Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/5.2.1
5.2.1 Beantwoording van deelvraag 1
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855312:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Te denken valt aan de verschillende soorten opdrachten en partijen. In dat laatste geval doel ik niet alleen op de particuliere en niet-particuliere partijen, maar ook binnen bijv. de groep ‘niet-particuliere opdrachtnemers’ en ‘niet-particuliere opdrachtgevers’ kan het palet aan mogelijke hoedanigheden zeer verschillend zijn. Als deze partijen een overeenkomst met elkaar sluiten, kan daarom op voorhand niet worden gezegd of er een zwakkere partij is en, zo ja, wie dat dan is.
De WML is geen verbintenisrechtelijke regeling. Het buiten beschouwing laten van deze regeling, die betrekking heeft op inkomensbescherming en van toepassing is op een deel van de opdrachtnemers, zou kunnen leiden tot een vertekend beeld van het verbintenisrechtelijke beschermingsniveau op het thema loon, vandaar dat de WML wel in deze (verbintenisrechtelijke) rij is opgenomen.
De eerste deelvraag luidde als volgt: in welke mate heeft de opdrachtnemer aan de onderkant verbintenisrechtelijke bescherming ten aanzien van de thema’s (a) loon, (b) aansprakelijkheid en (c) opzegging? De zoektocht naar het antwoord op deze deelvraag heeft geleid tot tabel 4, waarin ik de uitkomsten schematisch heb weergegeven. De belangrijkste bevindingen die uit tabel 4 kunnen worden gedestilleerd in relatie tot de eerste deelvraag, zal ik daarna bespreken.
Tabel 4. ‘Beschermingsniveau loon, aansprakelijkheid en opzegging en knelpunten’
Loon
Bescherming alle opdrachtnemers
Bescherming titel 7.10 BW
Aanvullende bescherming opdrachtnemer aan de onderkant
Korte verklaring
(Mogelijk) knelpunt voor opdrachtnemer aan de onderkant
Hoogte loon
Recht op loon en, bij gebreke van een afspraak, enkele handvaten over de berekening van wat als redelijk loon kwalificeert
Recht op minimumloon
Hoog en laag
‘WML-opdrachtnemer’ heeft recht op minimumloon (hoog)
‘Niet-WML-opdrachtnemer’ valt terug op contractuele afspraken (of eventueel een standaardregeling of cao) (laag)
Niet altijd recht op minimumloon
Tijdig loon
Recht op wettelijke handelsrente en maximale betalingstermijn (zestig dagen)
Recht op wettelijke rente en wettelijke verhoging
Gemiddeld
Lengte van betalingstermijn en afwijkingsmogelijkheden zijn verder ingeperkt (dertig dagen)
Aansporend mechanisme (effectief individueel pressiemiddel) ontbreekt
Opdracht niet uitvoeren, toch loon
/
In principe recht op loon
Gemiddeld
Onder omstandigheden recht op loon, maar oorzaak van niet-werken wordt minder snel aan opdrachtgever dan aan werkgever toegerekend
Recht op loon bij niet-werken kan contractueel worden uitgesloten of beperkt
Eindoordeel: ‘gemiddeld beschermingsniveau’
Aansprakelijkheid
Bescherming alle opdrachtnemers
Bescherming titel 7.10 BW
Aanvullende bescherming opdrachtnemer aan de onderkant
Korte verklaring
(Mogelijk) knelpunt voor opdrachtnemer aan de onderkant
Opdrachtnemer lijdt schade
Schade komt zelden voor vergoeding in aanmerking
Schade wordt in de regel vergoed
Hoog en gemiddeld
Schade ‘art. 7:658 lid 4 BW-opdrachtnemer’ wordt in de regel vergoed (hoog)
Schade ‘niet-art. 7:658 lid 4 BW-opdrachtnemer’ wordt soms vergoed (gemiddeld)
Opdrachtgever kan aansprakelijkheid exonereren tegenover ‘niet-art. 7:658 lid 4 BW-opdracht-nemer’
Opdrachtnemer brengt schade aan opdrachtgever toe
/
Zelden aansprakelijk
Gemiddeld
Billijkheidscorrectie kan achteraf bescherming bieden
Bescherming ‘art. 7:658 lid 4 BW-opdrachtnemer’ ontbreekt
Opdrachtnemer brengt schade aan derde toe
Geen aansprakelijkheid voor wanprestatie opdrachtgever ontstaan door gedraging opdrachtnemer, tenzij onrechtmatige daad
Zelden draagplichtig
Hoog en gemiddeld
Ondergeschikte opdrachtnemer is zelden draagplichtig (hoog)
Niet-ondergeschikte opdrachtnemer kan achteraf worden beschermd door billijkheidscorrectie (gemiddeld)
Risico van insolvente opdrachtgever ligt bij opdrachtnemer
Niet-onder-geschikte opdrachtnemer kan geen beroep doen op verweermiddelen van opdrachtgever
Eindoordeel: ‘gemiddeld beschermingsniveau’
Opzegging
Bescherming alle opdrachtnemers
Bescherming titel 7.10 BW
Aanvullende bescherming opdrachtnemer aan de onderkant
Korte verklaring
(Mogelijk) knelpunt voor opdrachtnemer aan de onderkant
Opzegbevoegdheid
/
Reden opzegging van werkgever wordt in principe vooraf in rechte getoetst
Laag
Opzegbevoegdheid van opdrachtgever wordt zelden ingeperkt
/
Opzegtermijn
/
Recht op opzegtermijn
Hoog
Bij duurovereenkomst in de regel recht op opzegtermijn
Recht op opzegtermijn kan contractueel worden uitgesloten of beperkt
Opzegvergoeding (loon na opzegging en aanvullende (schade)vergoeding)
Recht op het in redelijkheid vast te stellen deel van het loon of het volle loon na opzegging
Aanvullende (schade)vergoeding: /
Recht op loon tot datum uitdiensttreding
Recht op transitievergoeding
Laag
Niet vaak recht op (aanvullende) (schade)vergoeding bij opzegging
Recht op loon na opzegging kan contractueel worden uitgesloten of beperkt
Eindoordeel: ‘gemiddeld beschermingsniveau’
Het verbintenissenrecht biedt de opdrachtnemer aan de onderkant overwegend buiten de regeling inzake de opdracht bescherming. Dat is het logische gevolg van de vele gedaantes waaruit de verhouding tussen de opdrachtgever en opdrachtnemer kan bestaan,1 waardoor de regeling inzake de opdracht algemeen van aard is en bescherming dus niet het uitgangspunt van deze regeling is. Oftewel: anders dan wordt aangenomen bij bijvoorbeeld de werknemer, wordt ten aanzien van de opdrachtnemer niet verondersteld dat laatstgenoemde de zwakkere partij is die bescherming behoeft.
De opdrachtnemer aan de onderkant geniet aanvullende verbintenisrechtelijke bescherming op alle drie de thema’s die zijn onderzocht, namelijk:
het ontvangen van loon (meer specifiek de hoogte van het loon (artikel 2 lid 2 aanhef en sub b WML),2 het tijdig ontvangen van het loon (artikel 6:119a BW) en het recht op loon bij niet-werken (artikel 6:58 BW));
aansprakelijkheid (meer specifiek de vergoeding van geleden schade (artikel 7:658 lid 4 jo. lid 1 en artikel 6:248 lid 1 BW) en de beperking of uitsluiting van aansprakelijkheid voor veroorzaakte schade (artikel 6:170-171, 6:257 en 6:76 BW));
de opzegging van de overeenkomst van opdracht door de opdrachtgever (meer specifiek het recht op een opzegtermijn bij opzegging door de opdrachtgever (artikel 6:248 lid 1 BW)).
Daarnaast kan het beschermingsniveau van de opdrachtnemer die niet onder de bescherming van een specifieke regel valt, worden aangevuld door de open normen die het verbintenissenrecht kent indien de omstandigheden van het geval dat rechtvaardigen (artikel 6:248 lid 1-2, artikel 6:233 sub a, artikel 6:109 lid 1 en artikel 6:101 BW). Bij de thema’s loon en opzegging bestaat de bescherming vooral uit inkomensbescherming. Het thema aansprakelijkheid laat in wezen een combinatie van bescherming op inkomen en veiligheid zien.
Ten aanzien van alle drie de thema’s heb ik het aanvullende beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant als ‘gemiddeld’ bestempeld. In dat licht zal het geen verbazing wekken dat ik het aanvullende beschermingsniveau ten aanzien van de drie thema’s tezamen ook als ‘gemiddeld’ aanmerk. Dat houdt in dat de opdrachtnemer aan de onderkant ten aanzien van de drie thema’s in onderling verband bezien, meer bescherming heeft dan de ‘standaard-opdrachtnemer’ (‘laag beschermingsniveau’), maar minder dan de werknemer (‘hoog beschermingsniveau’). Het aanvullende beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant kan per thema – en binnen dat thema weer afhankelijk van de omstandigheden van het geval – verschillen en meer de kant opgaan van een ‘hoog’ of ‘laag’ beschermingsniveau. De verschillende ratio’s daarvan en de invloed die de hoedanigheid van partijen speelt op dat beschermingsniveau, komen bij de andere twee deelvragen aan de orde. Bovendien heeft de analyse van de aanvullende verbintenisrechtelijke bescherming verschillende knelpunten voor de opdrachtnemer aan de onderkant aan het licht gebracht. De meest fundamentele knelpunten en de mogelijke oplossingen daarvan zet ik bij de beantwoording van de centrale onderzoeksvraag op een rij.
Uit het voorgaande blijkt dat het verbintenissenrecht de opdrachtnemer aan de onderkant aanvullende bescherming kan bieden en dat doorgaans doet op een niveau dat tussen die van de ‘standaard-opdrachtnemer’ en werknemer in zit. Die constatering geeft nog geen inzicht in de achterliggende gedachten die ten grondslag (kunnen) liggen aan deze bescherming. Dat inzicht staat centraal bij de beantwoording van de tweede deelvraag.