Waarde en erfrecht
Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.4.3:5.4.3 Woning
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.4.3
5.4.3 Woning
Documentgegevens:
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS619209:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook hoofdstuk 7, § 4.2.
Zie HR 20 juni 1975, NJ 1976, 414; dit arrest is behandeld in paragraaf 4.2.
HR 11 maart 1977, NJ 1978, 98, m.nt. E.A.A.L. (Leegwaarde-arrest). Zie verder hoofdstuk 6, § 3.2.
Volgens Perrick kan de verzorgingsbehoefte van de langstlevende meebrengen dat het door deze bewoonde huis voor een lagere waarde – of zelfs nihil – wordt toegedeeld dan de leegwaarde. S. Perrick, Overzicht der Nederlandse Rechtspraak, WPNR 5722 (1984).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De waarde van de (voormalige echtelijke) woning komt, al dan niet uitsluitend en al dan niet rechtstreeks verband houdend met het erfrecht, aan de orde in de hierna – in chronologische volgorde – te behandelen uitspraken.
Kantong. Rotterdam 2 december 1970, NJ 1972, 57
De kantonrechter besliste dat de voormalige echtelijke woning, waarin de langstlevende echtgenoot en de twee kinderen (de drie tot de boedel gerechtigden) zijn blijven wonen, in de verdeling van de huwelijksgemeenschap en nalatenschap moet worden betrokken voor de leegwaarde en niet op de bewoonde waarde. De bedoelde gemeenschappen zijn ontbonden en ontstaan door het overlijden van de man. In de beschikking blijkt overigens niet van een eventueel testament van de man.
De kantonrechter motiveert zijn beschikking met onder meer de volgende overwegingen. Volgens hem is de in art. 1123, laatste lid BW oud bedoelde prijs, de verkoopprijs. Het gaat dus slechts om de vraag tegen welke prijs de erven het pand zouden kunnen verkopen. Een eventuele verhuur of eventueel beperkend recht ten behoeve van derden maar ook ten behoeve van een of meer van de erven kan op de verkoopprijs van invloed zijn. Als de erven het pand evenwel leeg kunnen opleveren, dan is de bij vrije oplevering te realiseren verkoopprijs het uitgangspunt. Of men daadwerkelijk tot verkoop overgaat is niet relevant, evenmin of een of meer van de erven en/of de langstlevende echtgenoot het pand bewonen.
Hij besluit met:
‘Om echter star en principieel het standpunt in te nemen dat men steeds moet uitgaan van de “bewoonde” waarde, althans niet van de leegwaarde, is in strijd met de wet en bij toescheiding aan de langstlevende, in strijd met de belangen van de anderen, voor de minderjarigen waarover de Ktr. heeft te waken.’
HR 1 maart 1978, BNB 1987, 84, m.nt. Schuttevaer, NJ 1979, 99, m.nt. WMK1
Erflaatster en haar echtgenoot waren met uitsluiting van iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van goederen gehuwd. Zij waren gemeenschappelijk eigenaar van de door hen samen bewoonde woning. Erflaatster heeft een zogenoemd ‘klassiek vruchtgebruiktestament’ gemaakt; het vruchtgebruik van haar nalatenschap is aan de langstlevende echtgenoot gelegateerd, beide kinderen zijn haar enige erfgenamen. In verband met de successierechtheffing wordt geprocedeerd of de waarde van de verkregen bloot eigendom van de onverdeelde helft van de woning gebaseerd dient te worden op de waarde daarvan in bewoonde (het standpunt van de kinderen) of de waarde in onbewoonde staat (het standpunt van de Belastingdienst). Hof Arnhem oordeelt dat er geen aanleiding is om de vererfde onverdeelde helft van het huis lager te waarderen dan op de helft van de verkoopwaarde van het gehele huis in vrij opleverbare staat. De Hoge Raad sluit daarbij aan:
‘dat de stelling van belanghebbenden dat het niet splitsbare gebruiksrecht op grond van de voor het overlijden ontstane mede-eigendom van een derde, aanleiding moet zijn om de nagelaten helft anders te waarderen dan het Hof heeft gedaan, in haar algemeenheid onjuist is;
dat immers mede in aanmerking dient te worden genomen dat onder de omstandigheden, als waarvan te dezen sprake is – betreffende een huis, gezamenlijk bezeten in vrije mede-eigendom en bewoond door een der mede-eigenaren –, te allen tijde scheiding en deling kan worden gevorderd en eventueel bevel tot openbare verkoop uitgelokt;’
In zijn noot onder dit arrest vraagt Kleijn zich af of juist de rechtsverhouding tussen de deelgenoten in een gemeenschap meebrengt dat bij verdeling (of een openbare verkoop) rekening gehouden moet worden met de positie van de feitelijke gebruiker/mede-eigenaar. En, als dat het geval is, of de daaruit voor deze gebruiker voortvloeiende aanspraak als een vermogenswaarde is te beschouwen, die de (verkoop)waarde van het goed drukt. Terzijde merkt hij op dat een dergelijke vermogenswaarde in pachtsituaties, bij toedeling aan de pachter-deelgenoot voor de verpachte waarde, wel aanwezig is.2 In casu is echter sprake van een feitelijk, en geen juridisch (contractueel) onderbouwd, gebruiksrecht.
Geeft de rechtspositie van de deelgenoot-gebruiker voortvloeiend uit de ‘goede-trouw-verhouding’, zo vraag Kleijn zich af, geen aanleiding om een vermogenswaarde te constateren bij degene die daaraan een voorkeurspositie voor toedeling ontleent? Hij signaleert een verschil tussen de verdeling van een nalatenschap (in het algemeen en toedeling van de echtelijke woning aan de langstlevende) en de verdeling na echtscheiding. In het eerste geval nemen vele schrijvers aan dat toedeling op basis van de – al dan niet gecorrigeerde – waarde in bewoonde staat op grond van de redelijkheid en billijkheid geboden is. In het tweede geval besliste de Hoge Raad anders, maar dient bedacht te worden dat partijen in de desbetreffende procedure geen beroep op de redelijkheid en billijkheid hadden gedaan.3
Ook in de onderhavige zaak is overigens geen beroep op deze beginselen gedaan. Kleijn concludeert uit de rechtspraak dat – zeker bij woonhuizen – de deelgenoot-gebruiker uit zijn eventuele voorkeurspositie bij toedeling niet steeds aanspraken kan afleiden op een vermogenswaarde, zoals in pachtsituaties wel het geval is. Kleijn suggereert dan ook om – parallel aan de pacht – door middel van huurovereenkomsten tussen de gebruikers en de eigenaren een vermogenswaarde te laten ontstaan.
Arr.-rechtbank Zutphen 23 juni 1983, NJ 1984, 5344
Bij de verdeling van de tot de nalatenschap behorende echtelijke woning tussen de langstlevende echtgenoot en de kinderen zijn partijen het erover eens dat dit dient te geschieden naar de toestand op de overlijdensdag van erflater; zij verschillen van mening of taxatie op basis van de leegwaarde of de waarde in bewoonde staat dient plaats te vinden.
De kantonrechter overweegt dat de regels van de goede trouw en billijkheid in de onderhavige zaak meebrengen dat van de langstlevende echtgenoot gezien haar hoge leeftijd niet kan worden gevergd dat zij voortijdig uit de voormalige echtelijke woning vertrekt. De waardering op leegwaarde kan derhalve niet als juist worden aanvaard. De woning heeft volgens de kantonrechter echter voor die echtgenoot een hogere waarde dan voor de – andere – erfgenamen die de woning in bewoonde staat toegedeeld zouden krijgen. De langstlevende heeft immers de mogelijkheid om te beslissen op welk moment zij de woning wil verlaten en op welk tijdstip zij eventueel tot verkoop daarvan zal overgaan. Het feit dat zij voornemens is om haar intrek te nemen in een bejaardenhuis, speelt in zoverre nog een rol dat zij op relatief korte termijn de mogelijkheid heeft om de woning te verkopen. De kantonrechter stelt met inachtneming van deze overwegingen zelfde waarde vast.
HR 10 januari 1986, NJ 1986, 342
Bij de verdeling van de nalatenschap van vader Van der Plas komen de langstlevende echtgenoot en de kinderen overeen dat de echtelijke woning daarin voor de waarde in bewoonde staat wordt betrokken. De woning wordt aan de kinderen toegedeeld; moeder zet de bewoning voort op grond van een met de kinderen gesloten huurovereenkomst. Moeder verlaat de woning vijf jaren nadien en neemt haar intrek in ‘Huize Salem’. De gemeente Katwijk verstrekt haar in de volgende jaren bijstand op grond van de Algemene Bijstandswet. De gemeente verhaalt zich in verband met de bijstandsverstrekking op de kinderen, omdat – zo werd gesteld – in de verdeling naar de waarde in bewoonde staat een schenking door moeder aan de kinderen was gelegen.
De Hoge Raad overweegt dat partijen zich bij hun beslissing omtrent de wijze van verdelen uitsluitend hebben laten leiden door de wens om, binnen de grenzen van hun toenmalige financiële mogelijkheden, moeder in staat te stellen de woning te blijven bewonen. Het strookte dan ook met de eisen van redelijkheid en billijkheid om de woning aan de kinderen toe te delen, de woning levenslang aan moeder te verhuren en met haar ‘af te rekenen’ op basis van de waarde van de woning in verhuurde staat. Het feit dat men in de verdeling is uitgegaan van de waarde ‘in bewoonde staat’ wettigt niet de conclusie dat moeder door met deze wijze van verdeling in te stemmen een schenking – in de zin van art. 59a (van de destijds geldende) Algemene Bijstandswet – aan de kinderen heeft gedaan.
Arr.-rechtbank Haarlem 8 oktober 1985, NJ 1986, 524
Erflater was in eerste echt gehuwd met mevrouw IJ, uit welk huwelijk twee kinderen werden geboren (de eisers in de procedure); het huwelijk eindigde door echtscheiding (in 1948). Erflater trouwt nadien in gemeenschap van goederen met de gedaagde in de procedure, uit welk huwelijk geen kinderen worden geboren. Hij overlijdt in 1982 met achterlating van zijn tweede echtgenoot en de twee kinderen uit zijn eerste huwelijk als erfgenamen. Hij heeft bij – in 1970 gemaakt – testament over zijn nalatenschap beschikt, waarbij hij aan zijn tweede echtgenote ‘boven en behalve haar erfdeel het vruchtgebruik van het overige deel van zijn nalatenschap’ legateerde. De beide kinderen eisen dat in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap en nalatenschap de waarde van de (voormalige) echtelijke woning in lege en onbewoonde staat in aanmerking moet worden genomen. Zij voeren daartoe aan dat hun stiefmoeder na toedeling van de woning de mogelijkheid heeft om deze te vervreemden en te bezwaren op basis van de ‘geldende marktwaarde in lege en onbewoonde staat’, hetgeen impliceert dat slechts de waarde onbewoond bij de verdeling in aanmerking kan worden genomen. De gedaagde voert tegen deze ‘leegwaardeleer’ nog aan dat bij een verdeling na overlijden, anders dan bij een echtscheiding, door deze leer veroorzaakte onbillijkheden niet kunnen worden gecorrigeerd via de alimentatievaststelling.
De rechtbank oordeelt dat de voormalige echtelijke woning naar leegwaarde dient te worden gewaardeerd. De feitelijke bewoning door de stiefmoeder is in de verhouding tussen partijen niet op een lijn te stellen met een waarde drukkend recht. Na toedeling kan de woning immers leeg worden verkocht, zodat de waarde daardoor wordt bepaald. De rechtbank sluit evenwel niet uit dat er gevallen kunnen zijn waarin op grond van de redelijkheid en billijkheid anders moet worden geoordeeld, maar daarvan is in casu geen sprake. De rechtbank wijst er nog op dat een eventuele correctie van de leegwaardeleer bij overlijden in beginsel niet geboden is als een testamentaire voorziening voor de langstlevende beschikbaar, zoals in de onderhavige casus.
HR 13 april 2007, LJN AZ8521
Erflater liet bij zijn overlijden op 29 november 1995 een tweede echtgenote en vijf kinderen achter. Zijn beide huwelijken zijn door overlijden geëindigd. Erflater was ten tijde van zijn overlijden buiten iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap gehuwd. Zijn kinderen zijn bij – door zijn overlijden effect sorterend – testament van 28 december 1992 tot zijn enige erfgenamen benoemd. In dat testament legateerde erflater aan zijn echtgenote alle tot zijn nalatenschap behorende goederen naar keuze, onder de verplichting tot inbreng van de waarde daarvan in zijn nalatenschap. Tevens legateerde hij haar het vruchtgebruik van zijn nalatenschap.
Het geschil tussen de langstlevende echtgenoot en de kinderen gaat onder meer over de peildatum voor de waardering van de woning, waarvan de waarde immers in erflaters nalatenschap ingebracht dient te worden. Partijen komen er in onderling overleg niet uit; een procedure wordt in 2001 aangevangen. Voor wat betreft de waarde wenst de langstlevende uit te gaan van de getaxeerde waarde voor de successie-aangifte (fl. 195 000); de stiefkinderen brengen een taxatierapport in met een waarde per ‘datum overlijden’ van fl. 220 000.
De procedure brengt hen bij het Hof, dat onder meer overweegt:
‘dat [eiseres] (langstlevende echtgenoot; toevoeging WB) haar standpunt omtrent de waarde van het huis baseerde op een taxatie die was verricht ten behoeve van de successie-aangifte en heeft daarbij betekenis toegekend aan die aard van de taxatie. Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat die waarde voor de hier aan de orde zijnde vraag niet kan worden gezien als de vrije verkoopwaarde.’
Met betrekking tot de peildatum overweegt het Hof:
‘Tegen deze achtergrond (het feit dat de erfgenamen 50% van de op de woning drukkende hypothecaire geldlening voor hun rekening zien komen; toevoeging WB ) en gelet voorts op de tijd die inmiddels is verlopen sinds het overlijden van de erflater alsmede op het feit dat [eiseres] (langstlevende echtgenoot; toevoeging WB) steeds, in feite als vruchtgebruiker, in het huis is blijven wonen, acht het hof het in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid dat de waarde van het huis die [eiseres] dient in te brengen om de eigendom daarvan te verkrijgen vastgesteld zou worden op de waarde per datum van overlijden van de erflater. Dat zou mogelijk anders liggen indien aanleiding zou bestaan te oordelen dat het in overwegende mate aan [verweerders] is toe te rekenen dat het terzake van de onderhavige punten niet tot een vergelijk is gekomen, maar een zodanige aanleiding ziet het hof niet. (…)’.
De Hoge Raad verwerpt het door de langstlevende ingestelde cassatieberoep. Het is derhalve niet de ‘successiewaarde’ per overlijdensdatum die moet worden ingebracht, maar de vrije verkoopwaarde op het later gelegen tijdstip.