Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/6.4
6.4 Vorderingen op naam
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS625386:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. naar Belgisch recht: Sagaert 2003, p. 571 en 661: '[…] een derde kan door zaaksvervanging titularis worden van een vordering op grond van een overeenkomst waarbij hij nochtans geen partij was'.
Zie ook Van der Velden 2008, p. 126.
Stb. 2004, 314.
Zie HR 2 april 1976, NJ 1976, 450 (Modehuis Nolly) en HR 23 september 1996, NJ 1996, 461 (KasAssociatie/Drying). Over het laatste arrest afwijzend Van der Velden 2008, p. 122.
HR 23 september 1996, NJ 1996, 461 (KasAssociatie/Drying), r.o. 3.5: 'Voorts past de door het Hof aanvaarde toepassing van de 'directe leer' op een geval van de aard als hier aan de orde is, niet in het wettelijk stelsel van verkrijging van goederen. De thans op art. 3:110 BW te gronden en ook in het vóór 1 januari 1992 geldende recht te aanvaarden regel die in de directe leer besloten ligt, kan slechts worden toegepast op goederen waarvan de levering plaatsvindt door – zoals art. 3:90 het uitdrukt en voorts ook van belang is voor de toepassing van art. 3:93 – de verkrijger het bezit daarvan te verschaffen. […] Deze regel kan niet dienen – ook niet bij analogie – als grondslag voor een directe levering van een recht op naam, zoals een aandeel in een verzameldepot als bedoeld in de WGE, waarbij bezitsverschaffing geen rol speelt.'
Vgl. Van der Velden 2008, p. 118.
Ook de specifieke afwegingen ten aanzien van de Wge zijn niet op gevallen van zaaksvervanging toepasbaar.
Zie Van der Velden 2008, p. 101 en 114.
Zie par. 5.3.4 en 5.3.5.
Zie ook Sagaert 2003, p. 60: 'Wanneer zaaksvervanging strekt tot bescherming van het eigendomsrecht en het surrogaat bestaat in een contractuele schuldvordering, wordt de eigenaar van het oorspronkelijke onderpand ook titularis van de contractuele schuldvordering, ook al was hij geen partij bij de overeenkomst waaruit de vervangende vordering is ontstaan. Met andere woorden zaaksvervanging is een uitzondering op de contractsrelativiteit.' Zie ook p. 661 en 723. Zijn verklaring hiervoor, namelijk dat het gaat om kwalitatieve rechten (zie ook Dirix 1993, p. 279), lijkt mij voor het Nederlandse recht echter niet voor de hand liggend, evenals de op p. 734 voorgestelde splitsing tussen de vordering als vermogensbestanddeel en de vordering als verbintenisrechtelijke verhouding.
Vgl. Hijma/Olthof 2008, nr. 128: 'Met 'naam' wordt gedoeld op de naam van de gerechtigde.'
208.
In deze paragraaf staan vorderingen op naam als surrogaat bij zaaksvervanging centraal, met uitzondering van geldvorderingen uit een bankrekening. Deze laatste vorderingen, vrij vertaald giraal geld, worden hierna onder 6.5.2 afzonderlijk besproken. Zoals in de eerdere hoofdstukken is beschreven, wordt zaaksvervanging in dit proefschrift beschouwd als een instrument dat, veelal aansluitend op de verkrijging van een goed door een van de rechthebbenden tot het oorspronkelijke goed, een aanpassing in de rechten op dit vervangende goed bewerkstelligt. Het doel hiervan is de rechtsverhoudingen zoals die ten aanzien van het oorspronkelijke goed bestonden zoveel mogelijk te continueren. In paragraaf 5.2.2 is daarbij geconcludeerd dat op grond van de ratio en methode alle goederen als surrogaat in aanmerking komen. Bij vorderingen op naam werkt dit als volgt.
Wanneer een verpand object beschadigd raakt, kan op grond van art. 3:229 BW zaaksvervanging optreden. Dit vereist dat er op grond van een verzekeringsovereenkomst of op grond van de wet een schadevergoedingsvordering ontstaat, die de plaats van de verpande zaak inneemt. Het al dan niet ontstaan van deze vorderingen en de omvang hiervan worden bepaald door de verzekeringsovereenkomst en/of de wet. Deze rechtsbronnen zijn ook van invloed op het al dan niet bestaan van verweermiddelen voor de schuldenaar van de vervangende vordering. Zaaksvervanging heeft in een dergelijk geval tot gevolg dat de pandgever schuldeiser blijft van de vordering op naam en dat de pandhouder hierop een vervangend pandrecht krijgt. Zoals in paragraaf 2.3 aan de orde is gekomen, is dit pandrecht in beginsel stil van aard, hetgeen meebrengt dat de schuldenaar van de vordering bevrijdend kan nakomen aan de pandgever op grond van art. 3:246 lid 1 BW. Pas nadat hem mededeling is gedaan van de door zaaksvervanging gewijzigde verhoudingen en het bestaan van het pandrecht, kan hij bevrijdend betalen aan de pandhouder.
Ook is het mogelijk dat een vruchtgebruiker een zaak in gebruik heeft en deze zaak door een derde wordt beschadigd. Op grond van art. 3:213 BW moet worden aangenomen dat de schadevergoedingsvordering hier niet toekomt aan de vruchtgebruiker, die de macht uitoefent en wellicht de eigenaar lijkt en de verzekeringsovereenkomst kan hebben gesloten, maar aan de hoofdgerechtigde. In dit geval wijzigt dus de rechthebbende tot een vordering, zonder dat de schuldenaar hiervan op de hoogte is.1 Hoe verhoudt deze gang van zaken zich tot het publiciteitsbeginsel?
Bij rechten op naam valt het publiciteitsbeginsel uiteen in twee dimensies: het vertrouwen in het rechtsverkeer en het algemene belang dat is gemoeid met kenbaarheid van rechten enerzijds en de specifieke belangen van de schuldenaar anderzijds. De positie van de laatste is in paragraaf 5.3.5 reeds besproken. Daar is geconcludeerd dat de schuldenaar van de vervangende vordering in beginsel geen hinder ondervindt van het optreden van zaaksvervanging, nu hij zich ook na zaaksvervanging kan beroepen op alle verweermiddelen die met de vordering samenhangen en hij wordt beschermd indien hij 'te goeder trouw' aan een ander dan de door zaaksvervanging gewijzigde schuldeiser betaalt. De verbintenisrechtelijke gevolgen die in het vijfde hoofdstuk zijn besproken, laten vorderingen op naam dus toe als surrogaat bij zaaksvervanging.
209.
Dit laat de vraag over of de andere dimensie, bestaand uit de meer algemene aspecten van kenbaarheid van rechten voor derden in het rechtsverkeer, in de weg staat aan het aannemen van zaaksvervanging bij vorderingen en meer in het bijzonder aan de wijziging van de rechthebbende. Is een 'wisseling' van rechthebbende te verenigen met het systeem van het recht en de publiciteit van goederenrechtelijke aanspraken? Het antwoord op deze vraag valt uiteen in een aantal onderdelen. Ten eerste is het de vraag in hoeverre het publiciteitsbeginsel in het algemeen een rol speelt bij vorderingen op naam. De wetgever acht publiciteit bij rechten op naam niet van doorslaggevend belang ten aanzien van de gerechtigdheid.2 Met de invoering van de stille cessie (art. 3:94 lid 3 BW) is het namelijk mogelijk geworden dat een schuldeiser zijn vordering overdraagt aan een ander, zonder dat dit duidelijk is voor de schuldenaar of andere deelnemers aan het rechtsverkeer.3
Ook de rechtspraak dwingt geen grote rol voor het publiciteitsbeginsel af, zo is af te leiden uit een vergelijking van de arresten Modehuis Nolly en KasAssociatie/Drying.4 In beide arresten stond de vraag centraal in hoeverre de directe verkrijging van goederen mogelijk was door middel van een derde die handelt in eigen naam, maar voor rekening van de beoogde verkrijger. Het antwoord was eensluidend. Registergoederen en rechten op naam konden volgens de Hoge Raad niet direct worden verkregen door de achterman met een beroep op art. 3:110 BW. De argumenten die het hoogste rechtscollege aanvoert ter onderbouwing van deze uitkomsten, verschillen echter gedeeltelijk en dit verschil is naar mijn mening reden om de voorliggende vraag naar zaaksvervanging bij rechten op naam anders te beantwoorden dan de hierboven onder 6.3 aan de orde gestelde vraag naar de mogelijkheid van zaaksvervanging bij registergoederen.
Waar zaaksvervanging ten aanzien van registergoederen zonder een goede bescherming van het rechtsverkeer moet worden afgewezen, kan zaaksvervanging ten aanzien van vorderingen op naam op grond van het publiciteitsbeginsel naar mijn mening zonder nadere voorwaarden worden geaccepteerd. Anders dan in het arrest Modehuis Nolly, is de afwijzing van de directe verkrijging bij vorderingen op naam in het arrest KasAssociatie/Drying namelijk volledig gebaseerd op art. 3:110 BW en, voorzover het gaat om girale effecten, op de Wge.5 Een algemener geldend argument, zoals dat in Modehuis Nolly werd gevonden in de met art. 3:89 BW beoogde opeisbaarheid van de eigendomsverkrijging van onroerend goed door middel van overdracht, ontbreekt. Zaaksvervanging is, zoals in paragraaf 4.5 betoogd, naar mijn mening niet gebaseerd op art. 3:110 BW. 6 Het gegeven dat vorderingen op naam dus niet direct door een derde kunnen worden verkregen met een beroep op dit artikel, doet voor de mogelijke toepassing van zaaksvervanging niet ter zake.7 Zaaksvervanging ten aanzien van vorderingen op naam kan dus niet op grond van deze uitspraak en de systematische beperkingen van art. 3:110 BW worden afgewezen.
Ten tweede moet worden bekeken hoe zaaksvervanging zich verhoudt tot de tenaamstelling van vervangende vorderingen. Twee mogelijkheden dienen zich aan. De eerste optie laat de tenaamstelling van de vordering door zaaksvervanging onaangetast. In het geval van de beschadiging van het aan vruchtgebruik onderworpen goed en een verzekeringsaanspraak op grond van een verzekering gesloten door de vruchtgebruiker, geldt dan dat de vergoedingsvordering op naam van de vruchtgebruiker blijft luiden, ondanks toepassing van art. 3:213 BW. Zaaksvervanging leidt er in dat geval wel toe dat de rechthebbende een ander is dan degene op wiens naam de vordering staat, in casu de hoofdgerechtigde.8 In de alternatieve benadering heeft zaaksvervanging wel direct effect op de tenaamstelling van de vervangende vordering. In het aangehaalde voorbeeld ontstaat weliswaar aanvankelijk op grond van de verzekeringsovereenkomst een vergoedingsvordering op naam van de vruchtgebruiker, maar door de werking van zaaksvervanging wordt deze vordering daarna op grond van de wet geacht op naam te zijn gesteld van de hoofdgerechtigde. De schuldenaar van de vordering is van deze wijziging echter niet op de hoogte, maar hij wordt tegen de veranderde omstandigheden voldoende beschermd.9
Naar mijn mening sluit de tweede benadering het best aan bij het systeem van het recht en de wijze waarop zaaksvervanging bij bijvoorbeeld roerende zaken optreedt.10 De eerste mogelijkheid, waarin het mogelijk is dat een vordering op naam staat van A, terwijl B de rechthebbende is, lijkt mij daarnaast moeilijk verenigbaar met de basale kenmerken van een vordering die niet voor niets op naam luidt.11
Tot zo ver zijn er dus geen redenen om de algemene conclusie dat vorderingen op naam in aanmerking komen als surrogaat bij zaaksvervanging, bij te stellen. Het derde onderdeel dat nadere beschouwing vergt, namelijk de inhoud van de verbintenis waartoe de vordering op naam verplicht, eist dit echter wel. Verbintenissen die aan de actieve kant niet persoonsgebonden zijn, dat wil zeggen vorderingen tot een prestatie die jegens een ieder ongeacht de persoon van de schuldeiser kunnen worden uitgevoerd, komen als surrogaat zonder meer voor zaaksvervanging in aanmerking. Dit geldt echter niet voor verbintenissen die gebonden zijn aan een specifieke schuldeiser, zoals een verplichting tot het verrichten van een bepaalde plastisch-chirurgische ingreep. Ook het inhuren van een tuinman voor het onderhoud van de tuin, met inzet van met vruchtgebruik belaste middelen, leidt tot een vordering die slechts theoretisch voor zaaksvervanging in aanmerking komt. In het algemeen zijn vorderingen tot een doen of nalaten praktisch minder geschikt als surrogaat. Wanneer het voorwerp van een verbintenis echter bestaat in een prestatie iets te geven, met name levering van goederen of betaling van geld, is deze zonder meer geschikt om als vervangend goed bij zaaksvervanging betrokken te worden.