Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.4.3.3
3.4.3.3 Rechtspraak: oude en moderne leer
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS476845:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 27 mei 1898, W 1898/7129 en HR 17 januari 1902, W 1902/7710 en HR 2 mei 1924, NJ 1924/849.
HR 7 juni 1929, NJ 1929/1285, m.nt. P. Scholten (Staat/Buitenlandsche Bankvereeniging).
HR 25 februari 1932, NJ 1932/301, m.nt. P. Scholten (Ontvanger/Schermer).
HR 29 december 1933, NJ 1934/343, m.nt. P. Scholten (Fijn van Draat q.q./Crediet- Maatschappij De Nederlanden).
HR 15 maart 1940, NJ 1940/848, m.nt. E.M. Meijers (De Boer/Haskerveenpolder).
Zie bijv. HR 9 december 1932, NJ 1933/301, m.nt. E.M. Meijers: de betaling van loon aan een lasthebber die zijn opdracht niet had vervuld kon als onverschuldigd worden teruggevorderd, ongeacht het (voort)bestaan van de lastgevingsovereenkomst.
Meijers, noot bij HR 9 december 1932, NJ 1933/301.
Zie bijv. Rongen 2012/861.
HR 26 maart 1982, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn (SOS/ABN). Zie nr. 107 voor een korte weergave van deze uitspraak.
HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265, m.nt. W.M. Kleijn (Solleveld II). Zie nr. 210 voor een korte weergave van deze uitspraak.
90. De Hoge Raad heeft door de jaren heen verscheidene opvattingen erop na gehouden over het ontstaansmoment van vorderingen. Onder het regime van het voormalig Burgerlijk Wetboek heeft de Hoge Raad enige tijd een ruime opvatting aanvaard voor het aannemen van het bestaan van vorderingen (de “oude” opvatting). De ruime opvatting ten aanzien van cessie werd door de Hoge Raad begin jaren 1980 uitdrukkelijk verlaten voor een minder ruime benadering (de “moderne” opvatting).
91. De vraag naar het bestaan van vorderingen was in het begin van de twintigste eeuw voornamelijk van belang voor de mogelijkheid om derdenbeslag te leggen. Beslag kon op grond van art. 475 (oud) Rv slechts worden gelegd op bestaande vorderingen. Onder bestaande vorderingen werd door de Hoge Raad aanvankelijk verstaan vorderingen waarvan de verschuldigdheid vaststond ten tijde van het leggen van het beslag, ongeacht of deze vordering reeds opeisbaar was. Slechts in dat geval maakt de vordering onderdeel uit van het verhaalbaar vermogen van de schuldenaar. Dit criterium werd overigens ruim uitgelegd zodat ook beslag kon worden gelegd op onder meer het toekomstig loon onder een bestaande arbeidsovereenkomst en de periodieke uitkeringen die eerst in de toekomst zullen vervallen.1 Deze ruime uitleg gold echter niet voor het derdenbeslag onder een bank (of postgirodienst) ten laste van een rekeninghouder. Derdenbeslag onder een bank raakte slechts de bestaande vordering ter hoogte van het creditsaldo ten tijde van de beslaglegging en niet de vorderingen die nadien op de bank werden verkregen ten gevolge van stortingen door derden, zo bleek uit het Postgiro-arrest.2
In het arrest Ontvanger/Schermer uit 1932 handhaafde de Hoge Raad zijn standpunt dat slechts beslag op bestaande vorderingen mogelijk was, maar hij formuleerde een nieuw criterium om het bestaan van een vordering te mogen aannemen. Voor het leggen van derdenbeslag werd een vordering geacht te bestaan, indien zij haar onmiddellijke grondslag vond in een ten tijde van de beslaglegging reeds bestaande rechtsverhouding.3 Het gelegde derdenbeslag kon daardoor mede het nog niet verschuldigde loon voortvloeiend uit een bestaande arbeidsovereenkomst omvatten. Zijn eerdere oordeel in het Postgiro-arrest werd door de Hoge Raad in het arrest Ontvanger/Schermer nader verklaard door te overwegen dat de vorderingen op de bank uit stortingen op de rekening door derden niet rechtstreeks voortvloeiden uit de rekening-courantverhouding tussen bank en rekeninghouder. Wat betreft cessie hanteerde de Hoge Raad hetzelfde standpunt, zo bleek uit het arrest Fijn van Draat. Cessie was slechts mogelijk ten aanzien van bestaande vorderingen. Het bestaan van een vordering werd in dit verband reeds aangenomen indien de vordering haar onmiddellijke grondslag vond in een reeds bestaande rechtsverhouding.4 In lijn met dit criterium werden ook huurvorderingen ter zake van nog niet vervallen huurtermijnen geacht te zijn ontstaan op het tijdstip van het sluiten van de huurovereenkomst. 5
De formulering dat de vordering geacht werd te bestaan, suggereerde dat een zekere juridische fictie werd gehanteerd. Deze gedachte vindt mede bevestiging in de omstandigheid dat de Hoge Raad buiten gevallen van beslag of cessie het bestaan van een vordering niet steeds heeft willen aannemen op de grond dat de onmiddellijke grondslag van de vordering bestond.6 Hieruit kan worden afgeleid dat de Hoge Raad in deze periode een contextuele benadering volgde ten aanzien van het al dan niet bestaan van vorderingen. Deze wat onvaste koers toonde volgens Meijers aan “hoe weinig de Hoge Raad bij begrippen als “verschuldigd zijn” en “vordering” een dogmatische uitlegging volgt, maar hoezeer hij deze termen voor ieder artikel uitlegt, gelijk het doel der bepaling verlangt”. 7
De arresten Ontvanger/Schermer en Fijn van Draat worden wel gezien als een verruiming van de destijds bestaande mogelijkheden tot beslag en cessie.8 Van een werkelijke verruiming was mijns inziens geen sprake. Veeleer probeerde de Hoge Raad een nieuwe leerstellige onderbouwing te formuleren voor zijn voorheen ruime uitleg aan art. 475 (oud) Rv, zonder het standpunt te verlaten dat beslag slechts mogelijk was op bestaande vorderingen.
92. De ruime opvatting ten aanzien van cessie werd door de Hoge Raad in 1982 uitdrukkelijk verlaten met het arrest SOS/ABN.9 Een vordering kon niet meer geacht worden te bestaan op de enkele grond dat zij haar onmiddellijke grondslag vond in een reeds bestaande rechtsverhouding. De “bestaansfictie” zoals de Hoge Raad die eerder hanteerde, verviel. Dit oordeel hield ten nauwste verband met het Solleveld II-arrest uit 1980.10 In dat arrest was de Hoge Raad teruggekomen op het standpunt dat slechts bestaande vorderingen gecedeerd konden worden. De bestaansfictie had in zoverre haar functie verloren.
Wat betreft beslag is de bestaansfictie door toedoen van de wetgever vervallen. Ter gelegenheid van de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 van het BW is de redactie van art. 475 Rv aangepast om uit te drukken dat beslag kon worden gelegd op zowel bestaande vorderingen als toekomstige vorderingen. Toekomstige vorderingen zijn echter slechts vatbaar voor beslag indien zij rechtstreeks zullen worden verkregen uit een reeds bestaande rechtsverhouding. Het bestaan van de vordering was niet langer vereist, maar de beperking tot vorderingen uit bestaande rechtsverhoudingen werd gehandhaafd.11
Sinds de arresten Solleveld II en SOS/ABN hanteert de Hoge Raad een minder ruime opvatting over het bestaan van vorderingen. Deze moderne opvatting heeft zich voortgezet onder het huidige recht. De Hoge Raad heeft zich in verschillende zaken uitgelaten over het ontstaansmoment van een vordering. De overwegingen van de Hoge Raad zijn daarbij doorgaans toegespitst op het type vordering dat ter beoordeling voorligt. De Hoge Raad heeft tot nog toe geen algemeen criterium geformuleerd aan de hand waarvan het bestaan van een vordering kan worden bepaald. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad lijkt evenmin een scherp onderscheidend criterium te kunnen worden afgeleid.