Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/10.4.1:10.4.1 In de Bondsdag
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/10.4.1
10.4.1 In de Bondsdag
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS456490:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Bondsdag nam de goedkeuringswet met 543 van de 568 stemmen op 2 december 1992 aan (Sten.Ber. 12/126, p. 10879-10880), waarna de Bondsraad unaniem volgde op 18 december 1992 (Sten.Ber., 650e zitting, 18 december 1992, p. 653). Zie voor de goedkeuringswet: BGBl. II 1992, nr. 47, p. 1251 (28 december 1992). Zie over de ratificatie van het Verdrag van Maastricht in Duitsland: Beuter 1994.
BGBl. I 1992, nr. 58, p. 2086 (21 december 1992).
BT Drs. 12/3906; BR Drs. 810/92, p. 6 e.v.
BT Sten.Ber. 12/126, p. 10842.
BT Drs. 12/3906.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nadat het Verdrag van Maastricht op 7 februari 1992 was getekend, moesten de Bondsdag en de Bondsraad zich, net als het Nederlandse parlement, buigen over de goedkeuringswet. Beide Kamers namen de goedkeuringswet met overweldigende meerderheid aan.1 Daarnaast werd, anders dan in Nederland, het Verdrag van Maastricht aangegrepen voor enkele wijzigingen van de Grondwet.
De aanpassing van het Grundgesetz betrof verschillende artikelen.2 De belangrijkste wijziging was de invoering van artikel 23, waaraan bij de bespreking van het grondwettelijk kader al aandacht is besteed. Hiermee kreeg de EU, anders dan in de Nederlandse Grondwet, een prominente plaats in het Grundgesetz.
Verder werd, voor zover hier relevant, artikel 45 toegevoegd, waarin is neergelegd dat de Bondsdag een commissie voor EU-aangelegenheden zal instellen. Vergelijkbaar is het gewijzigde artikel 52, dat met lid 3a de mogelijkheid van een zogenoemde Europakammer binnen de Bondsraad creëerde. Artikel 88 regelde sinds de herziening tot slot dat de taken van de Bundesbank kunnen worden overgedragen aan een onafhankelijke ECB, die het nastreven van prijsstabiliteit als belangrijkste doel heeft.
Hoewel zowel de Bondsdag als de Bondsraad instemde met de goedkeuring van het Verdrag van Maastricht en met bovengenoemde wijzigingen van het Grundgesetz, maakten beide Kamers tijdens de discussie over het Verdrag van Maastricht wel een belangrijk voorbehoud. Op grond van het Verdrag van Maastricht zou de Europese Raad uiterlijk op 1 januari 1999 met gekwalificeerde meerderheid een besluit moeten nemen over de vraag in hoeverre de verschillende lidstaten voldoen aan de in het verdrag vastgelegde convergentiecriteria voor deelname aan de gemeenschappelijke munt. Net als in Nederland ontstond in Duitsland discussie over de vraag wat precies de rol van het parlement zou zijn bij dit besluit over de start van de derde fase van de EMU. Zowel de Bondsdag als de Bondsraad verklaarde daarop tijdens de parlementaire behandeling van het Verdrag van Maastricht in een motie dat de Bondsregering de instemming van beide Kamers nodig zou hebben om akkoord te kunnen gaan met de start van de derde fase van de EMU.3 De Bondsdag riep de Bondsregering op om te verklaren dat zij de stem van de Bondsdag zal respecteren en om de andere verdragspartijen van deze afspraken op de hoogte te stellen, hetgeen de Bondsregering toezegde.4
Het achterliggende idee van deze motie was het verzekeren van de strikte interpretatie van de convergentiecriteria.5 Net als het Nederlandse parlement vreesde ook de Bondsdag dat het besluit over de derde fase van de EMU mogelijk door politieke argumenten beïnvloed zou worden, waardoor de Europese munt minder stabiel en sterk zou zijn dan de Duitse mark. Door via een motie het besluit over de aanvang van de derde fase van de EMU van de instemming van de Bondsdag en de Bondsraad afhankelijk te maken, probeerden beide Kamers hun betrokkenheid bij deze beslissing vast te leggen in de hoop zo een soepele omgang met de convergentiecriteria te voorkomen. Hoewel die motie zelf juridisch niet-bindend is, verbond de Bondsregering wel bij voorbaat haar oordeel aan dat van de Bondsdag en de Bondsraad.