Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/7.2
7.2 Het dagvaarden van de gezamenlijke andere aandeelhouders
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS597687:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De algemene uitkoopprocedure start met de kennisgeving door de uitkoper aan de FSMA van de voornemen een bod tot uitkoop uit te brengen, art. 3 e.v. Uitkoop-KB. De vereenvoudigde uitkoopprocedure vangt aan door de heropening van het voorafgaand bod, art. 43 Overname-KB. Hierover uitgebreid Verhoest (2008), 183-186 en 197-198.
De kennisgeving aan de doelvennootschap moet vergezeld gaan van een statutory declaration dat de uitkoper aan de ontvankelijkheidsvereisten voldoet, s. 979(2)(4) en 980(4) CA 2006.
§ 327a AktG.
Stohlmeier (2007), p. 139; Moritz (2004), p. 147 e.v.
§ 39a(1) WpÜG.
§ 39b(2) WpÜG. Hierover Stohlmeier (2007), p. 148.
Indien een vordering tot uitkoop op grond van de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW ziet op zowel de certificaten als de niet gecertificeerde aandelen, hoeft de uitkoper niet de gezamenlijke andere aandeelhouders te dagvaarden, maar alleen de houders van de niet gecertificeerde aandelen en de certificaathouders, hierover § 7.3.2 sub b.
Evenzo Van der Vlist (1985), p. 163. Vgl. OK 21 februari 2002 (ro. 3.1-3.2), JOR 2002/83 (Krasnapolsky). Nadat de dagvaarding is uitgebracht, blijkt één van de gedaagden een groepsmaatschappij van de uitkoper te zijn. Bij conclusie van eis wijzigt eiser hierop zijn vordering met dien verstande dat de vordering zich richt tegen alle minderheidsaandeelhouders met uitzondering van de groepsmaatschappij. De OK oordeelt dat een dergelijke vordering niet in overeenstemming is met de wet. Zij wijst vervolgens de vordering tegen alle minderheidsaandeelhouders (waaronder de groepsmaatschappij) toe.
Evenzo Leijten (2003), p. 55; Van der Vlist (1985), p. 164.
Om dezelfde reden wijst de OK een vordering tot uitkoop tegen alle gedaagden af, wanneer slechts één van hen met succes een beroep doet op de afwijzingsgronden van de algemene uitkoopregeling in art. 2:92a/201a lid 4 BW (§ 8.2.1).
Deze (marginale) toets lijkt de OK ook uit te voeren, zie OK 15 januari 2013 (ro. 3.2), ARO 2013/31(Brit Insurance).
OK 9 oktober 2012, JOR 2012/356 (Glanerbrook); OK 15 november 2011, ARO 2011/183 (Begraafplaats Vredenhof); OK 4 oktober 2011, ARO 2011/162 (BDC Holding). Zie ook OK 23 mei 2002, ARO 2002/79 (Accura); OK 12 september 2002, JOR 2002/223 (Intereffekt); OK 12 september, JOR 2002/224 (Weweler), waarin de OK de vordering om deze reden afwijst. Afwijzing van de vordering acht ik, mede met het oog op de limitatief opgesomde afwijzingsgronden in art. 2:92a/201a lid 4 BW, minder zuiver dan niet-ontvankelijkheid. Evenzo Slagter (1999), p. 83; Van Solinge (2004), p. 140; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/681a; Buijn/ Storm, p. 1126. Anders Van Dort (1991), p. 212.
OK 5 november 2013 (ro. 3.5-3.6), ARO 2014/25 (Mediq); OK 27 november 2012 (ro. 2.3), ARO 2012/170 (Recreatiemaatschappij Texel); OK 31 juli 2012 (ro. 2.4), ARO 2012/129 (TIC); OK 9 maart 2010 (ro. 3.1), JOR 2010/154 (Rodamco Europe); OK 5 november 1998, Ondernemingsrecht 1999, p. 83 (Holland Sea Search); OK 5 oktober 1989 TVVS 1990, p. 258-259 (Schokbeton); OK 24 augustus 1989, rolnr. 519/89, n.g. (Proost & Brandt).
OK 24 januari 2012 (ro. 3.9), JOR 2012/78 (Cascal); OK 15 mei 2008, JOR 2008/196 (ABN AMRO). Zie OK 12 maart 2013, ARO 2013/62 (Retif Holland), waarin de OK de uitkoper niet-ontvankelijk verklaart omdat hij reeds alle aandelen in de doelvennootschap houdt.
Zie OK 18 september 2012 (ro. 3.1), ARO 2012/139 (IFCO Systems), waarin de uitkoper ten aanzien van één gedaagde geen bewijs van betekening heeft overgelegd. De OK wijst een tussenarrest en stelt de uitkoper in de gelegenheid de betekeningsstukken alsnog in het geding te brengen.
Bijvoorbeeld OK 15 november 2011, ARO 2011/183 (Begraafplaats Vredenhof), waarin uit het aandeelhoudersregister blijkt dat de uitkoper vier aandeelhouders ten onrechte niet heeft opgeroepen. Ook voor de vraag of de uitkoper de gezamenlijke andere aandeelhouders heeft gedagvaard, biedt toegang voor de OK tot het centraal aandeelhoudersregister voordelen (§ 6.3.5 sub b).
De uitkoopregeling is een dagvaardingsprocedure. De uitkoper moet de minder-heidsaandeelhouders oproepen om in rechte voor de OK te verschijnen. De Nederlandse regeling verschilt op dit punt sterk met de uitkoopregelingen in de onderzochte landen.
In België vangt de uitkoopprocedure aan door de (her)opening van een bod.1 De uitkoper in het Verenigd Koninkrijk moet een notice aan de resterende aandeel-houders en de doelvennootschap sturen met daarin zijn voornemen om de resterende aandelen over te nemen.2 Voor de algemene uitkoopregeling in Duitsland is een besluit van de algemene vergadering vereist.3 De uitkoper dient het bestuur van de vennootschap te verzoeken deze bijeen te roepen.4 De bijzondere uitkoopregeling in Duitsland is, net als de Nederlandse uitkoopregeling, een gerechtelijke procedure. In tegenstelling tot in Nederland hoeft de uitkoper echter niet alle minderheidsaandeelhouders afzonderlijk in de procedure op te roepen. Hij kan volstaan met een verzoek (Antrag) tot uitkoop aan de rechter.5 Deze publiceert het verzoek vervolgens in het Gesellschaftsblätter, zodat alle minderheidsaandeelhouders geïnformeerd zijn over de uitkoopprocedure.6 Gelet op deze verschillen past een vergelijking tussen de landen met betrekking tot dit onderwerp mijns inziens niet goed.
De uitkoper moet een vordering op grond van de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW instellen tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders. Dit betekent dat hij alle minderheidsaandeelhouders moet dagvaarden.7 Het is dus niet mogelijk om bepaalde aandeelhouders wel en andere aandeelhouders niet uit te kopen.8
Een uitkoper kan op grond van de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW slechts per soort aandeel een vordering instellen (§ 6.5). Hij volstaat in dat geval met het oproepen van alle houders van alleen het soort aandeel waarop zijn vordering ziet.
Dat de uitkoper niet slechts bepaalde aandeelhouders kan uitkopen, volgt ook uit de gedachte die aan de uitkoopregeling ten grondslag ligt.9 De gedwongen overdracht is gerechtvaardigd om de nadelen, die een meerderheidsaandeelhouder ondervindt door de aanwezigheid van een minderheid, weg te nemen (§ 4.2.2). Indien de uitkoper niet alle aandeelhouders uitkoopt, blijven deze nadelen bestaan en ontbreekt de rechtvaardiging voor de uitkoop.10
In verstekzaken moet de OK op grond van art. 2:92a/201a lid 1 BW en art. 2:359c lid 5 BW ambtshalve toetsen of alle minderheidsaandeelhouders (correct) zijn gedagvaard. Zijn alle gedaagden verschenen, dan moet de OK naar mijn mening toch nagaan of de verschenen aandeelhouders ook daadwerkelijk de gezamenlijke andere aandeelhouders in de vennootschap zijn.11
De OK verklaart de uitkoper niet-ontvankelijk in zijn vordering, als blijkt dat hij één of meer minderheidsaandeelhouders niet of niet juist heeft gedagvaard.12 In geval van twijfel wijst de OK veelal tussenarrest. Zij stelt de uitkoper dan in de gelegenheid om opheldering te verschaffen.13 Indien de uitkoper één of meer gedaagden ten onrechte heeft gedagvaard – bijvoorbeeld omdat zij geen aandeelhouders zijn in de doelvennootschap – dan is hij ten opzichte van hen niet-ontvankelijk in zijn vordering.14 De uitkoopprocedure wordt vervolgens jegens de overige (terecht gedagvaarde) aandeelhouders voortgezet.
Om te bewijzen dat de uitkoper alle aandeelhouders juist heeft gedagvaard, moet hij in ieder geval de betekeningsstukken en de statuten van de vennootschap overleggen.15 Uit de statuten blijkt onder meer of de vennootschap naam- of toonderaandelen (of wellicht beide) heeft uitgegeven. Bij aandelen op naam moet de uitkoper ook het aandeelhoudersregister of een ander document in het geding brengen, waaruit blijkt wie de overige aandeelhouders zijn.16 Dit is niet nodig indien de vennootschap alleen aandelen aan toonder kent, omdat de uitkoper dan kan volstaan met een openbare dagvaarding in de zin van art. 54 lid 2 Rv.
Zie over de bewijsstukken met betrekking tot het kapitaalvereiste § 6.3.5 sub b en over de wijze van dagvaarden in de uitkoopprocedure § 11.2.1.