Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.5:3.5 Tot besluit
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.5
3.5 Tot besluit
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ook in meer opzichten dan louter de wetenschappelijke of epistemologische context. Een eigen waarneming is in die contexten voldoende om een hypothese aan te nemen of te verwerpen. In de strafrechtelijke context is veelal enigerlei mate van aanvullend bewijs nodig.
Dat neemt niet weg dat de rechter na reflectie tot het oordeel kan komen dat er geen aanleiding is om de getuige niet te geloven.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het voorgaande maakt inzichtelijk dat er vanuit een oogpunt van waarheidsvinding nog wel wat haken en ogen zitten aan het ontlenen van kennis over ‘de’ (historische) werkelijkheid aan de hand van (getuigen)verklaringen. Van het besef van de feilbaarheid van getuigen zijn ook juristen steeds meer doordrongen geraakt. Lag in de negentiende en begin twintigste eeuw de nadruk vooral op de leugen en de meineed, onder invloed van de rechtspsychologie heeft in het juridisch denken over getuigenverklaringen een verschuiving plaatsgevonden. De rechtspsychologie heeft laten zien dat het grootste probleem niet zozeer moreel, maar cognitief van aard is. Ook in de epistemologie waarin de menselijke waarneming traditioneel naast of met het menselijke redeneervermogen als voornaamste kenbron centraal staat, zijn kritische kanttekeningen geplaatst bij onze mogelijkheden tot het kennen van de werkelijkheid op basis van verklaringen. Van beide kanten is de getuigenverklaring als deugdelijk instrument van waarheidsvinding onder vuur komen te liggen. Echter, zowel in de rechtspsychologie als in meer recente epistemologische publicaties lijkt recent sprake te zijn van een zeker eerherstel voor de getuigenverklaring. Hoewel het naïeve geloof in de ‘onfeilbaarheid’ van de menselijke waarneming en het menselijk redeneervermogen definitief voorbij is, wordt erkend dat verklaringen van anderen voor onze kennis van de werkelijkheid in het algemeen, en strafrechtelijke gebeurtenissen in het bijzonder, onontbeerlijk zijn. Deze constatering laat onverlet dat nog discussie mogelijk is over de voorwaarden waaronder geloof mag worden gehecht aan getuigenverklaringen.
Geconcludeerd kan worden dat de juridische context in dat opzicht veeleisender is dan de maatschappelijke of alledaagse context.1 De belangen die op het spel staan bij het gebruik van verklaringen voor het bewijs, vergen dat in de juridische context uiterst zorgvuldig met verklaringen wordt omgesprongen. Waar het in het dagelijks leven geoorloofd kan zijn om niet het reflectieve pad te bewandelen (omdat daar eenvoudigweg geen aanleiding voor lijkt te zijn),2 dienen verklaringen in de strafprocessuele context altijd op hun geloofwaardigheid te worden getoetst. Dit wordt in het recht ook tot uitdrukking gebracht. Daar staat tegenover dat het recht onder omstandigheden ook beperkingen stelt aan de wijze waarop aan die toetsing gestalte kan worden gegeven omdat andere belangen ook een rol spelen, zoals dat bijvoorbeeld het geval is bij het horen van anonieme getuigen. In het volgende hoofdstuk wordt nader stilgestaan bij de wijze waarop de toetsing van de kwaliteit van getuigenverklaringen in de verschillende processtelsels vorm krijgt.