Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht
Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/5.8.6:5.8.6 WHOA-voorstel
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/5.8.6
5.8.6 WHOA-voorstel
Documentgegevens:
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS620500:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot het WHOA-voorstel, hetgeen het WCO II-voorstel heeft opgevolgd. Art. 374 lid 1 sub c WHOA-voorstel bepaalt dat de bij een akkoord over te leggen informatie inzicht geeft in twee waarderingen: (i) “de te verwachten waarde van de activa en de activiteiten van de schuldenaar indien het akkoord tot stand komt” (de reorganisatiewaarde) en (ii) “de opbrengst die naar verwachting gerealiseerd kan worden bij een vereffening van het vermogen van de schuldenaar in faillissement”. Voor de best interest of creditors test wordt onder het WHOA-voorstel uitgegaan van de laatstgenoemde waarde. Dit is in lijn met het gegeven dat onder het WHOA-voorstel de financiële noodzakelijkheid van het akkoord kan worden getoetst (art. 381 lid 3suba jo. art. 370 lid 1 WHOA-voorstel). Deze concrete rechtsbescherming ontbrak in het WCO II-voorstel, althans leidde tot mogelijke rechtsonzekerheid.
Voorts zijn de weigeringsgronden aangepast die – uitsluitend – een rol spelen wanneer niet alle klassen met het akkoord hebben ingestemd (art. 381lid4 WHOA-voorstel). In tegenstelling tot het WCO II-voorstel, bevat het WHOA-voorstel in art. 381 lid 4 WHOA-voorstel homologatievoorwaarden die ertoe strekken dat tegenstemmende klassen vermogensverschaffers onder het pre-insolventieakkoord overeenkomstig hun rang aanspraak maken op de met het akkoord gerealiseerde waarde: de reorganisatiewaarde. Afgezien van de formulering van deze voorwaarden is het WHOA-voorstel daarmee evenwichtiger vormgegeven dan het WCO II- voorstel en biedt het de tegen een dwangakkoord stemmende vermogensverschaffers meer rechtsbescherming.