Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/10.3.3
10.3.3 Het NVB-model en het arrest Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS417158:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Kortmann en Minister Hirsch Ballin beantwoordden de eerste vraag bevestigend. Zie: Kortmann 1991, p. 178; Aanhangsel van de Handelingen I (1991-1992), p. 30; Vriesendorp, Wessels en Heyman beantwoordden de eerste vraag ontkennend. Zie: Vriesendorp 1992, p. 151; Wessels, ‘Reactie’, in: WPNR 6051(1992), p. 391; Heyman 1992, p. 840.
Minister Hirsch Ballin beantwoordde de tweede vraag ontkennend. Zie:. Aanhangsel van de Handelingen I (1991-1992), p. 30. Vgl. Vriesendorp 1992, p. 151; Wessels, ‘Reactie’, in: WPNR 6051 (1992), p. 391; Heyman 1992, p. 840. Reehuis beantwoordde de tweede vraag bevestigend, omdat volgens hem de vordering ook naar haar inhoud in voldoende mate door de akte moest worden bepaald zoals door het aangeven van schuldenaar en grondslag. Zie: Reehuis 1989, p. 71-2. Brahn leek ook het vereiste te stellen dat de naam van de schuldenaren van de vorderingen in de akte werd vermeld. Zie: Brahn 1991, p. 112.
Vriesendorp 1992, p. 150 noot 13; Van Mierlo 1993, p. 134 e.v.
Art. 86 Overgangswet Nieuw BW.
Zie: §10.3.2.
Rechtbank Dordrecht 17 november 1993, NJ 1994/101 (Spaarbank Rivierenland/ Gispen q.q.).
Rechtbank Dordrecht 17 november 1993, NJ 1994/101 (Spaarbank Rivierenland/ Gispen q.q.).
Hierin waren dus de door Vriesendorp aangevoerde bezwaren herkenbaar. Vgl. Vriesendorp 1992, p. 151.
In zijn conclusie bij HR 14 oktober 1994, NJ 1995/447 (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.) m.nt. W.M. Kleijn, nr. 15
In zijn conclusie bij HR 14 oktober 1994, NJ 1995/447 (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.), nr. 9.
In zijn conclusie bij HR 14 oktober 1994, NJ 1995/447 (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.), nr. 10.
HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265.
Vgl. §8.4.4.
Vgl. §9.4.6.1.
In zijn conclusie bij HR 14 oktober 1994, NJ 1995/447 (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.), nr. 12.
HR 14 oktober 1994, NJ 1995/447 (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.). Direct na het ter rolle uitgesproken dictum maakte Snijders vermelding van dit arrest in het Advocatenblad. Zie: Snijders, ‘NVB-model vestiging stil pandrecht volgens Hoge Raad geldig’, in: Advocatenblad 1994, p. 897-8. Vgl. Rank-Berenschot, ‘Hoge Raad sanctioneert vereenvoudigde registratie pandakten’, in: Bb 1994, p. 210-1.
In de literatuur stond ter discussie of het NVB-model in overeenstemming was met het registratievereiste1 en of de aanduiding van de vorderingen in de pandakte voldeed aan het bepaaldheidsvereiste2.
Om onzekerheid over de verpanding conform het NVB-model de wereld uit te helpen, hebben de opstellers van dit model een proefprocedure gestart.3 De feiten waren als volgt. Vóór de invoering van het BW waren partijen een stamcessie-overeenkomst aangegaan. De schuldenaar, Litho House, verplichtte zich er in deze overeenkomst toe om zijn vorderingen tot zekerheid te cederen aan de schuldeiser, Spaarbank Rivierenland, door periodiek lijsten met vorderingen aan de schuldeiser te sturen. Als gevolg van de invoering van het BW converteerde de verplichting van de schuldenaar om de vorderingen te cederen in de verplichting om de vorderingen te verpanden.4 De schuldenaar voldeed aan deze verplichting door periodiek borderellen te registreren. Deze borderellen voldeden aan het NVB-model, in die zin dat de borderellen verwezen naar niet geregistreerde computerlijsten.5
Vervolgens ging Litho House failliet en wilde Spaarbank Rivierenland de verpande vorderingen innen. De curator van de Litho House verzette zich hiertegen. Volgens de curator voldeden de borderellen niet aan de ‘blijkens de wetsgeschiedenis en ratio van art. 3:239 aan de onderhandse akte te stellen eisen, omdat de vorderingen daarin – met uitzondering van de eerste en de laatste op de computerlijst vermelde vordering – onvoldoende omschreven’ waren.6 Bovendien meende hij dat geen pandrecht tot stand was gekomen, omdat de akte weliswaar voor faillissement ter registratie was aangeboden, maar zij pas na de faillietverklaring door de inspecteur was geregistreerd. Spaarbank Rivierenland stapte naar de rechter en vorderde onder meer een verklaring voor recht dat de op de computerlijsten vermelde vorderingen waren verpand.
De rechtbank oordeelde dat uit het wettelijke systeem voortvloeide dat de pandakte in ieder geval moest vermelden wie de debiteur van de verpande vordering was.7 Volgens de rechtbank moest het bepaaldheidsvereiste strikt worden geïnterpreteerd. Zij leidde uit de totstandkomingsgeschiedenis van het BW af dat het de bedoeling van de wetgever was om ‘onnauwkeurigheden of onregelmatigheden’ die het gevolg waren van de zekerheidsoverdracht en die nadelig waren voor derden, te voorkomen. De rechtbank wees onder meer op het gevaar dat partijen de computerlijsten na de registratie nog zouden aanpassen of manipuleren met handhaving van de eerste en de laatste vordering die de zekerheidsgever in de pandakte had vermeld.8 Over het vereiste van registratie oordeelde zij dat het moment van aanbieding van de akte doorslaggevend was in het bepalen van de totstandkoming van het pandrecht.
Spaarbank Rivierenland stelde tegen het vonnis van de rechtbank cassatieberoep in bij de Hoge Raad. A-G Hartkamp huldigde in zijn conclusie het oordeel van de rechtbank dat de dag waarop partijen de akte aanboden, gold als de dag van registratie. Hij verdedigde het oordeel van de rechtbank door onder meer te wijzen op de analogie met artikel 3:19 BW waarin is geregeld dat de aanbieding van een akte (inhoudende een beschikkingshandeling ten aanzien van een registergoed) als het moment van inschrijving geldt.
Hartkamp ging in op de discussie in de literatuur of uit het vereiste van registratie voortvloeit dat alle vorderingen afzonderlijk in de geregistreerde pandakte moeten worden aangeduid.9 Volgens Hartkamp was registratie gericht op het voorkomen van antedatering, maar vloeide daar niet uit voort dat alle vorderingen afzonderlijk in de geregistreerde pandakte moeten worden aangeduid. Hij meende dat een afzonderlijke aanduiding ook niet kan voorkomen dat partijen fraudeerden. Overigens vermoedde hij dat partijen als gevolg van de erkenning van het NVB-model weinig zouden frauderen, omdat banken normaliter bona fide zijn en het manipuleren van boekhoudingen en computerlijsten geen eenvoudige opgave is. Anders dan de rechtbank, meende Hartkamp dat het bepaaldheidsvereiste niet in de weg stond aan de vestiging van pandrechten op vorderingen door de registratie van borderellen waarin de schuldenaar verwees naar computerlijsten. Ter ondersteuning van deze stelling analyseerde hij de interpretatie van het bepaaldheidsvereiste in de literatuur en rechtspraak van voor de invoering van het BW en in de discussie in het parlement in het totstandkomingsproces van het BW. In de literatuur werd het bepaaldheidsvereiste zo begrepen dat ‘naar objectieve criteria dient te kunnen worden vastgesteld welk goed is overgedragen.’10 Hiervoor was niet vereist dat partijen de naam van de debiteur in de akte vermeldden. De Hoge Raad had in het verleden niet het vereiste gesteld dat de vordering zelf moest zijn beschreven in de cessieakte onder vermelding van de naam van de debiteur of het factuurnummer.11 In het Solleveld II-arrest had de Hoge Raad immers geoordeeld dat ‘de over te dragen vordering reeds ten tijde van de cessie ook naar haar inhoud in voldoende mate door (cursief, VvH) de akte van cessie bepaald was.12 Hartkamp schreef dat door de akte niet hetzelfde was als in de akte.13 Bij de totstandkoming van het BW hadden de Ministers en parlementariërs niet beoogd om een andere invulling te geven aan het bepaaldheidsvereiste.14 Hartkamp kwam tot de conclusie dat de registratie van het borderel in samenhang met de computerlijsten tot een geldig pandrecht had geleid.15
De Hoge Raad volgde de conclusie van de A-G.16 Het college oordeelde dat bepaaldheid niet mee brengt dat ‘de vordering in de akte zelf moet worden gespecificeerd door vermelding van bijzonderheden zoals de naam van de debiteur, het nummer van de factuur of een aan de debiteur toegekend cliëntnummer. Voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat.’ Volgens de Hoge Raad was dit onder het OBW ook zo en hij trof in de totstandkomingsgeschiedenis niet het verlangen aan om hiervan af te wijken. Over het vereiste van registratie oordeelde hij dat de dag van aanbieding van de akte doorslaggevend was, omdat het vereiste slechts diende om antedatering te voorkomen. De Hoge Raad vond het ‘een te respecteren belang van de aanbieder van de akte dat hij zelf de dag kan bepalen waarop de vereisten voor geldige verpanding zijn vervuld en in zoverre niet afhankelijk is van het tijdsverloop van administratieve handelingen, waarop hij geen invloed heeft.’