Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.9.2:17.9.2 Onschuldpresumptie legt gebruik bewijsvermoedens aan banden
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.9.2
17.9.2 Onschuldpresumptie legt gebruik bewijsvermoedens aan banden
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492310:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
R.o. 4.5.2.
HR 13 mei 2011, NTFR 2011/1146 (m.comm. Jansen).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Eerder bleek dat het EHRM de verdragsstaten de ruimte laat om een criminal charge te bewijzen met behulp van ficties of vermoedens. Dat komt niet zonder meer in strijd met de onschuldpresumptie in art. 6, lid 2 EVRM. Bij het gebruik van (wettelijke) vermoedens moet wel rekening worden gehouden met de rechten van de verdediging. De rechter moet het bewijs moet kunnen wegen, beoordelen en vervolgens de schuld kunnen vaststellen. De belastingkamer van de HR heeft hieraan invulling gegeven in enkele arresten waarin fiscale vergrijpboetes steunen op bewijsvermoedens. Uit het arrest van 15 juli 1988, nr. 24 483, volgt het uitgangspunt dat de onschuldpresumptie met zich meebrengt dat de vervolgende autoriteit moet bewijzen dat alle bestanddelen van het aan de verdachte ten laste gelegde feit zijn verwezenlijkt, en de verdachte niet mag worden belast met het bewijs van het tegendeel.1 Het (te ruime) gebruik van bewijsvermoedens kan hiermee in strijd komen.
Dat de onschuldpresumptie het gebruik van bewijsvermoedens in fiscale boetezaken aan banden legt, volgt uit de uitspraak van de belastingkamer van de HR van 15 april 2011, nr. 09/03075, inzake navorderingsaanslagen en boetes opgelegd aan een door de Belastingdienst geïdentificeerde, weigerachtige rekeninghouder bij KBLux.2 Nadat de belastingkamer vaststelt dat de inspecteur volgens de normale bewijsregels moet bewijzen dat per (onjuiste en/of onvolledige) belastingaangifte sprake is van opzet of grove schuld bij het doen van die aangifte, zet zij vrij uitvoering uiteen hoe het bewijs voor boeteoplegging geleverd kan worden. Beperk ik mij tot de onschuldpresumptie, dan zijn twee overwegingen van belang.
Ten eerste formuleert de belastingkamer als uitgangspunt, dat aan een belanghebbende geen boete kan worden opgelegd ter zake van een beboetbaar feit waarvoor het bewijs dat hij dit heeft gepleegd, ontbreekt. De omstandigheid dat een belanghebbende heeft geweigerd de door de inspecteur van hem gevraagde inzage te verschaffen, levert op zichzelf geen bewijs op van een beboetbaar feit en heeft ook geen invloed op de bewijslastverdeling ter zake. Het gevolg dat art. 27e AWR verbindt aan het niet-nakomen van de inzageplicht houdt gelet de laatste volzin van dit artikel niet in dat de belanghebbende moet bewijzen dat hij geen beboetbaar feit heeft begaan. Een andere opvatting zou ook niet verenigbaar zijn met de door art. 6, lid 2 EVRM gewaarborgde onschuldpresumptie.3
Ten tweede overweegt de belastingkamer dat de onschuldpresumptie met zich meebrengt, dat de inspecteur, binnen de kaders die de rechtspraak van het EHRM daarvoor geeft, het bewijs van een beboetbaar feit kan leveren door het gebruik van vermoedens. Dat mag volgens de belastingkamer niet ertoe leiden, dat de bewijslast wordt verschoven van de inspecteur naar de belanghebbende. Het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen. Het zwijgen van de belanghebbende kan volgens de belastingkamer alleen bijdragen tot het bewijs, voor zover uit de aanwezige bewijsmiddelen al een zodanige verdenking voortvloeit, dat die vraagt om uitleg van de belanghebbende. Dit betekent dat het zwijgen van de verdachte enkel kan meewegen bij het waarderen van de overtuigingskracht van die aanwezige bewijsmiddelen. De weigering om te verklaren levert (dus) geen zelfstandig bewijs voor de boeteoplegging op.4
HR 13 mei 2011, nr. 09/05143
In haar uitspraak van 13 mei 2011, nr. 09/05143, bevestigt de belastingkamer van de HR dat de weigering om inzage in bescheiden te geven geen zelfstandig bewijs voor de boeteoplegging oplevert.5 Die weigering heeft ook geen invloed op de bewijslastverdeling met betrekking tot de boete: de omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege het verzaken van de inzageplicht, houdt niet in dat de belanghebbende moet bewijzen dat hij geen beboetbaar feit heeft begaan. Dit gelet op de laatste volzin van art. 27e AWR (oud).6 Een andere opvatting zou volgens de raad ook niet verenigbaar zijn met de onschuldpresumptie.