Einde inhoudsopgave
RvdW 1993, 171
HR, 10-09-1993, nr. 15.063
HR 10-09-1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1054
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10 september 1993
- Magistraten
Martens, Roelvink, Mijnssen, Heemskerk, Swens-Donner
- Zaaknummer
15.063
- LJN
ZC1054
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Onrechtmatige daad
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1993:ZC1054, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑09‑1993
ECLI:NL:PHR:1993:52, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑05‑1993
- Wetingang
BW art. 1401 (oud); BW art. 2021 (oud); BW art. 3:312; BW art. 6:162; Wet BPF art. 3; PSW art. 1 lid 6
Essentie
Onrechtmatige daad; nalaten van het doen van wettelijk verplichte periodieke betalingen aan een derde (afdracht door werkgever van ouderdomspensioenspremies aan het bedrijfspensioenfonds). Schadevergoeding. Verjaring vordering werknemer jegens werkgever. Anticipatie.
Samenvatting
Op een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig nalaten van periodieke betalingen is art. 2012 (oud) BW niet (analogisch) van toepassing. Dat geldt óók indien het gaat om nalaten van het doen van periodieke betalingen aan een derde die ter zake een eigen invorderingsrecht heeft dat wèl onderworpen is aan deze bepaling.
Voor toepassing van de voor het huidige recht in art. 3:312 BW neergelegde regel ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.