Einde inhoudsopgave
RvdW 1995, 46
HR, 24-02-1995, nr. 15462
HR 24-02-1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1642
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24 februari 1995
- Magistraten
Royer, Roelvink, Mijnssen, Korthals Altes, Neleman
- Zaaknummer
15462
- LJN
ZC1642
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Personen- en familierecht / Afstamming en adoptie
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Discriminatieverbod
Erfrecht / Algemeen
EU-recht (V)
Personen- en familierecht / Personenrecht
Europees belastingrecht / Discriminatie
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1995:ZC1642, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑02‑1995
- Wetingang
BW art. 1:2; BW art. 1:215; BW art. 1:219; BW art. 1:221; BW art. 1:222; BW art. 4:879; EVRM art. 8; EVRM art. 14
Essentie
Brieven van wettiging; geen terugwerkende kracht. Erfrechtelijke positie niet-erkend kind; family life art. 8 EVRM; rechtsvormende taak rechter.
Samenvatting
Nu ingevolge art. 1:219, eerste lid, BW de wettiging bedoeld in art. 215 eerst werkt van de dag waarop de brieven van wettiging zijn verleend, kan een eventuele toewijzing van het verzoek tot het verlenen van brieven van wettiging niet meebrengen dat het kind (alsnog) erfgenaam zal blijken te zijn van zijn vooroverleden biologische vader.
In het midden kan blijven of tussen het kind en zijn vooroverleden vader een als ‘family life’/‘vie familiale’ te qualificeren rechtsbetrekking bestaat ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.