Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.2.5
III.2.5 Bevoegdheid tot het opleggen van sancties
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460187:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Andersom hebben sommige bestuursorganen wel dwangsombevoegdheid, maar geen bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang (de ‘zelfstandige dwangsombevoegdheid’). Zie bijvoorbeeld art. 56 Mededingingswet, dat voor de Autoriteit Consument en Markt de mogelijkheid schept een dwangsom op te leggen. Het is logisch dat de ACM geen bestuursdwangbevoegdheid heeft, want regelmatig zal de last die wordt opgelegd (bijvoorbeeld het beëindigen van een kartel, art. 6 lid 1 Mw) niet via bestuursdwang ten uitvoer gelegd kunnen worden; er is dan immers geen feitelijk handelen maar een rechtshandeling of een eigen gedraging van de overtreder nodig om de rechtmatige toestand te herstellen.
Een uitzondering is bijvoorbeeld art.18.16a Wm, dat het bestuur van de emissieautoriteit in staat stelt om ETS-overtredingen te bestraffen met een boete. Zie over dit onderwerp onder meer Blomberg 2017.
Voor het opleggen van een bestuurlijke sanctie moet aan een bestuursorgaan bij of krachtens de wet de bevoegdheid zijn toegekend (art. 5:4 lid 1 Awb). De bevoegdheid tot het opleggen van herstelsancties is geregeld in de organieke wetten. Op gemeentelijk niveau is op grond van artikel 125 lid 1 Gemeentewet ‘het gemeentebestuur bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang’. Doorgaans zal de bestuursdwangbevoegdheid worden uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders (art. 125 lid 2 Gw).1 De Provinciewet en Waterschapswet kennen een vergelijkbare regeling: de bestuursdwangbevoegdheid is toegekend aan respectievelijk het provinciebestuur (art. 122 lid 1 Provinciewet) en het waterschapsbestuur (art. 61 lid 1 Wsw), en de bevoegdheid wordt doorgaans uitgevoerd door gedeputeerde staten (art. 122 lid 2 Provinciewet)2 en het dagelijkse bestuur van de waterschap (art. 61 lid 2 Wsw).3
De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom is gekoppeld aan de bestuursdwangbevoegdheid (art. 5:32 Awb). Ieder bestuursorgaan dat een last onder bestuursdwang kan opleggen, kan dus ook kiezen voor een dwangsom.4 Als het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich verzet tegen het opleggen van de last onder dwangsom, dan moet het bestuursorgaan kiezen voor een last onder bestuursdwang (art. 5:32 lid 2 Awb). Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn als de dwangsom niet effectief blijkt te zijn, of als het bestuursorgaan (herhaling van) de overtreding niet kan riskeren omdat de overtreding niet of moeilijk ongedaan gemaakt kan worden, zoals bijvoorbeeld bij ernstige milieuverontreiniging het geval is.5
Anders dan bij de herstelsancties bestaat er geen algemene bevoegdheid tot het opleggen van bestuurlijke boetes. Per overtreding moet in de bijzondere wet gekeken worden of er een grondslag bestaat, en zo ja, wie bevoegd is tot het opleggen ervan. In de Wabo en de Wm zijn bijna6 geen grondslagen voor bestuurlijke boetes opgenomen; de wetgever heeft ervoor gekozen om de punitieve handhaving van deze wetten via het strafrecht te laten verlopen.7 In andere milieuwetten zijn wel grondslagen voor bestuurlijke boetes te vinden, in art. 51 Meststoffenwet, en in artikel 8.7 Dierenwet. Ook artikel 25c van het Besluit risico’s zware ongevallen maakt het mogelijk om bij recidive een boete op te leggen aan de overtreder. Indien een overtreding waarvoor het bestuursorgaan een bestuurlijke boete wil opleggen ook een strafbaar feit oplevert, is het bestuursorgaan gehouden dit aan de officier van justitie voor te leggen, tenzij wettelijk is bepaald dat daarvan kan worden afgezien (art. 5:44 lid 2 Awb).