De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.3.4.3:3.3.4.3 Vordering tot nakoming van de inbreng
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.3.4.3
3.3.4.3 Vordering tot nakoming van de inbreng
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS384611:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze vraag ook Tervoort, GS Personenassociaties 2.2.4.1 (online, laatst bijgewerkt op 1 februari 2013).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als een vennoot zijn verplichting tot inbreng niet nakomt, dan rijst de vraag wie bevoegd is om nakoming te vorderen.1 Anders dan het ingetrokken Wetsvoorstel personenvennootschappen, waarvan art. 805 lid 3 bepaalde dat iedere vennoot ten behoeve van de vennootschap de naleving van de verplichting tot inbreng kon vorderen, voorziet de wet niet in een regeling hieromtrent. Verdedigd kan worden dat de verplichting tot inbreng een schuld is aan de VOF en daarom alleen door hen die bevoegd zijn de VOF te vertegenwoordigen kan worden gevorderd namens de VOF (art. 17 WvK). Verdedigbaar is ook dat iedere vennoot bij het aangaan van de VOF zich het recht heeft voorbehouden om namens de VOF nakoming van de verplichting tot inbreng van iedere medevennoot te vorderen. Ik meen dat als een vennoot is uitgesloten van de bevoegdheid om de VOF te vertegenwoordigen en er geen voorbehoud is gemaakt (waarbij overigens relevant is dat een dergelijk voorbehoud niet schriftelijk hoeft te worden vastgelegd en het bestaan ervan dus ook aan de hand van andere omstandigheden kan worden bewezen), hij ook niet bevoegd kan worden geacht om namens de VOF inbreng van een medevennoot te vorderen. De wet voorziet niet in een dergelijke mogelijkheid. Het karakter van de VOF (vooral van regelend recht) verzet zich mijns inziens tegen het bestaan van een dergelijke bevoegdheid in weerwil van de onderlinge afspraken.