Waarde en erfrecht
Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.4.5:5.4.5 Analyse van de behandelde uitspraken
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.4.5
5.4.5 Analyse van de behandelde uitspraken
Documentgegevens:
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS620408:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hieronder zal ik de in de paragrafen 4.2. en 4.3 belichte jurisprudentie analyseren, om te bezien welke waarderingsmaatstaven en -factoren voor de bepaling van een waarde van een goed (en schuld) in een erfrechtelijk kader worden toegepast. Aan de hand daarvan kan wellicht worden bezien of in de aan-/afwezigheid van die maatstaven en/of facturen enige structuur valt te onderkennen, die voor het waarde-oordeel mede bepalend kunnen zijn.
Vooraf wil ik in het algemeen het volgende over de weergegeven jurisprudentie opmerken. Ten eerste stel ik vast ik dat nagenoeg alle uitspraken voortvloeien uit of verband houden met verdelingskwesties. De aard van het ‘erfrechtelijke geschil’ betrof meestal de legitiemeregeling, in een aantal gevallen de inbreng van giften (art. 4:1132 BW oud) en soms de waarde van de in de verdeling betrokken goederen. Dat geschillen onder het oude erfrecht in het algemeen, en betreffende de legitiemeregeling in het bijzonder, in en rondom de verdeling spelen, wekt geen verbazing. De ‘oude’ legitieme portie leverde immers erfgenaamschap op, als gevolg waarvan de (afwikkelings)problemen zich bij de verdeling van de nalatenschap manifesteerden. Ik schat dan ook in dat ‘legitiemekwesties’ in het huidge erfrecht, waarin de legitieme portie als zodanig geen goederenrechtelijke aanspraak oplevert, in mindere mate tot verdelingsgeschillen zullen leiden.
Voorts valt in de belichte jurisprudentie op dat de geschillen betreffende de woning in nagenoeg alle gevallen de waardering daarvan in de verdeling betreffen, hetgeen niet kan worden beweerd van de jurisprudentie betreffende de onderneming. In de laatstbedoelde jurisprudentie spelen in feite drie kwesties:
Kan het aangaan van een pachtovereenkomst of een personenvennootschap met een voortzettingsregeling op basis van een lagere waarde dan de waarde in het economische verkeer, als een gift worden aangemerkt?
Dient bij een nalatenschapsverdeling met het – eventuele – waardedrukkende effect van een pachtovereenkomst of een voortzettingsregeling als hiervoor onder 1 bedoeld rekening te worden gehouden?
Kan de ‘combinatie’ van de hiervoor onder 1 bedoelde overeenkomst en de verdeling op basis van een waarde met inachtneming van deze overeenkomst, als een gift worden aangemerkt?
De jurisprudentie betreffende de onderneming levert dan ook geen volledig beeld op van de waarde van een onderneming in het erfrecht en/of de eventuele sub-rechtsgebieden daarin alsmede van de waarderingsmaatstaven en -factoren die daarvoor een rol kunnen spelen. Uitspraken waarin, zonder pacht- of personenvennootschapovereenkomsten, de waarde van een onderneming in de verdeling een ‘strijdpunt’ vormde, heb ik namelijk niet aangetroffen.
Met betrekking tot de gift, en de relevantie daarvan voor de legitieme- en de inbrengregeling, gaan ‘waardediscussies’ in feite over de vraag of al dan niet sprake is van een gift, oftewel of in de waardeverschuiving een bevoordelingsbedoeling kan worden geconstateerd. De waarde van de verarming/verrijking als zodanig vormt doorgaans het geschilpunt niet. In die zin is de relevantie van die jurisprudentie voor de proeve dan ook betrekkelijk. Zij heeft in ieder geval bevestigd dat de gift voor de legitieme- en de inbrengregeling een identieke inhoud heeft, in die zin dat voor de vraag óf van een gift sprake is en voor de bepaling van de omvang daarvan van een ‘geobjectiveerd giftbegrip’ dient te worden uitgegaan.
Ten slotte betreft de behandelde jurisprudentie een geschil rondom óf de onderneming óf de woning; het gaat om de voortzetting van de onderneming of van de bewoning. Een casus waarbij beide belangen een rol spelen ontbreekt, hetgeen betekent dat op basis van deze jurisprudentie bijvoorbeeld niet kan worden aangegeven welk belang bij een eventuele ‘botsing’ tussen beide prevaleert.
5.4.5.1 Jurisprudentie betreffende de onderneming5.4.5.2 Jurisprudentie betreffende de woning