Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.4.2.3
4.4.2.3 Heropening getuigenverhoor in zelfde instantie
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS379915:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 september 1996, NJ 1996, 731.
In zijn conclusie voor het arrest noemt A-G Vranken de goede procesorde of misbruik van recht als een algemene veiligheidsklep bij het door hem voorgestelde uitgangspunt dat aan een verzoek tot heropening van een getuigenverhoor in eerste aanleg noch in appèl andere eisen mogen worden gesteld dan die welke ingevolge de heersende leer en de vaste rechtspraak aan ieder ander aanbod tot getuigenbewijs worden gesteld. De Hoge Raad lijkt iets minder ruimhartig dan Vranken, nu hij de vraag of een heropening moet worden toegelaten afhankelijk maakt van een afweging van belangen, terwijl de toelaatbaarheid van een verhoor na een daartoe strekkend eerste aanbod niet van een dergelijke afweging afhankelijk is. Dan staat immers het recht op getuigenbewijs voorop, zonder dat het belang van een voortvarende procesvoering daaraan kan afdoen.
NJ 1926, p. 813 (P5).
HR 8januari 1920, NJ 1920, p. 177.
HR 15 februari 2002, NJ 2002, 198.
Vgl. de conclusie van A-G Wesseling-van Gent onder nr. 3.10, waarin zij opmerkt dat de wet er niet aan in de weg staat dat uitstel van een enquête wordt verleend indien een bij gewone brief opgeroepen getuige niet verschijnt. De beslissing van de rechter berust volgens haar dan op een discretionaire bevoegdheid: 'Leidraad hierbij, dunkt mij, is de goede procesorde', aldus de A-G.
235. Partijen zijn in het algemeen bevoegd om, nadat reeds een getuigenverhoor is gehouden, heropening van het verhoor te verzoeken. In het arrest Van der Woude/ Nedlloyd1 oordeelde de Hoge Raad dat de wet geen grondslag biedt voor een restrictief stelsel waarin heropening uitsluitend toelaatbaar is ingeval van nieuwe feiten of bijzondere omstandigheden. Wordt een heropening van het getuigenverhoor verzocht, dan komt het volgens de Hoge Raad aan op een afweging van het belang van een voortvarende procesvoering tegen het belang van waarheidsvinding, ter vaststelling van hetgeen een goede procesorde meebrengt:
'Met het oog op het belang van een voortvarende procesvoering is in het algemeen gewenst dat een procespartij alle getuigen ten aanzien van wie redelijkerwijs valt te verwachten dat hun verklaringen tot het door haar te leveren (tegen)bewijs kunnen bijdragen, voorbrengt alvorens het verhoor aan haar zijde wordt gesloten. Daartegenover staat evenwel het belang van de waarheidsvinding in rechte, welk belang kan vereisen dat ook na de sluiting van enquête en contra-enquête nog getuigen worden gehoord.
Gezien dit laatste belang dient een partij in het algemeen de bevoegdheid toe te komen heropening van het verhoor te verzoeken, zij het dat deze bevoegdheid, mede gelet op het belang van een voortvarende procesvoering, haar begrenzing vindt in de eisen van een goede procesorde. De rechter die met een beroep op deze eisen een verzoek om heropening afwijst, dient evenwel gemotiveerd aan te geven waarom die eisen in het betrokken geval, mede gezien een op dat geval toegespitste afweging van de hiervoor bedoelde belangen, aan inwilliging van het verzoek in de weg staan.'2
Reeds in zijn arrest van 22 april 19263 overwoog de Hoge Raad dat de wet zich over de vraag van het andermaal horen van getuigen in dezelfde instantie niet uitlaat en dat de beoordeling van de toelaatbaarheid daarvan aan het 'beleid des rechters' is overgelaten. Daarom kon het hof zonder schending van enig wetsartikel volgens de Hoge Raad ook beslissen dat, het met een goede procesorde in strijd zou zijn om een partij in hoger beroep tot een getuigenverhoor toe te laten, in het geval dat in eerste aanleg en in hoger beroep reeds een getuigenverhoor had plaatsgehad.
Men vergelijke het arrest Schrijen-Tychon/Nysten-van der Booren4, waarin de Hoge Raad overwoog dat het in het algemeen in strijd is met een goede procesorde om, nadat een procesvoerende partij de gelegenheid is geschonken om bewijs door getuigen te leveren van feiten, haar nogmaals de gelegenheid te geven om andere feiten door het doen horen van getuigen te bewijzen. Een opeenstapeling van getuigenverhoren zou immers de procedure rekken. Indien de rechter dit wil voorkomen, kan de partij die om een nieuw getuigenverhoor verzocht zich daar volgens de Hoge Raad niet over beklagen, aangezien zij voordat het vonnis met de bewijsopdracht werd gewezen, alleszins de gelegenheid had om op behoorlijke wijze bij conclusie te verzoeken om door het verhoor van getuigen die feiten te bewijzen die zij ter zake dienend achtte.
Of deze overwegingen houdbaar zijn in het licht van het arrest Van der Woude/Nedlloyd, valt zeer te betwijfelen. Ook als het om het bewijs van andere feiten gaat, dan waartoe het eerste getuigenverhoor diende, ligt een restrictieve uitleg van art. 166 lid 1 Rv niet in de rede. Verondersteld mag worden dat het antwoord op de vraag of een verzoek tot het nogmaals horen van getuigen ten bewijze van andere feiten kan worden toegewezen, eveneens afhangt van een afweging van het belang van de waarheidsvinding tegen het belang van een voortvarende procesvoering, en daarmee sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval. Of deze afweging in het algemeen tot de uitkomst leidt dat honorering van een dergelijk verzoek in strijd komt met de goede procesorde, valt moeilijk te zeggen.
236. Denkbaar is dat een partij om heropening van het getuigenverhoor verzoekt, omdat een door haar opgeroepen getuige niet is verschenen ter gelegenheid van het eerder gehouden getuigenverhoor. Ingeval de betreffende getuige was opgeroepen bij aangetekende brief, schrijft art. 171 Rv voor dat de rechter alsdan een nieuwe dag voor het verhoor van die getuige bepaalt, waartegen die getuige bij exploot kan worden opgeroepen. In het arrest Kizilay/Kijk en Luister5 heeft de Hoge Raad beslist dat deze regel echter alleen geldt indien de getuige is opgeroepen op de door de wet, thans in art. 170 Rv, voorgeschreven wijze. Dat houdt in dat de getuige ten minste een week voor het verhoor bij exploot of aangetekende brief is opgeroepen en dat de oproeping melding maakt van dag, uur en plaats van het verhoor, van de feiten waarvan bewijs moet worden geleverd en van de gevolgen verbonden aan het niet verschijnen ter zitting. Blijkt in de procedure niet dat aan die eisen is voldaan, dan is de vraag of de niet verschenen getuige alsnog kan worden gehoord, afhankelijk van hetgeen de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen. De Hoge Raad besliste in genoemd arrest immers dat in een dergelijk geval:
'de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval met inachtneming van de eisen van een behoorlijke rechtspleging [dient] te beslissen over de vraag of alsnog gelegenheid tot het horen van getuigen zal worden geboden.6
Ook dan zal het belang van waarheidsvinding moeten worden afgewogen tegen het belang van een voortvarende procesvoering. De mate waarin het niet verschijnen van de getuige aan de oproepende partij kan worden verweten, doordat zij welbewust heeft afgezien van een oproeping per exploot of aangetekende brief, kan daarbij mede een rol spelen. Voorts denke men aan factoren als de mate waarin ander bewijsmateriaal voorhanden is en mogelijk ook de geloofwaardigheid op het eerste gezicht van de stellingen waarvoor het verhoor van de getuige werd verzocht. Heeft de wederpartij geen bezwaar tegen een nieuwe dagbepaling voor het verhoor van de niet verschenen getuige, dan zal de rechter een verzoek daarom naar mijn mening alleen mogen weigeren indien inwilliging van dat verzoek een onredelijke vertraging van het geding tot gevolg zou hebben. Ingevolge art. 20 Rv is de rechter immers gehouden, zo nodig ambtshalve, erop toe te zien dat een onredelijke vertraging wordt voorkomen.