De goede procesorde
Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.4.2.4:4.4.2.4 Getuigenbewijs na verwijzing in cassatie
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.4.2.4
4.4.2.4 Getuigenbewijs na verwijzing in cassatie
Documentgegevens:
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS378665:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 mei 1997, NJ 1998, 237 (HJS).
Zie nr. 13 van de conclusie. In HR 23 september 1993 (Berk/Van Wijngaarden), NJ 1994, 227, sprak de Hoge Raad uit dat de formulering van een bewijsopdracht in een interlocutoir vonnis steeds een voorlopig karakter heeft.
Zie nr. 16 van de conclusie en Hl Snijders, annotatie onder nr. 2 van het arrest Caransa/Ldske. Zie ook HR 10 september 1993 (De Kraa/Van der Bruggen), NJ 1994, 272 (MA).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
237. Dat de goede procesorde ook bepalend kan zijn voor het antwoord op de vraag of in de procedure volgend op een verwijzing in cassatie meer getuigen kunnen worden gehoord, dan door de appèlrechter in de procedure voor cassatie werd toegelaten, blijkt uit het arrest Caransa/Lüske.1, In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat het enkele feit dat het hof vóór verwijzing had geoordeeld dat het aanbod van een partij tot het horen van getuigen zich toen beperkte tot een aantal met name genoemde getuigen en dat dit oordeel in cassatie niet werd bestreden, er niet aan in de weg stond dat de raadsheer-commissaris na verwijzing ter uitvoering van die vóór verwijzing gegeven, niet bestreden, bewijsopdracht ook andere door de betreffende partij alsnog opgegeven getuigen zou horen. Dat het bewijsaanbod vóór cassatie slechts het horen van een beperkt aantal getuigen betrof, houdt immers volgens de Hoge Raad niet in dat de partij die dat aanbod deed, daarmee het recht heeft prijsgegeven om nog andere dan de aanvankelijk genoemde getuigen voor te brengen. Dat recht vindt evenwel zijn grens waar strijd ontstaat met de goede procesorde, maar daarvan zal, gelet op het belang van waarheidsvinding in rechte, niet spoedig sprake zijn, aldus de Hoge Raad.
Na verwijzing in cassatie had het hof geoordeeld dat de vóór cassatie bij tussenarrest gegeven bewijsopdracht in cassatie niet was bestreden en dat er daarom geen ruimte was om van dat tussenarrest af te wijken. De rechter die na cassatie en verwijzing dient te oordelen, is daarbij immers gebonden aan de niet (met succes) aangetaste overwegingen in het beroepen vonnis of arrest, zoals deze door de Hoge Raad zijn uitgelegd en/of gepreciseerd, alsmede aan de beslissingen van de Hoge Raad zelf, aldus het hof. De Hoge Raad gaat niet expliciet op de problematiek van de bindende kracht van het tussenarrest met de bewijsopdracht in, maar kennelijk is hij van oordeel dat die bindende kracht er niet aan in de weg staat dat volgend op dat tussenarrest, een nieuwe, aanvullende bewijsopdracht wordt gegeven. Dat het geding zich in het stadium van verwijzing na cassatie bevindt, lijkt daarbij niet eens van belang. Evengoed zou het hof vóór de procesgang in cassatie alsnog hebben kunnen toestaan meer getuigen te horen. Weliswaar is dan van een definitieve, onaantastbare bewijsopdracht geen sprake - tegen het tussenarrest waarin die bewijsopdracht werd gegeven staat immers nog tezamen met het eindarrest beroep in cassatie open - maar doorslaggevend lijkt dit verschil niet te zijn. Men bedenke dat, zoals A-G Vranken in zijn conclusie voor het arrest opmerkt, de gegeven bewijsopdracht geen bindende eindbeslissing inhoudt ten aanzien van het aantal te horen getuigen.2 Een nieuwe, aanvullende bewijsopdracht doet dan ook geen afbreuk aan de eerder gegeven bewijsopdracht.
Het aanbod van een partij om bepaalde, met name genoemde getuigen te doen horen, betekent voorts, zo blijkt uit het arrest, niet dat die partij afstand doet van haar recht om ook nog andere getuigen te doen horen.3 Heel wel denkbaar is immers dat het horen van bepaalde getuigen, gelet op het belang van de waarheidsvinding in rechte, aanleiding geeft om ook andere, niet op voorhand al genoemde, getuigen te horen.