Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/6.3
6.3 Registergoederen
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS625385:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor gevallen van perceelvorming: Ploeger 2003, p. 72 e.v.
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 55 en 364 e.v.; Snijders 1992, p. 181; Van der Steur 2003, p. 160; Ploeger 2003, p. 79 e.v.; Bartels 2004, p. 6.
Zie Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 172: 'De individualisatie geeft bij onroerende zaken in Nederland minder problemen dan bij roerende zaken als men de weg kent.' Vgl. Suijling 1940, p. 37-38: 'Percelen vormen met hun omgeving een samenhangend geheel waaruit zij niet kunnen worden losgemaakt. Grondstukken kunnen daarom slechts in gedachte begrenzingen bezitten. […] Onroerende zaken danken hun begrenzing en daarmee hun individualiteit aan het recht.'
Vgl. bijv. Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 298, waarin wordt gesteld dat registergoederen aan de hoofdgerechtigde geleverd moeten worden om art. 3:213 BW toe te kunnen passen, met verwijzing naar Perrick 2008. Zie hierover ook mijn in WPNR te verschijnen artikel.
Vgl. Perrick 2008, onder 4.
Zie relativerend over het verschil tussen positieve en negatieve stelsels: Zevenbergen 2002, p. 63-64 en instemmend Snijders 2003, onder 4.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 107-109; Rank-Berenschot 1992, p. 327; Struycken 2009, p. 124.
Zie Snijders 1990, p. 184 en p. 186: 'De conclusie is derhalve dat uit de openbare registers, ondanks de negatieve aard die het stelsel in beginsel nog heeft, toch een vrij volledig beeld van de rechtstoestand te putten is.' Snijders/Rank-Berenschot 2007, spreekt van een vrijwel waterdicht systeem. Van Velten 2009, p. 321, stelt dat het stelsel weliswaar niet volmaakt is, 'maar – om met Angelsaksische auteurs te spreken – het is trustworthly.'; Struycken 2007, p. 682: 'Deze voorschriften [art. 24 lid 2 Kadasterwet, JBS] zijn de weerslag van het uitgangspunt dat ten aanzien van registergoederen zo veel mogelijk duidelijkheid en zekerheid moet bestaan.'; Bartels 2004, p. 12: '[…] denk ik dat het streven erop gericht moet zijn de openbare registers zo betrouwbaar mogelijk te maken.'; Struycken 2009, p. 124: 'Bescherming van het vertrouwen van degene die te goeder trouw afgaat op wat in het register is vermeld, vormt een noodzakelijk complement van het negatieve stelsel.' Zie ook Meijers, Parl. Gesch. Boek 3, p. 618.
Zie voor een voorbeeld met betrekking tot fideicommis ook Perrick 2008, onder 9.
Zie Struycken 2009, p. 119: 'De openbare registers zijn in essentie chronologisch geordende en genummerde bundelingen van afschriften van notariële akten en enkele andere stukken. Deze afschriften en andere stukken zelf worden bewaard; alle daarin opgenomen informatie maakt dus deel uit van hetgeen in de openbare registers is opgenomen.'
Een bijzonder geval van vervanging van onroerende zaken doet zich voor bij ruilverkaveling, waarbij art. 52, 59, 60 en 82 Wilg regelingen voor vervangende rechten geven Vgl. naar oud recht Hof Amsterdam 21 juli 2005, NJF 2005, 361 (Rabobank/Pontmeijer). Zie hierover mijn in WPNR te verschijnen artikel.
Of een latere inschrijving ook mogelijk is, komt hierna aan de orde.
In de toekomst kan eventueel een ander voorbeeld worden gevonden bij de inning van vordering tot levering van een registergoed, vgl. art. 3.6.8 lid 2 voorontwerp Iw.
Zie par. 4.5.
De wetgever lijkt aan deze overeenkomst van de resultaten voorbij te gaan, zie TK 2005-2006, 28 867, nr. 9, p. 9: 'Het voorgesteld artikel 95, eerste lid, vindt geen toepassing in plaats van de regel van Modehuis Nolly, maar in aanvulling daarop. De bepaling doet derhalve nets af aan het uitgangspunt dat degene aan wie een (register)goed wordt geleverd daarvan ook eigenaar wordt. Slechts voor de vraag of een goed dat is geleverd aan één echtgenoot in de huwelijksgemeenschap valt, wordt het huidige recht (analoge toepassing van artikel 124, tweede lid) doorgetrokken.' Het uitgangspunt blijft inderdaad bij zaaksvervanging overeind, maar het gevolg van een volledige toepassing van zaaksvervanging is wel, dat een resultaat wordt bereikt dat hieraan geen recht doet.
Zie HR 2 april 1976, NT 1976, 450, overweging m.b.t. het tweede middel.
Vgl. Hammerstein 1977, p. 105 en diens verwijzingen naar Scholten en Eggens; Van der Velden 2008, p. 124; Bartels, 2003, p. 211: 'Het lijkt mij echter dat de ratio van art. 671 (oud) BW de dragende motivering is. Deze ratio is dat derden zoveel mogelijk uit de openbare registers moeten kurmen afleiden wat de rechtstoestand van registergoederen is.'
Zie bijvoorbeeld Conclusie P-G De Vries Lentsch-Kostense, HR 5 oktober 2007, NJ 2008, 296, onder 14: 'Aan zaaksvervanging zoals deze door het hof in navolging van de rechtbank kennelijk is aangenomen, kan immers reeds geen sprake zijn omdat […] een (parti6le) eigendomsverkrijging door C van een door X op eigen naam verkregen registergoed niet mogelijk is, aangezien een dergelijke vorm van eigendomsverkrijging zich niet verdraagt met de openbaarheid van de eigendomsverkrijging van registergoederen.' Zie ook Kleijn, noot bij HR 5 oktober 2007, NJ 2008, 296, die onder 3b wel een mogelijkheid ziet tot 'economische zaaksvervanging'; Van Gaalen 2001, p. 98: 'Ut bovenstaande overweging [uit HR 2 april 1976, NJ 1976, 450 (Modehuis Nolly), JBS] blijkt, dat de opnaamstelling van registergoederen de enige maatstaf is voor de beoordeling van het eigendomsrecht'; Mellema-Kranenburg 1999, p. 36 en 2007, onder 4: De tenaamstelling is doorslaggevend voor de eigendomsverkrijging.' Mellema-Kranenburg verbindt hieraan de conclusie dat 'automatische zaaksvervanging niet mogelijk is' bij registergoederen en vorderingen op naam (1999, p. 39) en 'dat op dogmatische gronden de (juridische) zaaksvervangingsregeling niet werkt' bij verkrijging van registergoederen (2007, onder 4).
Zie Perrick 2008, onder 3-5. Vgl. Asser/Perrick 3-IV, nr. 5.
Zie Perrick 2008, onder 4. Ook de wetgever lijkt hiervan uit te gaan, zie TK 20052006, 28 867, nr. 9, p. 9. Vgl. Asser/Perrick 3-IV, nr. 5: 'Vindt geen zaaksvervanging plaats omdat niet is voldaan aan de regels van goederenrecht en 'vertegenwoordigingsrecht', dan kan er wel sprake zijn van een obligatoire gemeenschap', met verwijzing naar HR 16 januari 1987, NJ 1987, 912.
Zie Perrick 2008, onder 5: 'De regels van het goederenrecht die dienen te worden nageleefd, zijn beperkt tot degene die ertoe leiden dat de hoofdgerechtigde rechthebbende tot het vervangende registergoed wordt' en zou bij een vruchtgebruik als vereiste voor zaaksvervanging door een registergoed willen stellen dat de regels voor de verkrijging door de hoofdgerechtigde zijn nageleefd.' Zie ook Asser/Bartels 5*, nr. 298a.
Zo kan de schuldenaar van een stil gecedeerde vordering (art. 3:94 lid 3 BW) bevrijdend blijven betalen aan 'zijn wederpartij' van wie hij denkt dat dit de schuldeiser is, tot hij van de gewijzigde situatie op de hoogte is gebracht, terwijl de cessionaris wel de nieuwe rechthebbende is. Een soortgelijke verdeling van bevoegdheden die de schuldenaar van de betreffende vordering tegemoetkomt, treft men aan in art. 3:246 lid 1 BW voor het geval een vorderingsrecht stil is verpand. Vgl. ook art. 9 Uniform Commercial Code en DCFR Book 9, waarover uitgebreid Struycken 2009, p. 159-171.
Vgl. Meijers 1948, p. 272: 'Zo wordt in bijkans alle rechten, waarin openbare registers voor de publicatie van bepaalde rechtsfeiten bestaan, bepalingen aangetroffen, die aan rechtshandelingen reeds volkomen zakelijke werking tussen partijen geven, doch aan die handelingen werking tegen derden ontzeggen, zolang publicatie niet heeft plaatsgevonden. In vele Landen is dit het geval bij overdracht van onroerend goed, in Nederland ook in geval van eigendom die op huwelijkse voorwaarden steunt of van fideicommissaire beschikkingen ten aanzien van onroerend goed.'
Vgl. Van Maanen 1996, p. 54: 'Publicatie als zodanig heeft geen zakelijke werking; wel is zij veelal een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van goederenrechtelijke rechten of andere rechten met werking tegen derden.'
Deze tweede verkrijging is naar geldend recht naar mijn mening uitgesloten, omdat een grondslag voor een dergelijke vervanging ontbreekt, zie par. 5.4. Vgl. TK 2005-2006, 28 867, nr. 9, p. 9.
Zie Kleijn 1992, p. 46: 'Men kan deze zaaksvervanging ook terugvoeren tot een algemene regel uit het NBW, namelijk artikel 3:110 Li' en Kleijn, noot bij HR 5 oktober 2007, NJ 2008, 296, onder 3a; Mellema-Kranenburg 1999, p. 36. Zie echter Asser/Perrick 3-IV, nr. 5.
De daarbij gevolgde goederenrechtelijke verklaring is echter moeilijk te duiden. Enerzijds wordt gesproken over het in de transportakte constateren, dat door middel van zaaksvervanging het registergoed met vruchtgebruik is belast en het ontbreken van een dergelijke constatering leidt ertoe dat 'het vruchtgebruik op dat moment zwevend is. Er treedt weliswaar zaaksvervanging op op grond van de wet, doch deze is niet perfect, immers daar waar het registergoederen betreft dient het vruchtgebruik in de openbare registers ingeschreven te zijn.' Anderzijds geldt volgens Mellema-Kranenburg (1999, p. 37) zaaksvervanging als de titel voor de genoemde constatering. Zie ook Luijten 1997, p. 3: 'Een nieuwe vestiging is niet nodig. Wel zal uiteraard bij een registergoed dat in de plaats treedt van een vervangen goed, uit de Leveringsakte van het daarop gecontinueerde vruchtgebruik moeten blijken.'
Vgl. Mellema-Kranenburg 1999, p. 37: 'Er treedt weliswaar zaaksvervanging op op grond van de wet, doch deze is niet perfect, immers daar waar het registergoederen betreft, dient het vruchtgebruik in de openbare registers ingeschreven te zijn.' Aan het door haar genoemde 'zwevende vruchtgebruik', als de constatering in de openbare registers ontbreekt, kunnen mijns inziens geen rechten worden ontleend en van zaaksvervanging is daarom geen sprake.
De notaris kan de fout ook niet door middel van een rectificatie herstellen. Zie hierover mijn in WPNR te verschijnen artikel.
Zie ook Nieskens-Isphording 1999, p. 619.
In het Franse recht werd zaaksvervanging in het beginstadium vooral toegepast bij onroerende zaken en ook in Holland was men volgens Langemeijer zaaksvervanging gunstig gezind. Zie Langemeijer 1927, p. 24-25, p. 30. Vgl. HR 18 juni 1909, W 8881, WPNR 2072, waarover Langemeijer 1927, p. 68-69. Ook de Hoge Raad lijkt zaaksvervanging bij registergoederen niet uit te sluiten, maar hij laat in het midden of hiervoor extra voorwaarden gelden. Zie HR 5 oktober 2007, NJ 2008, 296, o. 3.5.2 en 3.7.2. Waarover instemmend Perrick 2008, onder 6.1.
Zie ook Nieskens-Isphording 1989, p. 72. Het grotere belang van het publiciteitsbeginsel blijkt ook uit de strengere eisen die de Hoge Raad stelt aan de uitleg van leveringsakte in vergelijking tot de uitleg van overeenkomsten, zie HR 22 apri11994, NJ 1995, 560 (Bouwmeester/Van Leeuwen) en met name HR 8 december 2000, NJ 2001, 350 (Eelder Woningbouw/Van Kammen c.s.), waarover ook Van Vliet 2001, p. 239240; Van Velten 2003, p. 20; Bartels 2004, p. 9-11. Zie verder HR 13 juni 2003, NJ 2004, 251 en HR 2 december 2005, NJ 2007, 5. Vgl. Breedveld-de Voogd 2002, p. 244-255.
Zie het aangehaalde citaat uit HR 2 apri11976, NJ 1976, 450, waarin over overdracht wordt gesproken. Zie verder Perrick 2008, onder 1: 'Voor de verkrijging onder bijzondere titel van een registergoed stelt het goederenrecht duidelijke regels waarvan de inschrijving van een afschrift van een akte in de openbare registers een belangrijk element is'; Struycken 2007, p. 792-793; Conclusie P-G De Vries Lentsch-Kostense bij HR 5 oktober 2007, NJ 2008, 296, onder 12: 'Bij registergoederen kan gelet op de vereisten die in verband met ons publiciteitsstelsel aan de levering worden gesteld, geen sprake zijn van zaaksvervanging bij een verkrijging op naam van de vruchtgebruiker; […]'. Zie Suijling 1940, p. 95: 'De publiciteitsgedachte beheerst slechts de werking der beschikkingen die ten aanzien van een bepaald goed of recht worden genomen. Buiten haar bereik vallen alle overgangen onder algemene titel.'
Art. 3:25 en 3:26 BW zijn hier niet van toepassing, nu de onvolledigheid van de registers niet wordt veroorzaakt door valsheid van een in een authentieke akte opgenomen verklaring (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 138), of een feit dat zich niet of niet aldus heeft voorgedaan maar wel staat ingeschreven (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 141). Bij de bescherming tegen wijzigingen als gevolg van zaaksvervanging is art. 3:88 BW niet van toepassing, omdat de onbevoegdheid van degene die in de registers staat vermeld, het gevolg is van de wijziging op grond van de wet en dus niet voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht. Art. 3:36 BW ten slotte biedt een bescherming die naast art. 3:24 BW bij zaaksvervanging nauwelijks zelfstandige waarde heeft.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 134. Zie ook Pitlo/Reehuis 2006, nr. 72.
Het gaat daarbij uitsluitend om feiten kenbaar uit de openbare registers en in beginsel niet om hetgeen uit het kadaster en de kadastrale kaarten blijkt.
Zie Snijders 1990, p. 184.
De aanvankelijke verkrijging van het registergoed in de zogenoemde eerste fase is weliswaar veelal gebaseerd op een rechtshandeling, maar dit geldt niet voor de hierop volgende aanpassing bewerkstelligd door zaaksvervanging. Juist deze aangepaste verkrijging moet, eventueel op een later tijdstip, onafhankelijk van de rechtshandeling waarop de verkrijging van het registergoed is gebaseerd, kunnen worden ingeschreven.
Zie ook Van Straaten 1992, p. 88.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 132. Zie ook Van Straaten 1992, p. 188.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 133. Dit komt doordat bescherming in de eerdere schakel in een verkrijgingsketen, bescherming door opvolgende verkrijgers onnodig maakt.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 133.
Zie Van Straaten 1992, p. 188 e.v.; Struycken 2009, p. 126.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 133.
Zie art. 5:76 BW, art. 455a en 507a Rv en Hof Amsterdam 21 juli 2005, NJF 2005, 361.
Bij zaaksvervanging na het sluiten van een huurovereenkomst kan de huurder eventueel bescherming ontlenen aan art. 7:226 BW, hoewel dit naar de letter van de wet ook is uitgesloten. Een ruimere uitleg van deze bepaling is echter vermoedelijk wel mogelijk, zodat de rechten van de huurder ook sterker zijn dan vervangende rechten ontstaan door zaaksvervanging.
Vgl. Wiersma 1994, die de bescherming van art. 3:24 lid 1 BW veel te ver vindt gaan. Deze opvatting is naar mijn mening terecht bestreden in zijn reactie door Berger (WPNR (1994) 6159, p. 815). Zie ook Nieskens-Isphording 1992, p. 324, Reinhartz 1993, p. 545. Zie verder Bartels 2003, p. 212: 'Komt aan het argument van openbaarheid van eigendomsverkrijging minder gewicht toe sinds 1992 nu derden die afgaan op de gegevens uit de openbare registers in verregaande mate worden beschermd? De vraag moet wat mij betreft ontkennend worden beantwoord. […] Belangrijk is ook dat de meeste derden zich niet op de bedoelde beschermingsbepalingen zouden kunnen beroepen' en Bartels 2004, p. 12: 'Het feit dat ons recht bij discrepanties tussen de werkelijke rechtstoestand en de in de openbare registers vermelde rechtstoestand derdenbescherming biedt, rechtvaardigt niet dat aan de betrouwbaarheid van de registers minder strenge eisen worden gesteld.' Zie ook Breederveld 2008, p. 174 en TK 2005-2006, 28 867, nr. 9, p. 9, waaruit blijkt dat ook bij het nieuwe art. 1:95 BW het niet de bedoeling is de verkrijging ten aanzien van registergoederen aan te passen anders dan als aanvullende bepaling voor het antwoord op de vraag, of een goed van de verkrijger privé of gemeenschappelijk met zijn of haar echtgenoot is; Perrick 2008, onder 6: 'Wel kan aan art. 3:24 BW een argument worden ontleend voor een ontkennende beantwoording van de vraag of het met het oog op de bescherming van derden onwenselijk is om zaaksvervanging in een geval als het berechte KR 5 oktober 2007, NJ 2008, 296, JBS] aan te nemen.' Vgl. Breedveld-de Voogd en Huijgen 2004. Zie Van Mourik/Nuytinck 2009, nr. 95, waar wordt aangenomen dat een van de vermelding in de openbare registers afwijkende bestuursregeling in de zin van art. 1:97 BW bezwaarlijk kan worden genegeerd. Zie ook Sagaert 2003, p. 677-678.
Zie hierover verder mijn in WPNR te verschijnen artikel, met verwijzingen naar Kleijn, Mellema-Kranenburg, Kortmann en Van der Velden, die dezelfde mening zijn toegedaan, en Nieskens-Isphording, die hier anders over denkt. Anders op dit punt: HR 5 oktober 2007, NJ 2008, 296 m. nt. WMK, waarover verder par. 5.2.2.
Een uitzondering kan eventueel worden aangenomen in de gevallen waarin de derden – en met name een mogelijke huurder – op een andere manier worden beschermd, bijvoorbeeld door art. 7:226 BW. Zie hierover verder mijn in WPNR te verschijnen artikel.
Zie ook Van Mourik 2009-II, p. 1002.
Vgl. HR 16 maart 1984, NJ 1984, 556 (Modehuis Nolly II).
202.
Anders dan bij veel roerende zaken is het probleem bij onroerende zaken en andere registergoederen nauwelijks gelegen in het behoud van een door middel van zaaksvervanging verkregen aanspraak. Problemen met zaaksvorming, natrekking of vermenging doen zich bij registergoederen hoogst zelden voor. Voor zover een onroerende zaak als hoofdzaak optreedt bij natrekking, beïnvloedt dit de rechten van de betrokkenen ten aanzien van deze onroerende zaak in beginsel niet. Het object van hun recht wordt uitgebreid of beperkt, maar het verandert niet in een andere zaak.1
Ook problemen met individualiseerbaarheid die bij roerende zaken voor ernstige complicaties kunnen zorgen, doen zich bij registergoederen in veel mindere mate voor. Teboekgestelde schepen en luchtvaartuigen zijn niet met vergelijkbare vervoermiddelen te verwarren. Over de individualiseerbaarheid van grondstukken wordt weliswaar vaak gediscussieerd en hun volledig kunstmatige karakter maakt dat de grenzen erg flexibel zijn,2 maar dat een erf een registerzaak is, staat in beginsel vast, net als de globale ligging.3
Bij de toepassing van zaaksvervanging bij registergoederen bestaat echter een andere discussie, namelijk in hoeverre het verkrijgen van vervangende rechten hierop mogelijk is zonder een overeenkomstige inschrijving in de openbare registers.4 Toepassing van zaaksvervanging gaat naar haar aard niet gepaard met een dergelijke inschrijving. Het uitgangspunt van dit proefschrift is immers dat de vervangende rechten direct worden toegekend op grond van de wet en niet door een (al dan niet met behulp van art. 3:110 BW geconstrueerde) vestiging of overdracht, waarbij art. 3:89 en 3:260 BW inschrijving van een notariële akte in de openbare registers vereisen. Deze vereisten zijn meestal wel van belang bij de verkrijging van het surrogaat voorafgaand aan of in de eerste in het hoofdstuk over de methode beschreven stap. Deze primaire verkrijging, veelal onder bijzondere titel, moet voldoen aan de eisen die hieraan in het goederenrecht gesteld worden, inclusief inschrijving van een afschrift van de notariële akte in de openbare registers (art. 3:89 BW). In de tweede stap treedt het aldus verkregen registergoed op als surrogaat, waarbij door middel van de wettelijke bepalingen van zaaksvervanging in beginsel een ander als eigenaar wordt aangewezen en/of de verkregen zaak met een beperkt recht wordt belast.5 In deze stap is geen sprake van een derivatieve verkrijging, maar van een originaire verkrijging van rechtswege, die mogelijk is zonder dat daarbij sprake is van de eerdergenoemde formaliteiten van inschrijving in de openbare registers.
Uiteraard kunnen bij de verkrijging onmiddellijk de vervangende rechten worden vermeld in de akte. In dat geval leidt zaaksvervanging niet tot problemen door onvolledige openbare registers. In het onderstaande wordt echter steeds uitgegaan van casus waarin bij de verkrijging van het vervangende registergoed in de akte van levering rechten die door middel van zaaksvervanging op het goed komen te rusten, niet worden opgemerkt. Staat het gegeven dat zaaksvervanging rechten op registergoederen kan laten ontstaan zonder dat dit onmiddellijk door een inschrijving uit de openbare registers blijkt, dan in de weg aan het aanmerken van registergoederen als vervangend goed bij zaaksvervanging? Voor de beantwoording van deze vraag moet de rol van inschrijving in de openbare registers in het rechtsverkeer ten aanzien van registergoederen nader worden bekeken.
In het streven naar voldoende rechtszekerheid ten aanzien van onroerende zaken spelen de openbare registers en het stelsel van publicatie een belangrijke rol. Het Nederlandse recht kent geen stelsel waarin de daadwerkelijke juridische verhoudingen altijd overeenkomen met de vermelding in de openbare registers.6 Een dergelijk positief stelsel is bij de invoering van het huidige BW van de hand gewezen.7 De mogelijkheid dat de werkelijke verhoudingen afwijken van hetgeen uit de openbare registers blijkt, bijvoorbeeld door vernietiging van ingeschreven rechtshandelingen of verjaring, is ingecalculeerd. Eventuele onwenselijke gevolgen hiervan worden in belangrijke mate gemitigeerd door aanvullende beschermingsbepalingen en daarnaast wordt naar een zo groot mogelijke volledigheid en betrouwbaarheid van de registers gestreefd.8 Het Nederlandse stelsel wordt daarom wel als semi-positief bestempeld.9 Rechtsverkrijging door middel van zaaksvervanging gaat in beginsel niet gepaard met een inschrijving in de openbare registers. Het registratiesysteem houdt rekening met het ontstaan van goederenrechtelijke aanspraken op registergoederen zonder inschrijving hiervan in de openbare registers, waardoor het zich niet verzet tegen een toepassing van zaaksvervanging zonder inschrijving.
Bij het beantwoorden van de vraag naar de mogelijkheden van zaaksvervanging bij registergoederen moet worden gekeken naar de gevolgen voor het registerstelsel. Het vereist naar mijn mening een afweging van de betrokken belangen, waarbij geldt dat het toelaten van zaaksvervanging ter bescherming van een bepaalde rechthebbende niet ten koste mag gaan van de eveneens beschermenswaardige positie van derden. Het middel mag niet erger zijn dan de kwaal. In het onderstaande wordt gekeken hoe deze belangenafweging in diverse gevallen van zaaksvervanging uitvalt. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen die gevallen waarin door middel van zaaksvervanging oorspronkelijke rechten op het ene registergoed op een ander registergoed worden voortgezet en gevallen waarbij de oorspronkelijke rechten niet op een registergoed rusten.
203.
In de eerste categorie gevallen van zaaksvervanging is steeds sprake van een oorspronkelijk recht dat betrekking heeft op een registergoed. Door een beschikkingshandeling verlaat dit goed de bij zaaksvervanging centraal staande rechtsverhouding en hiervoor komt een ander registergoed in de plaats. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien een perceel belast met een erfdienstbaarheid wordt gesplitst waardoor nieuwe percelen ontstaan, maar ook wanneer een vruchtgebruiker die hiertoe bevoegd is de ene onroerende zaak ruilt voor een andere.10 Op grond van de genoemde belangenafweging tussen degene die door zaaksvervanging wordt beschermd en de derden in het rechtsverkeer bestaat weinig bezwaar tegen het aannemen van vervangende rechten uitsluitend op grond van de wet en zonder directe inschrijving van deze vervangende rechten in de openbare registers. De vervangende rechten zijn in deze situaties namelijk steeds indirect uit de registers kenbaar.
In het eerste voorbeeld stelt art. 5:76 BW dat de nieuwe zaken met het op het oorspronkelijke goed rustende recht zijn belast. Aangenomen kan worden dat dit geldt ongeacht een inschrijving van deze belastingen van de nieuwe, dienende erven, nu deze beperkte rechten uit de registers blijken door hun vermelding bij het oorspronkelijke dienende erf, gecombineerd met de ingeschreven verdeling van dat goed.11
Bij de splitsing van een registergoed in appartementsrechten komen op het oorspronkelijke registergoed rustende rechten te rusten op alle appartementsrechten die ontstaan (art. 5:114 BW) en bij de opheffing van een splitsing in appartementsrechten geldt, dat op de tenietgaande appartementsrechten gevestigde rechten kunnen worden uitgeoefend op het met het oorspronkelijke goed corresponderende aandeel in het geheel (art. 5:146 BW). In beide gevallen geldt dat de voort te zetten rechten kunnen worden gekend uit het register door een combinatie van de laatste inschrijving met de voorgaande situatie en de wettelijke bepalingen van zaaksvervanging.
Ook in het geval waarin een aandeel in een onverdeelde registergoed is bezwaard en later toedeling plaatsvindt aan de zekerheidsgever of blooteigenaar, zijn de vervangende rechten op het toegedeelde registergoed indirect kenbaar, doordat zowel de bezwaring van het aandeel als de verdeling uit de registers blijkt.12 In al deze gevallen geldt mijns inziens dat inschrijving van de vervangende rechten in de openbare registers door deze op te nemen in de akte van verdeling of splitsing wenselijk is, maar niet strikt noodzakelijk voor het ontstaan van de vervangende rechten.
Registergoederen zijn in deze gevallen niet uitgesloten als surrogaat bij zaaksvervanging. Een inschrijving van de vervangende rechten is mogelijk en wenselijk door deze te noemen in de akte van levering, verdeling of splitsing.13 Een dergelijke inschrijving van de vervangende rechten is echter niet noodzakelijk voor het tot stand komen van deze rechten, omdat de rechtszekerheid niet in gevaar komt. De vervangende rechten zijn steeds kenbaar door een combinatie van de oorspronkelijke inschrijving, de nieuwe inschrijving en de wettelijke bepaling waarop de voortzetting van de rechten is gebaseerd. Het algemene maatschappelijke belang dat is gediend met rechtszekerheid en kenbaarheid van de vervangende rechten, is hiermee voldoende gediend, waardoor eveneens recht wordt gedaan aan het door zaaksvervanging beschermde belang. Zaaksvervanging ten aanzien van registergoederen en rechtszekerheid bijten elkaar hier niet.
204.
In de andere gevallen waarbij een registergoed als surrogaat bij zaaksvervanging dienst kan doen, is het goed waarop het te behouden recht rust, geen registergoed. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer een echtgenoot een onroerende zaak verkrijgt die aan hem alleen wordt geleverd, terwijl de financiële middelen die worden aangewend om de koopsom te voldoen, afkomstig zijn uit gemeenschappelijk vermogen of het eigen vermogen van zijn vrouw. Een soortgelijk voorbeeld doet zich voor wanneer een vruchtgebruiker of een bezwaarde van een fideicommis, bevoegd beschikkend over het belaste vermogen, op eigen naam een registergoed verkrijgt.14 De voort te zetten rechten zien in dit geval in beginsel niet op registergoederen en de vervangende rechten zijn niet kenbaar uit de registers door de combinatie van opvolgende inschrijvingen en wettelijke bepalingen.15 Welke invloed heeft dit verschil ten opzichte van de hiervoor beschreven situatie op de afweging tussen zaaksvervanging en publiciteit?
De onderhavige gevallen doen denken aan de situatie waarvoor art. 3:110 BW is geschreven. Een door de ene persoon verrichte rechtshandeling moet daarbij leiden tot de verkrijging (van een recht) door een ander vanwege de rechtsverhouding die tussen beiden bestaat. Mijns inziens staat de verkrijging van vervangende rechten door zaaksvervanging weliswaar los van de toepassing van middellijke vertegenwoordiging,16 maar dit wil niet zeggen dat hetgeen ten aanzien van de toepassing van dit artikel is overwogen, hier zonder belang is. Het resultaat van zaaksvervanging is ten aanzien van registergoederen vergelijkbaar met de eventuele toepassing van art. 3:110 BW in dat geval: de verkrijging door de ander is niet kenbaar uit de openbare registers.17 Daarom kan bij het maken van de belangenafweging waarde worden gehecht aan de bewoordingen van de Hoge Raad in het arrest Modehuis Nolly, waarin directe verkrijging van registergoederen door de principaal of achterman bij middellijke vertegenwoordiging werd afgewezen. Volgens de Hoge Raad is 'een dergelijke wijze van eigendomsverkrijging van onroerend goed onverenigbaar […] met art. 671 BW [vgl. art. 3:89 BW, JBS] en met de door dit wetsvoorschrift beoogde openbaarheid van de eigendomsverkrijging van onroerend goed door middel van overdracht'.18 Deze overweging heeft een algemene gelding die ook bij zaaksvervanging van belang is. Zij speelt daarom eveneens een rol bij beantwoording van de vraag naar de (on)mogelijkheid van zaaksvervanging bij registergoederen in de onderhavige gevallen.19
Staat de rechtszekerheid in de weg aan de toepassing van zaaksvervanging ten aanzien van onroerende zaken en andere registergoederen, in gevallen waarin het oorspronkelijke goed geen registergoed is en wanneer de vervangende rechten niet bij de levering worden benoemd? Deze vraag kan op drie wijzen worden beantwoord.
Het eerste mogelijke antwoord luidt in beginsel bevestigend: zaaksvervanging is uitgesloten als een inschrijving van de vervangende rechten in de openbare registers ontbreekt. Doordat onroerende zaken en andere registergoederen niet zonder meer als surrogaat voor zaaksvervanging in aanmerking komen, wordt volledig tegemoet gekomen aan de belangen van het rechtsverkeer. Aan de openbaarheid bij eigendomsverkrijging van registergoederen wordt een doorslaggevende betekenis toegekend.20 Onjuistheid van de registers wordt zoveel mogelijk vermeden, doordat het ontstaan van vervangende rechten zonder inschrijving onmogelijk is.
Het tweede mogelijke antwoord, 'ja en nee', is bepleit door Perrick.21 Dit lijkt een gulden middenweg tussen het uitsluiten en het volledig toelaten van registergoed als surrogaat zonder vermelding in de openbare registers. Volgens Perrick kan door zaaksvervanging ten aanzien van registergoederen niet worden bereikt dat een ander dan de verkrijger volgens de in de openbare registers ingeschreven overdracht (de enige) rechthebbende wordt. In zoverre wordt de centrale vraag, of de rechtszekerheid in deze categorie gevallen in de weg staat aan zaaksvervanging bij registergoederen, bevestigend beantwoord. Het is naar zijn mening echter wel mogelijk dat beperkte rechten en andere, gedeelde goederenrechtelijke aanspraken behouden blijven zonder inschrijving in de openbare registers. Zo wordt de echtgenoot die met voornamelijk gemeenschappelijke middelen een onroerende zaak in eigen naam verwerft, dit grondstuk geacht gemeenschappelijk met zijn vrouw te hebben verkregen.22 Ook is het mogelijk dat de vruchtgebruiker een vervangend recht van vruchtgebruik krijgt op een registergoed dat aan de hoofdgerechtigde is geleverd, zonder dat van dit beperkte recht melding is gemaakt in de openbare registers.23
In het derde en meest vergaande antwoord is zaaksvervanging ten aanzien van registergoederen volledig mogelijk en is de inschrijving in de openbare registers niet van invloed op het al dan niet ontstaan van een vervangende aanspraak. De werking van zaaksvervanging wijkt in dit geval eigenlijk niet af van de werking bij niet-registergoederen als surrogaat. Het ontstaan van de vervangende rechten is uitsluitend op de wet gebaseerd. De werking van de derde oplossing moet daarbij in zoverre worden gerelativeerd, dat hiermee niet is gezegd dat de vervangende rechten ook direct dezelfde volledige absolute werking hebben als aanspraken die wel door middel van een inschrijving in de openbare registers tot stand zijn gekomen. Het uitgangspunt dient te zijn dat de van rechtswege ontstane aanspraken pas inroepbaar zijn tegen derden, vanaf het moment dat zij hiervan op de hoogte kunnen zijn. Een dergelijke oplossing, waarbij op absolute rechten niet zonder aan nadere vereisten te voldoen een volledig beroep kan worden gedaan ten aanzien van een of meer derden, komt in het recht vaker voor.24 Op vergelijkbare wijze kan worden aangenomen dat de rechten op registergoederen bij zaaksvervanging wel direct ontstaan, maar dat zij pas aan derden te goeder trouw kunnen worden tegengeworpen als zij hiervan door inschrijving in de openbare registers op de hoogte kunnen zijn.25 Inschrijving in de openbare registers is in dit geval geen voorwaarde voor het tot stand komen van het vervangende recht zoals in de eerste benadering, maar wel noodzakelijk voor de inroepbaarheid van dit recht jegens derden. Dit geldt dan zowel voor het bestaan van beperkte rechten als voor wijzigingen in de eigendomsverhoudingen. De door zaaksvervanging ontstane vervangende rechten zonder vermelding in de openbare registers zijn hierdoor vergelijkbaar met het vervangende pandrecht op grond van art. 3:229 BW, dat 'stil' is tot er mededeling is gedaan. Deze optie leidt tot stille hypotheekrechten en rechten van vruchtgebruik, waarvan derden in beginsel geen hinder ondervinden, omdat deze rechten niet tegen hen kunnen worden ingeroepen, voorzover zij van het bestaan niet op de hoogte zijn. De bescherming die door zaaksvervanging wordt geboden, werkt in deze derde benadering pas optimaal als de vervangende rechten kenbaar zijn door de inschrijving in de openbare registers.26
205.
Een keuze tussen deze opties vereist een nadere beschouwing van de gevolgen hiervan. De tweede mogelijkheid valt daarbij wat mij betreft als eerste af. Het is de vraag of deze gemengde benadering ook een algemene verbetering oplevert in de hanteerbaarheid en effectiviteit van zaaksvervanging. De getrokken lijn komt op mij enigszins willekeurig over en het maken van een dergelijk onderscheid tussen goederenrechtelijke rechten overtuigt mij niet. Zoals ook in paragraaf 5.3.2 is aangegeven, lijkt het mij wenselijk om eigendom en hieruit direct afgeleide beperkte rechten in beginsel zoveel mogelijk gelijk te behandelen. Zaaksvervanging ten aanzien van eigendom is bij dit tweede antwoord in beginsel uitgesloten, waardoor eigenaren zich meestal niet op bescherming kunnen beroepen. Ten aanzien van beperkte rechten is zaaksvervanging vaak wel mogelijk, waardoor beperkt gerechtigden wel worden beschermd. Daarbij is het niet duidelijk waarom het principieel wel mogelijk is om gezamenlijk eigendom te verkrijgen door echtgenoten, zonder dat de tweede rechthebbende in de registers is vermeld, maar het niet mogelijk is voor de andere echtgenoot om de volledige eigendom te verkrijgen, als voornamelijk zijn eigen middelen zijn ingezet bij de verkrijging door zijn partner.27 De vervanging is ten aanzien van degene aan wie is geleverd wel verdedigbaar, nu zowel volledige als gemeenschappelijke eigendom een vorm van eigendom is. Voor de in deze gevallen tevens verkrijgende partner geldt echter dat zijn of haar recht geheel niet uit de registers blijkt. Ook het huwelijksgoederenregister kan hooguit aangeven of een verder onderzoek naar de gerechtigdheid wenselijk is. Het is de vraag of door de nadruk te leggen op de gewenste interne verhoudingen, wel voldoende oog is voor de negatieve gevolgen voor de rechtszekerheid in het gekozen registerstelsel.
De eerste en de derde optie blijven dus over. Kleijn en Mellema-Kranenburg kiezen voor de eerste oplossing.28 Mellema-Kranenburg acht het voortbestaan van een recht van vruchtgebruik op een registergoed alleen mogelijk, wanneer de zaak op naam van de hoofdgerechtigde is gesteld en tevens in de notariële transportakte het vruchtgebruik wordt geconstateerd.29 De vervangende aanspraken moeten op het moment van de verkrijging van het registergoed uit de registers blijken, zonder dat sprake is van een nieuwe vestiging van het betrokken recht. Volstaan kan worden met het 'constateren' van zaaksvervanging in de in te schrijven notariële akte van levering. Wanneer sprake is van een oplettende notaris en een openhartige verkrijger die eerlijk vertelt hoe de vork in de steel zit, kan dus ook in deze visie van rechtswege een vervangend recht ontstaan.
Als de vervangende rechten echter niet onmiddellijk worden geconstateerd, lijkt zaaksvervanging in deze benadering uitgesloten. Een discussie over de mogelijkheden en de gevolgen van eventuele latere inschrijving is dan mijns inziens overbodig, omdat het onwenselijk is dat zaaksvervanging eenmaal tenietgegane rechten kan doen herleven.30 Het behoud van een aanspraak met overname van oorspronkelijke eigenschappen, met name de datum van vestiging, is dan uitgesloten, omdat het opleven van geëindigde absolute rechten moeilijk is te verenigen met de rechtszekerheid.31
De aantrekkingskracht van deze oplossing ligt in haar eenvoud32 en in de consequente behandeling van registergoederen in verhouding tot art. 3:110 BW. Dit type goederen blijft een afzonderlijke categorie vormen, waarbij aan de mogelijkheden om rechten te verkrijgen bijzondere eisen worden gesteld. Daarmee is meteen het nadeel van deze benadering gegeven. Aan zaaksvervanging ten aanzien van registergoederen wordt een extra voorwaarde verbonden, namelijk onmiddellijke inschrijving van de verkregen rechten in de openbare registers. De uitsluiting van verkrijging van vervangende rechten door zaaksvervanging als hieraan niet is voldaan, beperkt de effectiviteit van de geboden bescherming van degene die zich op zaaksvervanging moet beroepen aanzienlijk. Kenmerkend is namelijk dat deze personen niet bij de centraal staande rechtshandelingen betrokken zijn en zij kunnen er dus ook niet op toezien dat het extra vereiste wordt nageleefd. Voor het behoud van hun rechten van de oorspronkelijke datum worden zij afhankelijk van de welwillendheid en het juridische inzicht van de handelende ander.
De bescherming geboden door zaaksvervanging is in de derde benadering veel groter. Dit antwoord sluit aan bij tendensen uit het verleden33 en bij de flexibelere invulling van het publiciteitsbeginsel. Dit beginsel speelt bij de verkrijging van registergoederen weliswaar een grotere rol dan bij niet-registergoederen,34 maar het toepassingsbereik lijkt beperkt tot gevallen van overdracht en bezwaring.35 Het gegeven dat bij dergelijke doelbewuste mutaties ten aanzien van de rechtsverhoudingen bij registergoederen hoge eisen worden gesteld aan de publiciteit, kan niet direct worden vertaald naar gelijke hoge eisen bij de toekenning van vervangende rechten op grond van de wet. Wanneer de wetgever kiest voor een andere wijze van rechtsverkrijging, zoals toekenning van rechten van rechtswege, is hij niet noodzakelijk gebonden aan de eisen die hij voor een overdracht door betrokkenen noodzakelijk acht.
Dit neemt echter niet weg dat het nadeel van deze benadering is, dat zaaksvervanging ertoe leidt dat de vermeldingen in de openbare registers vaker afwijken van de juridische realiteit. Bij de beoordeling van de omvang van de gevaren voor de rechtszekerheid moet worden gekeken naar de regelingen die de gevolgen van het ontbreken van een inschrijving verzachten. De rechtszekerheid is namelijk niet alleen gediend met een hoge mate van betrouwbaarheid van de openbare registers, maar hieraan kan ook tegemoet worden gekomen door toereikende bepalingen die derden beschermen als zij zijn afgegaan op hetgeen uit de openbare registers blijkt.
Met name art. 3:24 BW kan eventueel voor de noodzakelijke bescherming van de derden te goeder trouw zorgen.36 Deze bepaling beschermt verkrijgers onder bijzondere titel tegen niet ingeschreven feiten, mits zij van dit feit ook niet op een andere manier op de hoogte zijn geraakt. Dit artikel wordt gezien als een invulling van de goede trouw, waarbij de onderzoeksplicht wordt beperkt tot kennisname van de inschrijvingen in de openbare registers.37 Deze bescherming wordt ook geboden bij verkrijging van een beschikkingsonbevoegde.38 Hiermee lijkt een ruime bescherming te worden gegeven aan derden, waardoor recht wordt gedaan aan de eisen die het rechtsverkeer stelt aan de kenbaarheid van rechten ten aanzien van registergoederen.
Het artikel kent echter een beperkte reikwijdte. De eerste beperking hangt samen met art. 3:17 BW. Zij is uitsluitend van toepassing op feiten die niet zijn ingeschreven, maar wel inschrijfbaar zijn.39 Dit vereiste leidt eventueel tot problemen bij de toepassing in gevallen van zaaksvervanging, nu de in art. 3:17 BW gegeven limitatieve opsomming van facultatief inschrijfbare feiten40 niet direct geëquipeerd lijkt voor de inschrijving van verkrijgingen door zaaksvervanging. De meeste bepalingen van zaaksvervanging behelzen geen voorziening om inschrijving van de betreffende feiten mogelijk te maken, waardoor de ruime categorie uit de aanhef van het eerste lid geen uitkomst biedt. Ook sub a van de hierop volgende opsomming kan niet worden ingeroepen, nu de verkrijging van aanspraken in het voorliggende geval is gebaseerd op de wet en niet op een rechtshandeling.41 Bij de niet direct bij de verkrijging van het vervangende registergoed vermelde vervangende rechten in de akte van levering is men daarom aangewezen op art. 3:17 onder e en f BW. Om een door middel van zaaksvervanging verkregen recht in te kunnen schrijven op een later tijdstip dan bij de verkrijging van het surrogaat, moet de rechthebbende dus een actie tot verkrijging van een verklaring voor recht instellen (art. 3:302 BW).42 Het nadeel hiervan is dat dit tijd en geld kost, maar daar staat tegenover dat het waarschijnlijk wenselijk is enige controle te hebben op het constateren van het al dan niet van rechtswege ontstaan zijn van aanspraken op registergoederen. Of deze controle echter door een rechter moet plaatsvinden, is de vraag, nu verjaring in beginsel zonder nadere formaliteiten kan worden ingeschreven op grond van art. 3:17 lid 1 onder i BW. Het is naar mijn mening dan ook wenselijk aan de lijst van art. 3:17 lid 1 BW een extra categorie toe te voegen, waardoor door zaaksvervanging verkregen aanspraken zelfstandige inschrijfbare feiten worden. Dit biedt uitkomst in de eerdergenoemde gevallen, waarin het vervangende recht reeds indirect uit de registers kenbaar is, maar een aanvullende directe vermelding wenselijk is om teleurstellingen te voorkomen en wanneer de verschillende betrokkenen de aanspraken uit zaaksvervanging erkennen, maar vermelding in de akte van levering achterwege is gebleven.
De tweede beperking van de reikwijdte van art. 3:24 BW is dat slechts verkrijgers onder bijzondere titel worden beschermd. Daaronder valt volgens de parlementaire geschiedenis niet alleen degene aan wie een registergoed of een beperkt recht daarop wordt overgedragen, maar ook hij die door vestiging of afstand een beperkt recht of, in plaats van de hem tevoren slechts toekomende blote eigendom, de voile eigendom van het goed verkrijgt en degene die een afhankelijk beperkt recht heeft verkregen door de verkrijging van het recht waaraan dat afhankelijke recht is verbonden.43 Rechtsopvolgers onder algemene titel worden daarbij indirect beschermd, namelijk voorzover hun rechtsvoorganger werd beschermd. Hetzelfde geldt voor opvolgers onder bijzondere titel van rechtsopvolgers onder bijzondere titel.44
Geen bescherming wordt geboden aan degene die een registergoed in bezit neemt.45 Ten aanzien van de bescherming nodig tegen door zaaksvervanging verkregen aanspraken is deze beperking niet bezwaarlijk. Bij inbezitneming van registergoederen maakt het nauwelijks uit wie de oorspronkelijke gerechtigde was en of hierop beperkte rechten rustten. Niet beschermd worden echter ook de huurder, de beslaglegger en anderen die een persoonlijke aanspraak ten aanzien van het betrokken registergoed krijgen.46 Ook schuldeisers die zijn teleurgesteld in hun verwachtingen, die zij bij het ontstaan van hun vordering mogelijk uit de registers hebben geput ten aanzien van hetgeen als verhaalsobject voor die vordering zou kunnen dienen, kunnen geen beroep doen op art. 3:24 BW.47
Dit gebrek aan bescherming kan ten aanzien van de teleurgestelde schuldeisers of beslagleggers misschien nog op de koop toe worden genomen, nu hun verwijt neerkomt op (het niet verwezenlijken van) een schijn van kredietwaardigheid en dit argument heden ten dage weinig overtuigingskracht meer heeft. Wanneer zij een grotere zekerheid wensen, staat of stond hen althans de weg open naar het bedingen van een zekerheidsrecht (hypotheek), waarbij na inschrijving wel een beroep op bescherming kan worden gedaan tegen niet ingeschreven rechten. Daar kan echter tegenover worden gezet dat het vreemd lijkt dat beslagleggers de ene keer wel en de andere keer niet op bescherming van de wet kunnen rekenen.48
Het gebrek aan bescherming van huurders is problematischer. Stel een huurder sluit, afgaand op de gegevens uit de openbare registers, een huurcontract met een hoofdgerechtigde die als volledig eigenaar in de registers teboekstaat een huurovereenkomst sluit, terwijl de vruchtgebruiker hiertoe in de onderlinge verhoudingen de enige bevoegde is. Op een later tijdstip kan de huurder geconfronteerd worden met een hem onbekende vruchtgebruiker, die gebruiker blijkt te zijn van het gehuurde. Deze kan wegens het ontbreken van een overeenkomst met de huurder de laatste verzoeken het pand te ontruimen. De huurder heeft dan een persoonlijke vordering uit wanprestatie wegens tekortkoming in de nakoming van de verplichting tot het verschaffen van huurgenot jegens de hoofdgerechtigde. Het belang van huur ligt echter met name bij woningen, meer dan bij andere verbintenissen, in de nakoming van de overeengekomen prestatie en minder in de vermogenswaarde die deze verbintenis representeert. Bij het sluiten van een huurovereenkomst met een verhuurder die geen eigenaar is of onbevoegd blijkt te zijn, wordt het belang van de huurder in ernstige mate geschaad, terwijl een beroep op art. 3:24 BW is uitgesloten.49
Naar mijn mening is de door art. 3:24 BW geboden bescherming te beperkt om de derde genoemde benadering naar geldend recht te verdedigen.50 Daarom moet mijns inziens worden geconcludeerd dat naar geldend recht registergoederen niet als surrogaat bij zaaksvervanging kunnen optreden, tenzij de vervangende rechten onmiddellijk, direct dan wel indirect, uit de openbare registers blijken.51 Uitsluitend indien een betere bescherming wordt geboden aan een ieder met een gerechtvaardigd belang die ten onrechte heeft vertrouwd op de onjuiste vermelding van de rechtsverhoudingen in de openbare registers, kunnen registergoederen als surrogaat bij zaaksvervanging worden toegelaten zonder aanvullende toepassingsvoorwaarden.52 Dit vereist in de eerste plaats dat zaaksvervanging een inschrijfbaar feit wordt in de zin van art. 3:17 BW en in de tweede plaats dat meer derden een beroep kunnen doen op bescherming vergelijkbaar met die geboden door art. 3:24 BW. Een voorbeeld van een dergelijke, aanvullende bescherming wordt geboden door art. 1:97 lid 1, derde volzin en lid 1 eerste volzin (nieuw) BW, dat er binnen een huwelijksgemeenschap voor zorgt dat degene die in het register staat vermeld als rechthebbende ook de bestuursbevoegdheid heeft. Zolang de wet deze bescherming niet biedt, heeft de eerst gegeven optie in andere gevallen de voorkeur. De wetgever is hier aan zet. Daar waar hij de bescherming van zaaksvervanging ook bij verkrijging van registergoederen wenselijk acht, dient hij om deze ook te kunnen realiseren, de bescherming tegen niet-ingeschreven feiten uit te breiden.
206.
Zonder uitbreiding van de bescherming van het rechtsverkeer tegen niet ingeschreven feiten, gaat naar mijn mening het algemene belang dat is gediend met een maximale rechtszekerheid voor de bescherming door zaaksvervanging. Daarbij ben ik met Perrick van mening dat de bepalingen van zaaksvervanging verplichten tot een levering aan de juiste persoon en tot vermelding van andere vervangende rechten bij de levering.53 Wanneer niet aan deze aanvullende vereisten voor zaaksvervanging is voldaan, treedt geen zaaksvervanging op.
De beperking van de bescherming door zaaksvervanging die hiervan het gevolg is, kan daarbij worden verzacht door aan te nemen dat de bepalingen van zaaksvervanging recht geven op vestiging van een nieuw, vervangend recht, als het optreden van zaaksvervanging van rechtswege niet heeft plaatsgevonden. Wanneer dus een vruchtgebruiker een onroerende zaak krijgt geleverd die eigenlijk op naam van de hoofdgerechtigde had moeten staan, ofwel aan de hoofdgerechtigde wordt geleverd maar de vermelding van het vruchtgebruik ontbreekt, bestaat naar geldend recht geen ruimte voor zaaksvervanging. De gevolgen worden daarbij beperkt door de vruchtgebruiker of de hoofdgerechtigde een recht op 'herstel' van de beoogde toestand toe te kennen.54 Bij levering aan de hoofdgerechtigde heeft de vruchtgebruiker het recht op vestiging van een nieuw beperkt recht en bij levering aan de vruchtgebruiker kan de hoofdgerechtigde naar mijn mening overdracht onder voorbehoud van het recht van vruchtgebruik eisen. In beide gevallen geeft de zaaksvervangingsbepaling de rechtsgrond of de titel voor de noodzakelijke levering of vestiging en ontstaat een nieuw recht op de datum van de inschrijving van de notariële akte in de openbare registers.
207.
Registergoederen kunnen een surrogaat zijn bij zaaksvervanging als de vervangende rechten direct dan wel indirect kenbaar zijn uit de openbare registers. Dit is een aanvullende eis voor het van rechtswege optreden van zaaksvervanging, die noodzakelijk is om de met het registerstelsel beoogde bescherming van het rechtsverkeer te blijven garanderen. Vervangende rechten die niet uit de openbare registers blijken, moeten in beginsel worden afgewezen, zolang het stelsel van bescherming van derden die vertrouwen op de juistheid van de registers, niet is uitgebreid en zaaksvervanging geen zelfstandig inschrijfbaar feit is. Een uitzondering op deze regel kan, gezien de beschermende werking van art. 1:97 lid 1 BW, worden aanvaard binnen het huwelijksvermogensrecht.
Wanneer door het niet voldoen aan de aanvullende voorwaarde geen vervangende rechten ontstaan, verschaffen de zaaksvervangingsbepalingen wel een rechtsgrond of titel voor de vestiging van een nieuw recht met een vergelijkbare omvang als het oorspronkelijke recht. Dit nieuwe recht ontstaat op het moment van de inschrijving van de aanvullende vestiging of overdracht. Van zaaksvervanging, dus van het van rechtswege verkrijgen van een recht met kenmerken van het oorspronkelijke recht, is dan echter geen sprake.