Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.5.3
VI.5.3 Presentatie van de verdachte ter zitting
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593972:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
CRM 27 maart 2007, nrs. 1108/2002 en 1121/2002 (Karimov en Nursatov/Tajikistan); CRM 29 oktober 2012, nr. 2120/2011 (Kovaleva en Kozyar/Wit-Rusland); CRM 30 oktober 2013, nr. 1910/2009 (Zhuk/Wit-Rusland); CRM 18 juli 2014, nr. 2055/2011 (Zinsou/Benin).
CRM 27 maart 2007, nrs. 1108/2002 en 1121/2002 (Karimov en Nursatov/Tajikistan).
EHRM 4 maart 2008, nr. 33065/03, par. 99-100 (Samoila en Cionca/Roemenië); EHRM 16 maart 2010, nr. 14352/04, par. 101-103 (Jiga/Roemenië).
Zie over het dragen van boeien bijv. EHRM 7 juni 2011, nr. 22015/10, dec., par. 28 (Voicu/Roemenië); EHRM 2 oktober 2012, nr. 14687/08, dec., par. 33-34 (Mureşan/Roemenië); EHRM 24 september 2013, nr. 11871/05, par. 52-53 (Hadade/Roemenië) en over plaatsing in een stalen of glazen kooi EHRM 15 juni 2010, nr. 34334/04 (Ashot Hartuyunyan/Armenië); EHRM 25 juli 2013, nrs. 11082/06 en 13772/05 (Khodorkovskiy en Lebedev/ Rusland); EHRM (GK) 17 juli 2014, nr. 32541/08 (Svinarenko en Slyadnev/Rusland).
Zie o.a. EHRM 27 januari 2009, nr. 1704/06, par. 98 (Ramishvili/Georgië); EHRM 31 mei 2011, nr. 5829/04, par. 124 (Khodorkovskiy/Rusland). Vgl. ook EHRM (GK) 17 juli 2014, nr. 32541/08, par. 131 en 133 (Svinarenko en Slyadnev/Rusland); EHRM 14 juni 2016, nr. 446/10, par. 77 (Pugžlys/Polen).
EHRM 20 september 2012, nr. 31720/02 (Titarenko/Oekraïne).
De Grote Kamer is dan ook ogenschijnlijk strenger, zie EHRM (GK) 17 juli 2014, nr. 32541/08, par. 137 (Svinarenko en Slyadnev/Rusland).
Dat de verdachte niet alleen in woord maar ook in daad niet als schuldige mag worden behandeld, heeft tevens gevolgen voor de presentatie van de verdachte ter zitting. Tenzij uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk, mag hij niet als schuldige worden voorgesteld. Het VN Mensenrechtencomité toetst de presentatie van de verdachte rechtstreeks aan de onschuldpresumptie. De plaatsing van de verdachte in een metalen kooi, in hand- of enkelboei- en en de plicht tot het dragen van gevangeniskleding is – waar een goede reden ontbreekt – in strijd met artikel 14 lid 2 IVBPR.1 De politieagent die weigerde de boeien van de verdachte ter zitting af te nemen en ter uitleg en plein public opmerkte dat het een zware crimineel betrof, onderstreepte daarmee onbedoeld dat de gewraakte bejegening met de onschuldpresumptie niet in overeenstemming was.2
Het EHRM heeft in een aantal zaken tegen Roemenië schending van de onschuldpresumptie gezien in de verplichting van verdachten om ter zitting te verschijnen in gevangeniskleding die hetzelfde uitziet als die van veroordeelden. Volgens het Hof kon die standaardmaatregel de publieke opinie over de schuld van de verdachte beïnvloeden, terwijl het van het Roemeense standpunt dat de hygiëne deze maatregel vorderde niet overtuigd was.3 Ingrijpender maatregelen in de zittingszaal, zoals de plaatsing in een kooi of het dragen van boeien, acht het Hof in de regel een vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM. Net als in het kader van de voorlopige hechtenis geldt in verhouding tot artikel 5 EVRM, ziet het Hof in klachten over artikel 6 lid 2 EVRM geen separate issue.4 Het betrekt het onschuldvermoeden echter wel in het oordeel dat dergelijke bejegeningswijzen vernederend van aard zijn:
“Such a harsh and hostile appearance of judicial proceedings could lead an average observer to believe that ‘extremely dangerous criminals’ were on trial. Apart from undermining the principle of the presumption of innocence, the disputed treatment in the court room humiliated the applicants.”5
Het feit dat de bejegingswijze plaatsvindt op een openbare terechtzitting bedreigt aldus de onschuldpresumptie en draagt bij aan het vernederende karakter ervan.
In hoeverre het Hof uitzonderingen toestaat omwille van de veiligheid is nog niet goed te zeggen. In Titarenko/Oekraïne was de verdachte van gewelddadige delicten in een metalen kooi geplaatst, terwijl voor de zaak weinig media-aandacht had bestaan. Dat vond een meerderheid van 4 tegen 3 voldoende om geen schending van artikel 3 EVRM aan te nemen.6 De drie dissenters opponeerden daartegen op grond van het vermoeden van onschuld:
“Admittedly, the applicant was suspected of particularly violent crimes. But that is not the correct test. In view of the principle of presumption of innocence, the only test should be whether there is an actual and specific security risk in the courtroom. [...]
[T]he Court rightly accepts that there were no specific facts supporting a security risk.”
De meerderheid had de behandelingsdimensie inderdaad beter recht gedaan door op te schrijven dat de ernst van de verdenking kon bijdragen tot het oordeel dat een specifiek veiligheidsrisico bestond. Nu wekte het Hof de indruk dat verdachten van ernstige feiten op louter die grond op sterk defamerende wijze mogen worden gepresenteerd. Die indruk lijkt met een verbod op behandeling als schuldige moeilijk te rijmen.7
Op voorstel van het EP bevat ook de richtlijn een bepaling die betrekking heeft op de wijze waarop de verdachte op de zitting verschijnt. Artikel 5 lid 1 verlangt van lidstaten “appropriate measures to ensure that suspects and accused persons are not presented as being guilty, in court or in public, through the use of measures of physical restraint”. In die formulering is de verbinding met het onschuldvermoeden sterk: het moet gaan om presentatiewijzen die de verdachte als schuldige neerzetten. De bepaling lijkt beperkt tot measures of physical restraint. Overweging 21 van de preambule voegt daaraan toe dat lidstaten voor zover mogelijk ook moeten voorkomen dat verdachten in gevangeniskleding dienen te verschijnen. Artikel 5 lid 2 geeft lidstaten de ruimte om met het oog op de veiligheid de verdachte toch als schuldige te presenteren, maar dan moet het wel expliciet gaan om “case-specific reasons”.