Uitkoop van minderheidsaandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/8.4.1:8.4.1 Inleiding
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/8.4.1
8.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS601110:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht Van Vliet (1999), p. 51 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Kort na de invoering van de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW bestond er onduidelijkheid over de vraag of de OK een vordering ook op andere dan de in lid 4 genoemde gronden kan afwijzen.
In de eerste uitkoopprocedures op grond van art. 2:92a/201a BW hebben de gedaagden verschillende andere gronden voor afwijzing aangevoerd.1 Al deze verweren zijn terug te voeren tot twee concrete gronden, namelijk misbruik van bevoegdheid door de uitkoper (§ 8.4.2) en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (§ 8.4.3). Hoewel de OK een vordering nog nooit op deze gronden heeft afgewezen, wordt thans algemeen aanvaard dat dit onder omstandigheden wel mogelijk is.
Ik behandel hierna beide leerstukken en onderzoek onder welke omstandigheden een gedaagde zich hierop kan beroepen.