Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/4.9.2
4.9.2 'Exclusief' model
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS492432:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Calais-Auloy 2006, p. 192.
Stoffel-Munck 1999, nr. 448 e.v.; TGI Tours 11 februari 1993 (`oude' toets); TGI Grenoble 3 juni 1996; TGI Chambéry 4 februari 1997; TGI Parijs 10 oktober 2000; CA Rennes 30 maart 2001; TGI Grenoble 2 december 2002.
Cass. Civ. 1' 1 februari 2005, nr. 01-16733, Bull. civ. 2005 I, nr. 60, p. 51 (schending van art. L.311-9 C.conso.). Bij de (ambtshalve) toetsing van bedingen in consumentenkredietovereenkomsten gaat het vaak om de vraag of het beding een verslechtering van de positie van de consument-kredietnemer inhoudt in vergelijking met de wettelijke vereisten en modelcontracten, die een 'ideale' balans tussen rechten en plichten van partijen vaststellen: TI Roubaix 16 oktober 2003 en TI Roubaix 11 juni 2004, CCC 2004, comm. 14 resp. 132.
Cass. Civ. 1' 1 februari 2005, nr. 05-19692, Bull. civ. 2005 I, nr. 64, p. 56.
TGI Grenoble 31 januari 2002; TGI Nanterre 2 september 2003.
CA Parijs 12 oktober 2001, bevestigd in Cass. Civ. 1' 25 november 2003, nr. 01-18021. Onder c van 'annexe' lid 2 waarin de toepasselijkheid van de lijst op o.m. financiële producten deels wordt uitgesloten, bleek doorslaggevend. Vgl. echter TGI Grenoble 7 september 2000.
TI Périgueux 28 juni 2002 (onder 1): de consument beschikte over het compenserende ontbindingsrecht.
TGI Parijs 20 oktober 1998; CA Parijs 3 september 2002; CA Rennes 13 november 2003.
TI Rouen 27 juni 2000; TGI Parijs 7 november 2000; TGI Grenoble 31 januari 2002; TGI Parijs 18 mei 2004; CA Versailles 15 september 2005; TGI Parijs 28 oktober 2008.
Cass. Civ. 1' 29 oktober 2002, nr. 99-20265, Bull. civ. 2002 I, nr. 254, p. 195. In deze zaak m.b.t. een videobewakingsbedrijf stelde de Cour de cassation niet de verkregen korting (compensatie) maar de aan de annulering van de overeenkomst verbonden kosten voorop. Deze kosten ontnemen de consument de facto zijn annuleringsrecht.
In Cass. Civ. 1' 5 juli 2005, nr. 04-10779 werd een beding getoetst, dat bij de annulering van de koop van een auto met inruil van de oude, voorzag in de teruggave van een vast bedrag in geval de ingeleverde auto reeds was doorverkocht, ongeacht de door de gebruiker gemaakte winst. De Cour de cassation oordeelde echter dat het beding werd gerechtvaardigd door het door deze handelaar gedragen risico.
Cass. Com. 3 mei 2006, nr. 02-11211, Bull. civ. 2006 IV, nr. 102, p. 100, CCC 2006, comm. 148; dit geldt vooral in individuele zaken: CA Agen 3 oktober 2006, nr. 05/01484.
In Cass. Civ. 1' 31 januari 1995, nr. 93-10412, Bull. civ. 1995 I, nr. 64, p. 45 (`oude' toets) verbood de Cour de cassation de feitenrechter een annuleringsbeding van 30% in een lesovereenkomst zonder meer als `licite' aan te merken zonder in concreto na te gaan of sprake was van een 'excessief voordeel'. Vgl. Cass. Civ. 29 oktober 2002, nr. 99-20265, Bull. civ. 2002 I, nr. 254, p. 195 waarin de hoogste rechter expliciet afstand neemt van de in abstracto vastgestelde verstoring (` cependant') en het beding als oneerlijk aanmerkt.
Vgl. Cass. Civ. 1' 10 februari 1998, nr. 96-13316, Bull. civ. 1998 I, nr. 53, p. 34 waaruit blijkt dat wanneer de gebruiker deze rechtvaardiging stelt en bewijst de rechter deze mee moet nemen in de toetsing. Dit impliceert dat deze concrete rechtvaardiging in geval van een eerder vastgesteld abstract nadeel de doorslag kan geven. Vgl. Cass. Civ. 1' 5 juli 2005, nr. 04-10779 waarin het beding overeenkwam met onder c van de 'annexe' maar niet oneerlijk was.
256. In het 'exclusieve' toetsingsmodel bestaat de toetsing uit één stap, ongeacht of deze voordelig of nadelig uitpakt voor de consument. Art. L.132-1 C.conso. bevat slechts één criterium: de aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en plichten van de partijen. Dit wijst op een 'exclusief' model. De Franse wetgever heeft immers bewust willen voorkomen dat een 'cumulatieve' systematiek bestaande uit een inhoudelijke toets (gekoppeld aan het criterium van de aanzienlijke verstoring) en een procedurele toets (gekoppeld aan de subjectief opgevatte goede trouw) tot stand zou komen (par. 4.9A).1 Dat hypothese 1 en met name hypothesen la en lb, in ruime mate worden bevestigd in de Franse rechtspraak (par. 4.6.3), wijst ook duidelijk op een 'exclusieve' systematiek bestaande uit een inhoudelijke verstoringstoets.
Diagram 4.2
Voor wat betreft het te toetsen criterium en de beslissendheid van de toetsing hieraan, geldt dat de Franse rechter een 'exclusieve' toetsingswijze hanteert. Maar hoe zit het met de verschillende toepassingen van de verstoringstoets? Zijn die op zichzelf doorslaggevend?
257. In het kader van de Franse verstoringstoets wordt een beding zowel op zichzelf als in relatie tot zijn context beoordeeld. De beoordeling van het beding in relatie tot zijn context geschiedt meestal heel summier: de overige inhoud van de overeenkomst geeft dan de doorslag. De Franse rechter concludeert niet snel dat er onvoldoende feiten zijn gesteld (par. 4.7.3). De vraag is hoe de verschillende,
meer abstracte of meer concrete toepassingen van de verstoringstoets zich tot elkaar verhouden. Is één toepassing bepalend, ongeacht of haar uitkomst voordelig of nadelig is voor de consument, dan wordt er een 'exclusieve' systematiek gevolgd.
De vergelijking van het beding met het wettelijk kader is vaak doorslaggevend, ongeacht de uitkomst van die toets. Een van aanvullend recht afwijkend beding is meestal op voorhand `abusive',2 hetzelfde geldt voor bedingen die afwijken van het consumentenrecht.3 Net als de afwijking zal de overeenstemming van het beding met dwingend4 maar ook aanvullend5 recht vaak direct het einde van de toets inluiden. Gelet op de huidige omgang met de indicatieve lijst bestaat voorts het risico dat de rechter bij de nieuwe grijze en zwarte lijsten een a contrario-redenering zal volgen in de zin dat het niet-letterlijk voorkomen van een beding op de lijsten (1)6 of het voldoen aan de norm uit de lijsten (2)7 beslissend wordt geacht. Het belang van dit 'exclusief' abstracte toetsingsmodel in de Franse rechtspraak wordt verklaard door de grote betekenis van collectieve verbodsacties.
258. In vele gevallen kiest de rechter niet voor de wet als referentiekader maar stelt hij de verstoring vast op grond van de aan- of afwezigheid van een evenwichtsherstellend beding. Deze abstracte verstoringstoets volgt ook een `exclusieve' systematiek. Waar de aanwezigheid van een `contrepartie' in de overeenkomst het nadelige beding de toets laat doorstaan,8 maakt het ontbreken hiervan dit beding doorgaans meteen oneerlijk.9
Het opmaken van de contractsbalans kan ook een concretere vorm aannemen. De `économie du contrat'-benadering beoogt, ook binnen collectieve procedures recht te doen aan de reële verhoudingen tussen partijen. Omdat de toepassing van het `économie du contrat'-leerstuk door de Cour de cassation plaatsvindt ongeacht of het beding in abstracto eerlijk of oneerlijk is, en omdat zij zowel in het voordeel10 als in het nadeel11 van de consument uitvalt, is hierbij sprake van een 'exclusieve' systematiek. Partijen kunnen de toets een concreter karakter verschaffen door feiten aan te dragen en hun stellingen nader te onderbouwen.12
Wanneer eerst een abstracte toets wordt uitgeoefend (dat is vaak het geval) vormt de concretere toetsing in het licht van de rechtspraak van de Cour de cassation zowel een vangnettoets13 (het beding is in abstracto niet oneerlijk) als een rechtvaardigingstoets14 (het beding is in abstracto oneerlijk). Naarmate de inachtneming van de overige inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval in de lagere rechtspraak vaker als vangnet dan als rechtvaardigingstoets wordt gebruikt, zal de toetsingssystematiek, gelet op het doorgaans beslissende karakter van een abstracte vaststelling van de verstoring, in toenemende mate een 'alternatief' karakter dragen. Fungeert zij meestal als rechtvaardigingstoets dan neigt de Franse rechter, gelet op het doorgaans beslissende karakter van een abstracte vaststelling van het evenwicht, naar een 'cumulatieve' toetsingssystematiek. Dit zal in de volgende paragrafen worden nagegaan. Ook wordt onderzocht in hoeverre sprake is van een 'alternatief' model waarbij de rechter kiest tussen een procedurele en een inhoudelijke toets.