Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/8.6.3
8.6.3 De verzetstermijn
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250339:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 2:404 lid 5 BW. Het oorspronkelijke wetsvoorstel kende een verzetstermijn van slechts één maand (zie Kamerstukken II 1983/84, 16551, 12, p. 10 (2eNvW)). Verschillende Kamerleden hebben amendementen ingediend om deze termijn te verlengen. Eerst tot drie maanden en later tot twee maanden (zie Kamerstukken II 1984/85, 16551, 18, p. 1 (Amendement) en Kamerstukken II 1984/85, 16551, 20, p. 1 (Amendement)). Uiteindelijk heeft de minister het laatste voorstel overgenomen (zie Kamerstukken I 1984/85, 16551, 237, p. 17 (3eNgvvW)).
Zie Kamerstukken II 1983/84, 16551, 11, p. 17 (NnavhEV), waar de minister opmerkt dat de verzetstermijn op dezelfde manier wordt ingeluid als die op grond van art. 2:316 BW met betrekking tot een voorgenomen fusie. Ten aanzien van de verzetstermijn ex art. 2:316 BW wordt aangenomen dat deze gaat lopen op de dag na de aankondiging van de nederlegging of openbaarmaking van het voorstel tot fusie in een landelijk verspreid dagblad (zie onder meer Assink/Slagter 2013/121.4 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/435).
Vgl. Quist 2019, p. 400-401, die een soortgelijke uitwerking geeft met betrekking tot de verzetstermijnen op grond van art. 2:316 en 2:334l BW.
Bartman in zijn annotatie onder Hof Amsterdam (OK) 9 december 2015, JOR 2016/7 (Curatoren/SNS).
Rb. Rotterdam 30 september 2014, JOR 2014/326, m.nt. Loesberg (Pergen/Eneco).
Zie § 8.12, waar ik tot de conclusie kom dat een moedermaatschappij pas een aankondiging kan plaatsen in een landelijk verspreid dagblad dat en waar de door haar gedeponeerde mededeling van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen ter inzage ligt, nádat ze een beroep kan doen op de intrekking van de 403-verklaring. Dit houdt in dat de verzetstermijn in casu niet is aangevangen en de overblijvende aansprakelijkheid niet is beëindigd. Aangezien de rechtbank hier niet op ingaat, laat ik het op deze plek ook buiten beschouwing. Ik kom hierop terug in § 8.12.
Het is onduidelijk of de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij in casu daadwerkelijk is verbroken. De rechter laat dit in het midden (zie Rb. Rotterdam 30 september 2014, JOR 2014/326, m.nt. Loesberg (Pergen/Eneco), r.o. 4.4) en op basis van de gegeven feiten ten aanzien van de casus is geen eenduidig antwoord te geven (zie § 8.4). Indien zou worden aangenomen dat in casu de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken, is van belang dat dit heeft plaatsgevonden nadat de tweemaandstermijn is verlopen waarbinnen de crediteuren verzet konden instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. In § 8.13 kom ik tot de conclusie dat voor een rechtsgeldige beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid de groepsband moet zijn verbroken uiterlijk op het moment dat de verzetstermijn verloopt. Dat betekent dat de overblijvende aansprakelijkheid in casu dus niet is beëindigd. Omdat de rechtbank hier niet op ingaat, laat ik het op deze plek ook buiten beschouwing. Ik kom hier in § 8.13 op terug.
Rb. Rotterdam 30 september 2014, JOR 2014/326, m.nt. Loesberg (Pergen/Eneco), r.o. 2.10-2.12, 2.14 en 2.17.
Rb. Rotterdam 30 september 2014, JOR 2014/326, m.nt. Loesberg (Pergen/Eneco), r.o. 2.7. De 403-maatschappij is contractueel verplicht om voorafgaand goedkeuring te vragen aan de crediteur voor ‘any change of ownership’ van 50% of meer van de stemrechten in de algemene vergadering van de 403-maatschappij.
Rb. Rotterdam 30 september 2014, JOR 2014/326, m.nt. Loesberg (Pergen/Eneco), r.o. 4.8-4.9.
Zie § 8.8.
Zie § 8.13 waar ik betoog dat voor een rechtsgeldige beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid de groepsband moet zijn verbroken uiterlijk op het moment de verzetstermijn verloopt.
Rb. Rotterdam 30 september 2014, JOR 2014/326, m.nt. Loesberg (Pergen/Eneco), r.o. 4.9.
Een crediteur heeft twee maanden1 de tijd om verzet in te stellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. Deze termijn vangt aan op de eerste dag nadat de moedermaatschappij een aankondiging heeft geplaatst in een landelijk verspreid dagblad dat en waar de door haar gedeponeerde mededeling van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen ter inzage ligt.2 Als een moedermaatschappij bijvoorbeeld op 15 oktober de aankondiging plaatst in een landelijk verspreid dagblad, begint de verzetstermijn voor crediteuren op 16 oktober te lopen.3 De termijn eindigt ultimo 15 december en heeft dus per 16 december effect. Op de verzetstermijn is de Algemene termijnenwet van toepassing. Dit brengt mee dat in het geval dat de verzetstermijn eindigt op een dag in het weekend of een algemeen erkende feestdag,4 de termijn op grond van art. 1 lid 1 Algemene termijnenwet wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die geen weekenddag of algemeen erkende feestdag is. De verzetstermijn kan wel op een dergelijke dag aanvangen.
Gedurende de verzetstermijn kunnen er nog steeds nieuwe vorderingen op de moedermaatschappij ontstaan op grond van de ingetrokken 403-verklaring. De moedermaatschappij is op grond van deze verklaring aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht tot het moment dat de moedermaatschappij tegenover de crediteur een beroep kan doen op de intrekking. Dit betreft ook schulden die gedurende de verzetstermijn ontstaan.5 De desbetreffende crediteuren kunnen vanzelfsprekend verzet instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen, maar zij zijn gebonden aan de reeds aangevangen verzetstermijn.
De tweemaandstermijn om verzet in te stellen is een fatale termijn. Na het verstrijken van deze termijn kan een crediteur geen verzet meer instellen. In de jurisprudentie is hierop één keer een uitzondering gemaakt door de Rechtbank Rotterdam.6 Naar mijn mening is dit oordeel onjuist. Ik kom hier later in deze paragraaf op terug. De feiten die ten grondslag liggen aan deze uitspraak zijn kort gezegd als volgt. De moedermaatschappij heeft op 13 februari 2014 een mededeling gedeponeerd van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. Twee dagen later plaatst zij een aankondiging in een landelijk verspreid dagblad dat en waar deze mededeling ter inzage ligt. De moedermaatschappij heeft de 403-verklaring bijna twee maanden na de publicatie van deze aankondiging – op 14 april 2014 – ingetrokken.7 De dag na de intrekking van de 403-verklaring stuurt de 403-maatschappij een brief aan haar enige crediteur, waarin zij melding maakt van enige ‘organisatorische wijzigingen’. Op 17 april 2014 wordt de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij verbroken8 en een dag later stelt de desbetreffende crediteur verzet in tegen de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid.9 De moedermaatschappij stelt zich op het standpunt dat de verzetstermijn drie dagen daarvoor – op 15 april – is verlopen en dat het verzet daarom niet rechtsgeldig is ingesteld.
De rechtbank wijst erop dat de moedermaatschappij de aankondiging dat en waar de gedeponeerde mededeling van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen ter inzage ligt, heeft gepubliceerd op pagina 31 van de zaterdageditie van het dagblad Trouw. Dit is een landelijk verspreid dagblad met een relatief kleine oplage. Daarnaast merkt de rechtbank op dat de 403-maatschappij in de brief aan haar enige crediteur slechts melding maakt van enkele organisatorische wijzigingen. Hierbij is de belangrijkste wijziging niet gemeld: het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. Dit klemt volgens de rechtbank te meer omdat de 403-maatschappij contractueel verplicht is om voorafgaand goedkeuring te vragen aan de crediteur voor ‘any change in the ownership’.10 Volgens de rechtbank heeft de moedermaatschappij er doelbewust op aangestuurd dat de verzetstermijn zou verstrijken zonder dat de crediteur hiervan op de hoogte zou geraken. Zij oordeelt dat het beroep van de moedermaatschappij op de overschrijding van de verzetstermijn daarom heeft te gelden als misbruik van recht. De crediteur wordt geacht tijdig verzet te hebben ingesteld.11
Hierboven merkte ik al op dat het oordeel van de Rechtbank Rotterdam naar mijn mening onjuist is. Ten eerste is niet van belang in welk landelijk verspreid dagblad en op welke pagina de moedermaatschappij de aankondiging plaatst dat en waar de door haar gedeponeerde mededeling van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen ter inzage ligt. Relevant is slechts óf de moedermaatschappij een dergelijke aankondiging heeft geplaatst in een landelijk verspreid dagblad. Ten tweede kan ik mij niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat het beroep van de moedermaatschappij op de overschrijding van de verzetstermijn misbruik van recht is. Daardoor wordt de verzetstermijn ten onrechte ‘opgerekt’, zodat een te laat ingesteld verzet toch geldig is. In verband met de rechtszekerheid is het van belang dat de verzetstermijn een fatale termijn is. De moedermaatschappij moet duidelijkheid hebben welke crediteuren (tijdig) verzet hebben ingesteld en voor welke vorderingen zij eventueel een vervangende waarborg moet geven.12 Dit is bijvoorbeeld van belang als de moedermaatschappij voornemens is om uiterlijk met het verstrijken van de verzetstermijn de aandelen in de 403-maatschappij over te dragen aan een derde.13 Zij moet erop kunnen vertrouwen dat crediteuren dan geen verzet meer kunnen instellen.
In plaats van te oordelen dat het beroep van de moedermaatschappij op de overschrijding van de verzetstermijn misbruik van recht is, had de rechtbank moeten oordelen dat aan alle voorwaarden voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid is voldaan, maar dat het beroep daarop jegens de crediteur onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Het beroep op de beëindiging is in casu onaanvaardbaar omdat de crediteur niet om goedkeuring is gevraagd voor de ‘change in the ownership’ met betrekking tot de 403-maatschappij. Hoewel het de 403-maatschappij is die contractueel verplicht is om goedkeuring te vragen aan de crediteur, moet de moedermaatschappij hebben geweten van het bestaan van deze verplichting. Ten eerste had de moedermaatschappij volledige controle over de 403-maatschappij gedurende de periode dat deze met de crediteur onderhandelde over de overeenkomst tussen hen – waaronder het goedkeuringsrecht van de crediteur. Daarnaast is een onderdeel van deze overeenkomst dat de moedermaatschappij een zogenoemde parent company guarantee van € 10 miljoen heeft afgegeven voor de schulden van de 403-maatschappij – uit hoofde van de desbetreffende overeenkomst.14 Aangezien de crediteur niet om goedkeuring is gevraagd voor het verbreken van de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij hoefde hij er niet op bedacht te zijn dat de moedermaatschappij de overblijvende aansprakelijkheid zou beëindigen. Het zou daarom onredelijk benadelend zijn voor de crediteur als de moedermaatschappij een beroep zou kunnen doen op de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid.