Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief
Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.5.2:4.5.2 De berechting van ambtsmisdrijven
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.5.2
4.5.2 De berechting van ambtsmisdrijven
Documentgegevens:
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS496157:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voor 1983 strekte deze bijzondere bevoegdheid tot berechting van ambtsmisdrijven zich ook uit tot andere politieke hoogwaardigheidsbekleders.
Kamerstukken II 1979/80, 16164 (R 1447), nr. 3, p. 5-6 (Nng, deel 23, p. 150-151).
Buijs 1884-1887, deel II, p. 447 over artikel 104 Gw 1814 en art. 159 Gw 1848.
Tellegen 1883-I, p. 110.
Buijs 1884-1887, deel II, p. 448.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 119 Gw wijst de Hoge Raad aan als ‘forum privilegiatum’ voor de berechting van ambtsmisdrijven van leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen.1 De opdracht tot vervolging moet worden gegeven door de regering of de Tweede Kamer aan de P-G bij de Hoge Raad. Deze bijzondere procedure is nog nooit toegepast. Waarom koos de grondwetgever ervoor om juist de Hoge Raad in dergelijke zaken bevoegd te maken? En houdt deze bepaling verband met de rechterlijke onafhankelijkheid?
De grondwetgever van 1983 heeft een vrij beknopte onderbouwing gegeven voor handhaving van de Hoge Raad als eerste en enige berechtende instantie van ambtsmisdrijven van ‘bij uitstek politieke ambtsdragers’. De regeling moet de ambtsdragers tegen lichtvaardige vervolging beschermen. Enerzijds kan het van belang zijn dat een veroordeling opnieuw wordt bezien door een hogere rechterlijke instantie (conform art. 14 lid 5 IVBPR). Anderzijds is het niet in het belang van de ambtsdrager om lang het middelpunt te zijn van de politieke opschudding die een proces wegens ambtsmisdrijven teweeg zal brengen. Ook mag het politieke leven niet te lang worden ontregeld. In die afweging hebben volgens de regering ook een rol gespeeld vragen als: welk gerecht zou aangewezen moeten worden als eerste instantie? Moet dit een ‘hoog’ gerecht zijn in de hiërarchie, en waarom?2 Blijkbaar was het antwoord op die laatste vraag bevestigend. Wij krijgen evenwel niet meer te weten over het waarom.
Volgens Buijs is het bij zelfstandige beschouwing van dit voorschrift aannemelijk dat de grondwetgever van 1814 de berechting aan de Hoge Raad heeft opgedragen omdat men bij zijn raadsheren vanwege de bijzondere wijze waarop zij worden gekozen, grote eerbied voor ons grondwettig staatsrecht mocht veronderstellen, en tevens, om de zeer hoge rang, die zij onder de rechterlijke colleges inneemt, een grote mate van onafhankelijkheid zowel tegenover machtige regeringsinvloed als te midden van niet minder machtige politieke hartstochten.3 Hiermee is mijns inziens iets anders bedoeld dan onafhankelijkheid van de rechter in de formele juridische benadering, immers alle gewone rechters zijn benoemd voor het leven en enkel af te zetten door een rechterlijke uitspraak. Tellegen schrijft dat de Hoge Raad de meeste waarborgen van zelfstandigheid en onpartijdigheid biedt.4 Het gaat dus veeleer om het feitelijk aanzien en gezag dat de raadsheren van de Hoge Raad als hoogste rechtscollege hebben. De gedachte lijkt te zijn geweest dat een lagere rechter wellicht minder vrij (onafhankelijk) zou zijn in geestelijk opzicht, dus bezien vanuit de persoon van de rechter. De werkelijke bedoeling van de grondwetgever was volgens Buijs echter een andere, gezien het feit dat ook de berechting van alle gewone delicten, door de genoemde personen tijdens hun functie begaan, aan het hoogste rechtscollege was opdragen. Zo bezien was de Hoge Raad niet bevoegd vanwege de bijzondere aard van de gepleegde daad (ambtsmisdrijven), maar vanwege de hoge rang van de personen die een wettelijk voorschrift, hoe onbeduidend ook, hebben overtreden. De invoering van een dergelijk forum privilegiatum was volgens hem slechts te rechtvaardigen, wanneer men kon vrezen dat een lagere rechter over de handelingen van zo hooggeplaatste personen niet onpartijdig zou oordelen; welk standpunt hij bekritiseert: ‘Maar aangenomen nu dat de grondwetgever werkelijk voldoende reden had, om zich door dergelijke vrees te laten leiden tot een altijd bedenkelijke afwijking van het beginsel der gelijkheid van alle burgers voor de wet, waarom dan die afwijking beperkt tot hen, die een van de vier bedieningen vervulden, welke artikel 104 van de Grondwet noemde?’5
Dat de Hoge Raad bevoegd is tot het berechten van ambtsmisdrijven en niet een lagere rechtbank heeft het volgende voordeel. De raadsheren uit de Hoge Raad kunnen niet meer ‘promoveren’ naar een hogere rechterlijke functie en zijn daarom wellicht minder bevreesd een minister te veroordelen. Elke rechterlijke benoeming – dus ook in een zogenaamd hogere rechterlijke functie – geschiedt immers bij koninklijk besluit.