zie uitvoerig de conclusie (nrs. 5 en 6) van mijn ambtgenoot Strikwerda bij HR 20 november 1992, NJ 1993, 138 en voorts de conclusie (nr. 5) van mijn ambtgenoot Hartkamp bij HR 10 april 1992, NJ 1992, 460 (een en ander met rechtspraak- en literatuurverwijzingen).
HR, 10-09-1993, nr. 15.063
ECLI:NL:HR:1993:ZC1054
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-09-1993
- Zaaknummer
15.063
- LJN
ZC1054
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Arbeidsrecht / Algemeen
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1993:ZC1054, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑09‑1993; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1993:52
ECLI:NL:PHR:1993:52, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑05‑1993
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1993:ZC1054
- Wetingang
art. 1 Pensioen- en spaarfondsenwet
- Vindplaatsen
PJ 2025/47 met annotatie van E. Lutjens
PR-Updates.nl 2026-0001
Uitspraak 10‑09‑1993
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige daad; schadevergoeding; periodieke betalingen (ouderdomspensioenpremies). Verjaring. Anticipatie.
10 september 1993
Eerste Kamer
Nr. 15.063
AS
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Arrest
in de zaak van:
[eiser] , wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie, advocaat: Mr. J.M. Barendrecht,
t e g e n
[verweerster] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen [eiser] - heeft bij exploit van 26 mei 1989 verweerster in cassatie - verder te noemen [verweerster] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Tilburg en gevorderd [verweerster] te veroordelen aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 12.851,05 met rente en kosten.
Nadat [verweerster] tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter zich bij vonnis van 3 mei 1990 onbevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen en de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de Rechtbank te Breda verwezen ten einde haar te berechten en daarover te beslissen.
[eiser] heeft bij exploit van 18 mei 1990 [verweerster] gedagvaard voor de Rechtbank te Breda ten einde de zaak te berechten en daarover te beslissen.
Bij vonnis van 23 oktober 1990 heeft de Rechtbank zich onbevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen en de zaak naar de Kantonrechter te Tilburg verwe- zen ten einde haar te berechten en daarover te beslissen.
Vervolgens heeft de Kantonrechter bij vonnis van 29 november 1990 de vordering afgewezen en [eiser] in de proceskosten veroordeeld.
Tegen laatstgenoemd vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Breda en heeft hij daarbij zijn eis gewijzigd door te vorderen dat
[verweerster] zou worden veroordeeld voormeld bedrag met rente en kosten primair aan de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid te Amsterdam, subsidiair aan hemzelf te voldoen.
Bij vonnis van 18 februari 1992 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis vernietigd, slechts voor zover dit de kostenveroordeling betreft, en het vonnis voor het overige bekrachtigd.
Laatstgenoemd vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en tot veroordeling van de niet verschenen [verweerster] in de kosten.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: (i) [eiser] is van 1 augustus 1977 tot 31 juli 1981 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst geweest van [verweerster] ;
(ii) Gedurende dit dienstverband heeft [verweerster] niet voldaan aan de ingevolge de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds in verbinding met de Pensioen- en spaarfondsenwet en het besluit van de Minister van Sociale Zaken van 28 november 1968,
Stcrt. 1968, 245 op haar rustende (wettelijke) verplichting om ten behoeve van [eiser] ouderdomspensioenpremies af te dragen aan de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid (SFB);
(iii) Stellende dat [verweerster] zich daardoor jegens hem heeft schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad, heeft [eiser] in dit - bij dagvaarding van 26 maart 1989 voor de Kantonrechter aanhangig gemaakte - geding veroordeling van [verweerster] gevorderd tot vergoeding van de dientengevolge door hem geleden schade door betaling van het bedrag dat, naar de berekening van SFB (productie 3 bij conclusie van repliek), per 1 april 1989 gestort had moeten worden teneinde [eiser] op 65-jarige leeftijd eenzelfde pensioen te garanderen als hij zou hebben genoten indien [verweerster] wèl aan haar voormelde verplichting zou hebben voldaan, te weten een bedrag van ƒ 12.851,05, - zijnde het totaal van de niet-betaalde pensioenpremies vermeerderd met de rente welke, indien
[verweerster] aan haar voormelde verplichting zou hebben voldaan, uit de door haar betaalde premies gekweekt had kunnen worden; in eerste aanleg vorderde [eiser] veroordeling tot betaling van dit bedrag aan hemzelf, in hoger beroep heeft hij zijn vordering in dier voege gewijzigd dat hij primair veroordeling vorderde tot betaling van dit bedrag aan SFB en subsidiair aan hemzelf;
(iv) De Rechtbank heeft de vordering(en) van [eiser] afgewezen.
3.2 De Rechtbank is (in cassatie onbestreden) ervan uitgegaan dat art. 2012 (oud) BW toepasselijk was op de vordering van SFB tot nakoming door [verweerster] van haar jegens SFB bestaande verplichting om aan SFB ten behoeve van [eiser] (periodiek) ouderdomspensioenpremies af te dragen. Daarvan uitgaande heeft de Rechtbank geoordeeld dat hetzelfde had te gelden ten aanzien van de in dit geding door [eiser] geldend gemaakte vordering(en).
Daarbij was voor haar beslissend dat het niet met de ratio van art. 2012 zou stroken eerstgenoemde vordering wèl, doch laatstgenoemde vordering(en) niet aan de korte verjaring van genoemde wetsbepaling onderworpen te achten.
Het middel voert daartegen als algemene, in de onderdelen van het middel nader uitgewerkte en aangevulde klacht aan dat art. 2012 op de in dit geding door [eiser] geldend gemaakte vorderingen niet van toepassing is.
3.3 Bij de beoordeling van deze klacht moet het volgende voorop worden gesteld.
In zijn eerste vonnis - waarin hij zich onbevoegd verklaarde en de zaak naar de Rechtbank verwees - heeft de Kantonrechter vastgesteld dat [eiser] zijn vordering van de aanvang af en "bij uitsluiting" had gequalificeerd als een uit onrechtmatige daad. In haar vonnis waarin zij zich op haar beurt onbevoegd verklaarde en de zaak terugwees, heeft de Rechtbank deze vaststelling niet onjuist bevonden, maar geoordeeld dat de ingestelde vordering, hoezeer ook door [eiser] gequalificeerd als een uit onrechtmatige daad, moet worden beschouwd als een vordering betrekkelijk tot een arbeidsovereenkomst. Na verwijzing heeft de Kantonrechter dan ook vooropgesteld dat [eiser] ' vordering is gegrond op onrechtmatig handelen door [verweerster] , te weten "het niet nakomen van een wettelijke plicht welke in nauw verband staat met de tussen partijen gesloten overeenkomst".
Met deze grondslag spoort dat [eiser] , zoals al blijkt uit de (in 3.1 onder (iii) aangegeven) omschrijving en berekeningswijze van het gevorderde bedrag en zoals hij bovendien in "aangezien 7" van de inleidende dagvaarding nog uitdrukkelijk heeft doen stellen, betaling van voormeld bedrag vordert bij wege van schadevergoeding. In zijn Memorie van Grieven in appel heeft hij deze opzet van zijn vordering niet uitdrukkelijk gewijzigd. Integendeel, hij heeft toen nadrukkelijk erop gewezen dat "een vordering tot betaling als de onderhavige als een vordering tot vergoeding van schade moet worden aangemerkt, welke schade is ontstaan omdat [verweerster] niet heeft voldaan aan zijn verplichting tegenover de werknemer om aan het bedrijfspensioenfonds de in de relatie met het bedrijfspensioenfonds verschuldigde premie te voldoen" (citaat uit memorie van grieven, § 8).
3.4 Op een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig nalaten is art. 2012 BW niet van toepassing.
Dat geldt óók indien het, zoals hier, gaat om nalaten van het doen van periodieke betalingen aan een derde (SFB) die ter zake een eigen vorderingsrecht heeft dat wèl onderworpen is aan deze bepaling. Voor toepassing van de voor het huidige recht in art. 3:312 BW neergelegde regel is geen plaats, zowel omdat deze regel wegens haar nauwe samenhang met het fundamenteel gewijzigd stelsel van extinctieve verjaring niet voor anticipatie in aanmerking komt, als omdat de rechtsvordering tot vergoeding van schade wegens onrechtmatig nalaten van het doen van betalingen aan een derde niet kan worden beschouwd als een rechtsvordering ter zake van een nevenverplichting als waarop genoemde wetsbepaling het oog heeft. Evenmin bestaat anderszins grond voor analogische toepassing van art. 2012. Door zulk een toepassing zou de werkgever worden beschermd ten koste van de werknemer: diens achterwege laten van contrôle op nakoming door de werkgever van zijn verplichting tot afdracht van ouderdomspensioenpremies en van het zonodig nemen van rechtsmaatregelen ter zake zou telkens na vijf jaar voor zijn eigen rekening komen. Dat zou evenwel niet stroken met de aard van de arbeidsovereenkomst die meebrengt dat de werknemer in beginsel erop mag vertrouwen dat zijn werkgever bedoelde verplichting regelmatig nakomt, noch met de op bescherming van de werkgever gerichte strekking van de in 3.1 onder (ii) vermelde wetgeving.
3.5 Uit het voorgaande volgt dat indien de Rechtbank ervan is uitgegaan dat de vordering van [eiser] , zowel in haar primaire als in haar subsidiaire versie, strekt tot het vergoeden van de schade welke [eiser] stelt te hebben geleden ten gevolge van het jegens hem onrecht- matig nalaten van [verweerster] om te voldoen aan een voor haar uit de wet voortvloeiende verplichting jegens SFB, zij blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting, terwijl indien zij is uitgegaan van een andere lezing van de van [eiser] afkomstige gedingstukken (waarin, anders dan de Rechtbank aangeeft, van een vordering tot nakoming niet wordt gerept) haar uitspraak nadere motivering zou hebben vereist. Op een en ander gerichte klachten liggen in de nadere uitwerking van voormelde algemene klacht van het middel besloten. In zoverre treft het middel doel en voor het overige behoeft het daarom geen bespreking.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Breda van 18 februari 1992;
- verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op ƒ 648,65 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren Roelvink, Mijnssen, Heemskerk en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Davids op 10 september 1993.
Conclusie 28‑05‑1993
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige daad; schadevergoeding; periodieke betalingen (ouderdomspensioenpremies). Verjaring. Anticipatie.
Nr. 15 063
Zitting 28 mei 1993
Mr. Mok
Conclusie inzake
[eiser]
tegen
[verweerster] B.V.
(niet verschenen)
Edelhoogachtbaar college,
1. Korte beschrijving van de zaak
1.1. [eiser], eiser van cassatie, is in 1977 als uitvoerder in dienst getreden bij [verweerster] BV (hierna: [verweerster]). De dienstbetrekking is (uiterlijk) per 31 juli 1981 geëindigd.
In feitelijke instantie heeft een discussie plaats gevonden over de vraag of een jaar voordien een andere besloten vennootschap in de plaats van [verweerster] getreden is. Het meningsverschil daarover is niet beslist; het is in de huidige cassatieprocedure niet aan de orde. Vast staat dat op [verweerster] de wettelijke plicht rustte gedurende het dienstverband tussen partijen ouderdomspensioenpremie ten bate van [eiser] af te dragen aan de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid (SFB). Vast staat ook dat de bedoelde afdrachten niet hebben plaatsgevonden.
1.2. [eiser] heeft [verweerster] gedagvaard voor de kantonrechter te Tilburg. Daarbij heeft hij gesteld dat [verweerster] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door aan de verplichting tot afdracht van ouderdomspensioenpremie niet te voldoen.
Hij heeft gevorderd dat [verweerster] zou worden veroordeeld tot voldoening van een bedrag van f 12.851,05 (met rente en kosten), zijnde het bedrag dat volgens [eiser] per 1 april 1989 gestort zou moeten worden teneinde hem op 65-jarige leeftijd eenzelfde pensioen te garanderen als dat wat hij zou genieten indien [verweerster] wel aan haar verplichting tot pensioenafdracht zou hebben voldaan.
[verweerster] heeft zich onder meer verweerd met een beroep op verjaring ingevolge art. 2012 (oud) BW, omdat tussen het tijdstip van opeisbaar worden van de bovenvermelde termijnbedragen en de dag waarop de inleidende dagvaarding was uitgebracht meer dan vijf jaren waren verstreken.
Na enige (inhoudelijk thans niet ter zake doende) problemen over de (absolute) bevoegdheid van de kantonrechter, heeft deze laatste de vordering van [eiser] afgewezen, omdat die vordering ingevolge art. 2012 (oud) BW verjaard zou zijn.
1.3. Van dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Breda.
[eiser] heeft, bij memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis, in zoverre zijn vordering gewijzigd dat hij primair vorderde dat [verweerster] zou worden veroordeeld het bedrag van f 12.851,05 (met rente en kosten) aan de SFB te voldoen en subsidiair vorderde dat [verweerster] dit bedrag aan [eiser] zelf zou moeten voldoen.
De rechtbank heeft bij vonnis van 18 februari 1992 het vonnis van de kantonrechter alleen wat betreft de kostenveroordeling vernietigd en dit voor het overige bekrachtigd.
1.4. [eiser] heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Het beroep steunt op een middel dat uit vier onderdelen bestaat.
Tegen [verweerster] is in cassatie verstek verleend.
2. De verjaringsregel van art. 2012 (oud) BW
2.1. De rechtbank heeft vooropgesteld dat ingevolge art. 74, lid 3, Overgangswet NBW het oude recht op het onderhavige geding van toepassing is.
Die overweging wordt in cassatie niet bestreden. Ik teken hierbij aan dat het laatste stuk in appel, de antwoordakte van [verweerster], is geproduceerd ter zitting van de rechtbank van 26 november 1991.
2.2. Art. 2012 (oud) BW bepaalt - voor zover hier van belang - dat "al hetgeen betaalbaar is bij het jaar, of bij kortere vastgestelde termijnen" na verloop van vijf jaren verjaart.
De bedoeling van die bepaling is te voorkomen dat niet betaalde termijnen oplopen tot een te zware schuld1.. In het eerste in noot 1 genoemde arrest (ro. 3.2 slot) is overwogen dat art. 2012 (mede) beoogt termijndebiteuren te beschermen.
Voor toepassing van art. 2012 (oud) BW is vereist dat het gaat om (1) een uit eenzelfde rechtsbetrekking voortvloeiende verplichting van de schuldenaar om (2) periodiek vervallende bedragen aan de schuldeiser te betalen2..
Het huidige BW bepaalt in art. 3:308 vrijwel hetzelfde als het oude artikel3..
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1.1. Onderdeel 1 van het middel betoogt dat art. 2012 niet van toepassing is op de vordering die [eiser] op [verweerster] geldend heeft gemaakt. Deze is gegrond op het door [verweerster] niet voldoen aan haar verplichting jegens het SFB. In die verhouding is [eiser] een derde en als zodanig zal hij niet (althans: zonder meer) op de hoogte zijn van het niet voldoen door de schuldenaar aan diens verplichtingen.
3.1.2. Een dergelijk betoog had [eiser] ook in appel (grieven I en II) al gevoerd.
De rechtbank heeft dit verworpen met een beroep op de ratio van de bedoelde wettelijke bepaling: het voorkomen dat niet betaalde termijnen oplopen tot een zware schuld, ten gevolge waarvan de huishouding van de schuldenaar wordt verstoord4..De omstandigheid dat [verweerster] de pensioenpremie aan het SFB en niet aan [eiser] diende af te dragen zou niet aan toepasselijkheid van art. 2012 in de weg staan. De af te dragen premies maakten nl. deel uit van het aan [eiser] te betalen salaris.
De rechtbank heeft hieraan toegevoegd dat een andere uitleg (nl. die van [eiser]) zou meebrengen dat het bedrijfspensioenfonds gebonden zou zijn aan de verjaringstermijn van vijf jaar en [eiser] aan de algemene verjaringstermijn.
3.1.4. Het recht op pensioen is in casu gebaseerd op de verplichtstelling tot het deelnemen in een bedrijfspensioenfonds5.. Daarop is primair de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (Wet Bpf6.) van toepassing.
Uit art 1, lid 6, Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW7.) volgt dat deze laatste wet eveneens van toepassing is op bedrijfspensioenfondsen waarin het deelnemen krachtens de Wet Bpf verplicht is. De PSW bevat in tegenstelling tot de Wet Bpf, die slechts de verplichtstelling van deelneming, de intrekking daarvan en de mogelijkheid van vrijstelling regelt, onder meer nadere bepalingen over de positie van deelnemers (zoals i.c. [eiser]) in het pensioenfonds.
3.1.5. De rechtbank te Breda heeft in haar eerste vonnis in het onderhavige geschil8.overwogen:
"Naar overigens later tussen partijen is komen vast te staan, rustte deze verplichting [tot betaling van pensioenpremie - M. ]) niet op een C.A.O. doch op een verplichtstellingsbeschikking als bedoeld in de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, en op artikel 3 van die Wet. Feitelijk was de door gedaagde overtreden norm dus in de eerste plaats een wettelijke norm, hetgeen evenwel niet wegneemt dat de betreffende verplichting in beginsel slechts bestond bij de gratie van het bestaan (of het bestaan hebben) van een arbeidsovereenkomst, en dus in de onderlinge verhouding tussen partijen heeft te gelden als een contractuele, van de arbeidsovereenkomst deel uitmakende norm."9.
Die zienswijze houdt dat in een geval als dit - een verplicht gestelde pensioenvoorziening - geen sprake is van een pensioentoezegging10.. Zo luidde ook het regeringsstandpunt bij de totstandkoming van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling11.(vergelijkbaar met de Wet Bpf):
"Pensioenregelingen in het kader van het onderhavige wetsontwerp opgezet, zijn nu juist niet het gevolg van een toezegging aan beroepsgenoten."12.
3.1.6. Voor toepasselijkheid van art. 2012 (oud) BW is vereist dat het moet gaan om periodiek vervallende bedragen uit de rechtsbetrekking tussen schuldeiser en schuldenaar zelf13..
De rechtbank overweegt dat de verplichting van [verweerster] pensioenpremies ten bate van [eiser] aan het SFB af te dragen, onderdeel uitmaakt van het salaris van [eiser]14.. Kennelijk gaat de rechtbank uit van de opvatting dat de pensioenpremie als onderdeel van het loon periodiek verschuldigd is en op deze grond onder de werking van art. 2012 valt15..
Pensioen(premie) die door de werkgever geheel of gedeeltelijk betaald moet worden ter uitvoering van pensioenwetten mag echter niet als (onderdeel van het) loon worden beschouwd16.en voldoet daarom niet zonder meer aan het vereiste van periodiek verschuldigd zijn.
Daarbij komt dat [eiser] jegens [verweerster] weliswaar, op grond van de arbeidsovereenkomst, aanspraak heeft op afdracht van de pensioenpremies, maar dit betekent niet dat in hun onderlinge rechtsverhouding de aanspraken periodiek verschuldigd zijn. Dat door [verweerster] aan de SFB af te dragen pensioenpremie volgens de wet17.binnen tien dagen na afloop van elk kalenderkwartaal diende te worden voldaan, maakt dat niet anders.
3.1.7. Het bovenstaande brengt mee dat de rechtbank op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat de vordering van [eiser] zou zijn verjaard krachtens art. 2012 (oud) BW.
Het hiertegen gerichte onderdeel 1 van het middel treft m.i. doel.
Ik voeg hieraan toe dat de opvatting van de rechtbank m.i. tot maatschappelijk ongewenste gevolgen kan leiden. Het is voor werknemers niet eenvoudig na te gaan of hun werkgever de verschuldigde pensioenbijdragen aan het pensioenfonds afdraagt. Wanneer hierop niet art. 3:308 BW, maar hetzij art. 310, hetzij art. 306 van toepassing wordt geacht, is de kans dat zulke werknemers in hun fundamentele belangen worden gedupeerd althans veel kleiner.
3.2. Onderdeel 2 heeft blijkens zijn aanhef ("Zo één en ander al niet meebrengt dat artikel 2012 BW toepassing mist") een subsidiair karakter.
In de hierboven verdedigde opvatting over onderdeel 1, komt onderdeel 2 niet aan de orde.
3.3.1. Onderdeel 3 heeft ten opzichte van onderdeel 1 een aanvullende betekenis.
Zoals bleek (§ 3.1.2., in fine) heeft de rechtbank betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de opvatting van [eiser] ertoe zou leiden dat ten opzichte van het SFB een andere verjaringstermijn zou gelden dan ten opzichte van [eiser].
Op zichzelf terecht betoogt onderdeel 3 dat die overweging er niet toe kan leiden dat de verjaringstermijn van art. 2012 óók in de verhouding . [verweerster]-[eiser] zou moeten gelden. Er is immers sprake van verschillende verbintenissen (enerzijds [verweerster]-SFB, anderzijds [verweerster]/[eiser]) .
3.3.2. Het komt mij overigens voor dat de rechtbank niet beoogd heeft haar beslissing zelfstandig op de hier aangevallen overweging te doen steunen, maar het onderdeel is zoverre gegrond dat het terecht stelt dat de bestreden beslissing in de hier bedoelde overweging ook niet (zelfstandig) steun zou kunnen vinden.
3.4.1. Onderdeel 4 bestaat uit twee elementen.
Ten eerste klaagt het erover dat de rechtbank de primaire en de subsidiaire vordering ten onrechte over één kam heeft geschoren. Art. 3:312 zou op de onderhavige situatie niet van toepassing zijn omdat de in dat wetsartikel bedoelde situatie zich hier niet voordoet.
Ten tweede is, volgens het onderdeel (bij een welwillende interpretatie daarvan18.), onjuist dat de regel van art. 3:312 al onder het oude recht zou gelden, zoals de rechtbank meent19..
3.4.2. Bij de klachten van dit onderdeel heeft [eiser] naar mijn inzicht, indien men onderdeel 1 gegrond acht, geen belang. Acht men het oordeel van de rechtbank dat de primaire vordering verjaard is, onjuist, dan vervalt dat over de subsidiaire vordering (door de rechtbank als nevenvordering aangemerkt) vanzelf.
Overigens ben ik het met het middel eens dat hier geen sprake is van een nevenvordering in de zin van art. 3:312, zodat de eerste klacht op zichzelf gegrond is.
3.4.3. Tijdens de parlementaire behandeling van het ontwerp van Boek 3 BW is als ratio van de regeling van art. 312 genoemd:
"De verjaring behoort ten aanzien van zulke verplichtingen, welker ontstaan afhankelijk is van het bestaan van een hoofdverplichting, niet later in te treden dan het, eventueel door stuiting of verlenging opgeschoven, einde van de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot nakoming van die hoofdverplichting. "20.
Een regel als die van art. 3:312 ontbrak in het oude BW21.. Voor anticipatie komt zij niet in aanmerking, omdat zij moet worden gezien in samenhang of tegen de achtergrond van de andere verjaringsregels van het nieuwe BW22..
Ook de tweede klacht - wil men die in het middel lezen - is derhalve gegrond.
4. Conclusie
Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch en tot veroordeling van de niet verschenen verweerster in de kosten.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑05‑1993
HR 24 januari 1975, NJ 1975, 244 m.nt. G.J. Scholten (over het met art. 2012 [oud] BW corresponderende artikel van het Ned. Ant. BW) .
Aldus: TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 920. Zie ook m.v.a. II, ibid., p. 921 en m.v.t. Inv., Parl. Gesch. Inv. Boek 3, p. 1412-1413.
Vgl. bijv. Pitlo-Hidma, Bewijs en verjaring, 1981, 236.
Besluit van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 28 november 1968, Stort. 1968, 246.
Stb. 1949, J 121, ed. S. & J., nr. 84.
Stb. 1952, 27, ed. S. & J., nr. 117.
Vonnis van 23 okt. 1990, waarin de rechtbank besliste dat de kantonrechter zich ten onrechte onbevoegd had verklaard.
Cursivering toegevoegd.
Vgl. in die zin ook E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, diss. VU, 1989, § 12.10.1., p. 226. Enigszins anders (althans in de formulering): Th.L.J. Bodt, Pensioen en privaat- recht, diss. KUN 1979, p. 13.
S&J 84
Minister Roolvink van Sociale Zaken en Volksgezondheid tijdens een mondeling overleg met een commissie uit de Tweede Kamer, kamerst [II, 1970-1971], 10216, nr. 7, p. 3., l.k.
zie het in noot 2 genoemde arrest.
R.o. 3, p. 3, 2e al.
zie: H.L. Bakels, Schets van het Nederlands arbeidsrecht, 1991, p. 59; Lutjens, t.a.p., p. 427, Asser-Coehorst-De Leede-Thunnissen (1988), nr. 316 (p. 213); P.J. Bindels, Pensioen en recht, recht op pensioen, in: Jaardossier pensioenen en levensverzekeringen, 1992, p. 53. Het inmiddels ingetrokken art. 7.10.4.6 lid 2 van ontwerp NBW bepaalde: 'Een toezegging omtrent pensioen dat door de werkgever of door een derde zal worden voldaan, wordt niet als loon be- schouwd.' Daarover: SER-advies titel 7.10 NBW: de arbeidsovereenkomst, publ. nr. 20 - 20 september 1991, p. 10 (nr. 3.3).
Het zegt dat de regel van art. 3:312 (volgens de rechtbank) ook als tevoren geldend recht zou moeten worden beschouwd. De schriftelijke toelichting stelt expliciet dat het hier om nieuw recht gaat.
p. 3, voorlaatste al., voorlaatste zin.
M.v.a. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 926 m.b.t. art. 3.11.13a. Dit artikel komt overeen met art. 3.11.13ab, bet huidige art. 3:312. Zie verder m.v.t. Inv., Parl. Gesch. Inv. Boek 3, p. 1414.
zie ook Asser-Hartkamp 4-I, 1992, nr. 676, p. 630.
zie art. 73 )w. (uitgestelde werking). Vgl. ook A.M.J. Van Buchem-Spapens, Anticipatie, Mon. Nieuw BW A-23, 1986, p. 48.