Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/8.6.2
8.6.2 Het recht van verzet
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250195:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Beckman 1995a, p. 347, Beckman & Marseille 2013, p. 286, Snijder-Kuipers & Eliëns 2014, p. 1179, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/586, Huiskes 2015, p. 44, Notenboom 2017, p. 128 en Van Zoest 2019, p. 39.
Slagter 2005, p. 541, Beckman 2011, p. 251, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/583, Beckman – SDU Commentaar Ondernemingsrecht 2019, art. 2:404 BW, aant. C.2 en E.C.A. Nass 2019, p. 148.
Zie Rb. Rotterdam 15 april 1999, JOR 1999/119 (Lely Industries/Netagco Holding), r.o. 6.3-6.4, waar de rechtbank oordeelt dat het beroep van de moedermaatschappij op de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tegenover een crediteur die de moedermaatschappij al aansprakelijk heeft gesteld op grond van de 403-verklaring. Evenals Beckman 2011, p. 251, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/583, Beckman – SDU Commentaar Ondernemingsrecht 2019, art. 2:404 BW, aant. C.2 en E.C.A. Nass 2019, p. 148, meen ik dat de rechtbank de redelijkheid en billijkheid niet in haar oordeel had moeten betrekken omdat de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij jegens de crediteur niet is beëindigd.
Zie § 8.8.
Het instellen van verzet tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen, heeft een privatieve werking. Slechts ten aanzien van de crediteuren die verzet hebben ingesteld, eindigt de overblijvende aansprakelijkheid van de moedermaatschappij (nog) niet. De moedermaatschappij is wel bevrijd van haar aansprakelijkheid tegenover de crediteuren die geen verzet hebben ingesteld.1
In de literatuur wordt terecht aangenomen dat een crediteur geen verzet hoeft in te stellen tegen de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid als hij de moedermaatschappij reeds voor aanvang van de verzetstermijn aansprakelijk heeft gesteld op grond van de (ingetrokken) 403-verklaring.2 De regeling voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid is niet van toepassing op schulden ten aanzien waarvan de moedermaatschappij op dat moment al is aangesproken tot voldoening. Een dergelijke crediteur behoudt zijn vordering op de moedermaatschappij als de overblijvende aansprakelijkheid wordt beëindigd.3
Daarnaast wijs ik op het geval dat een crediteur de moedermaatschappij gedurende de verzetstermijn aansprakelijk stelt. In tegenstelling tot de hierboven genoemde situatie, meen ik dat de regeling voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid wel van toepassing is op een schuld van de moedermaatschappij tegenover een dergelijke crediteur. Een andere uitkomst zou ertoe kunnen leiden dat crediteuren bewust geen verzet instellen, maar in plaats daarvan de moedermaatschappij aansprakelijk stellen. Een crediteur zou dan namelijk altijd zijn vordering op de moedermaatschappij behouden, terwijl hij bij het instellen van verzet het risico loopt dat dit verzet niet gegrond wordt verklaard en hij op grond van art. 2:404 lid 4 BW geen recht heeft op een vervangende waarborg omdat hij al voldoende waarborgen heeft dat zijn vordering op de 403-maatschappij zal worden voldaan.4 Het is naar mijn mening aan de moedermaatschappij om een crediteur die haar aansprakelijk stelt gedurende de verzetstermijn er zo snel mogelijk op te wijzen dat zij de procedure is begonnen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen en tot wanneer de crediteur daartegen verzet kan instellen. Doet de moedermaatschappij dit niet, dan is een beroep op de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid tegenover de desbetreffende crediteur naar mijn mening onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.5 De crediteur kan zich dan onverminderd op de moedermaatschappij verhalen.