Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.3.2.2:IV.3.2.2. ‘Waarbij een goed overgaat of kan overgaan’
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.3.2.2
IV.3.2.2. ‘Waarbij een goed overgaat of kan overgaan’
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS574418:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De tekst ‘overgaat of kan overgaan’ moet onder meer gezien worden in het licht van het oude Burgerlijk Wetboek. ‘Overgaat’ duidde op het verblijvingsbeding, terwijl ‘kan overgaan’ zag op bijvoorbeeld een toescheidings- of overnemingsbeding, waar nog een levering vereist was.1 Met de komst van het nieuwe Burgerlijk Wetboek kan ‘overgaat’ zien op die gevallen waarbij geleverd is bij voorbaat.
‘Goederen’ zijn alle zaken en alle vermogensrechten (art. 3:1 BW). Veelal zullen de quasi-legaten zien op goederen. Maar zijn de quasi-legaten hiertoe beperkt? De minister2 merkt het volgende op:
‘Een verblijvensbeding met werking bij dode heeft tot gevolg dat goederen aan de nalatenschap worden onttrokken of schulden ten laste van de nalatenschap ontstaan (curs. FS). Dit is echter slechts aanvaardbaar, indien daardoor niet de schuldeisers van de erflater worden benadeeld, en evenmin de legitimarissen en “somgerechtigden”, wier vorderingen de wet laat voorgaan boven die welke de erflater bij uiterste wil in de vorm van een legaat (ook één ter verzorging) kan scheppen.’
Gelet op de strekking van de quasi-legatenregeling, te weten het streven naar een zuivere rangorde tussen de verschillende soorten schuldeisers én de aangehaalde passage uit de parlementaire geschiedenis, ben ik van mening dat óók indien een beding met zich brengt dat een schuld ten laste van de nalatenschap ontstaat, een quasi-legaat aan de orde kan zijn. De wettekst behoeft ter bevestiging van deze visie aanpassing. Deelt men deze visie niet dan zou dat tot een ongewenste uitholling van de nalatenschap kunnen leiden. Een eenvoudig voorbeeld illustreert dit. Indien partijen, als kanscontract, overeenkomen dat de één bij overlijden van de ander een vordering krijgt groot 100 op diens nalatenschap, gaat bij het overlijden van de eerststervende geen goed in de zin van art. 3:1 BW over. Art. 4:4 lid 2 BW verbiedt de betreffende overeenkomst niet en een gift is niet aan de orde. Dit zou betekenen dat, bijvoorbeeld, de legitimarissen, wat deze 100 betreft, ondanks het bestaan van de quasi-legatenregeling, het nakijken hebben. Dit kan en mag niet de bedoeling zijn.