Uitkoop van minderheidsaandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/7.4:7.4 Conclusie
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/7.4
7.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS596528:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Algemeen
Een vordering tot uitkoop moet gericht zijn tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders. De uitkoper moet dus niet alleen aan het kapitaal- en stemrechtvereiste voldoen (§ 7.2), maar ook alle andere aandeelhouders (van een bepaalde soort) dagvaarden. Hij kan niet slechts bepaalde minderheidsaandeelhouders uitkopen.
Vaak is duidelijk wie de gezamenlijke aandeelhouders zijn en wie de uitkoper dus in de procedure moet oproepen. In bepaalde situaties rijst er toch twijfel.
Aandeelhouders
De vennootschap die aandelen in haar eigen kapitaal houdt, behoort tot de gezamenlijke aandeelhouders (§ 7.3.1 sub a). De uitkoper is gehouden de vennootschap uit te kopen, tenzij laatstgenoemde de vordering mede instelt.
Als de aandelen zijn opgenomen in een (buitenlands) giraal effectensysteem, is het niet altijd duidelijk of de bewaarinstelling of de achterliggende belegger voor de uitkoopprocedure als aandeelhouder kwalificeert (§ 7.3.1 sub b). De OK beoordeelt aan de hand van alle omstandigheden wie in de praktijk feitelijk als aandeelhouder functioneert en in redelijkheid als zodanig heeft te gelden.
Voor het aanmerken van de beleggers als de aandeelhouders, is in ieder geval een bepaalde goederenrechtelijke aanspraak op de in bewaring gegeven aandelen vereist. Een dergelijke aanspraak alleen is niet doorslaggevend. Ook andere omstandigheden spelen een rol, zoals het feit dat de aandelen niet in het vermogen van de bewaarinstelling vallen, dat laatstgenoemde niet beschikkingsbevoegd is ten aanzien van de aandelen of dat de beleggers met uitsluiting van anderen gerechtigd zijn tot het dividend en het stemrecht kunnen uitoefenen. Enkel een verbintenisrechtelijke aanspraak tot de aandelen is niet voldoende.
Voor de aandelen opgenomen in het Nederlands giraal effectenverkeer hebben Euroclear Nederland of een aangesloten instelling niet als aandeelhouder te gelden. De buitenlandse bewaarinstellingen Euroclear France en het Amerikaanse Cede & Co kwalificeren evenmin als aandeelhouder. De uitkoper moet in al deze gevallen de achterliggende beleggers in het geding oproepen.
Certificaathouders
Een vordering op grond van de algemene uitkoopregeling ex art. 2:92a/201a BW ziet alleen op aandelen. De gedwongen overdracht op grond van de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c kan ook gericht zijn op met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten, door de gelijkstelling met aandelen in art. 2:359a lid 2 BW (§ 6.2.3).
Bij een vordering gericht tot gecertificeerde aandelen op grond van de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW, kan de uitkoper volstaan met het dagvaarden van het administratiekantoor. Hij is niet gehouden de certificaathouders op enige manier in de procedure te betrekken (§ 7.3.2 sub a).
Voor een vordering ingevolge de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW geldt hetzelfde, ongeacht de gelijkstelling in art. 2:359a lid 2 BW. De uitkoper moet alleen degene dagvaarden van wie hij de overdracht van de stukken vordert (§ 7.3.2. sub b). Als de vordering dus ziet op de certificaten en niet op de aandelen, dan moet hij alleen de certificaathouders in de procedure oproepen.
Buitenlandse instrumenten, zoals depositary receipts, moeten op één lijn worden gesteld met certificaten, indien zij dezelfde materiële kenmerken hebben (§ 7.3.2 sub d). Deze instrumenten vallen daarmee onder de gelijkstelling van art. 2:359a lid 2 BW en het bereik van de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW. De uitkoper moet het bewaarbedrijf als aandeelhouder dagvaarden en niet de houders van de voor de aandelen uitgegeven receipts. Dit is een verschil met een bewaar-instelling en de houders van de in een buitenlands effectensysteem opgenomen aandelen (§ 7.3.1 sub b).
Toekomstige aandeelhouders
Tot slot kunnen gedurende of na de procedure zich mutaties voordoen aan de zijde van de gedaagden. Dit heeft gevolgen voor de uitkoopprocedure.
Als een gedaagde zijn aandelen gedurende de procedure overdraagt aan een ander dan de uitkoper, moet laatstgenoemde de rechtsopvolgers alsnog in de procedure oproepen (§ 7.3.3 sub a). Dit geldt ook bij ‘nieuwe aandeelhouders’ door een emissie van aandelen, de uitoefening van voorwaardelijke belangen (§ 7.3.3. sub d) of door decertificering tijdens de procedure (§ 7.3.3 sub c). Het is niet mogelijk hen alvast als ‘toekomstige aandeelhouders’ te dagvaarden.
Geschieden deze mutaties na het toewijzend eindarrest, dan kan de uitkoper het gerechtelijk bevel tot overdracht niet ten uitvoer leggen tegen de rechtsopvolgers van de oorspronkelijk gedaagden (§ 7.3.3 sub b). Hij verkrijgt de aandelen desalniettemin onbezwaard, door de uitkoopprijs te consigneren (§ 10.4).
Een vordering op grond van de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW kan voorts zien op certificaten (§ 6.2.3). Bij decertificering gedurende de procedure kan de uitkoper volstaan met een eiswijziging op grond van art. 130 Rv, in die zin dat de vordering niet langer ziet op de overdracht van de certificaten, maar op de overdracht van de aandelen (§ 7.3.3 sub c). Als de gedaagde zijn certificaten pas na het eindarrest omwisselt, dan biedt consignatie geen uitkomst om de aandelen toch te verkrijgen. De wet biedt geen oplossing voor dit probleem. Dit is een extra argument voor de door mij voorgestelde afschaffing van de gelijkstelling in art. 2:359a lid 2 BW (§ 6.2.3).