Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht
Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/7.2:7.2 Uitgangspunten in het enquêterecht
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/7.2
7.2 Uitgangspunten in het enquêterecht
Documentgegevens:
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS465595:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 januari 1990,NJ 1990, 466, r.o. 4.1 (OGEM Holding, m.nt. Maeijer).
HR 4 juni 1997,NJ 1997, 671, r.o. 4.1.1-4.1.3 (Text Lite Holding, m.nt. Maeijer).
HR 27 september 2000,JOR 2000, 217, r.o. 4.2 (Gucci Group, m.nt. Brink).
HR 14 december 2007,NJ 2008, 105, r.o. 3.6 en 3.7 (Koninklijke DSM, m.nt. Maeijer).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
223. Uit de parlementaire geschiedenis rond de aanpassing van het enquêterecht in 1970 (zie hoofdstuk 2) kan worden opgemaakt dat het enquêterecht tot doel heeft minderheidsaandeelhouders, certif icaathouders en werknemers van grote(re) vennootschappen te beschermen tegen een gebrek aan openheid door de leiding en een onbevredigende gang van zaken, terwijl het door de Ondernemingskamer te gelasten onderzoek en de door haar te treffen voorzieningen indien uit het verslag van wanbeleid is gebleken, hiertoe de instrumenten vormen. Hoewel de wetgever zich heeft bediend van vage termen – onder meer ‘gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen’, ‘wanbeleid’ en (verantwoordelijkheid voor een) ‘onjuist beleid’ – heeft hij de procedure nauw toegespitst op de verwezenlijking van het genoemde doel. Dit komt ook tot uiting in de opsomming van degenen die bevoegd zijn verzoeken tot het instellen van een onderzoek en het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen in te dienen en (de toelichting van de minister op) de in art. 2: 356 BW genoemde voorzieningen die de Ondernemingskamer kan treffen indien uit het onderzoeksverslag van wanbeleid is gebleken.
224. De Hoge Raad heeft, zo is gebleken in hoofdstuk 3, in de beschikking inzake OGEM Holding de doelstellingen van het enquêterecht uitgebreid: doelstellingen zijn niet alleen opening van zaken en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon, maar tevens de vaststelling van de verantwoordelijkheid voor gebleken wanbeleid.1 Ons hoogste rechtscollege heeft hier in de beschikking betreffende Text Lite Holding aan toegevoegd dat hoewel hierbij in de eerste plaats moet worden gedacht aan de verantwoordelijkheid van de verschillende organen, de Ondernemingskamer eveneens bevoegd is in het kader van de behandeling van verzoeken tot het treffen van voorzieningen en tot kostenverhaal individuele verantwoordelijkheden voor het wanbeleid c.q. onjuiste beleid vast te stellen. Zij mag echter geen oordeel geven over de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen voor de gevolgen van het wanbeleid.2 De Hoge Raad heeft in de beschikking inzake Gucci Group benadrukt dat het onderzoek de kern vormt van de enquêteprocedure en dat als er geen aanleiding is voor het instellen van een onderzoek maar behoefte bestaat aan voorzieningen (ik begrijp ons hoogste rechtscollege aldus dat hij doelt op zowel de onmiddellijke voorzieningen als de voorzieningen uit art. 2: 356 BW), de weg naar de gewone burgerlijke rechter openstaat.3 Deze beslissing dient naar mijn mening aldus te worden begrepen, dat de Ondernemingskamer niet bevoegd is verzoeken tot het treffen van voorzieningen te beoordelen indien de feiten voldoende duidelijk zijn of partijen hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een onderzoek. Ten slotte, de Hoge Raad heeft in de beschikking inzake DSM uitgemaakt dat de Ondernemingskamer onmiddellijke voorzieningen mag treffen vóórdat zij op het verzoek tot het instellen van een onderzoek heeft beslist, maar dat van deze bevoegdheid slechts een terughoudend gebruik kan worden gemaakt omdat in dit stadium slechts aan de hand van een beperkt partijdebat voorlopig kan worden beoordeeld of er gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid te twijfelen.4 Hoewel een heldere motivering op dit punt ontbreekt, acht ik het waarschijnlijk dat ons hoogste rechtscollege het toelaatbaar acht dat de Ondernemingskamer het partijdebat over en de definitieve beoordeling van het enquêteverzoek naar de toekomst verschuift maar al wel onmiddellijke voorzieningen treft. Ik acht deze beslissing, gelet ook op de overwegingen uit Gucci Group en het bepaalde in art. 2: 349a lid 1 BW dat de Ondernemingskamer het enquêteverzoek met de meeste spoed behandelt, echter alleen begrijpelijk indien de voorwaarde dat de Ondernemingskamer ‘slechts een terughoudend gebruik’ kan maken van deze bevoegdheid, streng moet worden uitgelegd en dat de toestand van de vennootschap moet vergen dat onverwijld wordt ingegrepen. Ik meen voorts dat de Ondernemingskamer haar voorlopige oordeel dat het enquêteverzoek voor toewijzing in aanmerking komt, in de beschikking moet opnemen, zodat ook kenbaar is op basis waarvan zij heeft vastgesteld dat zij bevoegd was het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen te beoordelen (vergelijk Gucci Group). Een lastig punt is ten slotte of steeds wordt gehandeld in overeenstemming met de in art. 19 Rv vervatte beginselen van een goede procesorde (met name het recht te worden gehoord en het recht op gelijke proceskansen). Deze vraag komt met name op indien de vennootschap zich wenst te verzetten tegen toewijzing van het enquêteverzoek.