Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/6.3.2:6.3.2 Artikel 2:10 BW tijdens surseance van betaling
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/6.3.2
6.3.2 Artikel 2:10 BW tijdens surseance van betaling
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180194:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
S.C.J.J. Kortmann, ‘De curator, de bewindvoerder en de organen van de vennootschap en onderneming’, in: Het faillissement in de tijd van Molengraaff en nu (Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1993, p. 127.
Zie ook C.M. van der Heijden, Insolventie en rechtspersoon (diss. Amterdam VU), Serie Recht en Praktijk, nr. 96, Deventer: Kluwer 1996, p. 170.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Over de eventuele gevolgen van het uitspreken van surseance van betaling voor de toepasselijkheid van de administratieplicht op de sursiet en/of de bewindvoerder is nauwelijks literatuur beschikbaar.
In zijn preadvies uit 1993 heeft Kortmann het standpunt ingenomen dat de administratieplicht van artikel 2:10 BW tijdens de surseance van betaling van de rechtspersoon onverkort geldt voor de bestuurders van de rechts persoon. Hij voegt daaraan toe dat artikel 2:10 BW zich niet richt tot de bewindvoerder en dus op hem niet van toepassing is.1 Hoewel het bestuur tijdens de surseance van betaling niet zelfstandig bevoegd is tot het beheer en het beschikken over het vermogen van de gefailleerde rechtspersoon, is de taak van de bewindvoerder in vergelijking met die van de curator in faillissement beperkt. Omdat het beheer en het beschikken over het vermogen van de rechtspersoon blijft rusten bij het bestuur, ligt het ook voor de hand dat de daarmee samenhangende verplichting tot het voeren van een administratie ook bij het bestuur van de rechtspersoon blijft rusten.
Ook C.M. van der Heijden stelt zich op dit standpunt.2 Hij onderbouwt dit door te stellen dat anders dan de curator de bewindvoerder het beheer niet overneemt. Het is de rechtspersoon die verplicht blijft tot het voeren van een administratie. Hij voegt daaraan toe dat de bewindvoerder niet op grond van de Faillissementswet en ook niet op grond van Boek 2 BW aan de administratieplicht is onderworpen.