Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/6.2
6.2 Roerende, niet-registerzaken
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624920:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Suijling 1940, p. 86, waarbij hij een uitzondering maakt voor het bestaan van één hypotheekrecht op verschillende goederen.
Zie bijvoorbeeld HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 447 (Spaarbank Rivierenland) en HR 20 september 2002, NJ 2004, 182 (Mulder q.q./Rabobank).
Hetzelfde geldt voor toonder- en ordervorderingen en roerende registergoederen.
Dit onderscheid is terug te voeren tot het Romeinse recht, zie J.H.A. Lokin 2008, G9 en Spruit 2003, nr. 228. Deze zaken worden ook wel aangemerkt als vervangbare zaken (zie onder anderen Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 93), maar ik acht, zoals hieronder wordt betoogd, deze terminologie verwarrend, omdat de groep vervangbare zaken naar mijn mening groter is dan de categorie soortzaken. Daarbij is vervangbaarheid een grotendeels subjectief criterium, terwijl het al dan niet zijn van een soortzaak naar geobjectiveerde maatstaven wordt bepaald.
Zie Beekhuis (1980, p. 13-14), die meent dat dit in ieder geval zo is bij vloeistoffen en gassen, maar ook bij vaste voorwerpen: 'Men mag m.i. aannemen dat met het geval dat er één zaak ontstaan is, gelijk mag staan het geval dat er een bepaalde hoeveelheid afzonderlijke zaken die in het verkeer slechts door vaststelling van maat, getal of gewicht verhandeld plegen te worden. Wij benaderen dan het begrip vervangbare zaken zoals in § 91BGB.' Vgl. Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 93; J.H.A. Lokin 2008, G 9, die ruimte laat voor invloed van de partijwil bij de beantwoording van deze vraag.
Zie HR 12 januari 1968, NJ 1968, 274 (Teixeira de Mattos) en HR 10 februari 1978, NJ 1979, 338 (Nieuwe Matex). Zie ook Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 58.
Zie ook Wichers 2002, p. 62: 'Gassen, vloeistoffen en bepaalde vaste stoffen worden in beginsel enkel als zaak gekwalificeerd wanneer sprake is van een in het verkeer min of meer gebruikelijke, afgescheiden hoeveelheid fysieke eenheden.' Zie ook Fikkers 1999, nr. 2, die een geïndividualiseerd zaak omschrijft als een stoffelijk object dat in ruimtelijke zin voldoende is afgescheiden van de omgeving.
Zie ook Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 325. Uit HR 10 februari 1978, NJ 1979, 338 (Nieuwe Matex) is af te leiden dat de individualisering eventueel ook mogelijk is zonder de melk uit de tank te halen, maar dit ligt in het gegeven voorbeeld minder voor de hand.
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 93.
Zie ook Wichers 2002, p. 47. Zie over vervangbaarheid naar Belgisch recht: Jansen 2009, p. 791.
Vgl. Suijling 1940, p. 49, die hierbij spreekt van economische vervangbaarheid, wat wil zeggen dat deze zaken in het dagelijks leven niet naar hun identiteit, maar naar hun generieke eigenschappen worden gewaardeerd. Hij stelt dit tegenoverjuridische vervangbaarheid, waarvan sprake is als een restitutieplicht slechts ziet op soortgelijke zaken. Zo ook Hammerstein 1977, p. 135-136, die terecht opmerkt dat juridische vervangbaarheid in deze zin zaaksvervanging overbodig maakt. Zie in dit kader ook de in par. 2.11 genoemde gevallen. Mijns inziens is de term juridische vervangbaarheid in deze vorm verwarrend en is alleen de genoemde economische vervangbaarheid van belang voor de typering van zaken.
Vgl. Suijling 1940, p. 51, die schrijft over verwisselbare zaken. Smelt 2003, p. 348, spreekt over gelijksoortige zaken. Anders Mijnssen 1984, p. 7: 'Met het onderscheid vervangbaar-onvervangbaar, valt samen het onderscheid tussen individueel bepaalde en slechts naar soort bepaalde zaken. Een individueel bepaalde zaak mag niet door een andere vervangen worden. Bij slechts naar de soort bepaalde zaken doet het er niet toe welke zaak of zaken aan de schuldeiser worden afgeleverd.'
Zie over de verbintenisrechtelijke gevolgen van het aanmerken van een zaak als soortzaak: Köster 1971. Zie in dit kader ook het door Köster gemaakte onderscheid tussen de generieke verbintenis en de specifieke verbintenis, waarover ook Asser/Hartkamp/Sieburgh 6-1*, nr. 156-160.
Zie Hammerstein 1977, p. 135. Naar Belgisch recht evenzo: Sagaert 2003, p. 485.
Vgl. Köster 1971, p. 445; Hijma/Olthof 2008, nr. 313: 'Het is weinig zinvol te spreken van genus of speciesgoederen. Geen goed is uit zichzelf een genus- of een speciesgoed, ook al zullen sommige goederen in de praktijk veelal voorwerp zijn van een genusverbintenis, andere van een speciesverbintenis.'De verwarring wordt nog verder gevoed doordat onder andere in de parlementaire geschiedenis (boek 5, p. 108) ook geen terminologisch onderscheid wordt gemaakt tussen eigenlijke en oneigenlijke vermenging.
Waar de grens ligt tussen eigenlijke en oneigenlijke soortzaken kan lastig te bepalen zijn. De verkeersopvattingen moeten hierbij naar mijn mening een beslissende rol spelen. Vgl. Fikkers 1999, nr. 68, die als voorbeeld aanhaalt het geval waarin twee kisten sinaasappelen omvallen, waarna de vruchten bijeenraken.
Vgl. Wichers 2002, p. 47-48, die twee soorten individualisering onderscheidt.
Het gaat daarbij om een objectief vast te stellen aanduiding, die losstaat van de wijze waarop partijen de betreffende zaken behandelen. Het betreft hier uitsluitend de goederenrechtelijke benadering, die onder omstandigheden kan afwijken van de partijbedoelingen en verbintenisrechtelijke consequenties. Vgl. Hammerstein 1977, p. 134 e.v., die onderscheid maakt tussen verbruikbare, vervangbare en onvervangbare zaken.
Zie ook Van der Kwaak 1990, p. 235. Vgl. Sagaert p. 328: 'Nu moet echter vastgesteld worden dat de schijntheorie in de verhouding tot schuldeisers in de loop van de tijd geleidelijk aan draagkracht heeft verloren.'
195.
Suijling schreef het al: de aanwezigheid van een zakelijk recht veronderstelt 'noodwendig' de aanwezigheid van een individueel bepaald object.1 Deze regel is terug te voeren op de vereiste specialisering. Dit beginsel laat zich op diverse plaatsen in het goederenrecht gelden, zoals bij de vereisten gesteld aan de bepaald- of bepaalbaarheid bij de levering van zaken of de verpanding van vorderingen.2 Bij zaaksvervanging concentreren de problemen zich op de individualisering van vervangbare zaken en de bewijsmoeilijkheden die op kunnen treden bij in grotere hoeveelheden voorkomende, vergelijkbare roerende zaken.
De gevolgen van het individualiseringsbeginsel zijn bij zaaksvervanging beperkt zolang hierbij unieke, eenvoudig individueel te bepalen roerende zaken betrokken zijn. Of het nu gaat om een lapjeskat of een antieke klok, veel discussie over de vraag om welke zaak het precies gaat, zal daarbij niet bestaan.3 Dit wordt slechts anders als dergelijke zaken betrokken raken bij zaaksvorming of natrekking.
Tegenover de individueel bepaalde of specieszaken worden traditioneel generieke of soortzaken geplaatst. Dit zijn zaken die slechts naar hun generieke eigenschappen bepaald zijn, zoals graan, yoghurt en krenten. Dergelijke zaken worden gebruikelijk naar getal, maat of gewicht verhandeld.4 Of sprake is van een soortzaak wordt bepaald door de verkeersopvattingen, in het bijzonder door te bepalen of het samenvoegen van twee partijen van dezelfde soort naar verkeersopvattingen leidt tot het ontstaan van één grote partij of dat sprake blijft van verschillende zaken.5 Wanneer één zaak ontstaat, is sprake van een soortzaak.
Om eigendom van een soortzaak te verkrijgen is het niet voldoende om een aanspraak te hebben op een uitsluitend naar soort bepaalde hoeveelheid.6 Soortzaken moeten hiertoe nader zijn geïndividualiseerd.7 Wanneer de melkveehouder zijn campinghoudende buurman vijf liter verse melk verkoopt en levert ten behoeve van een speciaal boerenontbijt voor de gasten, is het voor de overdracht in beginsel nodig dat de bedoelde hoeveelheid uit de grote opslagtank wordt getapt, waardoor de melk een geïndividualiseerde soortzaak wordt.8 Soortzaken kunnen door afscheiding of doordat zij zich op een bepaalde plaats bevinden, voldoende geïndividualiseerd worden om hierop aanspraken te kunnen hebben.9 Of sprake is van een geïndividualiseerde soortzaak is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden, waarbij de wil van betrokken partijen een rol kan spelen.
Het gegeven dat een hoeveelheid van een soortzaak voldoende is geïndividualiseerd om hierop rechten te kunnen hebben, verandert echter niets aan de aard van het betrokken goed. Bij een afgescheiden hoeveelheid bakmeel is sprake van een geïndividualiseerde hoeveelheid van de betreffende soortzaak en niet van een specieszaak. Hiervan moet echter worden onderscheiden het geval waarin meel is verpakt in standaard kilozakken en deze zakken worden verhandeld. Bakmeel is een soortzaak, een pak bakmeel is mijns inziens een individueel bepaalde zaak.10 Dit pak meel heeft echter wel een aantal eigenschappen dat ook soortzaken kenmerkt. Het is economisch vervangbaar door een pak meel van vergelijkbare kwaliteit en hoeveelheid11 en individualisering kan tot problemen leiden, omdat alle pakken er hetzelfde uitzien. Dit zijn twee eigenschappen die de eerder beschreven, unieke specieszaak niet heeft. In het navolgende onderscheid ik daarom ook een zich tussen de duidelijk unieke zaken en de soortzaken bevindende categorie zaken, die ik in het navolgende aanduid als oneigenlijke soortzaken.12 Het gaat hierbij om individueel bepaalde zaken die niet naar maat, gewicht of aantal worden verhandeld, maar waarvan het in beginsel ook niet uitmaakt welk specifiek exemplaar men heeft of geleverd krijgt. Zij laten zich dus eenvoudig verwisselen voor een vergelijkbare zaak. Een voorbeeld hiervan is het genoemde pak bakmeel, maar ook computerschermen en wetbundels vallen in deze categorie. Zij worden, behalve door handelaren, per stuk verkocht en geleverd. Of ik echter de derde of de vierde identieke bundel of scherm van de stapel geleverd krijg, maakt mij niet uit en indien mijn wetboek in het water valt, koop ik gewoon een nieuw.
Dit type zaken wordt in de literatuur soms soortzaken genoemd, met name wanneer het gaat om verbintenissen tot levering en verdeling van het risico.13 Wanneer de eigenaar van de uitgebrande boekhandel zich erop beroept dat hij niet kan leveren, roept een juridisch onderlegde klant 'genus non perit', ofwel 'u haalt maar ergens een ander exemplaar vandaan'. Hier is merkbaar dat het gebruik van de meer verbintenisrechtelijk georiënteerde term vervangbaarheid en vervangbare zaken14 als synoniem voor de goederenrechtelijke term soortzaken verwarring schept.15 Mijns inziens zijn de hier bedoelde zaken in goederenrechtelijke zin geen soortzaken, al zijn zij vaak wel (juridisch en economisch) vervangbaar. Wettenbundels, maar ook spijkerbroeken en fietsbanden, worden niet naar getal, maat of gewicht verhandeld, zoals water of aardgas. Zij zijn individueel bepaalde zaken zonder dat een verdere aanduiding of afscheiding nodig is. Wanneer een aantal van dergelijke zaken bijeenraakt, blijven deze ook als zelfstandige zaak aanwijsbaar en is geen sprake van één zaak, zijnde de aanwezige berg boeken, broeken of banden.16 Zij hebben wel met de eigenlijke soortzaken gemeen dat zij (economisch) vervangbare zaken zijn en dat de individualisering ten opzichte van vergelijkbare zaken, die noodzakelijk is om hier aanspraak op te kunnen maken, een probleem kan zijn.17
196. In het navolgende is daarom een onderscheid aangebracht tussen drie typen roerende zaken: geïndividualiseerde hoeveelheden soortzaken, oneigenlijke soortzaken en (in beginsel niet vervangbare) specieszaken.18 Het belang van dit onderscheid blijkt wanneer de gevolgen van veranderingen ten aanzien van de verschillende typen zaken worden bepaald. Het bestaan van geïndividualiseerde soortzaken wordt bedreigd door vermenging en zaaksvorming. Het bestaan van niet-vervangbare, individueel bepaalde zaken wordt beïnvloed door natrekking of zaaksvorming en de oneigenlijke soortzaken kunnen daarnaast onderwerp worden van oneigenlijke vermenging.
De nadruk ligt dus op de individualisering en zelfstandigheid, terwijl aan het publiciteitsbeginsel geen aandacht wordt besteed. In het maatschappelijk verkeer mag een schuldeiser of andere derde er niet per definitie van uitgaan dat zaken die zich in de macht van een persoon bevinden, ook tot zijn vermogen behoren.19 De auto waarin iemand dagelijks rijdt, is misschien geleased, op de aanwezige tuinmeubels kan een eigendomsvoorbehoud van toepassing zijn en de grasmaaier is potentieel reeds c.p. geleverd aan of geleend van de buurman. Publiciteit speelt hierdoor bij roerende zaken een zeer beperkte rol en staat hierdoor niet aan zaaksvervanging in de weg.
6.2.1 Specieszaken6.2.2 Soortzaken6.2.3 Oneigenlijke soortzaken