eigenaar was van een net (in andermans grond) nog niet uitgekristalliseerd, althans de ideevorming rondom de nieuwe eigendomsregeling was toen nog niet afgerond. Vandaar dat de wetgever gekozen heeft om (in ieder geval) de economische eigendom toe te kennen aan de netbeheerder. Toch heeft deze nieuwe wetgeving (in)direct invloed op de juridische eigendom van elektriciteit- en gasnetten. In hoofdstuk 6 zal uitgebreider op dit punt worden ingegaan.