Pandrecht op aandelen
Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.4.2:3.4.2 Toekenning
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.4.2
3.4.2 Toekenning
Documentgegevens:
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706225:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie de opsomming van rechten in §3.4.1. Het verbetert bijvoorbeeld zijn informatiepositie.
Zie Schreurs 2013, p. 54; Vermeulen 2000, p. 59.
Zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 88-89 (MvT).
Vgl. Renshof 2023, p. 13; Orban 2017, p. 580-581; Schwarz 2014, p. 177; Wolf, 2013, p. 298-301; De Kluiver & Meinema 2002, p. 652-653.
In gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/85; Orban 2017, p. 580-581.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
104. Een pandhouder kan bij statuten certificaathoudersrechten worden toegekend. Omdat de pandhouder deze rechten bij de verpanding van nv-aandelen in beginsel vanzelf verkrijgt, zal het bij de toekenning dus meestal gaan om bv-aandelen. Het uitgangspunt bij de verpanding van bv-aandelen is namelijk dat de pandhouder zonder stemrecht zulke rechten niet krijgt. De toekenning van certificaathoudersrechten kan echter wel in zijn belang zijn. Het versterkt zijn positie binnen de vennootschap aanzienlijk.1 Aan de verlening van die rechten aan de pandhouder kan echter een belangrijk nadeel kleven. Dat komt omdat een pandhouder door de toekenning van certificaathoudersrechten vergadergerechtigd wordt, waardoor voor besluitvorming buiten vergadering zijn instemming is vereist (art. 2:238 lid 1 BW). In de praktijk lijkt men dat als een belemmering te ervaren.2 Mijns inziens zou dat echter geen belemmering hoeven zijn. De ratio achter de instemmingseis is dat minderheidsaandeelhouders en andere vergadergerechtigden niet tegen hun wil mogen worden geconfronteerd met besluitvorming door meerderheidsaandeelhouder(s) zonder dat overleg heeft plaatsgevonden in een algemene vergadering.3 Gelet daarop zou de pandhouder een (herroepbare) doorlopende algemene instemming kunnen verlenen voor besluitvorming buiten vergadering.4 Ook instemming achteraf lijkt mij geldig.
105. Heeft een pandhouder geen certificaathoudersrechten, dan verkrijgt hij deze rechten alsnog indien het stemrecht later op hem overgaat. Het is daarvoor niet steeds nodig dat het stemrecht van alle aan hem verpande aandelen op hem overgaat. Voor de uitoefening van bepaalde certificaathoudersrechten is het namelijk al voldoende dat het stemrecht van één aandeel op hem overgaat. Denk daarbij aan het recht opgeroepen te worden voor de algemene vergadering (art. 2:113/223 lid 1 en 2 BW), het recht om de algemene vergadering bij te wonen en daarin het woord te voeren (art. 2:117/227 lid 1 BW), en het recht op het verkrijgen van inlichtingen tijdens de algemene vergadering (art. 2:117/217 lid 2 BW). Is voor de gerechtigdheid een bepaalde hoeveelheid aandelen relevant, dan is het nodig dat er meer dan één stem overgaat op de pandhouder. Voorbeelden van zulke rechten zijn het agenderingsrecht (art. 2:114/224a lid 2 jo. lid 1 BW) en het recht een enquêteverzoek in te dienen (art. 2:346 lid 1 BW).
Indien de overgang van stemrecht op de pandhouder is onderworpen aan de opschortende voorwaarde dat sprake is van een opeisingsgrond zoals bepaald in de financieringsovereenkomst en de mededeling van de pandhouder dat hij het stemrecht wenst te verkrijgen, dan kan hij in het geval van een opeisingsgrond zelf bewerkstelligen dat hij certificaathoudersrechten verkrijgt. Deze stemrechtovergang zorgt echter niet ervoor dat de pandgever zijn andere zeggenschapsrechten verliest. Door stemrechtovergang ontvalt hem slechts het stemrecht. Is het wel de bedoeling dat de pandgever bepaalde zeggenschapsrechten na stemrechtovergang (tijdelijk) verliest, dan zou de pandgever mijns inziens al ten tijde van de verpanding kunnen afzien van bepaalde zeggenschapsrechten gedurende de periode dat de pandhouder stemgerechtigd is, zoals zijn vergaderrecht.5 Verder meen ik dat het bij bv-aandelenverpanding mogelijk is dat de pandgever bij of na verpanding onherroepelijk afziet van of instemming verleent voor besluitvorming buiten vergadering gedurende de periode dat de pandhouder stemgerechtigd is (zie art. 2:238 BW).6 Zowel het afzien van zeggenschapsrechten als de instemming voor besluitvorming buiten vergadering kan mijns inziens onder dezelfde opschortende voorwaarden plaatsvinden als de voorwaarden waaronder het stemrecht overgaat (art. 3:38 lid 1 jo. 3:59 BW). De aard van de rechtshandeling verzet zich daartegen niet, en het past bij het stelsel waarin de pandgever zijn stemrecht aan de pandhouder kan toebedelen.