Einde inhoudsopgave
RvdW 2007, 467
Wet Bopz. Voorlopige machtiging; maatstaf. De rechtbank heeft miskend dat het inleidend verzoek — nu dit strekt tot het verlenen van een voorlopige machtiging — diende te worden beoordeeld op de voet van art. 2 Wet Bopz.
HR 27-04-2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2508
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
27 april 2007
- Magistraten
Mrs. J.B. Fleers, J.C. van Oven, F.B. Bakels, C.A. Streefkerk, W.D.H. Asser
- Zaaknummer
R07/048HR
- Conclusie
A-G Langemeijer
- LJN
BA2508
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:PHR:2007:BA2508, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 27‑04‑2007
ECLI:NL:HR:2007:BA2508, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 27‑04‑2007
Partij(en)
De Officier van Justitie in het arrondissement Rotterdam, verzoeker tot cassatie, adv. mr. D. Stoutjesdijk,
tegen
[Verweerder], te [woonplaats], thans verblijvende te RIJ de Hartelborgt, te Spijkenisse, verweerder in cassatie, niet verschenen.
Voorgaande uitspraak
Hoge Raad:
1. Het geding in feitelijke instantie
De officier van justitie in het arrondissement Rotterdam heeft bij een, op 7 december ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.